HOOFDSTUK VI.

Ze vinden allemaal, dat ik er zooveel beter uitzie de laatste dagen, en

dat vind ik zelf ook.

„Dat komt van 't melk drinken en van de dennenlucht!” roept Mevrouw,

wier trots en glorie 't is haar logées met dikke wangen naar huis te

kunnen zenden en ik lach maar en zal me wel wachten, haar de ware

oorzaak te openbaren!

't Is of ik nu pas genieten kan van de mooie natuur. Van de bosschen met

hun wisselende licht- en schaduwplekken, waar de boomen zoo geheimzinnig

ruischen en de insecten zoemen, van de hei, die begint te bloeien en de

prachtige vergezichten met de drijvende wolken. Och, ik vond alles wel

mooi met m'n oogen, maar 't ging zoo lángs me. 't Liet me eigenlijk zoo

onverschillig, zoolang 't binnen in me niet pluis was, maar nu! Nu kan

ik er met hart en ziel in opgaan, ben ik vroolijk om de minste

kleinigheid.

Vandaag regent 't en zitten we allen prettig bijeen in de zaal. 't Is

niets naar, om eens 'n dag binnenshuis door te brengen, vooral na dien

vermoeienden fietstocht van gisteren!

Meneer en Mevrouw waren er bij, zoodat ze niet over ons in onrust

gezeten hebben, maar alles meemaakten, toen we midden op de heide door

'n onweersbui werden overvallen en klets en kletsnat regenden.

We hadden geen drogen draad meer aan 't lijf, maar iedereen was 't er

over eens, dat 't 'n hoogst avontuurlijke tocht was. Als razenden vlogen

we achter elkaar over 't smalle fietspad met den wind in den rug, door

de geweldige stortbuien, éénig gewoon.

Juf en de meiden wisten niet wat ze zagen, toen die heele druipnatte

karavaan weer kwam aangefietst. Nico juichte en Henk was uit z'n humeur,

dat hij 't waterballet niet had meegemaakt.

„Ik zou 't toch zoo leuk gevonden hebben”, riep hij met 'n huilstem,

terwijl we allemaal in de gang onze soppende schoenen uittrokken en toen

op onze kousen naar boven liepen om ons te gaan verkleeden.

Vanmorgen goot 't nog steeds, zoodat er geen denken aan was 'n voet

buiten de deur te zetten. Ik schreef daarom 'n langen brief naar huis en

hielp toen Ada en Roosje mee noga en boterkussentjes bakken en weerde

Henk en Nico uit de keuken, daar die telkens strooptochten ondernamen om

iets van 't lekkers, dat we aan 't bereiden waren, machtig te worden.

Henk werd 'n oogenblik woedend op me, omdat ik hem uitlachte, toen

hij 'n gloeiend stuk noga in z'n mond stak en met 'n gesmoorden kreet

naar den gootsteen holde om 't daar te verwijderen. Maar toen ik hem

naderhand 'n boterkussen van buitengewone afmeting vereerde, kwam ik

weer in de gratie.

Vanmiddag, terwijl 't maar gestadig doorregende, hebben we ping-pong

gespeeld en charades gedaan, waarbij Juf en de jongens ook meededen. We

waren in twee partijen verdeeld, die ieder op de beurt iets voorstelden

uit de geschiedenis, dat dan door de andere partij geraden moest worden.

De gansche historie van de schepping der wereld tot de jongste

kamerverkiezingen toe, werd overhoop gehaald. Socrates, die te midden

van z'n geliefde leerlingen den giftbeker dronk, Salomo, rechtsprekend

over de twee moeders, wier kind werd voorgesteld door 'n sluimerrol,

de begrafenis van de keizerin van China, en de kroning van Napoleon

als keizer, dit alles werd met de meeste levendigheid en afwisseling

vertoond en geraden.

't Aardigst was „de afstand van Karel V ten behoeve van zijn zoon

Philips”, die met pracht en praal op de volgende wijze werd opgevoerd:

Theo met 't zilveren deksel van den jampot als kroon op 't hoofd en 'n

rood pluche tafelkleed om, was Karel V, die steunend op den schouder van

Roosje, den jongen prins van Oranje, zijn zoon Philips, alias Jo, die

voor hem geknield lag, met plechtig gebaar 't deksel van den jampot

opzette. Mevrouw, Kees en ik maakten 't gevolg uit en bejammerden 't,

dat het zoo gauw geraden werd.

