Daar Anneke in de kamer niemand vond, veronderstelde zij dat Piong

Pan Ho zijn "nonja" was gaan roepen. Intusschen maakte zij gebruik van

het waschgerei. Daarmee gereed, keek zij, in afwachting, eens rond in

het vertrek, dat zeker de slaapkamer moest zijn van den luitenant,

en verwonderde zich dat alles er zoo Europeesch uitzag, ja als door

een dameshand ingericht. Toen viel het haar op dat de handdoeken en

ook het beddegoed nieuw en ongebruikt waren, en zij herinnerde zich

dat haar vader eens had verteld, dat de heer van dit huis zelf in een

kamertje van de bijgebouwen woonde. Zij vond het zonde, maar tevens

heel gek waschstellen te vullen en bedden op te maken in een zoo goed

als leegstaand huis.

In de binnengalerij zat Piong Pan Ho op een bank, hevig bewogen. Het

oogenblik was dan eindelijk gekomen, waarnaar hij zoo had verlangd,

waarvoor hij zooveel had gedaan; zij was in zijn huis. Van haar

vader en stiefmoeder had hij verlof om haar te houden, desnoods tegen

haar zin. Hij moest haar door overreding trachten te winnen, had de

laatste gezegd; dat waren Europeesche meisjes gewoon, maar aan te lang

volgehouden tinka's behoefde hij zich niet te storen. Als zij een uur

geleden hier was gekomen, zou hij zich zonder gemoedsbezwaren aan die

instructies hebben gehouden; nu echter wist hij niet hoe hij het had;

het eene oogenblik voelde hij zijn hartstocht opvlammen en zich tot

alles in staat, dan weer ontzonk hem de moed en was het hem of hij

een heiligschennis stond te begaan enkel door haar aan te zien.

"Mana nonja?" vroeg Anneke, opeens te voorschijn komende. Het wachten

had haar verveeld en de deur openend zag zij hem alleen.

"Ga even zitten," noodde Piong Pan Ho, naast zich wijzend op de

bank en tevens zelf een heel eind opschuivend, meer dan noodig

was om plaats voor haar te maken. Toen, zijn stem zooveel mogelijk

verzachtend, begon hij haar in te lichten dat er geen nonja was,

en vervolgde onmiddellijk daarop met de verzekering dat zij daarom

niet bang behoefde te wezen. Hij was niet ruw, vooral niet tegenover

zulk een lief meisje als zij, waarmee hij diep kassian had. Zooeven

had zij verteld dat het thuis voor haar niet plezierig was; waarom

zou zij niet hier blijven en het zich zoo aangenaam maken als zij

wilde. Natuurlijk sprak hij met voorkennis van haar vader, die haar al

niet meer terug verwachtte. Hij zou haar in hooge eer houden, meer nog

dan de blanda's gewoon waren hun vrouwen te doen; de eerste dagen moest

ze hier in huis doorbrengen, terwijl hij in de bijgebouwen verblijf

hield, tot hij haar eigen huis gemeubeld had; dan zou hij hier een

feest geven, stil maar rijk, en daarop de voornaamsten van zijn ras

uitnoodigen om tevens bij hun huwelijk tegenwoordig te zijn; daarna

mocht zij verhuizen naar die andere woning, waar zij als gebiedster

zou tronen, met rijtuig, paarden en bedienden zooveel zij wenschte,

zich tooien met kleeren en edelgesteenten naarmate zij lust had,

en waar hij slechts zou komen als zij hem riep, tot tijd en wijle

zij aan hem zou gewend zijn. Hij herhaalde het, hij was niet ruw,

maar hoewel een Chinees, had hij een goed ati; dat had haar eigen

vader gezegd en daarom hen permissie gegeven haar mee te nemen.

Bij zijn eerste woorden had Anneke een groote verontwaardiging

in zich voelen opkomen, en het "apa kwè gila?" [9] lag haar op de

lippen; doch toen zij vernam dat haar vader haar aan den Chinees had

overgeleverd, beving haar een geweldige angst. Zij twijfelde er niet

aan of hij had de macht dit te doen, en dat hij het deed was om haar

te straffen voor haar houding jegens hem. O, kon zij hem maar spreken

en vergiffenis vragen!

