Men kwam aan boord; op het achterdek werd de champagne ontkurkt,

toespraken uitlokkend die al meer hadden dienst gedaan, en sommigen

die de nawerking van het bruisend vocht in hun maag niet konden

verdragen, tot een haastig afdalen in het salon nopend, waar zij

zich te goed deden aan het gereedstaande ontbijt met cervelaatworst à

discrétion. Onder hen die spraken, was ook Wije, die alleen gekomen,

daar Anneke zich onwel had gevoeld, zijn vroegere gemakkelijkheid

van zich uit te drukken had teruggevonden, door de vreugde over het

zich vanzelf oplossen eener relatie, waaraan hij machteloos was zich

op een andere wijze te onttrekken.

Dan, de tijd verstreek; het kleine stoomertje was ontladen en zuchtte

den terugtocht te gemoet, krakend in de voegen van zijn bovenbouw, als

de deining het deed aanleunen tegen de groote boot, die onbeweeglijk

lag. Men moest afscheid nemen.

De rij af, voorop de resident en de generaal, toen de grootste

"handelshuizen" gevolgd door de kleinere, eindelijk de employé's,

gaf elk de vertrekkende familie een hand. Zij stonden naast elkander,

Duna met een gedwongen lachje om de lippen, de officieele handdrukken

half buigend beantwoordende, die van kennissen vriendelijk, nu en dan

aandoening toonend en die leggend in zijn blik bij het afscheid nemen

van een bijzonderen vriend, mevrouw stijf rechtop, niemand aanziende,

maar doodsbleek.

Wije was een der laatsten, wat hij eigenlijk niet had gewild. Doch

zonder geweld had hij niet kunnen doordringen tot de voorsten;

telkens sloot zich de opening voor zijn neus; men drong hem niet

opzij en hield er hem toch uit.

"Dag Wije, beterschap met Anneke. Groet haar nogmaals van me; zal

je?" zeide Duna.

"Van mij ook," sprak zij toonloos, zijn hand knijpend uit al haar

macht. En plotseling, terwijl een schok haar lichaam doorvoer, zag

zij hem in de oogen, heel diep; toen, vooruitstortend, sloeg zij haar

beide armen om hem heen, zenuwachtig uitgillende: "Ik verlaat je niet,

ik kan niet, o ik kan niet!"

Een algemeene consternatie volgde. Duna had in de eerste opwelling

zijn arm uitgestoken om haar terug te trekken; doch toen het tot

hem doordrong wat zij gedaan had, en hij aan de houding van Wije,

die zijn tegenwoordigheid van geest was kwijtgeraakt en haar willoos

liet begaan, met één blik alles zag, sloeg hij de handen voor het

gezicht, wankelend. De deftige rij, waarvan de eersten de loopplank

reeds bereikt hadden, brak, en die haar vormden vertoonden zich, in

bonte mengeling van rang en stand, weer op het achterdek. Tusschen

hen door leidde Wije mevrouw Duna weg, of liever zij trok hem mee,

terwijl Duna, ondersteund door zijn voormalige employé's weldra het

middelpunt vormde van een medelijdenden kring, tot men hem op zijn

verzoek naar de hut bracht.

Voorbij het luik komend, waar de koffers nog stonden opgestapeld om

eerst nedergelaten te worden als het schip wegstoomde, zag Duna zijn

vrouw, bezig uit te zoeken wat het hare was.

"Laat haar begaan," fluisterde hij zich afwendende, ten antwoord op

de vraag hem door iemand gedaan of men haar dat niet zou beletten.

Toen het stoomertje zich losmaakte van de groote boot, in hobbelend

omzwaaien, waren Wije en mevrouw Duna daarop de eenige passagiers;

de overigen hadden, na een conferentie met den kapitein, verkozen te

wachten tot het andere stoomertje van de Molukken-boot terug kwam

en dat te praaien. Zij stond bij de bagage, natellend of er niets

ontbrak, nu het feit begaan was en achter den rug, weer geheel de oude,

koel en zakelijk; hij zat onder de tent op de bank in 't midden, het

hoofd met den arm steunend in doffe berusting, doch vloog woedend

op, toen de muziek boven op de brug het bekende wijsje intoneerde:

"En hij komt nooit weerom..."

