Het reizen en trekken is den laatsten tijd wel in de mode bij ons! „De
wufte Parisienne” was net thuis en Bé en Aad hadden na hun huwelijksreis
nauwelijks goed en wel bezit van hun huisje genomen, toen Floor en Max
door vrienden uit Dusseldorf dringend werden uitgenoodigd, daar 'n
weekje te komen doorbrengen.
't Was al zóó dikwijls uitgesteld en ze hadden er allebei zoo'n lust in,
dat ik onmiddellijk aanbood om tijdens hun afwezigheid op de kinderen
te komen passen en 't huishouden te doen en na eenig wikken en wegen
besloten ze toen maar van mijn aanbieding gebruik te maken.
Ik heb 't wel nooit alleen gedaan, maar Floor vond 't vervelend om er
moeder mee op te schepen, wetend hoe ongezellig 't voor iedereen is, als
die niet op haar postje blijft en om de kinderen allen bij ons thuis te
installeeren was al te omslachtig en te druk voor de enkele week, die ze
voornemens zijn weg te blijven. Daarbij zijn de meiden heel handig en
vertrouwd en heeft Flip, die overdag thuis geweldig voor z'n candidaats
zit te vossen, beloofd in den huize de Weert te komen slapen zoolang
meneer en mevrouw afwezig zijn, dan is er 's nachts toch „'n mannelijk
element” aanwezig om eventueele dieven en moordenaars van de deur te
houden.
Zoo zijn Floor en Max dan gistermiddag afgereisd. Liesje, veel te slim
om er niet alles van te snappen, keek erg bedremmeld toen 't rijtuig
voorkwam, maar ik zei gauw, dat ze thee mocht schenken uit 't nieuwe
Parijsche serviesje en dat leidde af. Bobbie en Loekie deden boven hun
middagdutje, dus vertrokken de reizigers in alle kalmte, waar ik niet
blij genoeg om zijn kan, want ik ken Floor te goed om niet te weten, dat
ze althans in 't begin geen aasje plezier zou hebben, als ze een van
haar kleuters bedroefd had moeten achterlaten.
Toen de beide heertjes waren uitgeslapen speelden ze met Liesje prettig
in den zandhoop bij 't schuurtje, totdat Loekie ineens 'n vervaarlijke
keel op zette, omdat hij Hoppo, z'n dierbaren bruinen beer bij ongeluk
zóó diep onder 't zand begraven had, dat hij niet meer te voorschijn
wilde komen.
„Hu, hu, Hoppo weg!” snikte hij, met allebei z'n vuistjes in z'n oogen
wrijvend, stampvoetend van drift toen ik niet gauw genoeg begreep wat
er eigenlijk gaande was.
Liesje en Bobbie keken verbaasd en verschrikt toe, maar Loekie's tranen
droogden onmiddellijk toen ik den geliefden Hoppo met behulp van 'n
kolenschop, die Maartje me bereidwillig van uit 't keukenraam aanreikte,
in minder dan geen tijd wist op te delven.
't Was roerend te zien hoe 't kleine ventje, den beer in z'n armpjes
knellend, met 'n zeer berouwvol:
„En nou zalle Loetie weer zoet zijn,” mij zijn mondje toestak.
En Loekie was verder zoet; ook aan tafel gedroegen ze zich alle
drie voorbeeldig. Ze aten met smaak hun bordjes leeg en gooiden
geen melkbekers om, wat volgens Floor 'n zeldzaam verschijnsel is.
Ze waarschuwde me tenminste vóór haar vertrek, dat ik stellig om den
anderen dag 'n schoon tafellaken noodig zou hebben, maar ik hoop 't
toch met minder te kunnen stellen.