"Ik wil naar huis," klaagde zij opstaande, zoodra hij zweeg.

"Djangan!" riep hij uit, haar arm grijpende.

Zij droeg, naar de mode dier dagen, wijde mouwen. De hand van den

Singkeh schoof, door zijn iets te snelle beweging, hoog op in haar

mouw en zij voelde zijn knokkelige vingers met het harde binnenvel,

waarvan het eelt nog niet was afgesleten, haar arm omspannen, terwijl

hij moeite deed zich eveneens van de bank te verheffen. Met een gil

van afschuw rukte zij zich los, en eer hij er aan dacht verdween zij

door de deur, die hij vergeten had te sluiten, het erf afsnellend en

den grooten weg op.

Piong Pan Ho wilde haar naloopen, doch de Europeesche schoenen, die

hij sedert kort pas droeg, belemmerden zijn gang. Op den weg durfde

hij haar niet meer volgen; en zichzelven voor een grooten domoor

uitmakende, dat hij haar had laten ontsnappen nog eer zij bekomen was

van den eersten schrik, wierp hij het ijzeren hek dat de inrij afsloot

met kracht dicht. Het zou intusschen heel wat moeite kosten haar nu

weer hier te krijgen; soedah, het was zijn eigen schuld; morgen zou

hij er over raadplegen met haar vader, die nu zeker wel zelf zou

willen spreken met hem, en anders maar weer met haar stiefmoeder.

Na Anneke 's vertrek had Wije eenigen tijd heen en weer geloopen,

onverstaanbaar mompelend, zijn wandeling, die hij eerst had uitgestrekt

tot den uitersten rand der galerij hoe langer hoe meer inkortend,

tot hij op het laatst, na eenig draaien voor zijn stoel, zich daarop

liet neervallen en, een half uur te vroeg, met heesche stem zijn

vrouw gelastte de brandy-soda te krijgen. Zij maakte een aanmerking,

doch hij wierp haar zulk een woedenden blik toe, dat zij zonder meer

zich haastte aan zijn verlangen te voldoen.

En het drong tot haar door, hoe weinig het had gescheeld of haar plan

zou mislukt zijn. Als hij het zich zoo aantrok, als uit zijn geheele

doen bleek, mocht zij zich gelukwenschen dat de zaak achter den rug

was en onherroepelijk voltrokken. Nu kon hij een dag of wat malen

over het geval en zich boos maken, doch dat kwam terecht; hij zou

moeten eindigen met het zichzelf en des noods anderen op te dringen

als iets heel moois; ongedaan was het gelukkig niet meer te maken.

Wije had het eerste grogje schielijk uitgedronken en dadelijk een

tweede geprepareerd, dat het eerste niet lang op zich scheen te zullen

laten wachten. Hij had een hoogroode kleur, terwijl dikke zweetdroppels

parelden op zijn voorhoofd; nu en dan gleed er een naar beneden, op zij

af langs zijn neus, zoodat het leek of hij gehuild had. Opeens loosde

hij een zwaren zucht, waardoor zij opkeek en schrok van zijn uitzicht.

"Man, wat heb je?" vroeg zij.

"We moeten weg... ver weg," antwoordde hij met moeite de woorden

articuleerend, "we hebben ons onmogelijk gemaakt! Weet je wat dat

is?" En na een wanhopige poging om daarvan een bepaling te geven,

ging hij voort, zichzelf en haar zwartmakend, Anneke te gelijk hoog

verheffend en beklagend als hun slachtoffer. "En als dat lieve kind

nu thuis komt," eindigde hij, "zal ze denken dat haar vader... hm,

'n stuk in zijn kraag heeft. Maar het is niet waar; of durf jij soms

beweren dat ik dronken ben, hè? Durf jij dat, zeg?"

"Neen, o neen," zeide zij, nu eerst ziende in welken toestand hij

verkeerde. "Zouden we niet naar bed gaan?"