Spoedig daarop raakten we verzeild in allerlei onthoofdingen: Maria

Stuart, Oldenbarneveldt, Charlotte Corday, 't werd eentonig en al te

bloederig op den duur, maar Hannie en Henk wisten er meer variatie in

te brengen door op 'n gegeven moment Adam en Eva voor te stellen onder

'n groote paraplu, waar Henk 'n paar onrijpe appelen had aangeprikt.

Maar nu hebben we er genoeg van; de orde in de kamer is hersteld en

mevrouw schenkt 'n kopje thee voor ons, terwijl juf rondgaat met de

lekkernijen, die we vanmorgen gemaakt hebben.

Henk en Nico zitten met propvolle monden elkaar 't grootste stuk noga te

betwisten, Théo speelt 'n walsje en Jo en Hannie en Roosje en ik dansen,

terwijl Ada de rozen, die haar vader net in den tuin is gaan plukken, in

'n kristallen vaasje schikt.

We zijn allen, ondanks den regen, in de genoeglijkste stemming als een

van de meiden na 'n klopje binnenkomt.

„Wat is er, Sientje, 'n telegram?”

„Ja mevrouw, maar 't is geloof ik voor juffrouw Beumer; dat staat er

tenminste op!”

„'n Telegram voor mij! O, wat zou er zijn?”

De piano zwijgt, er heerscht ineens 'n doodsche stilte, terwijl ik aller

blikken op me gericht voel en bevend over mijn heele lichaam 't papier

losscheur en met trillende stem lees:

_„Vader plotseling ernstig ongesteld spoedige overkomst gewenscht._

_Max.”_

„Ooh, o God!” kreun ik, en 't telegram valt uit mijn sidderende handen.

't Is of 't bloed wegzakt uit m'n hoofd.... Er komt 'n nevel voor m'n

oogen.... Blindelings tast ik naar 'n stoel.

„Lizzy, Lizzy!” gilt Ada's stem vlak bij m'n oor. Dan wijkt die vreemde

duizeligheid en flitst 't wreed en helder door m'n verward brein, dat ik

naar vader moet, onmiddellijk! Ik heb geen minuut te verliezen.

Iedereen kijkt me verslagen aan. Ik hoor Roosje zenuwachtig snikken.

Iemand houdt me 'n glas water voor, dat ik gretig aanneem en uitdrink.

„Mevrouw”, zeg ik smeekend, „ik moet weg, dadelijk”.

Ze slaat haar armen om me heen.

„Natuurlijk kindlief. We zullen alles voor je doen. Toe, probeer kalm te

zijn. 't Kan toch nog wel meevallen. 't Is misschien niet zoo erg als je

denkt....”

„Ik zal je brengen,” zegt meneer Witsen beslist. „Ik zal onmiddellijk

laten inspannen. Daar gaat 'n trein om half zes. Die kunnen we nog

makkelijk halen. Houd je nu flink, Lizzy!”

Er is iets gebiedends in z'n stem, dat me kalmeert en vertrouwen geeft.

Gelukkig, ze zullen me helpen. Ik sta niet alleen.

„Juf en de meisjes zullen 't noodigste wel even voor je inpakken. Je

koffer sturen we naderhand wel. Bekommer je maar om niets”, en mevrouw

trekt me naast zich op de kanapee en wenkt de anderen heen te gaan.

Versuft leun ik m'n hoofd tegen haar schouder. Ik huil niet. Ik zou 't

niet kùnnen. Zoo vreemd en leeg voelt m'n hoofd; ik kan niet denken.

't Is net of ik droom.... 'n Bord soep, dat me tegelijk met m'n goed

gebracht wordt, schuif ik van me af, trek werktuigelijk m'n mantel aan

en zet m'n hoed op. Ik ben klaar en druk zwijgend iedereen de hand; ze

doen me allen uitgeleide. Ik sta al op de stoep.

„Dank jullie allemaal. U vooral, mevrouw,” is 't eenige wat ik weet te

zeggen, dan helpt meneer me in 't wagentje.

In den trein kom ik pas goed tot bezinning. Er zijn geen andere

reizigers. Over me zit alleen meneer Witsen, verscholen achter 'n

courant, en starend uit 't raampje prevel ik voor me heen de woorden van

't telegram: Vader plotseling ernstig ongesteld. Spoedige overkomst

gewenscht.