Na 't eten kwam Truitje, 't kindermeisje, Loekie halen, die net wat
drijverig begon te worden en bleef ik nog even bij de piano 'n paar
liedjes zingen met de twee anderen, wetend dat Max dat bijna iederen
avond met hen doet en 't maar raadzaam achtend, zoo min mogelijk van den
gewonen regel af te wijken. 'n Kwartier later gingen ze dan ook uiterst
voldaan mee naar boven. Bobbie vooral. Liesje was wat stil, maar begon
toch dadelijk zoet haar laarsjes los te rijgen, terwijl ik Bobbie hielp
en Loekie, die er al in lag, onderdekte. Bobbie was vlug klaar en sliep
zoo gauw hij z'n kussen voelde, maar toen ik Liesje in 't aangrenzende
kabinetje wou gaan instoppen, zat ze op haar knietjes met gevouwen
handjes voor haar bed en hoorde ik haar met bevend stemmetje zeggen:
„Onze-lieve-Heertje, ik ben zoet geweest vandaag, maar maak toch, dat
Paats en Moekie gauw terug komme. Tante Piep is heusch erg lief voor
ons, maar ik hou zoo vreeselijk erg veel van Paats en ook van Moekie.
Toe, laat ze toch alsjeblieft niet lang meer wegblijven. Amen.”
En toen opstaande en me smeekend met haar van tranen zwemmende oogen
aanziende:
„Jij hebt zeker wel gehoord, hè tante Piep, wat ik an Onze-lieve-Heer
gevraagd heb? Denk je nou, dat ze gauwer terug zulle komme?”
Ik sloeg m'n armen om haar mollige lijfje en trok haar bij me op schoot,
terwijl ze zachtjes, maar o, zoo bedroefd huilde. Zoo goed mogelijk
trachtte ik haar te troosten.
„Luister nou 's Liesje, je bent nou al zoo'n groot, verstandig kind van
vijf jaar. Paats en Moekie blijven natuurlijk nog wel 'n paar nachtjes
weg, maar dan komen ze terug en brengen wat moois voor jullie mee, als
je zoet geweest bent. Ze vinden 't zoo prettig in Dusseldorf en die paar
nachtjes zijn zoo gauw voorbij”....
Maar Liesje schudde haar kopje en begon nog harder, tot ik ineens iets
verzon:
„Zeg Lies, wil jij vannacht naast tante Piep in Paats z'n bed slapen?”
Dat bleek 'n uitkomst! In 'n wip waren de tranen gedroogd en werd Liesje
op tante's rug naar de andere kamer getransporteerd, waar ze eenmaal in
„Paats z'n bed,” gauw insliep.
Vandaag was ze haar verdriet vergeten en verrukt over de mooie
briefkaarten, die we vanmiddag uit Dusseldorf ontvingen. In 't bulletin,
dat ik dagelijks moet verzenden, kon ik dan ook naar waarheid getuigen,
dat de kinderen allerliefst waren en 't huishouden marcheerde.
'n Oogenblik heb ik me kostelijk geamuseerd om 'n slimmigheid van
Bobbie.
Hij liet aan de koffie z'n melk staan en snapte gauw met Liesje den tuin
in, voor ik 't gemerkt had, maar gedachtig hoe Floor er op staat, dat de
kinderen goed melk drinken, riep ik na 'n oogenblikje naar buiten:
„Bobbie, Bobbie kom 's gauw hier. Ik heb wat voor je,” en daar kwam hij
aangerend, zeer bereidwillig, met 'n verheugd snuitje.
„Watte tante?”
Ik wees naar zijn melk. Hij zei niets, maar keek eerst heel
teleurgesteld; toen veranderde plotseling de uitdrukking van z'n
gezichtje en nam hij vastberaden den beker in z'n beide dikke handjes,
dronk hem leeg en riep met 'n leuk knipoogje naar Liesjes beker, waar
ook nog wat in was:
„Liesje kom 's gauw! Tante heeft voor jou ook wat,” waarop Liesje
eveneens kwam aanhollen en terwijl Bobbie 't uitgierde van de pret, na
'n minachtend: „hè hoe flauw,” haar beker leeg dronk.
Vanmiddag, nadat ik met de kinderen 'n loopje gemaakt had, kwamen moeder
en nicht Georgine, en Flip verscheen vanavond al vóór de thee met Huib
van Slooten, die me 'n pracht-bouquet „rêve d'or” kwam brengen, mijn
lievelings-rozen, die op 't oogenblik in hun tuin in vollen bloei staan.