Hij wilde er natuurlijk niet van hooren en ging voort, met de

halsstarrigheid aan dronken menschen eigen, zich volkomen nuchter te

willen toonen, en ten bewijze daarvan nog meer te drinken. Zij bleef

bij hem, zich niet durvende verwijderen, maar walgend van hem, vooral

toen hij eindelijk in het stadium van aandoenlijkheid was geraakt.

Tegen half elf nam zij de flesch weg, niet langer voor verzet beducht,

en bracht die naar binnen in 't buffet. Daarmee nog bezig, hoorde zij

eensklaps iemand hard loopen langs het huis; en door het vermoeden

van de werkelijkheid gedreven, ijlde zij terug naar achter, waar zij

Anneke zag liggen aan de voeten van haar vader.

"O papa, laat mij bij u blijven," snikte het ongelukkige meisje;

"ik zal alles doen wat u wilt; stuur me niet weg...!"

Met een theatraal gebaar strekte hij de hand uit over haar hoofd,

terwijl hij trachtte van onder zijn zware oogleden zijn vrouw smeekend

aan te zien. En deze, inziende dat haar spel verloren was, besloot

met groote tegenwoordigheid van geest, onmiddellijk partij te trekken

van den toestand. Zij kwam naderbij en raakte Anneke's schouder aan.

Het meisje sprong op, een stap vooruit doende, terwijl haar houding

en blik herinnerden aan den dag, waarop zij nog eens zoo gestaan had

tegenover diezelfde vrouw, die toen nog mevrouw Duna heette. Doch

eer zij spreken kon wees haar stiefmoeder met de hand op Wije.

"Zie," zeide zij. En toen Anneke half versuft staarde op haar vader:

"Als straks de luitenant-Chinees hier komt, hangt het van mij af

of je mee moet, of hier moogt blijven. En je gaat onverbiddelijk,

tenzij je mij belooft in den vervolge een andere houding tegen mij

aan te nemen. Wil je dat?"

"Ja mevrouw," stamelde Anneke, rillend van vrees.

"Een houding zooals een meisje betaamt tegenover, haar... mama?"

"Ja mevrouw."

"Mevrouw?"

"Mama," zeide Anneke zacht, maar ondanks alles kostte het haar

onbeschrijfelijke moeite.

"Goed. Morgen praten we nader."

"Ja, dat is goed," zeide ook Wije, die nog genoeg besef over had

gehouden of weer teruggekregen om de hoofdstrekking van het gesprokene

te vatten. "Nu kan ik gaan slapen."

En hij voegde de daad bij het woord, door zijn hoofd opzij te

laten vallen en de oogen te sluiten. Mevrouw zag op hem neer, even

nadenkend; toen vatte zij het eene eind van den stoel aan, Anneke een

wenk gevend hetzelfde te doen, en met hun beiden droegen zij hem bij

kleine eindjes tot in zijn slaapkamer.

Vreeselijk overspannen en bij ieder gerucht opschrikkend, sliep Anneke

dien nacht zoo goed als niet. Vroeg opgestaan, durfde zij echter

haar kamer niet verlaten eer zij had gehoord dat haar stiefmoeder

in huis rondliep, want die moest haar beschermen tegen den Chinees,

die, nu hij gisteren avond niet was verschenen, zeker van morgen zou

opdagen. En het gevoel van haar afhankelijk te zijn, vermeerderd met

de vrees voor de komende dingen, brak en verlamde Anneke's haat.

Onder het ontbijt, waarbij Wije niet tegenwoordig was, sprak mevrouw

tot Anneke, haar een gedragslijn voorstellend. Hartelijkheid verlangde

ze niet, maar wel een zoodanigen omgang, als hen in staat zou stellen

desnoods tezamen in het publiek te verschijnen, zonder dat iedereen

bemerkte dat die hartelijkheid geheel ontbrak, ja het tegenovergestelde

bestond. En het meisje stemde in alles toe, zich dwingende ook na

afloop van dit gesprek, nu en dan het woord tot haar stiefmoeder

te richten.

XI.

DE ZEELUCHT WERKT WONDEREN.

