HOOFDSTUK III.

Ik ben boven de wolken want ik gá naar Parijs, al heb ik geen

zilvervloot gewonnen, of ook in de verste verten iets wat daarop lijkt!

Gistermiddag aan de koffie kwam vader ineens met 't besluit voor den

dag.

Floor heeft stilletjes verteld van 't reisplan van Roosje en Emmy van

der Marck en van Roosjes verzoek om me bij hun tweetjes aan te sluiten.

Daarop is vader naar meneer van der Marck gestapt, heeft er lang en

breed met hem over gesproken en is toen tot de slotsom gekomen, dat ik

ook van de partij zou mogen zijn als ik lust had.

Nu daaraan hapert 't mij niet! Ik was gewoon door 't dolle heen, vloog

moeder om den hals en heb vader zóó vurig op zijn kale kruintje gekust

als ik nooit van te voren deed.

Voor meisjes als de Verhooghjes, die vóór hun twintigste jaar al

half Europa hebben rondgereisd, heeft zoo'n uitstapje naar Parijs

niet veel om 't lijf, maar voor zoo'n eenvoudige ziel als ik, op

wier reisrepertoire alleen Brussel en Kleef staan, is 't 'n echt

buitenkansje. Ik kon geen stuk eten van opgewondenheid!

Roosje, die al op de hoogte was, kwam me 's middags halen om met mij

naar haar nichtje te gaan, dat ik maar heel oppervlakkig kende. Emmy

ontving ons op haar atelier, waar we bleven theedrinken. Alles stond

er vol bloemen en studies en we mochten naar hartelust kijken en

rondsnuffelen. Ik gooide bij ongeluk 'n vaas met irissen om, zoodat 't

water in 'n stroompje over den houten vloer liep, maar ze vond 't niets

erg, deed lachend opnieuw water in de vaas en liet 't stroompje kalm

liggen. Dat zou wel drogen zei ze.

Ze is 'n paar jaar ouder dan Floor en heeft al heel wat gezien in haar

leven. Ze lijkt me heel aardig en flink, 'n prettige chaperonne, waar

we veel van kunnen leeren, want we gaan hoofdzakelijk voor de musea en

't historische van Parijs en niet elken avond naar theaters of opera's.

Misschien eens één enkel keertje, omdat er dat nu eenmaal bij behoort,

maar Emmy denkt dat we 's avonds toch te moe zullen zijn, als we zoo'n

heelen dag hebben rondgesjouwd. We gaan en pension in 'n goedkoop

hotelletje, waar Emmy 'n paar jaar geleden met 'n tante gelogeerd

heeft. 't Is dicht bij de Madeleine in de Rue Boissy d'Anglas en heel

rustig gelegen in 'n „cité”, zoodat we geen last van 't leven op straat

zullen hebben, dat in Parijs bijna den geheelen nacht voortduurt. Emmy

gaat enkele dagen eerder dan wij om 'n vriendin op te zoeken en Roosje

en ik zullen den 30sten Mei volgen. We vertrekken dan 's morgens om

negen uur en zijn zoowat tegen vijven in ons hotel, waar Emmy ons zal

opwachten. 't Is al tamelijk laat in 't seizoen voor 'n bezoek aan

„La-Ville-lumière,” waar 't na half Juni en soms al voor dien tijd snik

en snikheet schijnt te zijn, maar wij kunnen allen heel goed tegen de

warmte en hebben nu zulke heerlijk lange dagen!

Ik heb natuurlijk nog heel wat te beredderen en te bestudeeren voor ik

reisvaardig ben in 't korte poosje, dat me nog rest.

Léo van Slooten, die er verleden jaar September eenige weken doorbracht,

is me dadelijk zijn Baedeker komen brengen en den heelen dag zit ik nu

maar met m'n neus in „Paris et ses environs” om nog zooveel mogelijk

kennis te vergaren. Ik stel me erg veel voor van de omstreken, vooral

van Versailles! Want ik gloei voor alles wat de Fransche revolutie

betreft en Marie Antoinette was de heldin van mijn kinderjaren. 't

Stukgelezen boekje van Andriessen „De val van een koningshuis” prijkt

nog altijd in m'n boekenkastje. 'k Zou er me niet van kúnnen ontdoen.

Zóó ben ik daaraan verknocht geweest.

Op 't oogenblik zit ik in de grauwende schemering op mijn slaapkamer,

druk te naaien aan 'n bloese, die bijna af is. Nog één knoopje

aanzetten, dan ben ik klaar! Mijn naald vliegt op en neer, ik tril

heelemaal van 't jachten en juist als moeder voor de derde maal aan

de trap roept, of ik nu eindelijk kom theedrinken, gooi ik de bloese

zegepralend op mijn bed, naald en vingerhoed ergens op tafel en vlieg

de trap af naar beneden.

