groot gelijk had er boos over te zijn; zulk een bepaling was goed
om kleine en voddige huisjes, door arme Chineezen bewoond, uit de
mooie wijken te houden, maar onzin tegenover iemand die zoo rijk was
als Piong Pan Ho. Die vleierij had effect; de Singkeh werd er geheel
door ingepalmd. Hij noodigde haar uit eens mee te komen met haar man,
om zijn huis te zien en zijn paarden, die nu in 't donker op den weg
stonden. Als zij wilde zou hij zijn rijtuig sturen om hen af te halen,
dan had zij meteen gelegenheid eens te zien hoe mooi het vandehandsche
paard steigerde bij het aantrekken en onder het loopen aldoor tandakte,
welk een glad vel zij hadden door het voeren met jonge muizen, waardoor
zij tevens zoo vurig werden, dat de koetsier met gestrekte armen,
in iedere hand een leidsel, ja met een slag daaromheen gewonden,
ze nauwelijks houden kon.
Toen Anneke verscheen, bewonderde Wije de slimheid van zijn vrouw. Zij
volgde haar taktiek, die zij in de laatste weken had voorbereid, om
over het meisje te spreken, nu ook tot Piong Pan Ho, en een enkele
maal kon Anneke er niet buiten om den Singkeh een antwoord te geven,
dat als het ware indirect sloeg op een gezegde van haar stiefmoeder.
Op een oogenblik toen het discours weer liep over het rijtuig van
den Chinees, drukte Anneke haar verlangen uit eens in zoo'n wagen te
rijden; zij had nog nimmer in een landauer gezeten.
"Boleh!" riep Piong Pan Ho. "Nonna mag er een toer mee maken, zoover
zij wil. Gaat mevrouw ook mee?"
Die vraag bracht mevrouw Wije bijna van haar stuk, doch zich
onmiddellijk herstellende bedankte zij, voorgevend nu liever wat te
blijven praten.
Piong Pan Ho geleidde Anneke naar het rijtuig, zijn orders gevend aan
den koetsier. Teruggekomen vroeg hij aan Wije, wanneer deze naar de
suikerfabriek dacht te gaan.
"Ik kan desnoods morgen," antwoordde Wije, "maar we reizen er immers
samen heen?"
"Het is beter dat u alleen gaat," zeide Piong Pan Ho en bracht
allerlei bij voor deze opinie, die enkel voortkwam uit zijn onwil
om zich te vertoonen als chef van Europeesch personeel. Wije sprak
daartegen van de groote verantwoordelijkheid die hij op zich nam,
wanneer hij alleen moest beslissen over de groote verbeteringen die
de administrateur voorstelde, maar zwichtte ten slotte, er in zijn
hart niets rouwig om dat de ander thuis bleef; want het was nog heel
iets anders de gemachtigde te zijn van een Chinees, als zich in het
publiek met hem te begeven als zijn ondergeschikte.
Intusschen reed Anneke Bodjong en Pontjol rond, zich vreemd gevoelend
in die bekende buurten, als iemand die na een langdurige ziekte voor
het eerst uitgaat. Het was haar of alles kleiner, enger geworden
was; dan het herkennen van plekjes en het herleven der herinneringen
daaraan verbonden, door de snelle opvolging wel aandoening opwekkend
doch geen indruk makend, weer verdwijnend als de ademtocht op een
warme glasruit. Dicht bij huis dook zij weg in den ruimen wagenbak,
slechts aan het trillen van de randen en het doffe rommelen der wielen
onder haar bemerkend dat zij voortging, steeds nader en nader bij de
plaats die zij haatte en niet wilde zien voor het laatste oogenblik.
Niet lang na haar terugkomst, nam Piong Pan Ho afscheid.