O, 't zal wel héél erg zijn. 't Kán niet dringerder. Wat zou 't toch

wezen? 'n Ongeluk,.... gevallen misschien? Vader is immers nóóit ziek

en nog niet oud. Achtenvijftig pas. Nog in de kracht van z'n leven. Die

goeie, lieve vader! Zoo kranig en flink zag hij er uit, toen hij mij en

Roosje naar den trein bracht, nu nog geen veertien dagen geleden. En hij

was zoo bezorgd voor me, hoopte zoo dat ik veel plezier zou hebben en

dat de buitenlucht me goed zou doen. O, als hij nog maar leeft, als hij

me nog maar even herkent..

M'n lichaam schokt, 'n snik komt uit m'n keel en de tranen druipen

ineens langs m'n wangen.

Meneer Witsen laat z'n courant zinken en ziet me hartelijk-meewarig aan:

„Huil maar eens uit. Dat zal je goed doen, beste kind.”

En o, 't doet goed, 't doet me onbeschrijflijk goed, dat ik eindelijk

huilen kan. 't Is de eenige uiting voor dit groote, gróóte verdriet en

voor den vreeselijken angst en onzekerheid, die me bezielen.

„Kom, je moet je niet dadelijk 't állerergste voorstellen. 't Zal

natuurlijk erg zijn, maar de kans op beterschap is immers niet

uitgesloten. Je wéét 't immers nog niet,” tracht meneer Witsens goedige

stem te troosten.

„O, dat is juist zoo ontzettend”, snik ik. „Wist ik 't maar!”

Helaas zoo gauw we Max' gezicht zagen—hij kwam me alleen met 'n rijtuig

van den trein halen,—begrepen we 't beiden maar al te goed: Er viel

niets meer te hopen....

Vader was 's middags na de koffie, toen hij weer naar de rechtbank zou

gaan, ineens in elkaar gezakt.

't Gebeurde in de eetkamer.

Moeder en Flip, die er gelukkig alle twee bij waren, stuurden

onmiddellijk om den dichtst in de buurt wonenden dokter, die dadelijk

kwam en 'n beroerte constateerde en hen voorbereidde op 't einde, dat

hij spoedig verwachtte.

Vader is niet meer bijgekomen. Nog enkele uren heeft hij bewusteloos

gelegen en is kort na mijn thuiskomst bijna onmerkbaar ingeslapen.....

Toen meneer Witsen 's avonds om tien uur nog eens hooren kwam, was 't al

afgeloopen.....

* * * * *

De droeve drukte van de begrafenis is voorbij.

De stroom van ontelbare bezoeken en condoleancebrieven begint iets te

minderen en 't gewone leven gaat zoo zoetjes aan weer z'n ouden gang.

Voor de buitenwereld althans.

Want 't is net of we ons verlies nu pas goed gaan beseffen. De

verpletterende slag is zoo plotseling gevallen, dat we niet in staat

waren alles in z'n volle diepte te voelen en te omvatten in 't begin.

En we maakten ons zoo ongerust over moeder. Met droge, doffe oogen zat

ze maar voor zich uit te staren. Ze zei niets, ze antwoordde niet eens

als er iets gevraagd werd. Ze was totaal versuft. Twee dagen heeft dat

zoo geduurd.

Den dag van de begrafenis kwam eindelijk de reactie. Ze is zoo

ziels-bedroefd..... Maar hoe vreeselijk 't ook is, hoe radeloos 't me

maakte haar zoo wanhopig te zien, toch zien we haar nog liever met haar

roode, gezwollen oogen, dan met dat akelig verwezen gezicht en dien

starren blik.

Ik slaap nu naast haar in vaders bed en gisterennacht voor 't eerst

hebben we weer geslapen, want toen moeders verdriet eenmaal tot uiting

kwam, deed ze de eerste nachten niets dan huilen en kreunen. Rampzalig

was ze.

Bijna dertig jaar is ze alles voor vader geweest en vader alles voor

haar en nu ineens is hij weggerukt, voor goed verdwenen uit den

gezelligen kring..... Voor hem is 't maar 'n zegen, dat hij onbewust is

heengegaan. 't Wreede afscheid is hém tenminste bespaard gebleven.....

Hoe vreeselijk zou hij Eef gemist hebben. Eef, de eenige, die ontbrak

aan z'n sterfbed..... Eef, die z'n „lievelingsdochter” was, zooals we

hem vroeger wel eens plaagden, want al hield vader van ons allen

evenveel, voor háár had hij toch 'n bizonder zwak.

„Zij lijkt het meest op moeder,” zei hij altijd.