"Diëm, gévédé!" brulde hij, en één voor één hielden de muzikanten op,

wat echter niet verhinderde dat de maten die zij gespeeld hadden, ook

op de kustboot waren gehoord. Eerst had het daar de verontwaardiging

doen vermeerderen; doch het plotseling afbreken, waarvan men de

oorzaak zonder veel moeite kon raden, had een andere uitwerking. Men

had den resident met de mondhoeken zien trekken, terwijl de generaal

zijn neus snoot; dat was genoeg, en eensklaps barstte de hilariteit

allerwege los.

Men had gelachen, en hoe! Geheel désarmé was men daardoor echter niet,

maar toch... Reeds onder het terugvaren naar den kleinen Boom had

het zwaartepunt van de publieke opinie zich verlegd. Men had Wije

uitgemaakt voor een ellendeling, die eens anders huishouden in het

ongeluk stortte, en dat op zijn leeftijd! Nu beklaagde men hem schier,

en viel háár aan, die eer en plicht met voeten trad, haar mans naam

bezoedelde en hemzelf rampzalig maakte om der wille van een dwazen

hartstocht, en dat--ook hier ontbrak dit slotwoord niet--op haar

leeftijd! Wije kon plezier hebben van die "tang," ten minste als hij

haar trouwde. Over de waarschijnlijkheid hiervan liepen de meeningen

uiteen; zijn gezicht stond er niet naar, beweerde er een, terwijl

een ander volhield dat hij er onmogelijk af kon, na het schandaal

van heden.

De alzoo besprokenen waren intusschen terug aan wal, waar zij na eenige

moeite met het goed en vreeselijk te zijn aangegaapt door het personeel

van den Boom, plaats hadden genomen in het huurrijtuig dat Wije dien

morgen besteld had. Op het bootje hadden zij afgesproken wat hun verder

stond te doen; het eerste was; dat mevrouw Duna haar intrek zou nemen

bij een oude weduwe, die in een huis aan den Karangtoerie-weg woonde;

daar kon zij wachten tot het scheidingproces, dat Duna natuurlijk

zou instellen, was afgeloopen. Zij had dit eenige dagen geleden reeds

met die weduwe bedisseld, men behoefde er slechts heen te rijden.

Met een zeer beklemd gevoel kwam Wije eindelijk thuis. De omstandigheid

vooral dat die geheele scène aan boord als het ware te voren reeds

berekend was, en niet ontsproten uit fel opbruischenden hartstocht,

deed hem er met weerzin aan terugdenken. Als hij dat geweten had! Dan

zou hij haar met een beweging van verwondering en een air hautain van

zich hebben gestooten, zooals hij het nu deed in zijn eentje, zóó. Het

was jammer, erg jammer. Nu was het te laat; want hij dacht er geen

oogenblik aan zich aan de gevolgen van het gebeurde te onttrekken;

zijn ander ik, het gedeelte dat toezag en opmerkte, constateerde dat

hij het niet durfde.

Anneke moest een dag of vier het bed houden, hoewel zij niet erg

ziek was. Maar de dokter had rust aanbevolen en Wije handhaafde dit

voorschrift, om tijd te hebben zich voor te bereiden op de mededeeling,

die hij haar doen moest. Toen zij hersteld was en in den loop van den

dag zich had uitgelaten, dat zij in den vooravond een vriendin wilde

gaan opzoeken, vertelde hij haar wat geschied was, zichzelf zooveel

doenlijk voorstellende als door de omstandigheden te zijn gedwongen,

en te kiesch om een dame in den steek te laten. Met dit al was het

zeer pijnlijk, zich als het ware te moeten vrijpleiten tegenover zijn

dochter, in zulk een zaak!