Wije ging dus alleen naar Japara. Voor zijn vertrek had hij een
ernstig onderhoud met zijn vrouw en daarna met Anneke, die nu
gedurende eenige dagen alleen achter zouden blijven, en hij nam
beiden de belofte af dat zij in zijn afwezigheid elkaar niet in het
haar zouden vliegen. In stilte hoopte hij dat zij het wel mochten
doen, daar een uitbarsting tusschen die twee zijns inziens het eenige
middel was tot een toenadering, die hij hartelijk wenschte. Want die
eeuwige stootkussendienst verveelde hem en was oorzaak dat eigenlijk
alles hem tegenstond. Soms, als hij alleen was, wond hij zich op over
de zonderlinge positie die hij innam in zijn huis, en nam zich voor
er door forsche maatregelen een verandering in te brengen. Welzeker,
een klein standje was een groot gemak, en als hij nu zijn vrouw... of
neen, die deed niets, maar Anneke eens flink onderhanden nam... Het
lamme was, dat telkens als hij wou beginnen, zij hem aankeek met die
groote, weemoedig starende oogen, die hem aan haar moeder herinnerden
en de woorden deden stokken in zijn keel. Feitelijk had hij nooit goed
tegen vrouwen opgekund, en tegenwoordig minder dan ooit; doch zijn
vrouw had gelijk: één van hen moest het huis uit en dan natuurlijk
Anneke. Zoodra hij terugkwam zou hij daarover met haar spreken en een
middel beramen om daartoe te geraken. Was het noodig menschen en met
name jongelui te ontvangen, in godsnaam dan!
Terwijl hij zoo zat te soezen in den reiswagen, bevond zich mevrouw
Wije bij Piong Pan Ho. Het huis en de paarden waren bekeken en
bewonderd, toen zij, zich zettend in de voorgalerij der ongebruikte
woning, hem met een enkel woord aanleiding gaf om nog eens breed uit
te wijden over zijn grieven tegen de houding der Europeanen jegens
hem. En hem meer en meer aanmoedigend, bemerkte zij na weinig tijd,
dat de Singkeh het zich buitengewoon zwaar aantrok niet te worden
gelijkgesteld, althans met zulke Europeanen, die evenals hij, bij
gebrek aan beter, in Indië waren verzeild geraakt en daar iets waren
geworden... of niets. Had hij geen geld en mooie dingen; kon hij niet
meepraten over de Europeesche politiek, over Bismarck en Disraeli,
zelfs zonder in de war te raken met de namen der landen en regeerende
vorsten; hakkelde hij als hij sprak, hoogstens de helft gebruikende
van de woorden die noodig waren om uit te drukken wat men bedoelde;
dronk hij of vloekte hij....?
"Neen luitenant, dàt is het niet," zeide mevrouw Wije eindelijk. "Het
zit hem in de vrouwen."
"Ja njonja, die zijn het ergst."
"Ik meen niet onze dames, maar jelui vrouwen."
"Bagimana, wat doen die?" vroeg Piong Pan Ho verwonderd.
"In de eerste plaats weet niemand hoe je er aan komt," antwoordde zij.
"Wij trouwen ze, net als de orang Olanda."
"Nu ja... De zaak is, dat de Europeanen gewoon zijn om niet slechts
naar den man te kijken, maar ook naar de vrouw. Als iemand getrouwd is,
moet men zijn echtgenoote eveneens ontvangen, en die moet met onze
dames kunnen praten, zonder dat deze zich moeite behoeven te geven;
in één woord, zij moet haars gelijke zijn."
De Singkeh zuchtte.
"Soesah," zeide hij; "zulke vrouwen kunnen wij hier niet krijgen. In
China zijn er wel, die weten te babbelen over allerlei, en steeds
van ieder schandaaltje op de hoogte zijn; maar die mogen niet worden
uitgevoerd."
"Men moet zoeken waar iets te vinden is," hernam zij, "en niet de
oogen wenden in een verkeerde richting."
"Ja," beaamde hij, "ik begrijp al wat mevrouw bedoelt. Misschien is
er in het binnenland een regent te vinden, die geld noodig heeft en
mij daarvoor een dochter zou willen afstaan."
"Mis. Die inlandsche vrouwen zijn allen precies eender, onverschillig
of zij van hooge of lage geboorte zijn. Onder hen moet je niet
zoeken, luitenant. Ook niet bij de zoogenaamde Chineesche, maar bij
de Hollandsche meisjes, en liefst die op Bodjong wonen."
"Mevrouw maakt gekheid," zeide Piong Pan Ho.