PARIJS, 2 Juni 's avonds.

Allerbeste oudertjes,

Al vier dagen is 't geleden, sinds ik de eerste voetstap in la

Ville-Lumière zette, en nòg heb ik geen gelegenheid gehad om

'n behoorlijken brief te schrijven. Maar dit wordt dan ook 'n

extra-lange! U wilt alles wat ik schrijf wel goed bewaren, nietwaar

en me naderhand teruggeven, want ik heb waarlijk geen tijd 'n

reisjournaal bij te houden.

Door mijn telegram en de briefkaarten, die ik zond, weet u al dat

we goed zijn overgekomen en plezier hebben. De voorspelling, dat

we veel warmte zouden krijgen, is tot nog toe uitgekomen. Vandaag

tenminste was 't: une chaleur accablante, maar we hebben er ons

niet aan gestoord en zitten nu hoog en droog uit te waaien op 't

balkon van de slaapkamer, die Roosje en ik samen betrokken hebben.

Het uitzicht is niet fraai, het bestaat hoofdzakelijk uit daken en

schoorsteenen, maar we hebben den vrijen hemel boven ons en 't is

hier heerlijk koel. Emmy, die 'n verdieping lager slaapt, is geen

balkon rijk en zit bij ons in haar schetsboek te teekenen, terwijl

Roos en ik, ieder met 'n vulpen gewapend, schrijven, onze knieën

als lessenaar gebruikend, waardoor mijn schrift niet al te netjes

wordt!

Na 't diner, dat om half acht was afgeloopen, hebben we hier eerst

'n soort van bacchanaal met ijs en spuitwater aangericht, dat ons

heerlijk heeft opgefrischt.

Thee drinken we maar niet, want 't aftreksel, dat we hier ééns

genoten hebben, smaakte naar hooi en tabak, zoodat we 's morgens

aan 't ontbijt maar liever chocolade drinken en ons 's middags in

de stad met 'n enkel kopje afternoon-tea tevreden stellen.

Den eersten dag brachten we bijna uitsluitend op straat door. In 't

begin vonden Roosje en ik 't allergriezeligst om over te steken,

maar 't wende gauw, al zijn er vooral 's middags oogenblikken,

dat je niet anders doen kunt dan wachten tot 'n agent z'n bâton

blanc in de hoogte steekt en de stroom van auto's, rijtuigen en

taximètres stil moet blijven staan, om de voetgangers te laten

passeeren. We hebben al menig ritje per rijtuig gedaan en ook veel

geprofiteerd van de métropolitain of „le métro” zooals ze hier

zeggen. Den eersten keer was 't 'n wat zonderlinge gewaarwording

om in zoo'n ondergrondsche spoor te zitten. Er is iets beklemmends

in. 't Ruikt er zoo kelderachtig en dan dat helsche lawaai onder 't

rijden! Maar het gaat heerlijk gauw en 't is goedkoop. We kwamen er

tot de conclusie, dat de mannen hier nog veel ijdeler zijn dan de

vrouwen!

Aan elke halte van de métropolitain staat 'n rijtje van automaten,

waaruit je voor enkele sous chocolade of biscuits nemen kunt. Aan

de voorzijde van iederen automaat is 'n spiegel aangebracht en

nu is 't bepaald amusant te zien, hoe bijna geen enkele heer de

gelegenheid verzuimt zichzelf daarin te bekijken, terwijl je 't

de dames haast niet ziet doen. Roosje, die 't 't eerst oplette,

vestigde er onze aandacht op en we lachten ons tranen om dit

verschijnsel. 't Is zoo kostelijk alle op- en aanmerkingen zoo

hardop in 't Hollandsch aan elkaar te kunnen zeggen, hoewel Emmy

ons telkens waarschuwt, dat 't toch gevaarlijk is. We worden

meestal voor Engelschen aangezien, ook in 't hotel; zeker omdat

we ons zoo eenvoudig kleeden. Ik zou me niet graag als 'n echte

Parisienne uitdossen, want hoewel ze allen zonder uitzondering

zeer elegant zijn, is haar manier van doen toch heel anders dan

hier in Holland. Smaakvolle en ook zeer bizarre toiletten worden

hier gedragen, vooral de hoeden en kapsels zien er dikwijls zeer

vreemd en ingewikkeld uit, maar bijna nooit zou je 't leelijk

kunnen noemen.