Wije lag in zijn bed, dat hij eerst in den morgen tegen den luierstoel

had verwisseld, met pijn in 't hoofd en in al zijn ledematen, zoowel

van de ongemakkelijke ligging, als van de werking der spiritualiën

op een aan betrekkelijke matigheid gewend gestel. Zich onmachtig

gevoelende iets uit te voeren en bevangen door een zekeren schroom zijn

dochter te gemoet te treden, bleef hij den ganschen dag in zijn bed,

en zou dit misschien den dag daarop nog hebben volgehouden als niet

zijn vrouw was binnengekomen met een tijding, die hem er uit deed

springen, zich in de kleeren werken, een kop koffie half uitdrinken

en in de vóór staande dogcart klimmen, die hem in één galop bracht

naar de woning van Piong Pan Ho.

Reeds vroeg in den morgen van den dag na Anneke's vlucht, was er bij

den Singkeh een oppasser van het residentiekantoor gekomen, om hem

daarheen te ontbieden. En nauwelijks was hij verschenen, of hij werd

binnengelaten bij het Hoofd van Gewestelijk Bestuur. Zonder één vraag

te doen, voer de resident tegen hem uit, hem met driftige woorden

beschuldigend een Europeesch meisje bij zich te hebben genomen. Dat

kwam niet te pas; reeds hadden de Chineezen veel te veel verbeelding,

maar dit maakte de maat vol. De regeering liet hun meer vrijheid en

oefende grooter lankmoedigheid met hen dan zij konden verdragen. Dat

deed hen met den dag brutaler worden en onbeschofter. Wat zij in

hun huizen uitvoerden, in die broeinesten van zedeloosheid en kwade

practijken, viel helaas buiten zijn bereik, maar zoolang hij resident

was zou hij hen beletten publiek schandaal te maken en hun Europeesche

bijzitten in mooi verlakte rijtuigen door de stad te laten rijden.

"Het was de dochter van meneer Wije; ik heb haar enkel wat laten

rondtoeren," verontschuldigde zich Piong Pan Ho, in angst en vreeze

over dien uitval van den hoogsten ambtenaar dien hij kende.

Doch het hielp niet. De resident wist wat "rondtoeren" beteekende

in den mond van een Chinees; hoe vuiler dingen hoe mooier

woorden! Bovendien had hij hem niet gevraagd wie het was; dat had

hij zelf gezien. In alle gevallen had Piong Pan Ho dan thuis kunnen

blijven, in plaats van naast haar te gaan zitten. Schaamde hij zich

niet om zulk een slecht voorbeeld te geven? Was hij daarom luitenant

geworden? Men had die aardigheden op Soerabaja begonnen, maar hier

zouden ze niet geduld worden; als hij er nog iets van merkte zou hij

hem onmiddellijk tot ontslag voordragen. En nu kon de luitenant het

zich voor gezegd houden en inrukken.

De resident draaide zich op de hielen om, en Piong Pan Ho verliet

het kantoor. Zijn oogen stonden strak en 't was alsof de kleuren er

van dooreengeloopen waren, scherpe rimpels trokken zich in het vel van

zijn gelaat, overigens zoo strak gespannen, dat de lippen zich openden,

als ware het te kort; toen hij het Chineesche kamp had bereikt, zag

hij er uit even als voor jaren, bij zijn aankomst aan den kleinen Boom.

In den loop van den dag ging hij enkele malen uit, telkens een anderen

Chinees bezoekend. Het langst bleef hij bij zijn ouden baas, Kan

Liong Tjoe, die heel oud toonend, in een hoekje van zijn binnenkamer

zat te schelden op de Europeanen, zoolang de zon aan den hemel stond,

en met wiens zoon Piong Pan Ho een onderhoud had, tengevolge waarvan

hij hem een pakje overhandigde, met touw en zwart lak dichtgemaakt.

