HOOFDSTUK V.

We zijn al weer bijna 'n maand verder: in de eerste helft van Juli.

Flip, die met vlag en wimpel door z'n candidaats kwam, is als belooning

daarvoor 'n voetreisje door den Harz gaan maken met de jongens van der

Marck.

Floor en Max zijn voor drie weken met de kinderen naar Domburg

vertrokken, voornamelijk voor Liesje, die zeelucht noodig heeft, en ik

heb 'n invitatie van de Witsens om 'n dag of veertien op hun buiten

Dennenoord te komen logeeren, waar ze 's zomers de vacantie van de

kinderen altijd gaan doorbrengen.

Ik ben er twee jaar geleden ook geweest en heb er toen dolle pret gehad.

De Witsens zijn 'n in-gezellige familie en er komen veel logés. 't Is

er net 'n kostschool waar je alles doen mag wat je wilt! Den heelen

dag zwerven we over de hei en door de bosschen, picnicken, liggen in

hangmatten of in droge slooten te lezen, zwemmen in de beek, tennissen

of maken fietstochten, precies zooals ons dat invalt. Alles is goed,

als we aan de maaltijden maar tijdig verschijnen. Als 't regent, doen

we spelletjes in de groote zaal of maken muziek, en bovendien is er 'n

flinke boekenkast, waaruit iedereen vrij mag nemen wat z'n hart begeert.

Mijn komst is bepaald in de laatste week van Juli. Roosje is dan ook

gevraagd, wat ik erg prettig vind; Ada wóu en zóu ons samen hebben.

Toch zijn er dingen waar ik over tob.

Ten eerste hebben we geen goede tijding uit Indië, waar mijn zwager den

laatsten tijd aan malaria schijnt te lijden. Ook is kleine Eef nogal

ziek geweest tengevolge van tandjes, die niet door wilden komen, maar

de allerlaatste brief, eenige dagen geleden, bracht gelukkig wat beter

nieuws. Eefje is weer heelemaal in orde en Hermans malaria is van minder

ernstigen aard dan ze eerst vreesden, al heeft hij af en toe nog wel

nare dagen. De dokter zegt, dat z'n sterk gestel er hem wel weer bovenop

zal brengen, en we hopen er dan ook 't beste van, al weten we dat

malaria, vooral in Indië, meestal zeer hardnekkig is.

En dan is er nog iets, wat mij speciaal betreft en me erg hindert en

verontrust, al zou ik er met niemand over durven spreken. Misschien

lijkt 't maar zoo. O, ik wou niets liever, dan dat 't verbeelding was,

maar...... 't is net of Huib verandert den laatsten tijd. Hij is niet

onaardig of hatelijk tegen me, daar zou hij trouwens geen enkele reden

voor hebben, want ik heb hem geen stroobreed in den weg gelegd, maar hij

doet zoo koel en komt den laatsten tijd zoo weinig bij ons sinds hun

logéetje Annie Westenbergh bij hen is.

Annie, 'n paar jaar ouder dan ik, is 'n knap, donker meisje, dat

prachtig zingt en zoo mooi verzen declameert, zooals ik laatst op tante

Suze's ontvangdag hoorde. Iedereen, die haar ontmoet, is verrukt over

haar en ik moet bekennen, dat ik haar ook heel aardig en eenvoudig vond,

voor ik meende op te merken, dat Huib zoo enthousiast over haar is....

Ik zag haar 't eerst bij de van Slootens, waar ik 'n avondje ging

theedrinken, en toen zong ze, door Huib geaccompagneerd, liederen van

Brahms en Schumann. Het klonk bizonder mooi. Zoo'n glans en diepte lag

er in haar stem, en ze zag er heel lief uit in 'n witte japon, en later

vertelde ze zoo aardig van haar jongere broers en zusters. Ik schoot

goed met haar op en luchtte tegen Huib, die me na afloop van 't avondje

even thuisbracht, m'n eerlijke bewondering, waarop hij met nadruk zei:

„Ja, Annie is wel 'n bizonder meisje en zoo lief! We hebben nog nooit

zoo'n aardig logéetje gehad!”