Gisteren hebben we onzen eersten morgen in 't Louvre gesleten. Emmy

weet er uitstekend den weg en vertelde ons 'n massa bizonderheden

van alles wat we zagen. Ze is 'n ideaal-chaperonne en geeft ons

bepaald af en toe 'n lesje in kunstgeschiedenis. We hebben o. a.

de Hollandsche en Vlaamsche school gezien en de oude Italianen,

ontelbare madonna's en ook 't beroemde schilderij van da Vinci

„Mona Lisa” of „la Joconde” voorstellend, waarvan ik 'n tamelijk

goede reproduktie kocht. Aan Floor en Max stuurde ik voor de grap

'n briefkaart met 't portret van de kleine infante Marie-Marguerite

van Spanje door Velasquesz, omdat ik vind dat 't op Liesje lijkt.

Vraag maar of ze 't u eens laten zien, dan weet ik zeker, dat u

zult zeggen dat ik gelijk heb.

Het was vrij koel in 't Louvre en niet zoo heel druk. 's Middags

en vooral Zondags is 't er eenvoudig ongenietbaar; daarom besteden

we er dan ook liever de morgenuren aan. Onbetaalbaar zot zijn de

groote reisgezelschappen, die je er tegenkomt en als we moe zijn

van 't schilderijen-zien, is 't waarnemen van zoo'n Cook-troep

'n heerlijke ontspanning. Eén reisgezelschap bestond uit zoowat

alle nationaliteiten: Italianen, Russen, Duitschers, Amerikanen

en 'n paar broodmagere, leelijke Engelsche dames met eigenwijze

uilengezichten en hoeden met fladderende sluiers. Er waren zelfs

twee Japanners en 'n neger bij en dat heele troepje holde 'n klein,

dik mannetje na, den leider van 't gezelschap, met 'n groote

flambard en 'n lorgnet op. Met plechtige bewegingen en luider

stemme galmde hij telkens zijn wijsheid uit.

„Mesdames, messieurs, voici un tableau très remarquable,” en

dan schoot hij als 'n schietmot af op 'n heel klein schilderijtje

aan 't eind van 'n zaal, om juist als iedereen er zich om stond te

verdringen, ineens over te steken naar 't andere einde, waar zich

ook iets zeer „remarquables” bevond, waarna alles weer meeholde. 't

Geheel bood zoo'n allerdolsten aanblik, dat Emmy niet kon nalaten

enkele types in haar schetsboek, dat ze altijd bij zich draagt, te

vereeuwigen.

Na ons bezoek aan 't Louvre gingen we ergens in 'n „laiterie”

koffiedrinken, wandelden toen door de Rue de Rivoli terug tot aan

den „jardin des Tuileries”, waar we even rondliepen en 'n poos op

'n bankje zaten. Toen kuierden we langzaam, want o, wat was 't

warm! naar de Seine, waar we op 'n bootje stapten naar Saint-Cloud.

Dat was 'n heerlijk tochtje! We stijfden er van op als halfverlepte

bloemen, die in frisch water worden gezet en genoten van 't

prachtige gezicht op de rivier. Typisch was 't om onder al die

bruggen door te varen en verderop bij Meudon en Sèvres, begonnen

de mooie, groene heuvelrijen waartegen de roodgedakte huisjes en

villa's zoo vroolijk afstaken. Roosje drong er op aan dezer dagen

'n bezoek aan den Eiffeltoren te brengen, maar daar is Emmy niet

voor te vinden. Je wordt er maar duizelig en akelig van in je hoofd

en we hebben nog zóóveel te zien, dat we er toch geen tijd voor

over zullen houden, zegt ze. Nu, 't kan mij niet veel schelen. Zoo

aan den buitenkant alleen gezien ziet hij er tamelijk griezelig en

onstevig uit!

En nu verder over Saint-Cloud, waar ik wel veel langer had willen

blijven. Veel tijd hadden we niet, anders waren we zeker dieper

't park ingegaan. We stelden ons tevreden met 'n bezoekje aan de

cascades (die alleen maar op enkele feestdagen en Zondags om de

veertien dagen loopen) en stegen toen langzaam langs den hellenden

weg naar boven tot aan 't terras, waar vroeger 't paleis stond en

van daar naar 't bekende plateau, van waar men een der mooiste

vergezichten heeft op Parijs. Toen we ons daaraan naar hartelust

verkwikt hadden, gingen we theedrinken en aanvaardden daarop den

terugtocht. We gingen vroeg naar bed, omdat voor vandaag Versailles

op 't programma stond, waar minstens één langen dag voor noodig is,

om eenigszins 'n overzicht over 't geheel te hebben.