Ik vond 't erg aardig en heb ze dadelijk in de mooiste vaas, die ik
vinden kon, bij ons in de serre gezet.
Later kwamen Bé en Aad nog even aanloopen. 't Werd 'n gezellig
theepartijtje in den huize de Weert en ik voelde me als gastvrouw
bizonder gewichtig.
Liesje verraste ons door op haar bloote voetjes en in nachtgewaad
plotseling binnen te verschijnen, om te zien wie er toch allemaal zoo
druk zaten te praten beneden. Ze was zóó schattig en zóó klaar wakker,
dat ik haar dwars tegen alle regelen van opvoedkunde in maar 'n poosje
liet blijven.
Net 'n plaatje was 't, zooals ze daar dood op haar gemak bij Huib op
schoot koekjes zat te knabbelen. Toen ze slaperig werd bracht Flip haar
naar boven.
Bé vroeg of ik den volgenden dag 's middags met de kinderen bij haar
kwam theedrinken, dan zou ze 'n echt-Engelsche cake bakken. Ik nam 't
grif aan, waarop Flip en Huib zichzelf ook inviteerden. 't Was toch
Zondag en ze hadden geen van beiden noodzakelijke visites te maken.
Bé glunderde en zou er Roosje nog maar bij vragen. Hoe meer zielen, hoe
meer vreugd!
En nu zijn ze allemaal weg en zit ik bij 't roode lampje in de serre op
Flip te wachten, die 'n eindje met Huib is opgeloopen. Ik heb de kopjes
afgewasschen, 't huishoudboekje nagezien en de meiden naar bed gestuurd.
Op 't eikenhouten tafeltje voor me geuren de rozen. Ik begraaf er mijn
neus in en peins over Huib....
Zoo leuk zat hij daar met Liesje op schoot....
Daar hoor ik den sleutel in 't slot steken. IJlings wend ik me om,
blaas 't lampje uit en loop de gang in.
„Ben jij daar Lizzy?”
„Ja, 'k heb op je gewacht.”
Flip zet z'n wandelstok met 'n plof in den paraplubak, doet de voordeur
op 't nachtslot en na 't kettinkje van 't ganglicht te hebben
neergetrokken, gaan we voorzichtig achter elkaar de trap op.
Met 'n wuivend handgebaar, zonder verder 'n woord te wisselen, verdwijnt
Flip naar de logeerkamer en ik sluip op m'n teenen de groote slaapkamer
binnen, waar de regelmatige ademhaling van de kleuters en 't tikken van
't klokje op den schoorsteen de eenige geluiden zijn.
* * * * *
Het was prachtig weer den volgenden dag. De zon scheen door 'n kier van
de gordijnen de slaapkamer in en Loekie, om zes uur al voor goed wakker,
stond telkens recht overeind in z'n bedje en riep dan:
„Optaan, optaan! Hoppo wil oot uit bed tomme,” en dan stak hij z'n
bruinen beer uitlokkend in de hoogte. Maar ik hield me slapend, niets
geen roeping voelend er voor m'n Zondag al zóó vroeg uit te komen.
Liesje naast me, werd ook wakker, lei haar vingertje tegen den mond:
„Sst, stil zijn Loekie! Tante Piep en Bobbie slapen nog. Je mag niet
roepen!” en toen hield hij zich werkelijk 'n oogenblik stil om even
later weer te beginnen.
Ik zei maar niets en dommelde af en toe nog even in, tot ik er om zeven
uur genoeg van had.
Om half negen zaten we aan 't ontbijt.
Flip verscheen pas tegen elven en ontbeet in z'n eentje met 'n kop
koude thee en 'n beschuit. Hij zou z'n schade aan de koffie wel inhalen,
beloofde hij en dat deed hij dan ook. Tot groot pleizier van de kinderen
at hij in minder dan geen tijd negen boterhammen achter elkaar op.
„Die oom Flip!” riep Liesje telkens vol bewondering als er weer een
verdween.