Ik schrikte geweldig van die ontboezeming. 't Was als 'n onverwachts

uitgesproken vonnis en waarlijk, zooals er in ouderwetsche romans staat:

of ik 'n steek door m'n hart kreeg. Zoo'n wee gevoel was dat, maar ik

hield me goed, hoewel ik beefde op m'n beenen. Gelukkig was 't pikdonker

en werd er gauw opengedaan, en met 'n opgewekte stem, die maar 'n héél

klein beetje trilde, zei ik, terwijl we elkaar gewoon-vriendschappelijk

de hand schudden:

„Nou, dag Huib, tot ziens, hoor,” en hij:

„Dag Lizzy, wel te rusten!”

Vader en moeder waren al naar boven en ik ging dadelijk naar m'n

slaapkamer, waar ik zoo maar met hoed en mantel op m'n bed neerplofte en

huilde, huilde, zooals ik 't nooit te voren deed.

Toch verlichtte 't me en bleef ik met m'n hoofd in 't kussen liggen

snikken, tot ik niet meer kón.

Hoe lang 't duurde voor ik eindelijk tot 't besef kwam me uit te

kleeden, zou ik niet kunnen zeggen. Toch heeft niemand iets aan me

gemerkt den volgenden dag. Moeder vond wel, dat ik bleek zag, maar ik

zei, dat ik hoofdpijn had, wat wáár was.

Ik voelde me iets minder wanhopig, toen ik zoogenaamd op Flips kamer

zat te werken en 't gebeurde van den vorigen avond nog eens zoo rustig

mogelijk aan mij voorbij liet gaan. 's Avonds lijkt alles altijd erger,

dan in 't klare daglicht. 's Morgens zie je de dingen weer heelemaal

frisch, als met nieuwe oogen aan. Het leek me tenminste wel wat

overdreven, toen ik 't eens goed overdacht. Huib kende mij toch al

zooveel langer dan Annie, en ik had 't immers zelf uitgelokt. Ik was net

zoo goed verrukt over haar geweest. 't Was laf om dadelijk den moed te

laten zinken. Wat zei hij ook weer?

„Ja, Annie is wel 'n bizonder meisje en zoo lief! We hebben nog nooit

zoo'n aardig logéetje gehad.”

Dat was alles. Ik wist 't nog precies. Nu, bizonder was ze zeker, ze

zong prachtig, en lief.... dat was ze waarschijnlijk ook wel. En dat de

van Slootens nog nooit zoo'n aardig logéetje gehad hadden sprak vanzelf.

Er kwamen nóóit jonge meisjes. Soms logeerde er eens 'n zuster van

mevrouw, of 'n oude, brommerige tante, of de jongens brachten een van

allen eens 'n vrind mee. Die kon je toch met geen macht of mogelijkheid

„aardige logéetjes” noemen. Nee, 't was larie. 't Was allemaal malle

overdreven angst, omdat ik zooveel van Huib hield.... en heelemaal

opgeklaard verscheen ik aan de koffie.

Dien middag ontmoette ik mevrouw van Slooten met Annie bij Bé, die

„jour” had en erg vereerd was met 't bezoek.

Ik schonk thee en zei niet veel, maar lette des te scherper op. Er werd

toevallig nogal over Huib gesproken, maar Annie verblikte of verbloosde

niet. Ze zei alleen, dat hij haar zoo prettig accompagneerde en dat

ze 't bepaald 'n genot vond om met hem te zingen, omdat hij als bij

intuïtie voelde, hoe haar opvatting van de liederen was.

Ze droeg 'n bruin-laken mantelpak en 'n grooten hoed in dezelfde kleur,

met dof-groen crêpe de Chine gegarneerd, en ik kon niet anders dan

mezelf bekennen, dat ze er heel mooi en gedistingeerd uitzag en dat

vooral haar manier van spreken 'n eigenaardige bekoring had.