Dadelijk na 't ontbijt gingen we er per „tramway” heen, beladen met

ons twaalfuurtje, bestaande uit broodjes met harde eieren en 'n

enormen zak kersen. We zaten bovenop, wat goedkooper en frisscher

was en waren zoowat tegen elf uur te Versailles, waar we begonnen

met 't groote paleis te bezichtigen. Het is reusachtig. Er voor,

midden op de „cour d'honneur” staat 'n bronzen ruiterstandbeeld van

Lodewijk XIV, den stichter en aan de zijkanten van den cour zijn de

beelden van verschillende staatslieden en maarschalken geplaatst.

Ontelbaar waren de zalen die we doorgingen, „décorées avec une

richesse sans pareille,” zooals terecht in Baedeker staat: kostbare

behangsels, gobelins, muurschilderingen en plafonds, gebeeldhouwde

meubels en deuren, marmeren schoorsteenen, 'n niet te zeggen

weelde. Die „Galerie des Glaces” bijvoorbeeld en dan de slaapkamers

van de verschillende Louis! Hoe hebben ze 'n oog kunnen sluiten op

die akelig mooie praalbedden zonder nachtmerrie's te krijgen!—Het

paleis is gedeeltelijk museum, maar de schilderijen zijn zeer

middelmatig over 't geheel, dus hebben we er die grootendeels aan

gegeven en meer op 't historische gelet. Weldadig doen te midden

van al die overweldigende luxe de kleine, bij de rest vergeleken,

uiterst eenvoudige kamers aan, die Marie Antoinette in dit

reuzenpaleis bewoonde. Daar staat o. a. de luiermand, 'n kleine,

beschilderde koffer, die de stad Parijs haar aanbood met de

geboorte van den Dauphin.

U kunt begrijpen, dat we doodmoe waren toen we na 't bezichtigen

van de kapel 't paleis verlieten, maar we bekwamen nogal gauw

buiten in de prachtige tuinen, waar we enkele van de fonteinen en

bassins zagen en ons twaalfuurtje gebruikten. We bleven er nog wat

ronddwalen voor we Grand en Petit Trianon gingen zien en haalden

ons hart op aan de prachtige bloemen. Met de seringen en kastanjes

was 't gedaan, maar de jasmijn, rododendrums en rozen bloeiden er

zooals ik 't nergens anders ooit gezien heb. Het rook er goddelijk

en we voelden ons of we in 't paradijs waren. Een takje jasmijn

heb ik in Baedeker gedroogd en ook 'n klavertje van vier, dat ik

vond in 't „hameau de la reine,” nadat ik 'n leelijken winkelhaak

gehaald had in mijn blauwe rok, dien Emmy tusschen twee haakjes

keurig voor me gestopt heeft. Ik sluit 't hierbij in en hoop, dat

dit Fransche klavertje u geluk zal aanbrengen.

De kleine gebouwtjes van 't hameau, de moulin, de laiterie en 't

boudoir, waar Lodewijk XVI en Marie Antoinette met hun hofhouding

„boerderijtje speelden” zijn tamelijk vervallen, maar zien er zeer

schilderachtig uit en zijn bijna alle geheel of gedeeltelijk met

klimop begroeid. Je kunt er niet in, maar de gebouwtjes zijn toch

heelemaal leeg en erg luguber als je erin kijkt.

Op Grand Trianon zagen we o. a. de slaapkamer van Napoleon; ook

namen we 'n kijkje in 't „musée des voitures,” waar de gala-koetsen

bewaard worden. In een ervan heeft Napoleon gereden en er staan ook

verscheiden draag-koetsen en sleden. Die van Marie Antoinette is

door Watteau beschilderd; 'n zeer elegante schelpvormige behoorde

aan Madame de Pompadour en 'n andere, gedragen door 'n schildpad,

aan Madame de Maintenon.

In Petit Trianon stelde ik eigenlijk 't meeste belang. 't Is 'n

klein paleisje, niet veel meer dan 'n villa. In de salon staat

nog 'n spinet door de koningin bespeeld en in 'n andere kamer

'n beeldig, rozenhouten waschtafeltje, dat ze gebruikte. Ik heb

me verschillende briefkaarten aangeschaft, ook een van haar

slaapkamer, waar een portret van den Dauphin hangt.

Flip zal wel lachen om al die beschrijvingen en mijn „misplaatst

enthousiasme” over Marie Antoinette. Hij plaagde me vroeger zoo als

ik zat te huilen over „De val van een koningshuis,” maar ik kan

niet helpen, dat ze altijd 'n zwakje van me gebleven is.

We moesten hollen en vliegen om nog bijtijds 'n tram naar Parijs te

halen, maar rustten lekkertjes uit op den terugrit en vielen met

waren wolvenhonger aan op ons diner.