"Heusch niet; ik meen wat ik zeg. Het maakt een groot verschil uit
of je een visite komt maken en een praatje houdt, dat hen verveelt
misschien, of dat je zegt: nonna, wilt u met me trouwen, ik bezit
meer geld dan al de menschen hier op Bodjong te zamen."
Piong Pan Ho was stil. Het denkbeeld, dat zijn bezoekster had
geopperd, begon te pakken. Zij was toch ook een Hollandsche vrouw en
kende haar soort; maar anders had hij het nooit durven denken. Hoe,
een dier trotsche dames zou met hem willen samenwonen, als zijn
echtgenoote? Zij, die zijn hand aanvatten alsof zij vies van hem
waren? Doch als hij bedacht wat men al niet voor geld kon gedaan
krijgen op ander gebied... ja, dan kon zij wel gelijk hebben. Het zou
niet onaardig zijn, zoo'n blanke vrouw! Laatst, op het officieele
bal had hij zijn oogen uitgekeken, den Soerabajaschen Babah, die
den heelen avond naast hem gezeten had, sterk benijdend, toen deze
hem vertelde hoe daar ter plaatse de Chineezen op al hun feesten
diezelfde mooie dames voor zich lieten dansen, precies zoo gekleed
als bij die gelegenheid. En dan het voordeel van niet langer uit de
hoogte te worden behandeld...
"Weet mevrouw er een," vroeg hij eindelijk.
"Niet zoo dadelijk," antwoordde zij; "maar ik wil wel eens rondkijken,
luitenant." En zij stond op. Doch eensklaps scheen haar iets in te
vallen. "De dochter van mijn man; hoe zou je die lijken?"
Den mond opengesperd, de wenkbrauwen schuin omhoog getrokken, beide
handen opgeheven met gespreide vingers, de duimen wijzend naar zijn
jukbeenderen, wijdbeens en wiegelend naar links en rechts op zijn
heupen, stond Piong Pan Ho daar, een type van een wajang-figuur, in
de eerste oogenblikken onmachtig een woord uit te brengen van schrik
en verrassing.
Zij was er ten zeerste door getroffen, meenende de houding van den
Singkeh te moeten toeschrijven aan het plotseling hooren uitspreken
van een geheim, dat hij zich verbeeld had in het diepst van zijn
gemoed verborgen te zijn; iets dat hij niet bekend wilde hebben,
eer hij na lange voorbereiding en goed gewikte intriges, zeker was
van zijn slag; dat, verraden zijnde, hem overleverde aan degeen die
het wist, of al zijn moeite en wenschen verijdelde.
Doch zij vergiste zich. De gedachte zelfs aan Anneke Wije had bij
Piong Pan Ho nog niet bestaan en onder de figuren, die bij het zooeven
gehouden gesprek hem voor de oogen hadden gezweefd, bevond zich de hare
niet. Als een ander als haar stiefmoeder het voorstel had gedaan, zou
hij dien uitgelachen hebben of zich boos gemaakt. Dat meisje stond voor
hem onbereikbaar hoog. Want hij zag zeer goed in, dat niettegenstaande
den eenvoudigen toon waarop zijn bezoekster over de zaak sprak, de
uitvoering niet zonder moeite zou geschieden. Het was mogelijk dat
er een zwichtte voor een zeer hoog bod van zijn kant, doch overigens
zouden zoowel de belanghebbende als alle andere Europeanen het feit,
dat een hunner meisjes huwde met een Chinees, als een onteering
beschouwen voor haar en haar familie. Zoo waren ze nu eenmaal; en
wien hij ook zou durven naderen met een vraag van die strekking,
Wije niet. De rest... bah! Bij die durfde hij met alles aankomen;
hun prestige hadden zij door hun manier van hem te behandelen geheel
verspeeld. Maar Wije was zoo geheel verschillend; hij sprak nooit uit
de hoogte, geneerde zich niet om vriendelijk te zijn en deed alles wat
hij ter hand nam, solide en goed. Dat de andere Europeanen hem ietwat
links lieten liggen, wist Piong Pan Ho best, en hij verklaarde dat op
Chineesche manier: Wije was gelukkig geweest en werd benijd, omdat men
het wist; zoo hij het verborgen had kunnen houden zou niemand het hem
lastig maken; nu was het een quaestie van tijd, van afwachten tot hij
zooveel bezat dat men hem niet meer aandurfde. Voor Piong Pan Ho was
dat geen reden om hem minder te achten, minder tegen hem op te zien;
want dàt deed hij. Daarop had de houding van de anderen geen invloed,
noch ook het gebeurde met de tegenwoordige mevrouw Wije, waarin de
Singkeh trouwens zoo veel niet zag. Neen, Wije kon nog heel wat doen
eer Piong Pan Ho hem op een lijn stelde met de rest, eer hij hem zou
durven voorstellen wat daareven was gezegd. Daar schrok hij van.