Bobbie was lastig, haalde 'n groote scheur in z'n morsschort en brulde
van 't huilen, omdat Truitje 't oortje van z'n melkbeker had
afgestooten.
„Nou is Bobbie's kroes heelemaal leelijk! Nou zit-er geen staartje meer
an,” jammerde hij maar en zelfs de belofte van Flip om den volgenden dag
'n nieuwen beker met hem te gaan koopen, vermocht den tranenvloed niet
spoedig te stelpen.
Gelukkig was hij evenals Loekie na z'n middagdutje weer in z'n
humeurtje.
Als ze eindelijk voor de wandeling zijn aangekleed, zien ze er alle
drie doddig uit in hun witte matrozenpakjes met lichtblauwe kragen. 't
Vooruitzicht om naar tante Bé te mogen lokt Bobbie wel aan, vooral nu
hij den olifant-op-wieltjes mee mag nemen! Loekie kan natuurlijk niet
van Hoppo scheiden, dien Liesje bereidwillig 'n plaats naast pop Dora in
haar wagentje inruimt. Maar terwijl ze haar poppenkind naast den beer in
't mandenwagentje schikt en ik voor den spiegel mijn witten stroohoed
sta op te spelden, komt ze ineens op 'n ander idée.
„Zeg, tante Piep, 't staat eigenlijk zoo gek, 'n pop naast 'n beer!
Als we poes Polly 's ankleedden en die meenamen! Laatst, toen we naar
mevrouw Bakker gingen, mocht 't ook en Polly was zóó zoet. Daar had-je
nou niks geen last van. Moekie zei 't zelf.”
Ik weet dat 't waar is en dat Polly volgens Max 'n lammerennatuur heeft.
De kinderen sjouwen altijd met haar, en aan verkleed te worden is ze den
laatsten tijd vooral zóó gewend, dat ze zelf heel gewillig haar pootjes
uitsteekt, als Liesje haar 't een of andere poppengewaad aantrekt.
„Ja maar Lies, naar tante Bé is veel verder dan naar mevrouw Bakker. Die
woont hier maar 'n paar huizen vandaan en 't is al zoo laat, al bij half
vier,” weifel ik.
„Hè, tante, Polly zou 't zoo leuk vinden. Dat weet ik zeker,” zegt ze
smeekend met zoo'n engelachtig-lief gezichtje, dat ik 't maar goed vind
en meehelp Polly uit te dossen in 't roodflanellen keurig uitgetande
pelerinetje, dat haar bizonder flatteert, evenals 't wit-vilten hoedje
met 't blauwe veertje, waar ze schuchter dwepend onder uitkijkt. 't Is
bepaald koddig zooals ze daar naast Hoppo in 't poppenwagentje zit, 'n
weinig achterover, heel makkelijk in loome distinctie met 't zachtste
kussentje, dat we vinden kunnen, in haar rug, 't witgehaakte spreitje
aan weerszijden van 't wagentje sierlijk afhangend.
Ik begin er zelf pret in te krijgen.
„O juffrouw,” lacht Truitje, die ons uitlaat.
„Ja, hè, 't lijkt wel iets uit 'n honden- en apenspel, maar de kinderen
hebben er zoo'n schik in.”
„Nou en de juffrouw houdt ook wel van 'n grapje,” zegt Truitje met 'n
familiaar knipoogje, waarop ik me verplicht voel ietwat afgemeten te
zeggen:
„Zal je er aan denken 't vleesch goed te bedruipen en de roomvla zoolang
in den kelder zetten?”
„Ja juffrouw.”
Ik weet zeker dat ze ons blijft nakijken, maar ik zie niet om. Alles
heeft z'n grenzen en tegenover Truitje, die niet altijd heel gepast is
en zich erg voelt, moet ik mijn prestige hoog houden. 't Is wel 'n
zonderlinge optocht: voorop Bobbie met den olifant-op-wieltjes, dan
Liesje met Hoppo en 't kattekind en ik met Loekie aan 'n handje er
achter.
We verheugen ons in veel belangstelling, maar niemand doet ons eenigen
overlast en de kinderen zelf loopen met ernstig-genietende gezichtjes.