Het eten is eenvoudig maar goed en over onze slaapkamer zijn we

heel tevreden. Groot is ze niet, maar 't balkon vergoedt veel. We

slapen met open balkondeuren, zetten die half aan en barricadeeren

die voor 't naar bed gaan met onze koffers, waar we de waterkitten

en waschtafelemmers bovenop zetten. Eigenlijk is 't onnoodig, want

ik geloof niet, dat iemand zonder z'n hals te breken ons zou kunnen

bereiken, maar men kan op reis niet te voorzichtig zijn!! heeft

vader me nog op 't hart gedrukt voor ik wegging.

Er zijn veel Engelschen in 't hotel, 'n stuk of wat Franschen en

twee dikke Duitsche dames zitten 's middags aan 'n tafeltje naast

't onze. Wij spreken „alle talen van den regenboog” en iedereen is

heel beleefd.

Ik vind Parijs 'n verrukkelijke stad, heel mooi, vroolijk, druk en

interessant, hoewel ik er niet voor goed zou willen wonen.

Morgenochtend gaan we weer naar 't Louvre en 's middags—want dat

ligt allemaal bij elkaar—naar de Notre Dame, de Sainte Chapelle en

de Conciergerie, waar Emmy 'n introductie voor heeft; 's avonds als

we niet te moe zijn per Seine-bootje op en neer naar Meudon of

Sèvres.

En nu, slaapt wel, geliefden. Ik kan geen spikkel meer zien en ben

moe. Veel liefs voor iedereen en minstens 'n dozijn kussen voor uw

beidjes van

't genietende Piepkuiken,

dat druk bezig is 'n wufte Parisienne te worden!

* * * * *

Helaas, de tijd van ons verblijf hier begint op te schieten. Nog twee

dagen, dan is de koek op en behooren de twee heerlijkste weken, die ik

tot nog toe beleefd heb, weer tot 't verleden, maar de herinnering er

aan zullen we ons leven lang behouden en de vriendschap tusschen Roos en

mij is door dit reisje zeer toegenomen. Ze is zoo'n in-goed kind en zoo

vroolijk. 's Avonds op onze kamer hebben we onbedaarlijke lachbuien om

de menschen, die ze nadoet. Haar stem en mimiek zijn gewoon eenig en ze

kan zulke leuke invallen hebben.

Laatst in 't Louvre liepen we met de overblijfselen van ons

twaalfuurtje: 'n prop vette papieren en sinaasappelschillen in onzen

reiszak. We hadden 't heele rommeltje keurig in 'n courant gepakt, maar

vonden 't toch vervelend er den heelen verderen middag mee rond te

sjouwen, te meer omdat we van plan waren 'n paar boodschappen te gaan

doen, die in den zak moesten. Toch zagen we zoo gauw geen kans 't kwijt

te raken. 't Onderweg „verliezen” ging moeilijk, dan zou de een of

andere galante snoeshaan 't ons misschien nadragen.

„Geef maar hier,” zei Roos toen heel edelmoedig en met een doodleuk

gezicht sloop ze naar 'n oud ventje, 'n gardien, die in 'n hoekje van

de zaal zat te dommelen en lei 't voorzichtig op z'n schoot. Proestend

holden we door, maar konden toch niet nalaten aan 't eind van de zaal

even om te kijken en daar zagen we hem juist met 'n hoogst verbaasd

gezicht 't pakje betasten en openmaken! 'n Eind verder vielen we neer op

'n rood kanapeetje, alle drie op 'n rijtje, krom van den lach, Emmy net

zoo goed als wij.

Ik mag Emmy heel graag. Zoo frisch en pittig is ze en ondanks haar vijf

en dertig jaren, zoo jong en echt levenslustig! In 't begin was ik 'n

beetje verlegen voor haar. 't Was net of die hel-blauwe oogen door alles

heen zagen, of ze alles van en aan me opmerkten en critiseerden. Maar

dat zijn haar „schildersoogen,” zooals ze zelf zegt. Die zijn altijd aan

't waarnemen en vergelijken. En nu ik daar aan gewend ben, kan 't me ook

niet meer schelen, want ze zegt nooit hatelijke dingen en is echt goedig

voor ons. We hebben 'n massa van haar geleerd en toch laat ze zich nooit

op haar meerdere kennis voorstaan.

Schilderen is de lust in haar leven en haar schetsboek is al bijna

heelemaal gevuld met krabbels, die ze op onze tochten maakt en 's avonds

meestal uitwerkt.

Ik wou, dat ik de helft van haar ijver en energie had! Roosje vindt ook,

dat er van Emmy zoo'n lust tot werken uitgaat. 't Slaat bepaald op ons

over! Roos is tenminste vast van plan met gloeienden ijver haar viool

ter hand te nemen, als ze thuis is en ik ga me dadelijk met mannenmoed

werpen in de zee van taalregels en thema's! De Fransche taal is mooi

maar moeilijk, dat merk ik ieder oogenblik.