"Houdt u niet van de nonna?" vroeg hij wantrouwend.
"Neen, niet erg," erkende zij na eenig aarzelen. "Maar alleen omdat
zij haar vader plaagt."
"Massa!"
"Heusch, het is zoo. Zij was, eer ik kwam, baas in huis... begrijp je?"
Piong Pan Ho knikte.
"Nu dwingt ze om eruit te komen," ging mevrouw Wije voort. "En daarom
hebben mijn man en ik besloten er werk van te maken."
"Dus weet meneer, dat u met mij zoo spreekt?" vroeg de Chinees,
diep ademend.
"Welneen, ik bedacht het nu pas."
"Ah," deed hij teleurgesteld, "dan komt er niets van."
"Waarom niet?"
"Meneer zal niet willen."
Zij zweeg en maakte de beweging van geldtellen met duim en wijsvinger;
doch Piong Pan Ho schudde het hoofd ongeloovig.
"Dat kan meneer zelf verdienen," zeide hij.
"Als daar nu eens bijkwam, dat ik het wilde?"
"Dan zou het misschien lukken," zeide hij langzaam, als in zich zelf
sprekende. Hij kende den invloed dien de Europeesche vrouwen op hun
mannen uitoefenden, doch met zijn beschouwingen over Wije, twijfelde
hij nog of dat ook bij dezen opging. Alleen voor 't geval dat zij
waarheid sprak en haar man eveneens wenschte dat Anneke, hoe dan ook,
het huis uit ging, was het mogelijk.
"Laat ons eens zaken bespreken," sloeg zij voor. "Ik kan er met mijn
man alleen dan over beginnen, als ik hem tevens kan mededeelen dat
zoowel zijn eigen toekomst als die zijner dochter verzekerd zou zijn;
vooral het laatste."
Piong Pan Ho vond het goed en heel wat gemakkelijker dan wat tot nu
toe verhandeld was. Toen mevrouw Wije ten tweeden male opstond om
heen te gaan waren zij het op alle punten eens.
"Je moet alleen wat geduld hebben," was haar laatste woord geweest en
dat had hij beloofd, intusschen onmiddellijk een aanvang makende met
al hetgeen hij van zijn kant te doen had. Dat bestond vooreerst in
het verstooten van zijn Javaansche echtgenoote. En daarbij kwam heel
wat kijken; want zij vertegenwoordigde de huishouding en de toko. De
laatste had wel niet zoo heel veel meer te beteekenen, doch een
opruiming geeft altijd werk, te meer daar de goederen en inventaris
moesten worden overgebracht naar Bodja, alwaar de verstooten vrouw
werd gezet in een eigen zaakje. Het toko-gebouw werd gedeeltelijk
ingericht als woonhuis, terwijl het op een derde van de breedte werd
doorgeslagen tot een inrij voor het daarachter gelegen gebouw.
X.
VOOR AAN UED. GELEVERD: EEN MEISJE.
Op het terrein in de Europeesche wijk, waar hij noch een ander Chinees
mocht wonen, liet Piong Pan Ho nu ook bouwen, en met de zenuwachtige
haast die hij achter alles zette wat hij deed in die dagen, schoot
daar uit den grond een huis op, dat reeds in den aanbouw het oog trok
van alle voorbijgangers.
Op een vroegen morgen wandelden Wije en Anneke er langs.
