iets anders dat hij niet durfde doen, maar toch behoefte hebbend
aan eenigerlei lichaamsbeweging om zijn vreugde te uiten. 't Was
vreemd, dat zijn "antecedenten" niet waren doorgedrongen tot dien
Singkeh! Hoewel, die was te nuchter om zich aan praatjes te storen.
"Hoeveel staat er nu nog?" vroeg hij, nadat hij het geld van Piong
Pan Ho had aangenomen, wenschende alzoo een winstberekening te maken.
"Zooveel als u mij heeft toevertrouwd."
"En dit dan?"
"Dat is binnengekomen."
"Is het dan enkel winst?"
Zooals men het nemen wilde, verklaarde Piong Pan Ho. Het uitgezette
geld zat vast; dat zag men nooit weerom, doch er bleef steeds
binnenkomen, samadjoega pantjoeran, altijd doorloopend, jarenlang,
tot er hier en daar wat wegraakte dat niet te forceeren viel; maar
iets bleef het allicht geven en met een deel van het binnengekomene
kon men weer nieuwe zaken doen
"Waar zit het dan?" vroeg Wije.
"In de dessa. Nu komt er in lang niets binnen, maar tegen het begin
van den westmoeson is het waarschijnlijk weer meer dan nu."
Wije stond verstomd en durfde niet verder vragen. Hij had dikwijls
hooren spreken van "uitzuigen van den inlander" door Chineezen en
vreemde Oosterlingen, zonder ooit in de gelegenheid te zijn geweest
nadere détails te vernemen; want zij, die dien term geregeld in den
mond namen, wisten zelf niets meer, hun niet weten achter geheimzinnige
gezichten verbergende; nu kon hij er achter komen en wilde niet,
vreezende iets te zullen hooren dat hem afschuw zou inboezemen voor
die "pantjoeran" van geld.
Opgewonden kwam hij thuis.
"De dag is goed geweest," zeide hij tot Anneke; "ik heb zóóveel
werk gekregen en dat geeft zóóveel... dat we niet hadden behoeven te
verhuizen, als ik het maar eerder geweten had."
"Gaan we dan terug naar ons oude huis?"
"Neen, dat zou niet staan. En laat ons maar zuinig zijn, des te
vroeger kunnen we alle onrust voor de toekomst op zij schuiven. Is
er iets dat je niet bevalt in dit huis?"
"Het huis is goed," zeide Anneke, "maar we hebben zulke rare buren. Die
kijven den ganschen dag, en als de man uit is, gaat zij verschrikkelijk
aan tegen de bedienden. Als u daar bij de pagger gaat staan kunt u
het hooren."
"Ga er dan niet staan."
"Men moet toch rondkijken op het erf. O ja, dat herinnert
me... Gistermiddag zag ik, aan den anderen kant, een inlander uit
de kampong hiernaast, die een ladder zette tegen den muur van het
paviljoen en probeerde door een van die ronde gaten naarbinnen te
zien. Zouden ze willen inbreken?"
"Die duivelskinderen!" schold Wije, naar het paviljoen loopende. Daar
bekeek hij de ronde luchtgaten in den zijmuur, en achteruitstappend om
de richting te meten, onderzocht hij of men daar doorheen kon zien wat
er in het kantoor geschiedde. Bukkend, met zijn hoofd ter hoogte van de
rustbank, zag hij het luchtgat daartegenover gesloten. Toch liet hij
onmiddellijk een metselaar roepen, die de gaten dichtmaakte, ofschoon
Anneke opmerkte dat zij te klein waren, zelfs voor een inlander, om
er zich door te wringen. Hij gaf haar gelijk, maar het was nu eenmaal
gelast, dus moest het gebeuren. Bij zichzelf mopperde hij over de
nieuwsgierigheid van dat volk; want hij had dadelijk begrepen dat
zij slechts de bevestiging zochten van een, door de vele bezoeken van
mevrouw Duna, bij hen gerezen vermoeden. Het was ergerlijk, dat men
in Indië niets van dien aard geheim kon houden. Wat ging het hun aan?
