HOOFDSTUK VII.

't Is half September, ruim zes weken na vaders dood, en 't begint al

echt herfst te worden. De zon schijnt wel, maar vooral de avonden worden

koud, zoodat we 's avonds de serre-deuren niet meer open kunnen houden.

De lamp moet vroeg aan en soms brandt er al 'n lustig houtvuurtje in den

haard, 's middags na 't eten.

De boomen en heesters in ons tuintje worden al geler en ijler. Er hangen

geheimzinnige spinnewebben en glinsterende herfstdraden in en 't gras

en de paden liggen vol afgevallen blaren. De wingerdranken aan 't lage

hekje, dat onzen tuin van dien van de van Slootens scheidt, worden

iederen dag rooder en bladerloozer, maar de Oost-Indische kers zit nog

vol bloemen en de dalia's en phloxen bloeien overvloedig. Hier en daar

ontluikt nog 'n enkele roos.

Als in 't voorjaar de seringen en de beide kerseboomen in vollen bloei

staan, zullen hier andere menschen wonen......

Den tweeden September is Huib naar Hamburg vertrokken en of hij met

Kerstmis thuiskomt is nog niet zeker.... 't Was zoo'n raar afscheid. Léo

en Bernard kwamen mee, en Huib zelf zei bijna niets. Toch beweerde hij,

dat hij 't prettig vond om te gaan....

In 't begin van deze week heb ik 'n brief van hem gehad. Hij is verrukt

over Hamburg en schijnt 't er wel naar z'n zin te hebben. Of ik hem af

en toe eens schrijven wil, vroeg hij.... Ik wil 't natuurlijk met alle

plezier, maar toch doe ik m'n best me maar niet te groote illusies te

maken....

't Is niet meer dan vriendschap van zijn kant en daar mag ik al blij mee

zijn, want hij toont zich 'n oprecht vriend die zich geeft, zooals hij

is. Flirten doet hij nooit, voor zoover ik kan nagaan.

Arme Ada! Zij is wel te beklagen! Kort na 't publiek worden van Roosje's

engagement hoorden we, dat George Hofmann geëngageerd is met 'n Engelsch

meisje, dat hij dezen zomer op reis ontmoet heeft. Ze schijnt heel mooi

en schatrijk te zijn en woont op 'n groot buitengoed in Wales.

Hij is er op 't oogenblik gelogeerd en trouwt al in Januari. Mevrouw

Verhoogh weet allerlei bizonderheden. De heele stad is er vol van.

Ada is er ellendig over. Zoo bleek en behuild was ze toen ik haar voor

't eerst weerzag nà Dennenoord. Voor ons beiden is er wèl veel

veranderd sinds dien tijd....

Ze kón 't eerst niet van George gelooven, die háár vriendelijke brieven

schreef, terwijl hij dat Engelsche meisje al druk 't hof maakte....

Ze ziet nu wel in, dat ze met zóó'n man toch nooit gelukkig zou zijn

geworden en doet haar uiterste best over haar teleurstelling heen te

komen. Ze is voor 'n poosje bij 'n oom en tante in Maastricht gelogeerd

en van plan, net als ik, voor 't een of ander examen te gaan studeeren.

Ze denkt over botanie. Daar heeft ze altijd veel plezier in gehad. Hard

werken is toch de beste manier om 't zoo gauw mogelijk te vergeten, dat

geeft ze haar ouders volmondig toe.

Mevrouw Witsen is eigenlijk blij, dat 't nu maar voor goed uit is. Zij

hield niet erg van George en meneer had evenmin veel met hem op.

Die kan van die verfijnde, fatterige jongelui in 't geheel niet

uitstaan, en ik herinner me heel goed, hoe hij Jo Witsen af en toe voor

den gek hield, als die op Dennen-oord met erg buitenmodelsche vesten en

dassen rondliep.

Roos vindt 't erg zielig, maar is even blij als ik, dat Ada's oogen nu

eindelijk geopend zijn. We praten of schrijven haar maar niet veel over

de questie, maar voelen ons meer dan ooit vriendinnen met ons drieeën,

hoewel Théo ons plaagt en altijd van „'t klaverblad” spreekt. Maar hij

mag Ada en mij heel graag, en we verheugen er ons in, dat Roosje door

haar engagement niet voor ons verloren is gegaan.