Niemand van ons zegt 'n woord. Alleen bij den hoek van 'n straat
waarschuw ik: „pas op,” zonder dat 't feitelijk noodig is, want Liesje
en Bobbie zijn gewend hun eigen oogen te gebruiken en heel voorzichtig.
In stilte bewonder ik Liesje, die zoo handig haar poppenwagen bestuurt
en 't opwaaiende spreitje af en toe terecht schikt. Poes Polly zit
zedig-onnoozel met knippende oogjes voor zich uit te kijken naast den
onbeweeglijken Hoppo met z'n starende, zwarte kraaloogen. 't Blauwe
veertje op Polly's vilthoed wappert statig heen en weer, maar zonder dat
ze 't zelf zien kan, anders zou haar dit allicht wat onrustig maken. Ze
schijnt 't ritje lang niet onaangenaam te vinden; alleen af en toe als
er 'n hond voorbij gaat, doortrilt haar 'n licht zenuwschokje, maar dan
beheerscht ze zich ook weer meesterlijk. Nog 'n klein eindje en we zijn
er. Ik ben zeer benieuwd wat de anderen van deze processie zeggen
zullen.
We slaan een hoek om en steken dan schuin over. 't Is 'n lange, stille
straat met tuintjes voor de huizen. In de verte staat Bé in 'n witte
japon al bij 't tuinhekje. Ze ziet ons aankomen en begint te wuiven en
daarop komen Aad en de andere gasten, die ons blijkbaar allen vóór zijn,
ook naar buiten.
„Kijk, daar heb je tante Bé, en kijk daar zijn oom Aad en oom Flip en
meneer van Slooten ook en tante Roosje!” juicht Liesje, verrukt
terugwuivend en Bobbie en Loekie raken eveneens in vuur.
„Hallo, daar komme we an,” schreeuwt Bobbie opgewonden met den olifant
achter zich aan vooruithollend.
De sneldraaiende wieltjes snorren ratelend over de klinkers, rrrt!
Daar schiet luid-blaffend uit een van de tuintjes, waar we langs
moeten, 'n groote, witte keeshond. 'n Snerpend miauw ontsnapt uit den
poppenwagen en vóór we eigenlijk goed begrijpen wat er gebeurt, is Polly
in haar opzichtig toilet van fladderend rood cape-je en witten vilthoed
opeens den kees aangevlogen, die waarlijk niet wetend hoe hij 't heeft,
uit alle macht 't vreemdsoortig monster met de woedendste kattenoogen,
welke hij ooit aanschouwde, tracht af te schudden.
'n Onbeschrijflijk geluid van kindergehuil, hondengeblaf en
kattengekrijsch vervult voor enkele seconden de lucht. Polly wordt
eenige malen heftig door den verontwaardigden kees heen en weer geschud,
ontsnapt dan ijlings en vliegt met 'n doordringenden schreeuw in haar
gehavende pelerine den eersten den besten boom in. De kinderen en ik,
Ada, Roosje en Huib van Slooten en de inmiddels toegeschoten eigenaar
van den op de vlucht geslagen kees staan sprakeloos te staren naar
'n rood lapje en 't niet meer te herkennen vilten hoedje voor ons op
straat.
't Is alles zoo ongelooflijk snel gebeurd, dat niemand iets heeft kunnen
zeggen, of 'n hand uitsteken.
„Alstublieft mevrouw,” zegt eindelijk de eigenaar van den kees, 'n
goedig mannetje met glimmend kalen bol, en buigend reikt hij mij 't
roode en 't witte vodje over.
„Meneer....eh.... 't Spijt me zoo,” begin ik, maar dan barsten we allen
uit in 'n niet meer te weerhouden schaterlach, behalve Loekie en Bobbie,
die 't op 'n huilen zetten en Liesje, die zich met 'n bleek gezichtje
angstig aan m'n rok vastklemt en 't zachtjes uitsnikt.
