De mededeeling van den dood zijns vaders, hem voorzichtig gedaan

en toch abrupt lijkend, had hem vreeselijk geschokt. Maar toen

de uitbarsting van eerste droefheid voorbij was, bleek zij een

merkwaardige nawerking te hebben. Hij die, hoezeer ook vooruitgegaan in

den laatsten tijd, steeds gaarne op een ander steunde, gevoelde zich

met één slag in staat voor zichzelf te handelen en te besluiten. En

als een kind dat lang met loopen gedraald heeft, maar dan opeens

zich opricht en met vasten tred zich voortbeweegt, had ook hij de

omstanders verwonderd door zijn besliste manier van doen. Hij vroeg

onmiddellijk zijn ontslag, maakte de verschuldigde visites en was

weg eer men van de verrassing bekomen was.

Over Batavia reizende, was hij den vorigen avond te Singapore

aangekomen. Nu stond hij in zijn hut met een rommel van kleeren en

toiletzaken om zich heen, die hij geen plaats wist te geven, eindigend

met de helft weer in te pakken en de rest in de beneden-couchette te

smijten, waarna hij door de warmte gedreven, het nauwe appartement

verliet om naar boven te gaan.

Juist toen hij het tweede gedeelte van de trap zou bestijgen,

kwam een dame naar beneden, Hij week beleefd terug, zich tegen het

beschot drukkend om haar te laten passeeren. Doch met een uitroep van

verwondering bleef zij staan, en van Beek zag dat het Anneke Wije was.

Aan dek gearriveerd vond hij, dat hij zich kranig gehouden had. Niets

anders dan zijn hoed afgenomen! Even later, bij het zien van Wije en

diens vrouw, herhaalde hij die manoeuvre. Ziezoo, nu zouden zij wel

inzien dat hij geen omgang met hen wenschte. En hij begaf zich naar

een paar Fransche reizigers die hij op de Godavery had leeren kennen.

Doch de zee is vol listen en lagen.

De commissaire, die een der eettafels presideerde, had bij de

rangschikking der plaatsen Anneke aan zijn linker, mevrouw Wije aan

zijn rechterhand geplaatst. Naast deze zat natuurlijk Wije, maar

vóór hij over den stoel naast Anneke beschikte keek de commissaire

eens rond naar iemand van wien hij meende weinig concurrentie te

kunnen verwachten. Pardi, hij was een vroolijke Marseillaan, die aan

tafel liever een mooi meisje voor zich alleen had, op zoo'n saaie

reis, dan met zijn beiden. Daarop had hij van Beek bespeurd en zijn

gelaatskennis had hem ingegeven dat die de aangewezen man was. En

's middags van den eersten dag, toen van Beek bijna geen woord sprak,

prees hij in stilte zijn juisten blik.

Vijf dagen lang hield van Beek het vol niet meer te zeggen dan de

strikte beleefdheid eischte, en hoorde de taal zijner moeder met

zoetvloeiend accent door Anneke spreken zonder dat het hem bewoog. Toen

werd het echter te hard voor hem en hij mengde zich in het discours,

langzaam aan.

's Avonds zat hij bij de Wije's en sedert bijna den ganschen dag.

Eens waren Anneke en hij alleen. Zij had hem laten vertellen over

zijn vader en haar deelneming had hem week gemaakt.

"Ik geloof Anneke," zeide hij, zijn hand leggend op de hare, die

zich op de leuning van haar stoel bevond, vlak naast de zijne,

"dat ik toch meer van je houd dan ik zelf wist."

"Meen je dat?" vroeg zij om hem te helpen.

"Heusch," betuigde hij. "Ik zou, als je wilt, zoo graag met je

trouwen. Zeg, wil je?"

"Ja".

Er was een tijdlang stilte en beiden luisterden zij naar het brommen

van de schroef, die het schip voortjoeg door de duisternis. Daarop

begon Anneke zenuwachtig te snikken, tot groote verbazing van de

passagiers die het dichtst in den nabijheid zaten. Van Beek trachtte

haar tot bedaren te brengen, maar het werd eer erger.

"Wat heb je kind?" vroeg Wije, die gewaarschuwd, was komen aanloopen.

Zij kon geen antwoord geven en van Beek zag er ook geen kans toe,

daar er vreemden genaderd waren. Wije geleidde haar naar beneden. Aan

de deur van haar hut wilde hij zich verwijderen, doch zij hield hem

vast aan zijn mouw.

"O pa, hij heeft me weer gevraagd" bracht zij er uit, "en ik... heb

ja gezegd."

"Zoo," zeide hij verheugd. "Nu, dan is 't niet gevaarlijk. Ga maar

wat slapen en sta morgen frisch op." En hij haastte zich naar boven.

Een paar dagen daarna stond Anneke peinzend voor een geopend

trommeltje in haar hut. Daarin lagen verschillende versierselen,

maar ook drie armbanden. Langzaam nam zij er een uit, een gouden,

en sloot die om haar pols. De beide anderen nam zij te gelijk op,

ze heen en weer draaiend in haar handen, aarzelend.

"Hij is zoo goed," prevelde zij, "ik wil aan niemand anders meer

denken." En met een krachtige beweging wierp zij beide stukken door

het geopend patrijspoortje in zee.

Het eene was van Kees Duna, het andere van Piong Pan Ho.

EINDE.

AANTEEKENINGEN.

[1] Wat zijn die Hollanders toch slim!

[2] Hurken.

[3] Het goedvinden van meneer.

[4] Ik weet het niet.

[5] Semarangsche meisjes hebben veel kuren.

[6] Wat wil je hier?

[7] Om hun goed hart.

[8] De juffrouw is al in haar kamer.

[9] Ben je gek?

Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman · 第 20 / 20 段