Vanmorgen heb ik m'n eerste les bij monsieur Durand gehad.

Als ik heel hard werk kan hij me waarschijnlijk in twee en 'n half jaar

klaar hebben voor mijn acte A. Ook zal ik minstens nog een maand of drie

naar 't buitenland moeten, maar dat is van later zorg. Hij heeft me voor

de volgende week 'n ontzettend groote thema en 'n flink eind grammaire

opgegeven en me op 't hart gedrukt, vooral netjes en duidelijk te

schrijven en iederen dag geregeld te werken.

In 'n groote, kale kamer zaten we naast elkaar aan 'n langwerpige tafel

met 'n donkerrood tafelkleed vol inktvlekken en zakelijk bespraken we

alles. Hij legde 'n paar boeken voor me klaar en maakte 'n lijstje van

enkele, die ik noodig had en me aan moest schaffen en liet me toen, bij

wijze van proef, 'n eind hardop lezen en vertalen uit de Balzac's:

Eugénie Grandet.

M'n slapen bonsden en ik gloeide van inspanning en agitatie toen 't uur

om was.

Toch was hij niet onvriendelijk of ongeduldig, maar 't leek zoo'n echte

schoolvos: 'n glimmend kaal hoofd, 'n rood gezicht met 'n grijzend

baardje en kleine, grijze oogen achter 'n lorgnet.

Ik kreeg niets geen Franschen indruk van hem, maar hij vertelde dan ook,

dat hij Zwitser is!

Zijn handen alleen zijn bizonder welverzorgd en z'n stem klinkt

welluidend en beschaafd, en natuurlijk spreekt hij onberispelijk

Fransch, waar 't dan ook eigenlijk 't meest op aankomt.

„Vous êtes fatiguée, mademoiselle?” vroeg hij, me over z'n lorgnet heen

aankijkend, terwijl hij me uitliet.

„Un peu, monsieur,” antwoordde ik bedremmeld. Toen kwam er 'n klein

bleek meisje in 'n rood jurkje door de halfduistere gang aangesprongen,

dat haar beide magere armpjes door z'n linkerarm stak en hem met zich

mee wou trekken.

We stonden al bij de voordeur, maar hij tilde 't kleine ding vol trots

in de hoogte.

„Allons, Juliette, ma chérie, dis bonjour à mademoiselle,” en 't kind,

half schuchter, half onwillig, reikte me 'n bevend handje.

Daarop opende hij de deur.

„Adieu mademoiselle, au revoir!”

„Au revoir, monsieur,” mompelde ik, en met m'n boeken onder den arm,

liep ik langzaam naar huis, doodmoe met kloppend hoofd.

Toen ik thuiskwam, voelde ik me ineens zoo vreemd en duizelig, dat ik

'n oogenblik op de rustbank moest gaan liggen. Gelukkig was moeder boven

en zag ze me niet, voor ik weer bekomen was.

Moeder maakt zich ongerust over me en de anderen vinden, dat ik er

slecht uitzie. Bij buien valt 't me zelf ook op.

Sinds vaders dood ben ik zoo bleek en mager geworden, maar misschien

lijkt 't erger met die zwarte kleeren. Als ik maar niet aldoor zoo loom

was, zou 't me niet kunnen schelen, maar die loomheid hindert me bij

alles. Ik word er soms suf van. 's Avonds val ik als 'n blok in bed en

slaap dadelijk. Als moeder iets tegen me zegt, ben ik al lang onder

zeil, en toch is 't of ik iederen morgen vermoeider opsta.

Ik klaag er maar niet over. Dat geeft toch niets, maar als 't niet

overgaat, zal ik eens stilletjes naar 't spreekuur van onzen dokter zien

te snappen. Moeder mag 't vooral niet merken. 't Zal wel niets zijn dan

'n beetje bloedarmoede. Dat is zoo in de mode tegenwoordig! Toch is 't

wel raar, dat ik van 't minste of geringste zóó gauw moe word.

Na de koffie bood ik aan om stof af te nemen hier in den salon en 't wat

gezellig te maken, want moeder heeft vanmiddag ontvangdag en wil liefst

hier boven zitten. Ik zal straks thee voor haar schenken. Als er maar

niet veel menschen komen, want zoo akelig als ik me nu toch voel!