Flip en Bé zijn intusschen ook komen aanloopen. 't Geval heeft veel
hilariteit verwekt. Uit de ramen van de dichtst bijgelegen huizen gluren
nieuwsgierige hoofden. En met de treurige overblijfels van Polly's
toilet in m'n rechterhand geknepen, vertel ik, die eigenlijk alleen
kan uitleggen hoe de vork in den steel zit, zoo goed mogelijk 't heele
geval, terwijl de anderen de snikkende kinderen tot bedaren trachten te
brengen. Alle groote menschen hebben pret nu alles betrekkelijk goed is
afgeloopen.
Dan leiden Bé en Roosje de kinderen naar huis, de meneer van den
kees trekt zich buigend terug, en de jongens en ik, geholpen door 'n
inmiddels naderbij gekomen agent, beginnen pogingen aan te wenden om
Polly uit den boom te lokken.
Maar ze bedankt er hartelijk voor er uit te komen; héél bovenin blijft
ze zitten in haar stuk-gebeten roode cape en verloochent totaal de
haar door Max toegedichte lammerennatuur. Helsch loeren haar groene
kattenoogen ons aan; ze blaast zoo hard ze kan, zoodat ze meer heeft van
'n duivel of woedenden sater en we Aads voorstel, om haar voorloopig
maar stilletjes te laten zitten en eerst mee te gaan theedrinken,
dankbaar aannemen.
De agent, die 'n fooitje krijgt, zal zoolang wel 'n oogje op haar
houden, belooft hij.
We vinden de kinderen getroost en opgedroogd met hun drietjes op de
kanapée in Bé's gezellige salonnetje, bezig groote stukken cake te
verslinden. Roosje, goedig als altijd, belooft 'n nieuw pelerinetje en
mutsje te maken, wat véél mooier staat dan zoo'n vilten hoedje en Bé
stelt Bobbie en Loekie gerust met de verzekering, dat oom Aad wel zorgen
zal, dat poes Polly vanavond weer thuis is.
„Poesen blijven soms uren lang in 'n boom zitten”, verzekert ze, met
zóó'n kwistige hand chocolaadjes aan hen uitdeelend, dat ik, bang voor
de mogelijke gevolgen, haar tot mindere mildheid moet aansporen.
't Wordt 'n allergenoeglijkst partijtje.
Roosje en ik schenken thee voor 't gezelschap en Bé wordt hemelhoog om
haar bizonder goed uitgevallen cake geprezen. Flip, die haar anders zoo
plagen kan, is 't gulst met z'n lof. Aad maakt de kinderen aan den gang
door Hoppo de onmogelijkste sprongen te laten maken en Huib, met z'n
kopje in de opgeheven rechterhand, drinkt 'n hoogdravenden toost op de
gastvrouw en op „de katten-catastrophe,” die gelukkig zonder
bloedvergieten is afgeloopen.
Om zes uur—Truitje wist niet waar we bleven en had de groenten laten
aanbranden—waren we thuis en 's avonds kwamen Bé en Aad Polly brengen,
secuur en luchtig verpakt in 'n afgedankte bloemenmand met 'n courant er
over. Ze zag er weer even onschuldig uit als vóór 't gebeurde en sprong
met 'n bedeesd „ miauw” de mand uit toen 't papier er werd afgenomen,
maar in haar equipage zal ze althans buiten, vooreerst wel niet meer
rondtoeren. Daar hebben de kinderen ruimschoots hun bekomst van.
* * * * *
Vanmiddag tegen etenstijd komen Floor en Max thuis, tot groote vreugd
van hun kroost, dat bijna niet te houden is en allerlei verrassingen
voor Paats en Moekie verzint. Ik ben den heelen dag in één race om
alles te beredderen, want ik wil 't huishouden natuurlijk in de puntjes
achterlaten en toonen, dat 't Piepkuikentje ruimschoots voor de haar
opgedragen taak berekend was.