Den volgenden morgen kwamen een vijftal Chineezen, waaronder de zoon

van Kan Liong Tjoe, schijnbaar toevallig op hetzelfde uur om Piong Pan

Ho te spreken. De huisgenooten hadden zijn slaapkamer open gevonden en

meenden dat hij reeds in de vroegte was uitgegaan. Men zou wachten en

intusschen eens rondloopen in het hoofdgebouw. Of de bediende daarvan

den sleutel wist te liggen?

De man nam hen even op; het waren allen voorname Chineezen; dus ging

hij den sleutel zoeken, die niet op zijn plaats lag, maar ten slotte

in de deur van het huis bleek te zitten. En deze openende, gaf hij

een schreeuw, waarop de anderen kwamen toeloopen.

De zware marmeren tafel, die in het midden van de galerij stond,

was een weinig ter zijde geschoven, de hanglamp, die zich er vlak

boven bevonden had, lag er naast op den grond en aan de kram van de

lamp hing, aan een touw, dat het verlengde van zijn als strop om den

hals geslagen staart uitmaakte, het lijk van Piong Pan Ho.

Toen Wije kwam, was het reeds afgenomen. De zoon van Kan Liong Tjoe,

die blijkbaar de hoofdpersoon was onder de velen die zich nu in het

huis bevonden, kwam hem te gemoet en leidde hem er heen. Wije moest

zich geweld aandoen om niet zenuwachtig te worden toen hij door de

galerij liep, wetende dat hij het laatste overblijfsel zou zien van

den man aan wien hij zooveel te danken had, doch toen hij er voor

stond ging hem een rilling van afschuw door de leden. Bij den eersten

blik op dat door de worging vreeselijk vertrokken gelaat, zag hij er

in zijn gedachten een ander naast, dat van Anneke, van zijn dochter,

die hij nauwelijks vier en twintig uur geleden had willen koppelen

aan dien doode, en opeens stelde hij zich zijn gedrag van den laatsten

tijd in alle naaktheid voor oogen.

Met knikkende knieën ging hij terug, niet luisterend naar den zoon

van Kan Liong Tjoe, die tot driemaal toe zijn vraag moest herhalen,

wanneer het meneer gelegen kwam met hem de zaken van den overledene

te regelen voorzoover Wije die onder zich had.

"Vandaag niet," antwoordde hij eindelijk. "Kom morgen."

Op weg naar huis bleef hem het geziene machtig aandoen; het was

alsof hij de grootste schuld had aan den zelfmoord van dien man en

ieder dat op zijn gelaat kon lezen. Hadden de menschen hem zooeven

niet allen met zonderlinge, verwijtende blikken aangezien? Ja, en

dat was niet te verdragen! Daaraan moest hij zich onttrekken, ook

om der wille van Anneke, wier naam weldra op ieders tong zou zijn;

hij moest weg van deze plaats, ergens heen waar niemand hen kende,

naar een plekje in het moederland waar geen Indische menschen waren,

zoo dat bestond; daar zou hij door een onberispelijk leven zooveel

mogelijk goed maken wat hier door zijn toedoen was misdaan.

Dit voornemen eenmaal opgevat hebbende, gevoelde hij zich ten deele

verlicht en bleef het uitwerken in onderdeelen, tot de dogcart

stilhield voor zijn woning.

"Is het zoo?" vroeg zijn vrouw.

"Ja. Je hebt er toch Anneke niets van verteld?"

"Natuurlijk niet. En waarom zeggen ze dat hij het heeft gedaan?"

"Om een standje dat hij moet gekregen hebben van den resident."

"Dus niet...?"

"Neen. Maar dat zal wel niet uitblijven, en daarom moeten we er

vandoor."

"Wat? Als je niet eens zeker weet...?"

"Sst! Kom mee," zeide hij, de deur openend van hun slaapkamer, daar

hij Anneke van achter hoorde aankomen.

Zij bleef zich verzetten tegen zijn plan. Als het noodig was, als

men werkelijk praatte over hen in verband met Piong Pan Ho, ja, dan

kon ze er in komen, doch nu was het onzin en overijld. En wie moest

hun huizen administreeren als zij weg waren?