Vanaf het eerste woord had haar een angst bekropen; wat zou Kees

doen? Met deze vraag viel zij hem in de rede, en toen hij daarop

zweeg, barstte zij los, beginnend met een klacht en eindigend met

harde verwijten, hem ten slotte voor de voeten werpend dat hij haar

geluk had verstoord.

Doch hiertegen had hij een verontschuldiging.

"Het was al zoover," zeide hij, "eer ik iets van Kees wist. Had je

mij je vertrouwen geschonken, dan zou het anders geloopen zijn."

"Kan ik niet gaan logeeren bij een ander?" vroeg zij, zonder het

laatste te beantwoorden.

Hij boog het hoofd, haar bedoeling radend uit den toon waarop zij

sprak. Zij wilde hem ontvluchten, als om zich voor besmetting te

hoeden, en dit afficheeren zóó, dat men haar en hem niet langer in één

adem noemde; een scheiding, die den band tusschen vader en dochter,

zoo niet wettelijk, dan toch feitelijk zou verbreken. Maar tevens

zag hij in, dat dit de eenige manier was om dien anderen band te

behouden, welken zij met Kees gesloten had, en dat hij geen recht

had zich daartegen te verzetten.

"Ik zal het den dokter gaan vragen," antwoordde hij na eenig peinzen.

Niet zonder moeite, en alleen op voorwaarden die voor hem zeer

krenkend waren, slaagde Wije er in van den dokter gedaan te krijgen

wat hij wenschte; toch kwam hij thuis met het gevoel van iemand die

een lastig schuldeischer voldaan heeft. Zoodra zij den uitslag vernam

riep Anneke den bediende en gaf hem een brief ter bezorging op de post,

dien zij aan Kees geschreven had.

"Geef mij een kus, Anneke," zeide Wije, toen in den naävond het rijtuig

vóór stond, waarmee zij ging vertrekken; "den laatsten misschien. Ik

mag je niet ontmoeten zoolang je ginds logeert, en daarna..."

Het doktershuis scheen Anneke niet lang te kunnen houden. Al den

eersten dag maakte zij zich nuttig door de twee kleinkinderen van

den dokter, weezen, zoodanig bezig te houden, dat zij niet alleen de

harten der kleinen, maar ook dat der grootmoeder veroverde.

"Daar zit een geboren moedertje in," verklaarde deze, erover sprekend

met haar man.

De dokter begon te lachen.

"Ja, dat zal wel uitkomen," zeide hij; "of waartoe wou je onze meisjes

anders zien geboren worden?"

"Och, zoo bedoel ik het niet. De aanleg om met kinderen om te gaan,

zit er bij haar in."

"Niets natuurlijker, wat men ook in onzen tijd moge zeggen over de

roeping der vrouw. Of werpen zich niet de meesten, die beweren van

geen huwelijk te willen hooren, in de armen van het onderwijs? En

dit is bij wijze van surrogaat."

Op den avond van den derden dag werd een brief bezorgd voor Anneke;

de jongen van Wije bracht hem. Zij was reeds in haar kamer, en de

dokter, die nog wat na bleef zitten in zijn achtergalerij, had hem

aangenomen en door de reet geschoven, die er was tusschen den drempel

en de deur van haar kamer.

Hij kwam van Kees; en hem dicht bij het pitje van haar nachtlicht

houdend, las zij den korten inhoud.

Mejuffrouw!

Hetgeen is voorgevallen, en dat ik wel niet nader behoef aan te

duiden, deed mijn vader eischen dat alle betrekkingen tusschen

onze families zouden worden afgebroken. Ik acht dit eveneens

billijk, en uit dien hoofde kan de middenweg door u voorgeslagen,

mijn goedkeuring niet wegdragen. Beleefd geef ik u in overweging

mij af te schrijven.