Ik kan me tamelijk vlug uitdrukken, doe 't zelfs met een zekere

brutaliteit, maar maak hóópen fouten. Toch voer ik op m'n eigen

verlangen meestal 't woord, want voor Emmy en Roosje geneer ik me

maar niet.

Ik heb 'n gevoel of ik hier minstens al 'n maand ben, zóóveel hebben we

beleefd en gezien, al is 't van heel Parijs natuurlijk maar 'n bitter

klein beetje.

Op een smoorwarmen dag zijn we naar Chantilly getrokken, naar 't „vieux

château des princes de Condé,” waar we de beroemde „Drie gratiën”

van Rafaël zagen, prachtige „byoux”, gobelins en nog veel meer moois

bewonderden en zóó moe waren na ons bezoek, dat we 'n uur buiten in

't gras bleven liggen om weer op ons verhaal te komen. 't Scheelde

niet veel of we hadden den trein terug naar Parijs gemist. We klééfden

eenvoudig aan de banken toen we er eenmaal inzaten. Het was dien dag zóó

warm, dat we net als die oude jongejuffrouw in een van Hichens boeken,

wel in ons geraamte hadden willen loopen.

's Avonds onweerde 't dan ook, maar den volgenden dag was 't toch mooi

weer, alleen werd 't veel koeler, zoodat we zelfs onze mantels weer

velen konden.

We zijn naar „Andromaque” geweest in de „Comédie française”, hebben

natuurlijk 't graf van Napoleon en 't „Hotel des Invalides” bezocht

en ons hart opgehaald aan souvenirs uit de Revolutie in „musée

Carnavalet.” We hebben bloemen gestrooid op Heine's graf op 't kerkhof

van Montmartre, 'n mis in de Madeleine bijgewoond, geroeid op 't „Grand

lac” in 't Bois de Boulogne en 'n heelen middag boodschappen gedaan in

de „Bon Marché”. Over afwisseling in 't programma hadden we dus niet te

klagen. En we worden zoo handig en redzaam!

Gisteren nog toen we ons per auto van musée Cluny naar 't parc des

Buttes Chaumont lieten rijden en de chauffeur ons wou afzetten,

bewerend dat hij geen klein geld terug had, wisselden we onzen „louis”

gauw aan 'n snoeptafeltje dicht bij 't hek van 't park, waar we eenige

pijpen sucre d'orge kochten, die Roos en ik voor de oogen van den

eerst zeer verbaasd kijkenden chauffeur—qui riait jaune!—aan eenige

straatkinderen uitdeelden, terwijl Emmy hem zijn precies afgepast loon

en 'n matig fooitje overhandigde. Hij zei eerst: „Ah, mesdames vous

n'êtes pas généreuses” en mompelde toen iets van „Prussiennes!” maar we

keerden ons met majesteit om en gingen 't park in, waar we heerlijk

uitrustten na de vermoeienissen van ons museumbezoek.

De twee laatste dagen van ons verblijf hier zullen we wat kalm aanleggen

om niet heelemaal „verpierelierd” thuis te komen. We hadden eerst naar

Fontainebleau willen gaan, maar daarmee zijn we 'n heelen dag kwijt, dus

is dat van 't programma geschrapt, want we hebben nog enkele inkoopen

te doen en willen graag 'n laatst bezoek aan 't Louvre brengen. We

zullen ons dus maar liever met 't bois de Vincennes tevreden stellen en

tot slot en besluit nog een zalig Seine-tochtje maken.

* * * * *

Het is de avond van onzen laatsten dag!

We kunnen ons geen van drieën indenken, dat we morgenavond weer veilig

en wel thuis zullen zijn... Ik verheug er me zeer op van al het genotene

te vertellen, al zou ik er niet 't minste bezwaar tegen hebben nog 'n

weekje te blijven!

We zitten, zooals bijna alle avonden voor 't naar bed gaan, op ons

balkon te genieten van de Parijsche avondkoelte en 't „bacchanaal met

spuitwater”, waaraan 't restje roode wijn, dat nog in onze flesch van

table d'hôte overbleef, 'n tintje geeft. 'n Enorme zak „petits beurres”,

eigenlijk meer voor de reis van morgen bestemd, verhoogt 't plechtige

van dezen afscheidsdronk.

Emmy heeft de nota betaald, we hebben met elkaar afgerekend en de fooien

voor 't personeel afgepast. Toch zullen we niet lang meer van „ons

buitenverblijf” kunnen genieten, want we moeten pakken en tijdig naar

bed! Om kwart over acht vertrekken we morgen al van de Gare du Nord en

zijn dan 's middags vóór etenstijd thuis.