Toen ik thuiskwam en mezelf critisch in den spiegel bekeek, was 't

verschil zóó groot, dat me de tranen in de oogen sprongen en ik moeite

had om niet hardop als een kind te gaan huilen.

* * * * *

Eifersucht ist eine Leidenschaft, die mit Eifer sucht und Leiden

schafft....

Waar heb ik dat toch gelezen? Of is 't 'n wijsheid uit 't een of ander

schoolboek? Is 't misschien van Goethe? Ik weet 't niet, maar als de

oude, wijze Goethe 't gezegd heeft, dan had hij wél gelijk. Er is niets

vreeselijker dan jaloezie, geloof ik, vooral voor de benijdende partij

zelf, en dat ben ik helaas. 't Is 'n duiveltje, dat me niet met rust

laat, dat ik, hoe ik er ook m'n best toe doe, niet 't zwijgen kán

opleggen.

't Blaast me de leelijkste dingen in en weet aan de meest onschuldige

gezegden 'n heel andere beteekenis te geven.

Annie Westenbergh is heel vriendelijk tegen me en ik kan niet anders

doen, dan vriendelijk terug zijn, en toch voel ik aldoor dien geheimen

wrok tegen haar. Misschien is die vriendelijkheid van haar kant

politiek. Soms vind ik iets sfinx-achtigs in haar oogen, net of ze toch

wel iets van m'n ware gevoelens jegens haar snapt, maar dan ook weer

kijkt ze me doodonschuldig aan en geloof ik, dat ze in de verste verte

niet beseft, wat me werkelijk bezielt.

We zien haar veel. Verscheiden malen is ze mee gaan tennissen en roeien,

en altijd sjouwt Huib achter haar aan....

Bé en Emmy van der Marck hebben ook al 'n bewondering voor haar.

Vrijdagavond was er 'n feestje bij de van Slootens, ter eere van

mevrouws verjaardag, en toen droeg Annie „Beatrijs” van Boutens voor en

waren aller oogen onafgebroken op haar gevestigd. Ze had 'n vieil-or

zijden japon aan, laag uitgesneden en gegarneerd met prachtige oude

kant. Ze treedt er wel eens mee op, als ze in 't publiek zingt, wat in

den afgeloopen winter 'n paar maal voorkwam, zooals ze aan Bé vertelde.

Natuurlijk zag ze er heel mooi uit, maar ik vond 't mal, gewoon mal, om

je voor 'n eenvoudig feestje zóo uit te dossen en onuitstaanbaar vond ik

al die opmerkingen om me heen.

Ik had er wat voor gegeven als ik Huib's gezicht even had kunnen zien,

maar hij zat helaas achter me, heelemaal in 'n hoekje en ik durfde niet

goed om te kijken. Iedereen gloeide van bewondering.

„Wat 'n pracht van 'n stem!”

„Wat draagt ze _magnifique_ voor.”

„O en haar bewegingen en de houding van haar hoofd! Net zoo'n

Toorop-figuurtje!”

„Haar zang is nog veel mooier. 'k Hoop dat ze ook zingen zal vanavond.”

„Nietwaar, juffrouw Westenbergh, u zingt straks toch wat. Hè, toe?”

Maar Annie quasi-bescheiden—want ze vond 't natuurlijk zálig, die

algemeene adoratie—trok zich wat terug, liet eerst 'n paar anderen hun

kunsten beproeven en overvleugelde ze toen allemaal met háár liederen,

die Huib haar accompagneerde.

Ze begon met 'n paar oud-Fransche bergerettes en zong o. a. 't bekende:

Maman, dites-moi ce qu' on sent quand on aime?

Est-ce plaisir? Est-ce chagrin?

met zoo'n naief gezicht, dat 't me driftig maakte en ik wel had willen

roepen:

„Kind, hou je toch niet zoo van den domme! Dat hoef je heusch niet aan

je moeder te vragen. Dat weet je zelf heel goed!”

Toen zong ze 'n paar ernstige liederen en eindigde met 'n lied van

Brahms, dat Floor wel eens zingt en waarvan de simpele woorden me stáken

als priemen:

„Die Sonne scheint nicht mehr so schön als wie vorher.