"Kijk, dat is het huis van Piong Pan Ho," zeide hij, daarmee tevens het
stilzwijgen verbrekend, dat geduurd had van het begin hunner wandeling,
die zij slechts maakten voor Anneke's gezondheid. Het was na herhaald
aandringen van zijn vrouw dat Wije dit deed, maar plezierig vond
hij het niet. Zij mokte nu al tegen hem ook, tenminste het leek er
hard naar; tot praten was zij niet over te halen, en als hij vroeg
wat ze had, kreeg hij geregeld dat sarrige typisch-indische "niets"
ten antwoord, dat langzaam en slepend uitgesproken, hetzij men wil of
niet, steeds een smadelijken trek te voorschijn roept op het gelaat
van den spreker of spreekster.
Anneke bleef staan en keek even naar het gebouw dat reeds onder de
kap was.
"Mooi," zeide zij.
Ongeduldig schokte hij met de schouders en wilde de wandeling
voortzetten, toen achter hen een dogcart stil hield, waaruit Piong
Pan Ho zelf stapte. Goddank, daar was ten minste iemand met wien men
een verstandig woord kon wisselen!
"Komt u eens kijken?" vroeg de Singkeh op hen toetredend, en hij
rustte niet eer hij alles had vertoond en uitgelegd. Af en toe sprak
hij ook tot Anneke, met moeite zijn bewondering verbergend, telkens
als hij haar aanzag. En tot groote woede van haar vader antwoordde
zij vriendelijk en met meer woorden dan hij in de laatste maand uit
haar mond vernomen had.
"Zou nonna graag zoo'n huis als dit bezitten?" vroeg eensklaps Piong
Pan Ho.
"O ja," riep Anneke uit, "wie zou dat niet?"
"Baik," zeide hij, haar toeknikkend; "als klaar is, geef ik het."
Zij lachten alle drie, de Chinees uit gulheid, Wije en Anneke de zaak
als een grap opvattend.
Eenige weken later, op een middag, stormde Wije zijn kantoortje uit
naar de achtergalerij, waar zijn vrouw bezig was thee te zetten.
"Piong Pan Ho is gek geworden," riep hij uit, haar eenige stukken
voorhoudend. "Hij heeft waarachtig dat nieuwe huis van hem op naam
van Anneke laten zetten!"
"Wat zeg je!" zeide zij, de grootste verbazing voorwendende. "Hoe
komt hij dáár toe?"
"Dat mag de hemel weten. Indertijd zei hij, dat hij het haar zou
geven, maar ik dacht dat hij gekheid maakte. Nu heeft hij wel altijd de
gewoonte gehad om haar te schenken, wat hij, misschien uit kieschheid,
mij niet wilde aanbieden, maar dit is wat al te bar. Een huis!"
"Weet je wat ik er van denk?" vroeg zij. "Je hebt me eens gezegd dat
hij een groot bewonderaar was van Anneke... het schijnt dat je toen
nader bij de waarheid was dan je zelf vermoedde."
Wije verbleekte.
"Zou hij dàt bedoelen?" stamelde hij. "Dan is het uit met
geldverdienen; dat zou een val zijn voor ons."
"Of een uitkomst," zeide zij zacht.
"Hoe? Je meent toch niet...?" riep hij uit met verheffing van zijn
stem.
"Stil!" viel zij hem in de rede. "We kunnen ook praten zonder zóó te
schreeuwen dat iedereen het hoort. Zie eens hier, ik sta natuurlijk
op een ander standpunt dan jij; maar al was ik haar eigen moeder, in
onze omstandigheden zou ik niet anders spreken. En om nu maar niets
te zeggen over wat er gebeurt als je hem weigert, want dat heb je zelf
zooeven reeds gedaan, vraag ik je, of jij voor haar iets beters weet."
"Maar vrouw, wat scheelt je? Iets beters dan een Chinees?"
"Waar is de Europeaan te vinden die haar trouwt uit ons huis, en die
begint met zóó'n geschenk zonder nog iets te vragen?"
"Trouwen, ja... maar een Chinees trouwt haar ook niet, ten minste
volgens onze opvatting."