Arme Eef, hoe zal ze daarginds naar ons verlangen, hoe reikhalzend

uitzien naar brieven van ons..... Niets dan 't telegram met vaders

doodstijding kan haar in de eerste weken bereiken....

Floor, die 't kalmst was, heeft dadelijk zoo uitvoerig mogelijk

geschreven, maar hoeveel dagen moeten er nog niet verloopen, voor die

brief in haar bezit zal zijn!

Zoo akelig stil is 't in huis. We kúnnen er ons niet indenken, dat we

hier in diezelfde kamers, waar we nu in onze rouwkleeren rondloopen, 'n

paar maanden geleden zoo vroolijk en opgewekt Bé's bruiloft vierden.

Ziekte en dood leken toen zóo ver, of ze ons niet bereiken konden.....

De eenigen, die ons werkelijk wat afleiding geven, zijn de kinderen.

Floor brengt Liesje en Bobbie alle dagen en moeder zegt, dat 't haar

goed doet, als die twee samen door 't tuintje ravotten en met hun

onschuldige gezichtjes praten over Opa.

Gisteren, toen ik even alleen met ze was, vroeg Bobbie:

„Zeg, tante Piep, wanneer zou Opa nou weer hier komme?” waarop Liesje

met 'n verschrikt gezichtje en haar vingertje voor den mond zei:

„Sst, daar mag je niet over praten van Moekie. Dan doe je Oma en tante

verdriet, want Opa kómt niet meer terug, die is nou bij onze-lieve-Heer

en daar is 't heel prettig,” en toen in 'n lieve behoefte om te troosten

met 't verdriet, dat ze instinctmatig voelde en nog niet begrijpen kon,

sloeg ze haar armpjes om m'n hals en Bobbie goedig, deed dadelijk 't

zelfde en als om strijd vleiden ze: „Zoete tante Piep. We houën zoo

vreeselijk erg veel van je!”

Ik trok ze bij me op schoot, op iedere knie 'n kind en begon ze hun

lievelingsgeschiedenis te vertellen, 'n verhaal, dat Floor mij vroeger

altijd moest voorlezen uit „de Kinderkamer” en waarvan ik den aanhef nog

onthouden heb. „Tante Spinrag had twee katjes Mimi en Zoozoo,” en verder

putte ik m'n eigen fantasie uit in allerlei onwaarschijnlijke avonturen,

die ik Mimi en Zoozoo liet beleven, zoodat de kinderen met hooggekleurde

wangen en schitterende oogen 't uitschaterden en ik zelf plezier kreeg

in den geweldigen nonsens, dien ik bij elkaar flanste.

Moeder, die ondertusschen binnenkwam, glimlachte flauwtjes. Ze was voor

't eerst eens overdag met Flip uitgeweest en zag er iets minder slecht

uit. Ik vind haar bepaald veel kalmer de laatste dagen.

Mevrouw van Slooten en Huib en Bernard, die 's avonds even kwamen

aanloopen, vonden 't ook.

Huib is erg hartelijk en aardig. Hij heeft me 'n heelen stapel boeken

gebracht en ik mag zelf andere uit z'n kast komen halen, zoo gauw ik

deze uit heb, want in 't begin van September gaat hij minstens tot

Kerstmis naar Hamburg voor de zaken van z'n vader. We zullen elkaar dus

in geen maanden terugzien....

Zoo langzamerhand begin ik enkele brieven te beantwoorden. Roosje en

alle Witsens hebben me geschreven, Henk en Nico incluis en Roosje is na

haar terugkomst al verscheiden malen bij me geweest, evenals Emmy van

der Marck.

Ook van Annie Westenbergh kreeg ik 'n bizonder deelnemenden brief. O, ik

schaamde me zoo....

Max en Aad behandelen alle geldelijke aangelegenheden en moeder is

begonnen met Flip en ons drieën vaders brieven en boeken te regelen.

Het is 'n in-droevig werk, maar we durven 't niet langer uitstellen. 't

Moet tóch gebeuren en andere handen dan de onze mogen er niet aan raken.

In 'n la van vaders schrijftafel vond moeder allerlei souvenirs uit

onze kinderjaren: onze eerste brieven en handwerkjes, waarmee we hem

verrasten: speldenkussens, inktlappen en doosjes met zonderlinge

versieringen van gekleurde zijden en wollen steekjes en van ons ieder

'n lok zij-achtig, heel lichtblond haar....

Tante Suze, goedig en onpractisch zooals meestal, kwam moeder

voorstellen met haar op reis te gaan. 't Zou zoo'n goeie afleiding zijn!