Der Tag ist nicht so heiter, so liebreich gar nicht mehr.

Das Feuer kann man löschen,

Die Liebe nicht vergessen

Das Feuer brennt so sehr.

Die Liebe noch viel mehr.”

O, ik had wel weg willen loopen, maar dat ging niet aan. Blijven moest

ik natuurlijk om de menschen.... Mevrouw van Slooten had wèl succes met

haar logéetje! 'k Zat gelukkig nogal in 'n duister hoekje en niemand

lette op me. Annie boeide aller oogen en ooren, en toen 't lied uit

was, ging er 'n daverend applaus op. Ik klapte ook mee, omdat ik 't

niet laten durfde en voelde m'n wangen gloeien, toen Huib zich op 't

pianokrukje omwendde en tegen me lachte met 'n zijdelingschen blik naar

Annie, alsof hij zeggen wou: „Nou hoe vindt-je 't?”

En ik forceerde me, lachend terug te knikken, hoewel ik inwendig beefde

en trilde van afgunst...

Dat is nog m'n eenige troost, dat niemand er tenminste iets van afweet,

al begrijp ik niet, waar ik op den duur de kracht vandaan zal moeten

halen om die komedie vol te houden.

„Piepkuikentje ziet wat bleekjes de laatste dagen. Dat uitstapje naar

Dennen-oord zal 'r goed doen. Heb je weer hoofdpijn, kleintje?” vroeg

vader vanmiddag aan tafel.

„O heelemaal niet, vadertje. 'k Voel me uitstekend,” zei ik met 'n

lachje, „en ik vind 't natuurlijk dól om bij de Witsens te gaan

logeeren!”

't Was 'n grove leugen. Niets vind ik „dol” meer sinds die afschuwelijke

Annie hier is. Van niets kan ik meer volop genieten. 't Is of de mooiste

en prettigste dingen hun glans verloren hebben....

_Die Sonne scheint nicht mehr so schön als wie vorher...._

Gelukkig verdwijnt ze overmorgen, als Roosje en ik op Dennenoord zullen

zijn, van 't tooneel. Zij en nog 'n jonger zusje gaan mee op reis naar

'n buitenlandsche badplaats, waar haar moeder, die ziekelijk schijnt,

ieder jaar 'n paar weken moet doorbrengen.

Waar je komt, overal hoor je over Annie Westenbergh spreken, en Bé joeg

me daarnet weer 'n doodschrik op 't lijf door in de gang te zeggen,

terwijl ik meeliep om Aad en haar uit te laten:

„Zeg, geloof jij dat 't tusschen Huib van Slooten en Annie iets worden

zal? Bij tante Suze hoorde ik er mevrouw Hofmann over spreken, en Aad en

ik hebben 't ook al gedacht.”

„Zoo?” vroeg ik schijnbaar onverschillig, maar m'n hart bonsde.

„Is 't jou dan niet opgevallen, hoe ze samen zijn?” drong Aad argeloos

aan. „Hé, ik dacht, dat meisjes zulke dingen altijd nog eerder zagen dan

wij mannen.”

„Nee, ik heb niets gemerkt”, hield ik vol. „Maar hoe kwam mevrouw

Hofmann er aan?”

„O, die had 't bij de Verhoogh's gehoord.”

„Dan zal 't wel waar wezen. Mevrouw Verhoogh weet altijd nog meer, dan

de menschen zelf,” zei ik sarcastisch.

„Nou, dat beweer ik niet, maar 'n engagement als dit, zou me toch niets

verwonderen. En jou?”

„O, nee, je ziet wel mindere stelletjes!”

„Hè, wat zeg je dat onaardig. Zou jij 't dan geen goed paar vinden?”

vroeg Bé.

„Natuurlijk. Ze mogen doen en laten wat ze willen. Ze hebben m'n zegen

hoor! Dáàg, wel thuis,” en ik sloot de voordeur achter hen, moedeloozer

en ellendiger dan ooit, om boven m'n halfgevulden koffer voor

Dennen-oord vol te pakken, dien ik van plan was den volgenden dag vast

te verzenden.