M'n hoofd bonst en m'n rug steekt, alsof ik heel zwaar werk gedaan had

en ik heb hier alleen maar stof afgenomen, de theetafel in orde gemaakt

en wat Oost-Indische kers geschikt in 't kristallen bakje op 't kanapée

tafeltje.

Daar slaat de pendule twee uur.

Vooruit! Ik moet nog 'n paar dalia's gaan plukken voor 't Brouwer-vaasje

op de étagère. Daar staan ze zoo aardig in!

Ik dwing mezelf op te staan uit den fauteuil, waarin ik, met den

stofdoek in de hand, even heb zitten uitblazen en loop naar beneden.

M'n hoofd duizelt en zoo vreemd beverig ben ik op m'n beenen. Allemaal

kleuren warrelen er voor m'n oogen.... Gauw maar den tuin in, dan gaat

't wel weer over!

Ik doe de deur van de huiskamer open. Moeder en Flip zijn binnen. Ik zie

ze als in 'n nevel.... 't Is of de heele kamer met me rond draait.... Ik

klem me ergens aan vast....

„Water,” hijg ik, m'n uiterste krachten inspannend om me op de been te

houden. Maar ik kan niet langer. 'n Vreemd geruisch komt in m'n ooren

en, volkomen willoos geef ik me over....

* * * * *

Ik ben ziek.

Al meer dan 'n maand lig ik pal te bed, maar ik ga nu toch goed vooruit.

De eerste dagen na dien middag, toen ik flauw viel, was ik te zwak

en te soezerig om me duidelijk rekenschap te geven van 't gebeurde.

't Was alles zoo vreemd en vaag. Ik deed niets dan slapen en als ik even

wakker werd, zag ik moeders gezicht of dat van onzen goeden ouden dokter

Sluyters. Maar dan vielen vanzelf m'n oogen weer dicht en dommelde ik

voort, te moe om iets te zeggen, alleen flauwtjes beseffend, dat ik ziek

was en naar hartelust slapen mocht. Al 't andere kon me niet schelen.

Hoe lang dat zoo geduurd heeft zou ik niet kunnen zeggen, maar dit weet

ik wel, dat ik me sinds verleden week veel sterker voel. Ik kan weer

geregeld denken en vind 't prettig als moeder of een van de zusters of

zwagers bij me zitten. Ook de kinderen komen soms één voor één even,

want veel praten en drukte vermoeien me nog wel, al vind ik zoo'n enkel

bezoekje heerlijk.

Iedereen is even lief voor me. Al mag ik tot nog toe niemand dan de

naaste familie bij me hebben, vergeten word ik niet; daarvan zijn de

bloemen, die de kamer versieren en de vruchten en versnaperingen, die

er alle dagen voor me gebracht worden, getuigen. Zelfs monsieur Durand

laat af en toe naar me vragen en als moeder, die me al dien tijd alleen

heeft opgepast, maar niet telkens zoo heen en weer sjouwde en ik niet

zoo akelig veel bouillon, eieren en room te slikken kreeg, zou ik dezen

toestand bepaald heel aangenaam vinden voor 'n poosje. Vooral omdat ik

geen pijn heb en er van gevaar geen sprake is.

't Is niets dan bloedarmoede en slapte van zenuwen, die door rust en

sterke voeding volkomen genezen zullen en door moeders goede zorgen al

grootendeels genezen zijn.

„Hoe ik ook m'n best doe, ik kan maar niets aan je ontdekken”, plaagde

de dokter me, zoo gauw ik wat begon bij te komen en onveranderlijk

luidde zijn advies: „stil in bed blijven, eten en dik worden!”

Dat dikworden lokt me niet erg aan, maar ik zal er me wel in dienen te

schikken, want ik schijn er met den dag welgedaner te gaan uitzien. Max

en Flip vooral plagen me vreeselijk met deze „mestkuur” en voorspellen

me, dat ik 'n ton zal worden als ik zoo doorga.

Gisteren, toen hij uit Leiden kwam, bracht Flip 'n kistje perziken voor

me mee. Bovenop lag 'n uit 'n courant geknipte advertentie:

Gemeste Piepkuikens, panklaar

à 30, 40 en 50 cent te bekomen bij

J. Welters te Groningen.

„Als je weer eens van die aardigheden hebt hou ik me aanbevolen, hoor,”

zei ik inwendig grinnikend, maar mezelf dwingend tot zóó'n beleedigden

toon, dat moeder wanhopig uitriep:

„Och, Flip, maak 't kind geen onzin wijs! Ze eet toch al zoo slecht de

laatste dagen. Als Max en jij niet met die plagerijen ophouden, zal ze

op 't laatst niets meer eten!”