Maar moeder dacht er natuurlijk niet over. Ze zou geen raad weten als ze

van ons afmoest.

Met Mei moeten we verhuizen. Hoe vreeselijk we 't ook vinden, dit huis

waarin we allen behalve Floor geboren zijn, te verlaten, 't zou moeder

op den duur te kostbaar worden.

Als Flip na de vacantie weer naar Leiden is, zijn we nog maar met ons

beidjes over, moeder en ik....

De oude kloek en 't piepkuikentje, zooals ze zelf met 'n weemoedig

glimlachje zei.

O, ik zal zóó m'n best doen haar zooveel mogelijk 't niet te herstellen

verlies te verzachten en.... hard voor m'n acte middelbaar Fransch

gaan werken, want, hoewel we samen behoorlijk kunnen leven, zal 't

voor mij, vooral later, als ook moeder er eens niet meer zijn zal,

noodig wezen, dat ik niet alleen 'n werkkring heb, maar in staat ben

geld te verdienen, als ik me tenminste niet héél bekrompen ergens op

'n bovenhuisje, of in 'n goedkoop pension behelpen wil.

Nu, leerares op 'n H.B.S. voor meisjes, lijkt me nog 't geschiktst.

Dan heb je in ieder geval lange vacanties en ik zal me niet laten

ringelooren door ondeugende kinderen, zooals ik zelf was. Want als

loontje om z'n boontje kwam, dan....

En onwillekeurig denk ik terug aan dien tijd—drie jaar geleden nog

maar—toen ik met den pas van drie en 't vroolijkste gezicht ter wereld

de klasse uitdanste, als miss Parker, die me niet luchten kon, me om 't

minste of geringste wegzond en ik achter haar rug 'n kushandje tegen de

proestende meisjes maakte.

Arme miss Parker, haatdragend is ze niet, want toen ik haar enkele dagen

geleden op den Singel tegen kwam, groette ze me zoo meewarig, alsof ik

eens haar liefste leerling was.

Gelukkig ben ik nooit iemands „liefste leerling” geweest. Daartoe was

ik te baldadig; er zat geen „zit” in me, hoewel verder niet iedereen

bepaald 't land aan me had, want lui of dom was ik niet. Toch, met 't

uitreiken der eind-diploma's—'t mijne was erg schraaltjes—zei de

directrice met 'n zuurzoet lachje: „Nu Lizzy, dat is 'n opluchting

dat jij van school gaat”, waarop ik met m'n innemendsten glimlach

antwoordde: „O, juffrouw, 't genoegen is geheel aan mijn kant.”

'k Zie vader nog met moeite 'n ernstig gezicht zetten als ik met

briefjes vol klachten thuiskwam, die ik den volgenden morgen dan weer

van zijn handteekening voorzien, mee terug nam en vertoonen moest als

bewijs, dat hij van m'n slechtheid op de hoogte was. Hij vond 't wèl

ondeugend.

„Toe, laat dit nou de laatste keer zijn,” zei hij dan, maar och, ik was

immers 't Piepkuikentje en op de nieuwsgierige vragen van de directrice

of miss Parker: „And what did your father say?” antwoordde ik geregeld

met luchtig schouderophalen: „O nothing.”

Onbegrijpelijk, dat dat alles pas drie jaar geleden is! 't Lijkt zoo

veel, véél langer al. Wat 'n _kind_ was ik toen nog....

Met m'n handen onder 't hoofd zit ik te suffen, inplaats van den brief

aan Annie Westenbergh af te maken, dien ik straks posten wilde.

Daar wordt gebeld. Visite zeker!

Ik vlieg op, en net als ik de schuifdeuren dicht wil doen, staat Roosje

voor me.

„Dag Lizzy! Stoor ik je?”

„O, welnee, juist gezellig dat jij er bent”, en ik trek haar mee de

serre in.

„Zat je te schrijven?”

„Nee, eigenlijk alleen maar wat te soezen. Toe, ga zitten; moeder en Bé

zijn samen uit. Die zullen straks wel komen.”

„O”, zegt Roosje afgetrokken in 'n rieten stoeltje plaats nemend en dan

aarzelend met 'n kleur: „ik.... ik heb 'n nieuwtje.... 'k Wou 't je maar

even zelf komen vertellen vóór je 't van 'n ander hoort.... Ik ben

geëngageerd met....”

„Théo Witsen”, vul ik lachend aan. „Roos, kind, ik féliciteer je”, en ik

kus haar verbluft gezichtje.