Ik voelde geen aanvechting tot huilen. M'n tranen waren op en

veranderden toch niets aan 't feit, maar nooit deed ik iets met zoo

weinig lust en illusie.

En met 'n gevoel van oneindige bitterheid bekeek ik 't blauwe etiquetje

van 't Parijsche hôtel, boven op 't deksel.... Zou ik me ooit weer

zoo licht en vroolijk voelen als toen? Of zou 't „Verfehlte Liebe,

verfehltes Leben” ook op mij van toepassing worden?.... Maar dat ging

niet aan, ik was pas negentien! 't Hééle leven lag nog voor me. En toch

kon ik me niet voorstellen, dat ik zonder Huib ooit gelukkig zou kúnnen

worden....

Na 'n tijdje kwam moeder eens kijken hoe 't stond met de pakkerij. Ze

was zeer verbaasd dat 't zóó lang duurde, maar ik kon er m'n gedachten

niet bij houden en sufte inplaats van voort te maken.

Toen ik eindelijk naar beneden ging om goedennacht te zeggen, vond ze

dat ik er dood-moe uitzag en ook vader keek me bezorgd aan.

„Je bent niets fleurig, Piepkuikentje, scheelt er wat aan,” vroeg hij

zóo goedig met m'n gezicht tusschen z'n handen, dat de tranen ineens

weer kropten in m'n keel. Maar ik hield me taai.

„Welnee, vadertje, 'k ben alleen wat moe. U zult 's zien hoe goed ik er

uitzie, als ik van Dennen-oord terug kom.”

„Ja, dat willen we hopen. Ik zal Roosje de boodschap meegeven, dat ze

goed op je letten moet.”

„O, nee, alstublieft niet. Ik mankeer heusch niets,” zei ik naar de deur

gaande en toen vroolijk wuivend naar vader en moeder beiden: „Goeden

nacht samen!”

* * * * *

Spijt dat ik naar Dennen-oord gegaan ben, heb ik niet, nu ik er eenmaal

zit, want al geniet ik veel minder van dit uitstapje, dan de vorige

maal, 't is hier zóó vroolijk en druk, dat 't vanzelf minder opvalt

als ik stil ben, wat thuis natuurlijk dadelijk in den kijker loopt.

Ook kan ik me bij vreemden beter in-houden en is er ondanks alles

wat me zoo onuitsprekelijk hindert en verdriet doet, iets van troost

en opwekking in de gezellige hartelijkheid van de Witsens en de

heerlijk-gezonde hei- en dennenlucht. Het huis ligt 'n half uur ongeveer

van 't naastbijgelegen dorp, midden in de bosschen en behalve den

tuinman—die tegelijk koetsier is en Roosje en mij met 't hittenwagentje

van den trein kwam halen—zie je er, den postbode en 'n enkelen

leverancier uitgezonderd, niemand. We zijn hier dus zoo vrij als

vogeltjes in de lucht!

Ada is de oudste van de vier kinderen. Op haar volgt Hannie, 'n

doddig meisje van vijftien, met prachtig zwart haar en guitige donkere

oogen, die zoo half en half bij de groote menschen behoort en dan de

„kleintjes” Henk en Nico, leuke, brutale rakkers van twaalf en tien,

die onophoudelijk in slooten vallen en in boomen klimmen, en juf, 't

goedige, dikke menschje, dat alles met de twee meiden bereddert, met

rupsen en kikkers achterna zitten, om haar als ze op 't punt is boos te

worden, met zulke boetvaardige zondaarsgezichten te achtervolgen, dat

ze haar hart niet tegen de deugnieten verharden kan en ze maar weer in

genade aanneemt.