We zitten stil bij elkaar, denkend aan de heerlijke dagen, die achter

ons liggen.

De zon is onder; de lucht ziet purperrood; daken en schoorsteenen

krijgen 'n spookachtig aanzien.

Daar begint aan den overkant 'n gramophone te schetteren van: „Toréador

en garde!” en plotseling komt er beweging in ons. We kunnen niet nalaten

mee te neuriën en met onze voeten de maat te trappelen. Maar als 't lied

uit is, springt Emmy overeind.

„Kom kinderenlief, met moed aan de pakkerij en dan naar bed! Morgen is

't vroeg dag en de reis is vermoeiend. Als jullie me soms noodig hebt,

kom dan maar aan mijn kamerdeur tikken,” zegt ze haar stoel naar binnen

schuivend.

„O, we zullen 't wel met ons beidjes afkunnen. Als jij ons een van

beiden soms noodig hebt”.... bied ik aan.

„'t Zal met mij wel losloopen. Ik heb al zooveel alleen gepakt van mijn

leven. Veel succes hoor!”

Ze geeft ons 'n zoen en vertrekt, lachend om de geweldige herrie op onze

kamer, die wel 'n uitdragerswinkel lijkt. Op iederen stoel hangt of ligt

'n kleedingstuk. Schoenen, paraplu's en parasols, kleer- en haarborstels,

sponsenzakjes, handspiegeltjes, Baedekers, schrijfgereedschap en stapels

schoongestreken ondergoed zwerven in 't rond. Op de knoppen aan

weerszijden van de spiegelkast staan onze hoeden.

„Net afgehouwen hoofden op pieken,” vindt Roosje.

De grond is bezaaid met papieren en houtwol. De kleeren, die ik morgen

op reis noodig heb, liggen in edelen zwier op mijn bed gegooid. Aan 't

voeteneinde hangt over 'n handdoek 'n ris natte handschoenen, die nog

drogen moeten en 'n kom vol groezelig zeepsop, waarin Roosje „de wasch”

behandeld heeft, staat op den grond, geflankeerd door 'n lampetkan

met 'n bos pioenrozen, die we van 'n bedeljongetje op de Place de la

Concorde kochten. We weten er eigenlijk geen raad mee en zullen ze

morgen maar vergeten, omdat ze toch als hooi in Holland zouden belanden

en we al handbagage genoeg hebben, want al onze bezittingen kunnen met

geen macht of mogelijkheid in onze koffers, hoe vernuftig we ook van

plan zijn te pakken.

Roosjes bed is één chaos van cadeautjes voor thuis. 'n Gipsen

chimère van de Notre Dame (zoo'n afgietsel naar een van de

duivels-met-beestenkoppen, die boven op de kerk rondom op de balustrade

zitten) gluurt met nieuwsgierigen blik in 'n halfgeopende bonbonsdoos en

'n blakertje van Normandisch aardewerk loopt gevaar van haar kussen af

te glijden.

We hebben nogal veel aardewerk en Roosjes voorstel, om 't allemaal bij

elkaar in 'n kistje te pakken en dat bij ons in de coupé te houden,

lijkt wel 't beste. 't Zal misschien eenige moeite opleveren bij de

douanen, maar in onze koffers breekt 't licht en dat zou nog erger zijn.

Ik breng 'n massa leuke dingen mee voor thuis.

Voor moeder 'n leeren handtaschje, voor vader 'n inktkoker en voor Flip

'n „chimère” om op z'n schrijftafel te zetten en 'n aschbakje. Bé krijgt

bij haar thuiskomst 'n tullen omslagdoekje en Aad 'n thermometer, Floor

'n eindje echte „dentelle de Bruges” en Max 'n beurs. Voor Liesje kocht

ik 'n poppen-theeserviesje, voor Bobbie 'n paardje en voor Loekie 'n wit

schaapje met belletjes. Aan Eef en Herman zond ik, goed verpakt tusschen

twee kartons, 'n mooie reproductie van 'n madonna van Botticelli. Ze

zullen wel opkijken van mij iets uit Parijs te krijgen en er eerst niets

van begrijpen, want tijd om hun te schrijven heb ik niet gehad.

In de „Bon Marché” heb ik voor m'n kleedgeld 'n doddig wit-linnen

japonnetje gekocht. Ik moest er toch een hebben en ben blij, dat ik

moeders raad, om 't me in Parijs aan te schaffen, opgevolgd heb, want

voor 30 francs zou je in Holland niet zoo iets aardigs en smaakvols

hebben.