„O, o wist je 't al? Hebben Aad en Bé 't verteld?”

„Nee, niemand heeft er me iets van gezegd, maar ik heb 't zien aankomen.

Ik heb dadelijk gemerkt, dat Theo je zoo aardig vond. Jullie schoten zoo

hévig op!”

„Hévig,” vraagt Roosje verbaasd. „'k Was in 't begin toch volstrekt niet

doodelijk van hem. Later wel! O Lizzy, toén.... toen jij weg was, heb

ik toch zoo vreeselijk in spanning gezeten!”

„Arm kind!”

„Arm kind? Welnee! Verbeeld je, dat ik er dat nog niet eens voor over

gehad zou hebben! 't Is toch al zoo van 'n leien dakje gegaan. Den avond

vóór ik wegging heeft hij me gevraagd en twee dagen later is hij bij

papa geweest en is alles beklonken. Als ik daar Ada bij vergelijk.....”

„Die wordt nu 'n nichtje van je!”

„En George Hofmann 'n neef, of eigenlijk.... hoop ik, dat toch niet.”

„Nee, wij zouden 't zonde van Ada vinden, hè? Maar ze moet 't zelf

weten.”

„Natuurlijk, wij hebben haar genoeg gewaarschuwd. O, kind, ik ben zoo

gelukkig! De volgende week wordt 't publiek en de Zondag daarop houden

we receptie. En thuis zijn ze zoo met Théo ingenomen! Ik had 't je

allemaal al eerder willen vertellen, maar.....” en dan zwijgt Roosje en

haar gezicht betrekt. Verlegen peutert ze aan 'n knoop van haar mantel.

„Nu ga door. Wat heb je?”

„Och, Lizzy, je vindt me toch niet ongevoelig, dat ik zoo over m'n eigen

geluk zit te praten, terwijl jij zoo'n verdriet hebt? Ik heb 't expres

tot nu toe uitgesteld om 't je te vertellen, maar Aad en Bé en zooveel

andere menschen weten 't al en 'k wou toch maar liever, dat je 't niet

eerst van anderen hoorde. We zijn zulke goeie vriendinnen geworden den

laatsten tijd!”

Ik sla m'n beide armen om haar hals en kus haar nog eens.

„Lieve Roos, als je 's wist, hoe blij ik voor je ben! Toe, vertel er me

toch alles van. Ik stel er zoo'n belang in en 't is zoo prettig weer 's

iets vroolijks te hooren.”

„Heusch?” Roosje ziet me verheugd aan, drukt m'n hand en begint dan over

haar roman.

„O, dien laatsten avond, toen we voor 't huis zaten! 't Was zulk zalig

weer, zoo zoel en stil. Geen blad bewoog en de maan scheen zóó helder,

dat we 't lichtje en de lampions uitdeden en toen ging Théo binnen de

„Mondscheinsonate” spelen... Alleen 't begin, maar we waren allemaal in

de stemming en ik was zoo onder den indruk, dat ik moeite had niet in

tranen uit te barsten. Later zijn we nog wat door den tuin gaan loopen.

't Was zonde om naar bed te gaan en Théo en ik gingen samen nog 'n

eindje den weg naar 't dorp op. Ik voelde me, of ik in 'n sprookje

wandelde. 't Was zoo iets onwezenlijks! We durfden geen van tweeën 'n

woord te zeggen, totdat er ineens vlak boven onze hoofden 'n vogel

opvloog, waar we allebei van schrikten. Toen op den terugweg zei hij

't”....

Roosje zwijgt, en haar blauwe oogen kijken of ze weer heelemaal in 't

sprookje is. Wat ziet ze er lief uit zoo....

Dan praten we nog wat over Theo en 't buitenzijn bij de Witsens, tot

moeder en Bé komen.

Op moeders bedroefd gezicht komt 'n glimlach als ze ons samen ziet

zitten. Ze weet 't nieuws al van Bé en verheugt er zich hartelijk in.

Met uitgestoken handen loopt ze op Roosje toe en kust haar.

„Ik zal maar niet vragen of je gelukkig bent?”

„O, mevrouw!”

En als Roos 'n oogenblik later heengaat, denk ik, dat 't leven toch niet

zoo droevig zijn kan als er zóó'n geluk bestaat...

Maar voor mij zal 't wel nooit komen.... Ik ben zoo héél anders dan

Roos. Ik verdien 't zoo weinig....

[decoratieve illustratie]

Piepkuikentje · 第 10 / 15 题