"'n Mooie opvatting," zeide zij spottend. "Ik zie het verschil niet
in; een huwelijk is een huwelijk. En wat de vastigheid betreft,
dunkt mij dat een geschenk als dit vooraf en later nog wat--dat
spreekt van zelf--meer waarborg aanbiedt dan het contractje dat wij
Europeanen aangaan, en dat, zooals je gezien hebt, met weinig moeite
is te verbreken."
De onverschillige wijze, waarop zij sprak over hetgeen hij liefst
niet meer aanroerde, haar scheiding van Duna, ergerde hem.
"We praten over iets dat enkel op een losse veronderstelling berust,"
zeide hij om er een eind aan te maken. "Kom, ik ga het Anneke eens
laten zien; misschien ontlokt haar dit wel een enkel woord."
"Wacht even," verzocht zij. "Je moet er hem voor bedanken."
"Ja... hoe zoo?"
"Als je het aanneemt, en hij heeft het gedaan met die bedoeling,
dan heeft hij een zeker recht verkregen."
"Men kan het altijd teruggeven. Ik behoef niet dadelijk te beslissen."
"Teruggeven," herhaalde zij. "Juist; dit, je tractement, je
verdiensten, alles!"
"Vervloekt!" bromde hij.
"Zal ik eens naar Piong Pan Ho toe gaan, en hem polsen?"
"Jij...?"
"Ja, ik. Het zal er toch op neer komen, dat we met hem moeten
handelen over wat hij meer op haar zet dan dit huis en... enfin,
daarover later. In dat geval kan ik het beter doen dan jij."
"Nog niet," zeide hij kort, zich terugbegevend naar zijn
kantoor. "Stuur me nog een kop thee."
Zij bracht het hem zelf, doch sprak geen woord meer over het zooeven
behandelde, wetende dat hij toch niets zou doen zonder haar en er
spoedig genoeg op zou terugkomen.
Zoo was het, en hij vond dat zij gelijk had; eer men iets besloot,
diende men te weten waaraan zich te houden; zij moest dus maar
trachten plannen uit te vinden welke Piong Pan Ho koesterde; hij
kon zich voorloopig achteraf houden en optreden zoodra het noodig
was. Hij bedoelde hiermee niets geks, maar het bleek heel gauw, dat
de voorloopige toestand van zich op den achtergrond te houden, een
blijvende was; tot optreden noodigde hem niemand, en langzamerhand
raakte hij er aan gewoon dat zijn vrouw in deze zaak precies deed
wat zij wilde, terwijl hij het een vóór en het andere na toegaf,
ten slotte dat Anneke met Piong Pan Ho een Chineesch huwelijk mocht
aangaan, mits zij zelf wilde. Het haar voor te stellen weigerde hij
echter, doch dit was ook het eenige.
"Goed," zeide zijn vrouw; "maar ik kan het niet; dus moeten we den
luitenant in de gelegenheid stellen het zelf te doen. Ik zal daar
wel voor zorgen."
Anneke wist derhalve niets van hetgeen haar boven het hoofd hing. Met
de schenking van het huis was zij in 't eerst zeer verheugd geweest,
meenende dat zij nu daarin gingen wonen en zoodoende zij door de
grootere ruimte nog meer vrijheid zou krijgen in haar afzondering,
die zij hardnekkig bleef volhouden. Doch toen haar vader kortweg
verklaarde de grootere kosten aan zulk een huis verbonden niet te
kunnen bestrijden, begreep zij niet wat zij er aan had, en verviel
weer in haar vorige apathie, waaruit zelfs het bericht in de courant,
dat Kees Duna verloofd was met een Djokdjasch meisje, haar slechts
even vermocht op te wekken.