Hoogachtend

C. Duna.

Koud, dor en even onmeedoogend als de bij oude ambtenaren zoo gevreesde

"wenken" om hun pensioen aan te vragen, had het briefje van Kees een

gelijke uitwerking als deze. Anneke beefde van woede. Zich verder

ontkleedende, rukte zij zich den boel van het lijf, hijgend van de

haast toen zij in bed lag. Dat had hij kunnen doen! Hij, die voorgaf

haar lief te hebben, liever dan alles op aarde, die zwoer dat zijn ziel

met de hare was saamgegroeid en meer dergelijken onzin. Want anders

was het niet geweest, onzin, leugens, bedrog! Met krampachtig gesloten

vuisten bonsde zij aan beide zijden op de matras, de oogen wijd open,

het lichaam nu en dan opheffend in hevige zenuwwerking. Eensklaps

wierp zij zich om en schreide.

Een mot vloog in het nachtlampje, dat in zijn sterven

uitblusschend. Anneke stond niet op, gelijk zij anders placht te doen,

maar bleef liggen in het duister, zich overgevend aan haar gedachten,

die nu den vorm van zelfverwijten hadden aangenomen. Zij beschuldigde

zich van groote slechtheid en eigenbaat. Waarom had zij haar vader

verlaten? Enkel omdat zij de voorkeur gaf aan een ander, die niets

voor haar geweest was. Of had hij haar opgevoed, haar onderwezen,

haar telkens en telkens de feitelijke bewijzen zijner liefde

gegeven? Neen, dat had hij niet; gegeven had hij nooit; hij had zich

met haar vermaakt, ziedaar alles. Misschien had het hem eenige moeite

gekost dezen stap te doen, doch voorzeker geen lange aarzeling. Zijn

vader eischte en hij volgde. Zie, daarin lag een beschamend voorbeeld

voor haar. Wie weet of Kees niet juist daarom... o, zij was slecht

geweest! Eerst nu begreep zij de aandoening, die haar vader getoond

had bij het scheiden; hij had alles voor haar over, en vergaf het

haar dat zij hem dien smaad aandeed, die goede vader!

Den volgenden morgen deelde zij de doktersvrouw haar besluit mede,

om nog dienzelfden dag terug te keeren naar huis, haar den brief van

Kees toonend; en het mocht die dame niet gelukken Anneke te weerhouden,

van wat zij een overijlden stap noemde.

Ofschoon hij verwacht had dat Kees het engagement zou verbreken,

was Wije toch erg boos over de ruwe manier waarop dit geschiedde. Op

Anneke's verzoek schreef hij aan Kees het antwoord, in weinig regels

al de kwaadaardigheid uitdrukkend, die het besef van zelf de grootste

schuld te hebben een mensch kan ingeven.

IX.

OORLOG IN HUIS.

De hereeniging van vader en dochter was gedurende een korten tijd

zeer innig, waartoe ongetwijfeld de omstandigheid meewerkte, dat

Wije slechts hoogst zelden mevrouw Duna bezocht. Dit was op haar

eigen verlangen; sauver les apparences, noemde zij dat. Wije schikte

zich daarin zóó goed, dat hij voorstelde dien schijn nog eenigen

tijd voort te blijven redden, ook toen de scheiding tusschen haar

en Duna was uitgesproken. Doch daarvan wilde zij niet weten, en hij,

gewoon zijn wenschen aan de hare ondergeschikt te stellen, beloofde

onmiddellijk voor het "aanteekenen" te zullen zorgen.

"Waar zullen we gaan wonen?" vroeg zij.

"Wonen? Wel... ik dacht, dat het beste zou zijn te blijven, waar ik

nu ben. Het is stil en bescheiden; in ons geval kunnen we niet beter

doen dan ons een weinig te cacheeren."