Verder heb ik een massa briefkaarten en enkele fotografieën, die

ik grootendeels zelf denk te houden als souvenir. De jongens van

Slooten mogen er ieder 'n keuze uit doen. Huib krijgt bovendien nog 'n

portretlijstje en 'n gedroogde viool, die ik voor hem gestolen heb van

Heine's graf. Want hij dweept met Heine en citeert altijd uit 't „Buch

der Lieder.”

Dat portretlijstje is nog voor z'n verjaardag, (anders zou ik hem

niet zoo boven de twee anderen durven begenadigen), maar ik zal er

niets tegen hebben als hij er 'n kiek of portret van mij inzet....

Voor Ada Witsen en nog enkele andere vriendinnen breng ik 'n paar

bakjes en kannetjes mee van Fransch aardewerk met grappige poppetjes en

tierelantijntjes. Als 't maar heel overkomt! Emmy gaf ons als souvenir

ieder 'n alleraardigste ceintuurgesp van cuivre repoussé. De mijne is

met roode en die van Roosje met paarse steentjes bewerkt. Wij, op onze

beurt, hebben haar begiftigd met 'n paar Turksche muiltjes, die ze

toevallig erg bewonderd had voor 'n winkelraam in de Rue de Rivoli. Ze

waren nogal duur, dus gaven we ze samen en legden ze gisteravond op haar

bed met de niet zeer poëtische maar kernachtige opdracht, geschreven op

'n visitekaartje:

Voor al uwe hulp en bescherming in ruil

Bieden w' u ieder één Turksche muil!

Ze was er heel blij mee en zal ze op haar atelier dragen bij 'n zijden

Japansche kimono en ons 'n keer aldus uitgedost op „tea” vragen, zoodat

we dan 't effect ten volle kunnen bewonderen.

„'t Doet me zoo'n plezier, dat je Emmy aardig vindt,” zegt Roosje, 'n

stapeltje ondergoed zorgvuldig in haar koffer leggend, „je zult eens

zien wat 'n plezier je van die kennismaking hebben zult.”

„Ja, ik hoop dat ze de vriendschap zal blijven aanhouden. O, Roos hou

'm!”

't Laatste ontsnapt me van wege Flips chimère, die ik bijna van de tafel

gesleept zou hebben, als Roos hem nog niet tijdig gegrepen had.

„We mogen er toch wel mee oppassen. We krijgen de boel nooit allemaal

héél over. Vooral die duvels zijn zoo akelig bros,” zegt Roosje bezorgd,

maar met veel kunst- en vliegwerk zit de breekwaar omwonden met houtwol

en vloeipapier toch eindelijk secuur ingebakerd in de kist. Als de

douanen nu maar goedgunstig gestemd zijn, zal 't allemaal wel losloopen.

't Pakken van de koffers valt bij nader inzien ook nogal mee. We krijgen

er handigheid in.

Mijn linnen japonnetje, dat ik maar eenmaal aan tafel heb aangehad,

ligt in den bovensten bak. Ziezoo, 't deksel kan neer en zonder eenige

moeite draai ik den sleutel om.

Met Roosjes koffer hebben we meer spul. Maar na wat duwen en persen

krijgen we er alles toch ten slotte in. Zegepralend zien we elkaar aan:

„Kláár!!”

De allernoodigste toiletartikelen gaan morgen in onze city-bags. Nu

kunnen we rustig gaan slapen.

„Och hemeltje, morgen is dit allemaal weer „jadis”,” zucht Roos, terwijl

we in nachtgewaad gehuld voor 't laatst de barricade van koffers,

waterkitten en waschemmers voor de half-open balkondeuren oprichten.

Maar ik declameer, een van Huib's geliefde verzen aanhalend:

„Was vergangen kehrt nicht wieder,

Aber ging es leuchtend nieder,

Leuchtet's lange noch zurück!”

en met 'n plof zet ik de kit op mijn koffer.

„Jakkes, je spat. Ik krijg 'n heele klets water over m'n voeten,”

verwijt Roosje me en dan ineens: „Lizzy, gauw, doe 't licht toch uit; ze

kunnen ons aan de overkant zien!”

„Bedaar, bedaar, wat kunnen die onbekende boschnegers je schelen! Ze

zien ons nooit meer terug,” troost ik, kalm m'n arm uitstrekkend naar

't knopje van 't electrisch licht. Dan lachend, tastend met uitgespreide

handen, zoeken we in de rommelige duisternis van ons slaapsalet onze

bedden op.

„Nou hoor, maf ze!” wensch ik studentikoos, de dekens over me

heentrekkend.

„Wat 'n uitdrukking,” lacht Roosje en dan gapend „van 't zelfde, hoor!”

[decoratieve illustratie]

Piepkuikentje · 第 7 / 15 题