Die goeie moeder! Ondanks m'n ziek-zijn ziet ze er toch wat beter uit en

is er weer iets van haar oude vroolijkheid teruggekomen. Ze weet niet

wat ze verzinnen zal, om 't me maar smakelijk en gezellig te maken, en

terwille van haar alleen wil ik nog wel wat dikker worden. Als dat geëet

me maar niet zoo tegenstond!

Ik heb 'n langen, hartelijken brief van Huib gehad en mevrouw van

Slooten kwam me uit naam van haar drie zoons prachtige witte chrysanthen

brengen. Ze is maar héél even bij me geweest, omdat ze niet tot de

familie behoort, maar ze had Huib moeten beloven precies te schrijven,

hoe 't met me ging en hoe ik er uitzag, dus wou ze zich liefst zelf

komen overtuigen als 't mocht en ik haar ontvangen wilde.

Ik had er natuurlijk niets tegen, integendeel en verzocht veel dank en

groeten aan de jongens en gaf haar voor Huib de boodschap mee, dat ik

hem, zoo gauw de dokter 't goedvindt, schrijven zal. O, ik had 't wel

dádelijk willen doen, zoo blij ben ik met z'n brief, waaruit ik nu

toch wel degelijk zien kan, dat hij méér voor me voelt, dan 'n beetje

vriendschap. Hij schijnt werkelijk erg ongerust over me geweest te zijn,

dat merkte ik aan mevrouw. O, ik ben er zoo blij om! Nu ben ik tenminste

niet voor niets ziek! Als hij met Kerstmis thuiskomt, zal ik stellig

weer heelemaal beter zijn. Eind October is 't nu pas, dus nog bijna twee

maanden. Wat 'n tijd nog!

Zou Bé vanmiddag niet komen? 'k Denk 't wel niet; 't is zulk leelijk

weer. 't Waait en stortregent. Van uit m'n bed zie ik af en toe heele

vluchten dorre blaren langs de vensters slieren. Meestal zit Bé 's

middags bij me te naaien.

Ze wacht einde Maart 'n kindje en is al bezig met de luiermand in orde

te brengen. Zoo gauw ik mag, ga ik 'n steekje meedoen. 't Is zoo'n

gezellig werk, die kleine lakentjes en poppen-kleertjes!

Bé ziet er uitstekend uit en is zóó opgewekt, dat 't moeder en mij

bepaald goed doet. Aad komt haar 's middags na kantoortijd meestal halen

en is minstens even verrukt als Bé, want hun kindje zal 't eerste

kleinkind in de familie van der Marck zijn.

Roosje, die me één keertje heeft mogen opzoeken, vindt 't erg gewichtig

om tante te worden en is begonnen 'n zeer bewerkelijk jurkje voor

't kleine neefje of nichtje te borduren. Ik heb haar voorspeld, dat

ze er wel niet mee klaar zal komen, want ik weet bij ondervinding, hoe

zoo'n werk op den duur gaat vervelen. Toen Loekie komen moest, begon

ik vol ijver aan 'n schortje en 't is nóg niet af, maar Roos heeft

waarschijnlijk meer volharding. Bé plaagt me, dat ik dat schortje nu

maar voor haar kind af moet maken, want dat iets heel nieuws toch niet

meer klaar komt en ik zál 't doen, hoewel ik er eigenlijk niet veel lust

in heb en veel liever aan iets anders zou beginnen.

De van der Marck's zijn zoo in-goedig voor me. Mevrouw laat telkens

lekkere schoteltjes brengen en Wim heeft me de mooiste van z'n zelf

grootgebrachte kanaries cadeau gedaan, maar die staat beneden, want

z'n gezang zou me nog te veel vermoeien. Het beest heet: de „vliegende

Biefstuk,” omdat 't zoo lang kaal bleef en zoo griezelig rood zag, toen

Hans en Grietje en „Riket met de kuif” al mooi in de veeren zaten, maar

hij heeft z'n schade ingehaald en is nu „der Herrlichste von allen,”

zooals Roos beweert, dus mag ik 't wel op prijs stellen, dat Wim hem

aan mij heeft afgestaan.