"Je bent een groot kind, Willem, zoo oud als je bent," betuigde

zij. "Hetgeen je daar zegt is de manier om te maken dat je door

iedereen met den nek wordt aangezien. We moeten de lui niet naloopen,

dat staat vast, maar ons zoo inrichten, dat iedereen trek krijgt bij

ons te komen."

"Zonde van de kosten," bromde Wije, die niet wilde zeggen dat hij

juist niet iedereen bij zich of liever bij haar wenschte te zien

komen. "Laat ons liever voortgaan, zooals ik reeds lang bezig ben,

en sparen, tot we voor goed hier vandaan kunnen."

"Dat zouden we nu al kunnen doen, ten minste als jij er niet op bent

achteruit gegaan. Maar ik wil het nog niet. Eerst moeten we hier onze

reputatie herwinnen; geloof me, wij zijn goed op weg. Ik heb gezorgd

dat men ongeveer wist hoeveel ik bezit; dat heeft indruk gemaakt. Als

jij niet altijd had stilgehouden dat je geld had, zouden ze je nooit

op die manier links hebben laten liggen. Over de kosten behoef je

niet te pikiren trouwens; ik weet altijd over te houden."

Maar hij had er geen zin in en bleef op dit eene punt onverzettelijk,

ieder oogenblik een nieuw argument aanbrengende voor zijn inzicht,

dat hij beter noemde dan het hare. Daarvan overtuigde hij haar echter

niet en het duurde een heele poos eer zij tot een besluit konden

komen. Eindelijk gaf zij toe, doch om een reden die hij inconsequent

noemde. Onder het praten en nog eens praten had hij, afdwalend van

het onderwerp, haar verteld van de zaken die hij deed met Piong Pan

Ho, behalve die de suikerfabriek betroffen, en nauwelijks had zij

dit vernomen of zij gaf allen tegenstand op. Hoewel het hem sterk

intrigeerde, waarom zij, wetend haar plan juist door die omstandigheid

beter en gemakkelijker te kunnen uitvoeren, opeens het zijne bijviel,

vroeg hij geen uitlegging, blij dat hij de zege behaald had en er

een eind kwam aan het geharrewar.

Zonder meer dan het strikt noodige werd het huwelijk gesloten. Behalve

een paar aardigheden over de "jonggehuwden", praatte men er ook niet

over; men vond dat de zaak behandeld was zoo netjes als het in de

gegeven omstandigheden mogelijk was, en voorts wachtte men af.

Tot op den trouwdag had Anneke geweigerd haar tweede moeder te

zien, doch aan haar vader had zij beloofd geen moeite te zullen

veroorzaken als "die mevrouw" in huis kwam, en deze belofte hield zij

woordelijk. Zij sprak niet tot haar, keek haar niet aan en zonderde

zich af in haar kamer. Het huishouden had zij overgedragen door de

baboe een bos sleutels te geven, met de woorden: "boewat njonja"; aan

elken sleutel zat een linnen lapje, met de aangifte van het slot waarop

hij paste, in merkinkt. Overdag kwam zij haast niet te voorschijn, dan

aan tafel; maar toen de eerste week om was, en mevrouw Wije 's avonds

tegen tien uur naar bed ging, terwijl haar man nog een brandysoda bleef

gebruiken in de achtergalerij, hield zij hem geregeld gezelschap. Dan

spraken zij over alles en nog wat, doch nimmer over mevrouw Wije. Eens

had hij een poging gewaagd daarin verandering te brengen.

"Ik doe wat ik kan," had zij toen gezegd. "Verg niet meer van mij." En

hij had het laten rusten, hopende dat de tijd, die zooveel doet

slijten, ook hier zijn plicht zou doen.

In den beginne hield Anneke zich bezig met het herlezen van al

haar boeken en het bijhouden van hetgeen zij had geleerd, doch

langzamerhand gaf zij zich over aan een steeds machtiger wordende zucht

tot nietsdoen, tot droomend zitten of liggen in een gemakkelijken

stoel, zich wegdenkend uit haar omgeving, in haar verbeelding een

nieuwe scheppend waarvan zij het middelpunt vormde. En naarmate haar

lichaam loomer werd, werkte haar geest krachtiger, maar ongezonder.