Er logeeren ook nog twee neven Witsen, Théo en Jo, heel geschikte

jongelui. Théo, de oudste, is pas gepromoveerd in de rechten, Jo

studeert in Delft. Ik vind Théo de aardigste. Hij kan zoo leuk stoeien

met de jongens en zoo grappig iets vertellen. Jo is zeer galant en nogal

'n flirt, maar verder toch wel aardig. Ik schiet best met 't tweetal op.

Roosje kende hen al. Haar broer Frits en Théo zijn vrienden, doch ik

heb hen vroeger nooit ontmoet.

Toch noemen we elkaar voor 't gemak en de gezelligheid maar allemaal

bij den naam, want mevrouw Witsen vooral, is er op uit alle stijfheid

te weren hier buiten, al is zij er zeer op gesteld, dat 's middags aan

tafel 't decorum stipt in acht genomen wordt en iedereen zich in de

puntjes kleedt.

„Dat is Ma's Engelsche bloed,” plagen Ada en Hannie, want hun

grootmoeder van moeders kant was 'n Engelsche. Maar we vinden

't allemaal 'n prettige gewoonte. Je voelt je zoo schoontjes en

opgefrischt, als je na 'n dag van in 't gras liggen en buiten

rondloopen, weer eens op z'n Paaschbest bent. Meneer Witsen en de

jongelui verschijnen dan ook trouw in smoking, terwijl wij, meisjes,

meestal in 't wit zijn en mevrouw 'n gekleede japon draagt.

Juf is 'n kwartier vóór tafel gewoonlijk in één race om de jongens op te

vangen, die dan keurig met schoone handen en in kraak-heldere

matrozenpakken aan den disch plaats nemen.

Vanmiddag—er werd net gebeden—hoorde ik ineens naast me 'n erbarmelijk

gepiep. Ik waagde 'n oogje naar m'n beide cavaliers: links Jo Witsen,

rechts Nico. 't Kwam van rechts waar Nico zat, die zoo gauw mogelijk

z'n soep begon te lepelen. Meteen zag ik iets bewegen onder z'n

matrozenkieltje.

„Kijk toch voor je,” snauwde hij zachtjes, gauw z'n hand er

tegenhoudend.

Maar juf, de alziende, die tusschen de twee kleine jongens in zat, werd

't ook gewaar.

„Wat voer je toch uit, Nico,” vroeg ze, en 't gepiep werd ineens zóó

hevig, dat iedereen verbaasd opkeek. 'n Klein vogelkopje kwam voor uit

Nico's bloese gluren en, eer we er op verdacht waren, rende er 'n geel

kuikentje, schril piepend als 'n bezetene, over de keurig gedekte tafel.

De schuldige keek doodsbenauwd, maar er ging 'n schaterlach door de

gelederen, die hem nogal geruststelde. Hij wist 't zelf handig in z'n

servet te vangen.

„'t Was van de kloek afgeraakt en toen heb ik 't maar mee naar binnen

genomen, want de gong ging net, en toen had ik geen tijd meer om 't weg

te brengen,” zei hij triomfantelijk, heel goed begrijpend, dat hij er nu

wel zonder standje af zou komen en meteen stond hij op 'n wenk van z'n

vader op, om 't toch maar liever weer naar de kloek te brengen als 't

mocht. 't Was zoo'n raar gevoel dat gespartel in je bloese, en misschien

wel niet zoo erg goed voor 't kuikentje.

Iedereen had er pret om met 't gevolg, dat Nico zich zeer gewichtig

inplaats van schuldig voelde. Na 't eten wist hij gauw met Henk te

ontsnappen, om pas tegen negen uur weer te voorschijn te komen, toen

juf zich al geruimen tijd stond schor te roepen om 't edele tweetal

te vermanen, dat 't meer dan bedtijd was.

's Avonds na tafel spelen we gewoonlijk nog 'n spelletje tennis of

wandelen 'n eindje en, als 't donker wordt, gaan we voor 't huis

theedrinken.

Dan staan in de zaal beneden de ramen open en wordt er meestal binnen

door den een of ander muziek gemaakt.