Vóór 't koffiedrinken, terwijl de kinderen in den zandhoop speelden,
heb ik met de twee meiden de huiskamer en serre nog 'n flinke beurt
gegeven en Liesje, in 'n vuile morsschort van Bobbie, kwam op haar
dringend verzoek 'n handje meehelpen om de planten af te sponsen. Ze
deed 't heusch heel handig met 'n vreugde-stralend gezichtje, maar
gaf zichzelf bij ongeluk zóó de volle laag, dat ik haar na afloop wel
wringen kon en genoodzaakt was haar van top tot teen te verkleeden.
Maar dat oponthoudje had ik er graag voor over, want 't kind genóót
en ik was mij bewust precies in Floor's geest te handelen. Ze laat de
kinderen altijd zooveel mogelijk hun eigen gang gaan en vindt zoo'n
nat pak niets.
Liesje glom van voldoening en toen ik Bobbie en Loekie boven voor hun
middagdutje geïnstalleerd had, luisterde ik van af 't balkon van de
slaapkamer, 't volgende gesprek af tusschen haar en 'n buurjongetje, dat
haar dagelijks 't hof maakt door 'n reet van de schutting, waardoor ze
mekaar nauwelijks zien kunnen.
„Ben jij daar, Hans?”
„Ja Liesje. Zal 'k bij 't gaatje in de schutting komme?”
„Ja, want ik moet je wat vertellen.”
„Goed.”
„Zeg Hans, 'k heb zoo lekker de planten mee helpen afsponsen. Ik was
zelf heelemaal nat en vuil, maar tante heeft me verkleed en nou ben ik
weer netjes.”
„Vond je tante dat dan goed? Was ze niet boos?”
„Nee, túúrlijk niet. Tante zei zelf dat ik 'r juist zoo hielp.”
„O! Zeg, wanneer mag ik weer 's op visite bij je?”
„Morgen als Moekie thuis is,” beloofde Liesje.
„Leuk! Mag 'k dan vroeg komme?”
„Misschien wel, 'k zal 't vragen. Breng je dan je paard mee?”
„Goed, maar dan mag Bobbie d'r niet mee spelen, hoor. Die maakt alles
kapot,” en toen of hij spijt had van deze strenge voorwaarde: „wil je 'n
knikker van me?”
„Nee, Moekie vindt knikkers gevaarlijk. Loekie steekt wel 's dingen in
z'n mond,” weerde Liesje de gulle aanbieding af.
„Nou dag. Juf roept. Dag Liesje!”
„Dag Hans,” en Liesje begon weer ijverig madeliefjes te plukken, terwijl
haar vriendje in huis verdween.
Ze liep aldoor in zichzelf te zingen onder 't heen en weer scharrelen,
een en al blijdschap over de thuiskomst van Paats en Moekie, waar ze af
en toe zóó naar verlangd had.
Om drie uur waren Bobbie en Loekie weer beneden en beleefden we nog 'n
angstig oogenblik om Loekie, die al spelende, z'n linkerwijsvingertje in
't gaatje van 'n stoof gestoken had en 't er niet meer uit kon krijgen.
Hij krijschte zóó van angst en ontsteltenis—huilen kon men 't geluid,
dat hij voortbracht, met geen mogelijkheid meer noemen—dat Maartje uit
de keuken kwam aangerend om te zien, wat er gaande was en geholpen door
haar, gelukte 't me eindelijk 't arme vingertje, dat er al leelijk rood
en gezwollen uitzag, te bevrijden. Eenige chocolaadjes, waar Liesje en
Bobbie eveneens aanspraak op meenden te hebben, deden echter 't leed
gelukkig gauw vergeten.
Ik had voor „welkom thuis” in alle vazen bloemen geschikt en uit naam
van vader en moeder 'n groote taart besteld en hielp de kinderen, die
ook iets feestelijks doen wilden, verder met de poppen aan te kleeden,
die met sigarenbandjes en oranjelint versierd werden, evenals Hoppo
en de olifant. Zelfs poes Polly was zoo goed niet, of ze moest 't
spiksplinternieuwe roode cape-je om en 't mutsje op, dat tante Roosje
den vorigen dag was komen brengen en werd toen in dat vurig toilet te
slapen gelegd in de poppenwieg, tot 't plechtig moment van aankomst daar
zou zijn.