"Niemand," besliste hij. "Ik heb het nu te druk, daar morgen iemand

de administratie van Piong Pan Ho komt overnemen. Als dat achter

den rug is, zal ik werk maken van de opruiming van alles wat we hier

hebben. Ik wil niets overhouden dat ons aan Indië bindt en te eeniger

tijd mocht kunnen dwingen tot terugkeer."

"Verkoopen?" riep zij uit. "De huizen verkoopen? Nooit! Dat doe ik

niet; dan blijf ik. Ga jij dan maar alleen."

Wije stond gedurende enkele seconden roerloos. Ze was er toe in staat,

waarachtig! En hem een scène te bezorgen als die waarvan Duna de dupe

was geweest. Een ongekende woede bezielde hem. Haar met de eene hand

bij den schouder vattend, greep hij met de andere de rottan die als

beddeklopper dienst deed en op de afgehaalde matras lag. De geest

van Piong Pan Ho was in hem gevaren!

"Niet slaan! O, ik zal het doen," riep zij, voor het eerst van haar

leven bukkend voor den wil van een man.

De zoon van Kan Liong Tjoe kwam. Wije zag er geen bezwaar in hem

alles over te geven, aangezien hij geen stukken van waarde of geld

onder zich had, maar kon toch de vraag niet weerhouden of de jonge

man eenig erfgenaam was.

"Ik en nog een paar anderen," was het antwoord. "Wij behooren tot

zijn familie."

Wije meende zeker te weten, dat Piong Pan Ho eenvoudig was uitgezonden,

door bemiddeling van een handelsvriend van Kan Liong Tjoe in Singapore,

en tot dezen in geenerlei familiebetrekking stond; doch hij zweeg

verder, daar hij uit wat de couranten daarover schreven, had opgemaakt

dat in het duistere Chineesche erfrecht maar één ding helder is als

de dag, namelijk dat ook hierin de Chineezen precies doen zooals zij

het onder elkaar goedvinden.

"Hier heb ik nog iets voor u," zeide de zoon van Kan Liong Tjoe,

op het punt van scheiden. "Een pakje dat Piong Pan Ho mij opgedragen

had te bezorgen."

"Wist je dan dat hij het zou doen?" vroeg Wije verrast.

"Welneen meneer... hij gaf het zoo maar," stotterde de ander in de

grootste verlegenheid.

Wije zag het, maar durfde niet verder vragen.

Na het vertrek van den Babah opende hij het pakje en vond er een bedrag

in van ruim dertienduizend gulden in bankbiljetten. Daartusschen lag

een papiertje, beschreven met de zoo bekende ruwe groote letters:

"Inie toewan poenja wang. Banjak tabeh.

Piong Pan Ho."

Hoeveel spoed er ook gemaakt werd met den verkoop der huizen,

het duurde toch langer dan Wije had gewenscht eer hij geheel tot

weggaan gereed was. Uit den aard der zaak kwam hij in dien tijd meer

dan vroeger in aanraking met de buitenwereld. Uit de houding der

menschen bleek dat zij van het gebeurde met Anneke niets wisten, maar

niettegenstaande dat, was Wije ongerust, vermoedende dat het althans

aan den zoon van Kan Liong Tjoe bekend was, en dan kon het iederen

dag uitlekken. Was hij eenmaal vertrokken en zag men hem niet meer,

dan was er eerder kans dat niemand zich verpraatte. Daarom haastte

hij zooveel doenlijk, en om gelijke redenen had hij besloten niet

met een Hollandsche boot te reizen, maar met de Fransche mail.

Een gelukkig toeval diende hem om de route over Batavia te vermijden,

waaraan tevens door het gebrek aan aansluiting tusschen de kustboot

en de mail, eenige dagen verblijf op die plaats zouden verbonden zijn

geweest. Vooral tegen dit laatste had hij opgezien, omdat Duna er

woonde en het noodlot nu eenmaal meebrengt, dat men de menschen die

men niet wenscht te ontmoeten, eer dan eenig ander tegen 't lijf loopt.