Had mevrouw Wije op zich genomen, Piong Pan Ho gelegenheid te geven
zijn belangen bij Anneke te bepleiten, weldra zou blijken, wat zij
daaronder verstond. Zij haastte zich echter volstrekt niet; alles
wat zij tot nu toe tegen Anneke had ondernomen, was haar als bij de
handen afgebroken; dat mocht ditmaal niet geschieden, maar dan moest
ook alles zoodanig worden overwogen en beschikt, dat niemand zich kon
onttrekken. Van haar man was zij nu geheel zeker; Anneke telde in haar
plan niet mee; die moest plotseling voor een fait accompli staan; doch
Piong Pan Ho, die als eenig handelend persoon zou optreden, was nog
niet vast genoeg thuis in de rol die zij hem had toebedacht. Eindelijk
begon de laatste ongeduld te toonen, en nu meende zij dat het tijdstip
was aangebroken om de zaak tot een besluit te brengen.
Op zekeren avond was, door een ongeluk in de keuken, het etensuur
vertraagd geworden. Wije, die erg onrustig en gehaast scheen,
had even gemopperd, doch was geëindigd zich nog een bittertje in
te schenken. Aan tafel praatte hij iets drukker dan gewoonlijk en
gebruikte ook meer wijn. Men was nog aan de vruchten, toen Piong Pan
Ho werd aangemeld.
"Laat maar achter komen," gelastte Wije den bediende.
De Singkeh kwam en groette. Het speet hem dat hij de familie aan
tafel overviel; gewichtige brieven, die hij zoo pas ontvangen had
en aan meneer Wije moest laten lezen, waren de aanleiding; of meneer
zoo goed wilde zijn ze in te zien; intusschen zou hij even naar den
majoor-chinees rijden, en later op den avond terugkomen.
Wije nam het pakje aan en Piong Pan Ho stapte op. Maar aan het eind
van de galerij gekomen, keerde hij eensklaps terug.
"De majoor woont dicht bij Tjandie," zeide hij, zich tot Anneke
wendende, "en ik heb er maar heel kort noodig. Heeft nonna plezier
om mee te rijden? Dan gaan we over Bodjong en toeren zoo om. Het is
mooi weer en maneschijn."
"Mag het pa?" vroeg Anneke, op een toon waarvan de bitsheid getemperd
werd door blijdschap over het aanbod.
"Ga je gang," antwoordde Wije, zonder op te zien en een stuk afrukkend
van het papier dat hij vasthield.
Piong Pan Ho gaf geen enkele order aan zijn koetsier; toch reed het
rijtuig aan het eind der zijlaan gekomen, in de richting die hij
daareven had genoemd. Anneke bemerkte niets van die bijzonderheid. De
Chinees had haar gevraagd of zij het thuis niet prettig had, en
zijn deelnemende toon had haar aanleiding gegeven om uit te barsten
in bitter beklag. Hij had van te voren geweten dat dit naar alle
waarschijnlijkheid volgen zou, maar nu hij haar hoorde spreken,
roerden hem dezelfde dingen, die hij bij de cynische voordracht van
haar stiefmoeder onverschillig had opgenomen. Een vreemd, hem onbekend
gevoel maakte zich gaandeweg van hem meester, dat van medelijden.
Even voor zij den hoek omsloegen passeerde hen een ander rijtuig,
doch geen van beiden zagen zij hoe daaruit zich plotseling een hoofd,
met een met goud gegalonneerden pet bedekt, vooroverboog, en twee
scherpe oogen hen nastaarden. Het was de resident.
"Luit'nant-tjina, kandjeng toewan," zeide de looper achterop.
"Wie zat naast hem?" vroeg de resident, om zich te overtuigen of hij
goed had gezien.
De looper wist het niet; hij had alleen den koetsier en de paarden
herkend, en naar iets anders hadden ook de koetsier van den resident
en de pajong-drager niet gekeken.
Piong Pan Ho was bij den majoor-Chinees geweest, dien hij niet thuis
gevonden had; daarop waren zij verder gereden, het gesprek nog steeds
loopend over het onderwerp waarmee het was begonnen. Anneke had een
oogenblik geschreid, en toen het rijtuig stilhield voor de woning
van den Chinees, nam zij zonder erg zijn uitnoodiging om even uit te
stappen aan; bij de nonja zou zij haar gelaat afwasschen. Hij liet
haar voorgaan, door de binnengalerij waar een lamp brandde, en wees
haar den weg naar een eveneens verlichte kamer, doch toen zij die
binnenging bleef hij achter, haar verzoekende zichzelf te helpen.