Hè, wat is er 'n gepraat in de huiskamer! Ik hoor hierboven de stemmen

zoemen. Wie van onze kennissen zou er roeping voelen door dit hondenweer

naar mijn illustre gezondheid te komen vernemen? Iedereen weet, dat ik

hollend vooruit ga de laatste week! 't Lijkt Max' stem wel, maar dat kàn

niet, want Max is om dezen tijd nog op z'n kantoor. Half vier is 't net.

Daar komt iemand de trap op en 't portaal over....

't Is Max wél. Ik weet 't nu zeker. Wat zou hij hebben?

'n Haastig klopje op de deur:

„Mag ik binnenkomen, Piepkuiken?”

„Natuurlijk Max! Wat ben je vroeg vandaag! Kom aan m'n sponde,” noodig

ik en dan zeer benieuwd of hij werkelijk iets bizonders te vertellen zal

hebben:

„Wel is er iets?”

„Ja, iets goeds!” Max trekt 'n stoel bij, gaat zitten en strijkt met z'n

hand over 't voorhoofd. Wat ziet hij er opgewonden uit! Ik popel van

nieuwsgierigheid.

„Piepkuiken,” zegt hij en z'n stem trilt even, „ik kom je iets

vertellen, waar je heel blij om zult zijn, net als wij allemaal, maar

je moet me beloven rustig te blijven liggen. Ik—of liever gezegd m'n

oom Charles de Weert, 't kamerlid—is er in geslaagd om Herman hier in

Amsterdam 'n baantje te bezorgen, als ingenieur bij de spoorwegen. We

zijn er al 'n poosje mee doende. Floor alleen wist er iets van af, want

we waren veel te bang de familie met 'n dooie musch te verheugen, maar

nu 't gelukt is, kunnen we Eef en Herman begin December al hier in

Holland verwachten! Wat zeg je daarvan?”

Ik heb 'n paar seconden noodig om 't nieuws te verwerken. Eef en Herman

voor goed terug uit Indië! Ik kan m'n ooren niet gelooven. Ik zit

rechtop overeind van verrassing.

„O Max, Max, hoe heerlijk! Wat zegt Moeder er wel van?”

„Moeder is in de wolken. Ze is nog niet heelemaal bekomen van de

verrassing, maar Floor is beneden bij haar.”

„En Flip, weet die 't al? Of was hij niet thuis?”

„Jazeker. Zoo gauw we 't telegram van Herman ontvingen, dat hij 't

aannam, zijn Floor en ik er mee naar hier gekomen om alles aan moeder te

vertellen. Flip was net op 't punt uit te gaan. 't Was meer geluk dan

wijsheid, dat we hem nog aantroffen. Hij is 't dadelijk aan Bé gaan

zeggen. Aad zal nog wel niet thuis zijn; Bé is met dat slechte weer

waarschijnlijk niet uitgegaan. Maar ga jij eens gauw liggen, kleintje!”

„O nee, Max, láát me toch! Ik ben zoo blij, zoo blij!” Ik sla m'n armen

om z'n hals en kus hem.

„Hoe is moeder toch wel? Toe, ga haar en Floor hier halen!”

„Ja, dat zal ik doen, als jij je nu maar rustig houdt. Denk er aan, dat

je ziek bent,” plaagt Max heengaande om aan m'n wensch gehoor te geven.

Eef en Herman terug!! Ik zou zóó wel uit m'n bed willen vliegen, maar ik

doe 't niet en ga stil liggen met m'n armen onder 't hoofd, tot moeder

en Floor komen.

Floor ziet rood van opwinding, moeder huilt en lacht tegelijk.

„Kinderen, kinderen, dat ik dáár heelemaal niets van gemerkt heb! O, als

vader dit had mogen beleven....”

'n Half uur later kwam Flip met Bé en Aad aanzetten. Flip had 'n flesch

Champagne onder den arm, en op mijn slaapkamer, die er toch al zoo

feestelijk uitzag met al die bloemen, werd gedronken op 't heuglijke

feit, de eerste werkelijke vreugde sinds vaders dood.

Piepkuikentje · 第 11 / 15 题