"Kijk toch eens naar Anneke," zeide mevrouw Wije op zekeren dag tot

haar man.

"Hoezoo?"

"Het leven dat zij leidt, bederft haar."

"Wat kan ik er aan doen? Zij wil niet anders. Als jij eens

probeerde..."

"Ik?" riep zij uit. "Dat kan je begrijpen! Ze zou het mij niet lastig

maken... maar zie je dan niet, dat haar geheele doen en laten één

doorgaande beleediging voor mij is? De bedienden praten erover en

amuseeren er zich mee. En in plaats dat jij er iets aan doet, maak je

's avonds een gezellig praatje met haar en brengt haar in de meening

dat je alles goedvindt."

"Dat weet zij beter," zeide Wije; "en wat het gezellige aangaat... dat

is ook heen. Zij spreekt bijna niet meer."

"Verbeelje wat zij gisteren aan de meid vroeg. Of ik een pandjeshuis

of een dobbelkit hield!" ging mevrouw voort. "En dat enkel omdat er

een paar inlanders in haar weg zaten, toen ze naar de mandie-kamer

ging. Zieje, dat verdraag ik niet op den duur; er moet een eind aan

gemaakt worden; als zij niet verkiest van houding te veranderen,

moet zij het huis uit."

"Gemakkelijker gezegd dan gedaan."

"Als jij wilde verhuizen en menschen ontvangen, zou het niet lang

duren."

"Och kom," zeide Wije, haar latende staan.

Dat was het oude praatje, waarover zij in de laatste weken weer

was gaan zeuren. En hij verkoos het niet. Het was het eenige

waaromtrent hij nog een wil had, en hij had zich schrap gezet om

dien te handhaven. Zooals zij nu leefden hielden zij hoe langer

hoe meer geld over; daarom was het immers alleen te doen! Geld,

veel geld, en dan naar Holland, weg van de plaats waar ieder hun

geschiedenis kende. Waarom zou men dingen doen, die het aanbreken

van dat oogenblik vertraagden? Om de menschen? Bah, als men geld had

kwamen die vanzelf. Maar als zijn vrouw over dat verhuizen begon,

wist Wije dat er gewoonlijk iets anders was, dat zij hebben wilde,

iets waarvoor zij dan in ruil hem zijn zin gaf. Ditmaal zou het zeker

Anneke betreffen, en daarom liep hij weg; want hij durfde zoomin

zijn vrouw aan als zijn dochter; als er tusschen die twee iets moest

verhandeld worden, mochten zij het voor zijn part zelf doen, maar hem

er liefst buiten laten. Hij haalde zijn hoed om uit te gaan; dat was

het veiligst. Doch in de binnengalerij moest hij zijn vrouw passeeren,

en eerst vertellen waar hij heenging.

"Naar Piong Pan Ho," gaf hij op.

"Hm," deed zij. "Waarom ga jij altijd naar hem toe, en komt hij

nooit hier?"

"Waarschijnlijk omdat ik hem nu en dan wat te vragen heb dat haast

heeft en hij mij nooit."

"Hij kon toch wel eens een visite maken. Kwam hij vroeger?"

"Jawel," zeide Wije. "Misschien heeft hij op een uitnoodiging gewacht;

hij is wat dat betreft erg bescheiden."

"Moedig hem dan aan."

"Waartoe? zijn praten kan je onmogelijk interesseeren, en meer geld

beleggen kan hij voor ons niet doen; hij zit met het zijne al in den

weg. Daarenboven is hij een groot vereerder van Anneke; als hij merkte

hoe de verhouding hier is, had je 't voorgoed verbruid."