Mevrouw en Théo spelen uitstekend piano, Ada en Hannie zingen en Roosje

heeft haar viool meegebracht, dus muzikale krachten genoeg. Ik behoor

altijd tot de luisterende partij, daar ik niets kan dan 'n heel klein

beetje pianospelen. Maar ik vind 't heerlijk rustig op de bank vóór 't

huis te zitten en naar de sterren te kijken.

Om kwart over tien wordt er opgebroken en gaat iedereen naar bed,

behalve meneer en Théo, die meestal binnen nog wat blijven lezen.

Roosje en ik hebben samen 'n kamer tegenover die van Ada en Hannie, en

dikwijls komt Ada in nachtgewaad nog „even” bij ons aanwippen om 'n

praatje te maken. Dat „even” duurt dan ongeveer 'n uur. Hannie slaapt

altijd al lang, als Ada terugkomt.

Ada is vol over de bruiloft en haar bruidsmeisje-zijn bij Dora Witsen,

de zuster van Théo en Jo, die 'n paar weken geleden getrouwd is en

Roosje en ik worden vergast op eindelooze verhalen over George Hofmann,

waar ze 'n philippine mee heeft. Ze correspondeeren nu samen: om de

veertien dagen 'n brief.

„Zoo geestig schrijft hij,” zegt Ada, maar ik vrees dat z'n brieven wel

net zullen zijn zooals z'n heele persoon is, niets dan 'n beetje

oppervlakkige flirt.

Haar Vader en Moeder weten van dat geschrijf. Die vinden 't eigenlijk

maar half goed, maar vertrouwen Ada te veel om haar niet haar eigen gang

te laten gaan.

Nu, Ada vertrouwen, kunnen ze in alle gerustheid, al zijn Roos en ik 't

er allebei over eens, dat we haar 'n man als George niet toewenschen! Af

en toe geven we haar wel eens 'n bedekten wenk, maar dan zegt ze goedig:

„Och jullie vindt hem niet zoo erg aardig, dat weet ik wel, en flirten

doet hij ook wel eens, dat geef ik toe, maar heusch, ik ken hem beter

dan jullie. Z'n „fond” is goed. Hij is alleen maar 'n beetje verwend

door z'n moeder en z'n zusters. Later gaat dat er wel uit.”

Roos en ik gelooven er niets van, maar hopen 't van harte voor Ada.

Ze is zoo lief in huis; zoo geduldig en vriendelijk tegen Hannie, die

wel grappig is, maar soms erg nesterig doen kan en net 'n moedertje voor

Henk en Nico, die met hun bezwaren altijd bij Ada aankomen.

Ik wensch haar geen soortgelijke misère toe als ik zelf nu aan 't

doormaken ben.... Hoewel 'n vergelijking tusschen Huib en George niet te

maken valt. Foei, ik moet er niet aan denken....

Zoo nu en dan meen ik op te merken, dat Théo Roosje nogal aardig vindt.

Hij zoekt veel haar gezelschap en ze musiceeren elken avond samen.

Ik praat er natuurlijk niet over. Ook niet met Ada, maar gebruik m'n

oogen en denk er 't mijne van.

Bij Roos is 't nog zóó onbewust! Ze is zoo eenvoudig, zoo zonder 'n

schijntje coquetterie, en dat vindt Théo juist aardig, dat merk ik aan

alles.

Ik hoop dat er wat van komt; ze lijken geknipt voor elkaar.

* * * * *

Er is iets heerlijks gebeurd, iets wat al m'n tobberijen met 'n

tooverslag op de vlucht heeft gedreven!

Vanavond bracht de postbode, die hier tweemaal daags aankomt, 'n brief

voor me van Bé. We dronken zooals gewoonlijk thee vóór 't huis, maar ik

zat zóó ver af van 't petroleumlampje, en de lampions boven m'n hoofd

gaven maar zoo zwakjes licht, dat ik opstond om binnen even te gaan

lezen.

Hoe blij was ik, dat ik niet van Jo's vriendelijk aanbod om van plaats

te verwisselen—hij zat vlak bij 't lampje—had gebruik gemaakt en

rustig en ongezien 't schijnbaar zoo onbelangrijk nieuws onder de oogen

kreeg!