In een toko van ijzerwaren zijnde, om zelf iets uit te zoeken waarvan

zijn bediende al tweemaal een verkeerd model had meegebracht,

vond hij daar den kapitein van een Chineeschen stoomer die voer

onder Britsche vlag tusschen Singapore en Cheribon, en nu bij

uitzondering Semarang aandeed. Op een vraag van Wije verklaarde

deze zich bereid passagiers mee te nemen, hij vertrok overmorgen;

of meneer de gelegenheid aan boord eens wou zien? Wije deed dit, en

toen hem "the most splendid vessel and finest lodging you ever saw"

niet al te vuil en ongeriefelijk bleken, nam hij passage. Zij zouden

wel een dag of tien te Singapore moeten wachten, doch dat was minder.

's Avonds voor het vertrek liep Wije even aan bij zijn ouden chef;

afscheidsvisites hadden zij niet gemaakt; doch hij kon niet goed

weggaan, zonder dezen nog eens de hand te hebben gedrukt.

"Zoo, ga je weg," zeide de chef, zeer geagiteerd. "Dat doet me

plezier... ik bedoel voor jou en... neem me niet kwalijk.., 't is

een naar geval; ik..."

"Toch geen slechte tijding ontvangen?" vroeg Wije, met een blik op

het geopend telegram dat op de tafel lag.

"Ja, heele slechte. De oude heer van Beek is plotseling gestorven,

en die jongen zit achter in zijn kamer... ik weet niet hoe ik het

hem zeggen moet."

"Als u eens begon met te vertellen dat de oude heer ziek was, en dan

langzamerhand meer."

"Zou je denken dat hij het niet dadelijk raadde?"

"Gewoonlijk wel," zeide Wije. "Maar dat is toch ook eigenlijk de

bedoeling."

"Daar heb je gelijk in. Kassian, nu die jongen juist een beetje mensch

is geworden!"

Het geval hield den chef zoodanig bezig, dat er voor het doel waarmee

Wije gekomen was, afscheidnemen, slechts een oogenblik overschoot,

doch het was er niet minder hartelijk om, en Wije ging huiswaarts met

het besef dat er op Semarang ten minste nog één was die hem ondanks

alles, volgens zijn eigen woorden, "steeds gaarne had mogen lijden."

Doch den volgenden morgen vroeg, toen de Wije's vertrokken, was er

behalve de commissionair, die hun meubels en bloc had overgenomen en

tegenwoordig was om den sleutel van het huis in ontvangst te nemen,

niemand die hun goede reis wenschte.

Elf dagen lang had het mooie kopje van Anneke 's middags de aandacht

getrokken van de Singapoersche heeren, die in dun tricot, met bloote

armen, erg sportlike, hun hoogop gekleede dames op de Esplanade langs

de voorgalerij van het hôtel d'Europe begeleidden, toen de vlaggestok

op den heuvel het sein heesch voor de aankomst der Fransche mailboot

uit China. Met den angst voor te laat komen van menschen die nooit

gereisd hebben, verkozen de Wije's dadelijk naar boord te gaan en

daar den nacht door te brengen. Een uur na hun inscheping stoomde

de Godavery, van dezelfde maatschappij, maar uit Batavia komend,

Tandjong Pagger binnen en meerde vlak achter hen vast.

"'t Is toch vrij wat plezieriger hier rustig te zitten, dan nu zoo'n

drukte te hebben met aanboord komen," merkte Wije 's morgens op,

nadat hij even had omgekeken naar de kade, waarheen zij wegens het

schitteren van de zon op de gekalkte loodsen den rug gewend hadden.

In zoover had hij gelijk. En ook konden zij de bijzonderheden van het

wegvaren bewonderen, dat met de kalme zekerheid van dikwijls uitgevoerd

zijn geleid, den leek het idee gaf dat de boot het vanzelf deed,

terwijl de pas aangekomenen beneden bezig waren om zooveel mogelijk

terrein te veroveren op hun hutgenoot of, zoo zij het geluk van een

hut alleen hadden getroffen, door te veel uitpakken in de war zaten

waar ze alles moesten laten in die kleine ruimte.

Dit laatste was het geval met van Beek.

Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman · 第 19 / 20 段