We hadden afgesproken, dat ik Floor en Max alleen met de kinderen zou
ontvangen en dat de familie hen 's avonds even begroeten zou, dus had ik
de handen vol om 't woelige troepje in toom te houden.
Truitje dreigde 'n oogenblik brutaal te worden. Toen ik haar door Liesje
liet vragen of ze wou zorgen om kwart over vier theewater klaar te
hebben, kwam 't kind terug met 't bericht:
„Truitje zegt, dat ze niet tooveren kan,” waarop ik me zelf naar
de keuken begaf en haar in tegenwoordigheid van Maartje kort en
bondig meedeelde, dat ik niet verkoos, dat ze de kinderen ongepaste
boodschappen liet overbrengen en dat ze maar aan mijn verzoek had
te voldoen, of dat ik me anders tegen mevrouw over haar gedrag zou
beklagen.
Gelukkig schaamde ze zich en zei ze dadelijk, dat ze 't niet zoo gemeend
had en 'n oogenblik later hielp ze me zóó bereidwillig met 't vastmaken
van m'n japon, dat ik me maar voornam niets aan Floor te zeggen.
Toen ik weer binnenkwam stonden Liesje en Bobbie geheimzinnig samen in
'n hoekje te smoezen.
„We doen 'n verrassing samen, maar jij mag 't niet weten, tante Piep,”
zei Bobbie, en ik trok me met Loekie, die plaatjes wou kijken, dan ook
in alle bescheidenheid terug.
Tegen half vijf hield midden in 'n geweldige regenbui 't rijtuig voor
't huis stil en de kinderen buitelden joelend over elkaar de gang in.
Er was geen houden meer aan.
In triomf werden de reizigers naar binnen gehaald. 't Was zoo'n
stormachtige begroeting, alsof ze maanden inplaats van één enkel weekje
waren weggeweest.
Floor's blauwe reishoedje met sluier hing achter aan haar hoofd en Max'
haar stond recht in de hoogte, toen ze eindelijk door hun liefhebbend
drietal werden losgelaten.
„En nu 't Piepkuikentje, dat zoo trouw over onze kuikens gewaakt heeft!
Hier, moeder, hier is ze,” en Max, na me gezoend te hebben, dat m'n
wangen er pijn van deden, duwde me vrij onzacht in Floor's armen, pakte
me toen op of ik 'n veertje was en droeg me naar de kanapée.
Ik liet maar met me sollen—aan verweren viel toch niet te
denken—terwijl de kinderen juichten en „leve tante Piep!” riepen.
Toen scheen Liesje zich ineens te bedenken en fluisterde gejaagd Bobbie
iets in, die aankondigde: „En nou komt de verrassing,” waarop poes
Polly, die gekleed en gereed in de poppenwieg te slapen lag, te
voorschijn gehaald werd en tusschen 't tweetal in plechtig naar Paats
en Moekie geleid werd.
Liesje en Bobbie overhandigden hun als huldeblijk ieder 'n allerzieligst
bouquetje slapgeworden madeliefjes en we hadden moeite ons goed te
houden om Liesje, die met 'n plechtig stemmetje zei:
„'t Is weinig, maar uit 't hart!” en om Bobbie, die aanvulde: „nou zijn
ze wel nie mooi, maar as je ze in 't water zet, worden ze strakkies
prachtig! En is dit nou niet 'n echte verrassing?”
Nu dat wás 't en Liesje en Bobbie werden er zóó voor gekust en
geknuffeld, dat Loekie jaloersch werd en ook om kusjes begon te bedelen.
Ik bleef dien middag nog eten en ben 's avonds met vader en moeder
mee naar huis teruggegaan, duizendmaal bedankt door Max en Floor, die
bizonder van hun uitstapje genoten hadden en me als aandenken 'n beeldig
gouden speldje vereerden, waarmee ik natuurlijk heel blij ben, al
houd ik mij voortaan ook zónder gouden speldjes of cadeautjes gaarne
aanbevolen, hun huishoudentje te komen waarnemen als 't nog eens noodig
mocht zijn.
[decoratieve illustratie]