Bé schreef eerst van Flip en de van der Marcks, die den vorigen dag vol

verhalen over hun reisje waren thuisgekomen en dat Floor en Max ook

terug waren met de kinderen, die er zoo heerlijk uitzagen en zoo genoten

hadden van 't strand en de duinen.

Toen, na de verontschuldiging: „'t Is eigenlijk maar 'n leuterbrief,

maar ik weet dat je dat toch wel gezellig vindt,” kwam voor mij 't

belangrijkste.

„Nietwaar, jij hadt ook gedacht, dat Huib en Annie Westenbergh zoo half

en half geëngageerd waren? Nu daar is hoegenaamd _niets_ van aan, hoewel

't algemeen verondersteld werd en verscheiden menschen 't uitstrooiden.

Mevrouw van Slooten, die iets van die praatjes gehoord schijnt te

hebben, vertelde ons gisteren, dat Annie al langer dan 'n jaar in stilte

geëngageerd is met 'n vriend van Huib—den naam noemde ze niet—en dat

't in 't najaar publiek zal worden. Wij stonden gewoon páf toen we 't

hoorden. Wij hadden zoo stellig en zeker gedacht, dat 't met Huib iets

worden zou, hoewel we er ons gelukkig niet tegen vreemden over hebben

uitgelaten. Jij bent de eenige, die er niet zóó grif van overtuigd was,

hoewel 't jou toch zeker ook niet verwonderd zou hebben. Ze leken zoo

bizonder voor elkaar geschikt, maar je ziet alweer, 'n mensch kan zich

vergissen, op dit gebied vooral!”

Ademloos las en herlas ik die regels. 'k Had 'n oogenblik noodig om de

questie te verwerken. 't Wou er zoo gauw nog niet bij me in, maar als

mevrouw van Slooten 't nu toch zelf tegensprak...

't Was of er 'n zware last van me afviel. 'k Had 't wel uit kunnen

jubelen, zóó blij was ik, en 't scheelde niet veel of ik had in m'n

eentje 'n rondedansje door de zaal gedaan. Maar de stem van mevrouw

bracht me gelukkig tot mezelf voor 't tot daden kwam!

„Lizzy, kindlief, je thee wordt koud.”

„Daar drijft 'n heel aquarium in je kopje,” plaagde Theo.

„Ja, ik kom,” riep ik terug en uiterlijk kalm, innerlijk trillend van

blijdschap, voegde ik me weer bij 't gezelschap. Doch even later lachte

ik zoó uitbundig om 'n flauwe ui van Jo, dat Ada en Roosje me

verwonderd vroegen wat ik toch had.

„O niks. 'k Heb nog pret om die brief van Bé. Ze schreef me zoo iets

dwaas,” antwoordde ik, niet in staat zoo gauw iets anders te verzinnen.

„Hè, vertel 't ons ook,” drong Ada aan, maar ik zei, dat ik 't niet

vertellen mocht en lachte van pure zenuwachtigheid tot de tranen in m'n

oogen kwamen.

Toen ik in bed lag, kwam ik weer tot mezelf. Roos was stil en we bleven

niet meer napraten, zooals andere avonden. Toch lag ik nog uren wakker

en schaamde me diep over m'n leelijke afgunst.

Hoe schandelijk onrechtvaardig was ik geweest! Annie had me nooit iets

in den weg gelegd, was altijd vriendelijk tegen me. Zij kon 't toch niet

helpen, dat ze zooveel mooier en talentvoller was dan ik!

En met plotselingen schrik zag ik ineens in, dat 't volstrekt geen

uitgemaakte zaak was, dat Huib van mij hield of zou gaan houden, omdat

hij nu niet precies over Annie gedacht scheen te hebben....

De verhouding tusschen Huib en mij was gebleven zooals vroeger, maar de

kans was nog niet verkeken! Ik mocht weer hopen! En met die

geruststellende gedachte viel ik in slaap.

Piepkuikentje · 第 9 / 15 题