Ditmaal scheen het of zij weg wilde loopen, althans zij draaide zich

eensklaps om; doch toen Wije een paar stappen verder deed, riep zij

hem na: "Doe het toch maar; ik zal wel zorgen dat hij niets merkt."

"Nu, goed," bromde hij de schouders ophalend. Het zou haar niet

meevallen; als er iets te doen was had hij 't immers wel gedaan

gekregen; enfin, ze moest het maar ondervinden, anders was zij toch

niet tevreden.

Terwijl hij het erf afliep, bleef zij in de binnengalerij staan kijken,

tot hij den weg had bereikt; toen sloeg zij de armen omhoog, die

strekkende met gevouwen handen; een uitdrukking van groote blijdschap,

van voldoening over een goed idee, verspreidde zich over haar trekken.

's Avonds aan tafel sprak zij veel; een paar maal noemde zij Anneke 's

naam, tot heimelijken angst van Wije, die zich afvroeg of het meisje

op die pogingen, om met hem als tusschenpersoon een gesprek aan te

knoopen, zou ingaan. Maar weldra was hij op dat punt gerustgesteld;

Anneke deed als hoorde zij het niet en hield dit vol ook toen mevrouw

in de volgende dagen deze nieuwe manier van doen herhaalde en ten

slotte bevestigde; zij liet over zich spreken, zelfs aanmerkingen

maken, zonder het zich in 't minst aan te trekken.

Wije had bij gelegenheid van zijn laatste bezoek aan Piong Pan Ho

de opdracht van zijn vrouw vervuld. De Singkeh was heel blij en

beloofde zoo spoedig mogelijk te zullen komen, maar eerst moest hij

de binnenlanden in, voor een dag of veertien. Daarna zou hij de

Wije's opzoeken, zoo dikwijls als hij mocht. De reden waarom hij

sinds Wije's huwelijk er niet geweest was, vloeide voort uit het

onthaal dat hij elders gevonden had, in 't bijzonder van de zijde

der dames. De heeren waren vriendelijk genoeg; verscheidenen speelden

een partij biljart met hem als hij in de sociëteit kwam, en ook bij

de officieele bezoeken die hij gemaakt had als luitenant, traden zij

hem welwillend te gemoet, hoewel iets meer uit de hoogte dan anders,

als de dames niet tegenwoordig waren. Doch deze behandelden hem als

verreweg hun mindere. Daarop waren slechts een paar uitzonderingen,

en dat had zijn redenen! Het hinderde hem zoo, dat hij wegbleef

overal waar hij niet bepaald verplicht was te komen. Hij had zich

laten vertellen dat alleen de Hollanders zoo laag neerzagen op iemand

van ander ras; de Engelschen, Duitschers en Franschen waren wat dat

betreft beter. Weliswaar deden de Chineezen evenzoo, in hun land, en

gebruikten zelfs een heel leelijk woord om een mensch aan te duiden die

geen Chinees was, maar sedert zijn komst in Java vond hij dat dom, en

het speet hem dat de Hollanders, die in sommige dingen zoo uitstaken,

op dit punt zich aanstelden als... Chineezen. Dat Wije het in zijn huis

anders wist te dwingen, bewees voor de goede tucht die hij uitoefende.

Toen Piong Pan Ho na zijn terugkomst uit het binnenland de Wije's

bezocht, had hij een nieuwe grief. Op een terrein dat hem in eigendom

toebehoorde, wilde hij een huis bouwen, en had daartoe de noodige

vergunning gevraagd. Nu was de rooimeester bij hem geweest en had hem

te kennen gegeven dat niemand hem beletten kon te bouwen, doch dat

het plan der woning hem op het vermoeden had gebracht, dat Piong Pan

Ho of een andere Chinees het huis na gereedzijn dacht te betrekken;

dat mocht niet, daar het terrein in de Europeesche wijk lag, en dus

kwam hij den luitenant waarschuwen eer hij begon!

Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman · 第 17 / 20 段