Een paar dagen later meldde zich bij Wije de administrateur van Piong
Pan Ho's suikerfabriek. Hij had Wije's brief ontvangen, die hem de
verandering meldde in het direct beheer, en kwam er nu eens over
praten. Het was een man van fatsoenlijk voorkomen en manieren. In
plaats van de standjes, die Wije half en half verwacht had, begon
hij een langdradige verhandeling over zijn positie, die zoo mooi was
vroeger, toen de fabriek aan Europeesche eigenaars toebehoorde en zoo
in minachting, nu die van een Chinees was. Eindelijk, daar Wije hem
liet doorspreken, had hij het over hetgeen aanleiding had gegeven tot
deze handeling van den eigenaar, want hij wilde er geen doekjes om
winden, dàt was hem duidelijk genoeg. Het speet hem nu, dat hij bij
den overgang zijn ontslag niet had genomen, toen hij gemakkelijk een
gelijke betrekking had kunnen krijgen, wat nu voor goed was verkeken
omdat hij bij een Chinees had gediend. Wat er dat toe deed, verklaarde
hij niet te beseffen, maar het stond er toe, men nam niemand aan,
die dàt achter zich had. Men deed het dan ook alleen, en zoo ook hij,
om der wille van de "losse emolumenten" die men op een Chineesche
fabriek genoot; daar schaamde hij zich voorts volstrekt niet over,
dat was usance. En nu waren die zoo opeens weggevallen!
"Ik hoop, meneer Wije," besloot hij, "dat u zult weten te leven en
te laten leven."
"U vergist zich," zeide Wije, "als u denkt dat de u ontvallen "losse
emolumenten" aan mij zijn gekomen. Ik heb deze zaak op mij genomen
uit een soort vriendschap voor den eigenaar der fabriek. Natuurlijk
niet zonder belooning. Doch mijn grootste verdiensten zullen moeten
komen uit het voordeel dat de fabriek oplevert, en dat behoort ook
bij u het geval te zijn."
"Dat zou mooi gezegd zijn als we tien jaar vroeger leefden," zeide de
administrateur. "De machines zijn nu oud, en wat erger is, met de lage
suikerprijzen, verouderd. Om behoorlijke winsten te kunnen maken zoude
de heele installatie moeten worden vernieuwd, althans nagenoeg. De
vorige eigenaars hebben er tegen opgezien en haar daarom verkocht."
"Is dat de eenige reden," vroeg Wije, "en durft u mij op uw woord en
als vakman verzekeren dat nieuwe machines de onderneming beter zouden
doen rendeeren?"
"Op mijn woord van eer," zei de ander. "Maar gaat u zelf zien op
andere fabrieken; ik zal er u een lijstje van opgeven."
"Goed. Ik zal het onthouden. Als na afloop van den maaltijd de zaak
betrekkelijk meevalt, zal ik Piong Pan Ho voorstellen doen van
die strekking, en ik twijfel geenszins of u krijgt wat u wenscht
en... noodig is."
"Belooft u mij dat?" riep de administrateur. "Ja? Nu dan kunt u op
mij rekenen. Dat is een buitenkansje. Zoo mag ik het veel liever dan
te moeten... laat ons het nu maar stelen noemen. En als u hier de man
is, maakt het voor mij ook een groot verschil; ik heb dan ten minste
niet direct met een Chinees te doen."
De administrateur verliet Wije's kantoor in de beste stemming,
die zich uitte toen hij even daarna in de sociëteit zat. Aan wie
het hooren wilde, vertelde hij met groot genoegen te hebben kennis
gemaakt met Wije, den gemachtigde van den luitenant-Chinees; met dien
kon men nu eens flink opschieten!
Zij die het hoorden, dachten er het hunne van. Enfin, het was een
Chinees; maar dat die Wije nu juist zoo'n baantje op den kop moest
tikken; hij was altijd een scharrelaar geweest en... met goed fatsoen
kon men nu niet meer met hem omgaan.
Van Beek wachtte nog steeds op antwoord. Dat het lang duurde, was hem
niet opgevallen; hij had zelf veel tijd noodig om te besluiten en
gunde dien een ander eveneens. Er was trouwens geen haast bij; aan
het gevoel van een heldenstuk verricht te hebben had hij voorloopig
genoeg. Men mocht het natuurlijk niemand vertellen, dat begreep hij,
ofschoon hij het wel had willen uitschreeuwen; dus hield hij zijn
mond. Wat echter niet belette dat het influenceerde op zijn gansche
persoonlijkheid, op zijn voorkomen zoowel als zijn uitingen; men
vond op het kantoor dat van Beek wakker scheen te worden, terwijl
anderen er zelfs bijvoegden dat hij zich "airs" gaf. Een week na
zijn aanzoek kwam hij bij den Franschen kapper, en voor 't eerst
deed deze hem de stereotype vraag: Monsieur a encore besoin de
quelque chose? bij het uitgaan van het knip- en scheerhokje, anders
gezegd salon, niet tevergeefs. Van Beek kocht dassen, boorden van het
nieuwste model, bottines en nog allerlei andere zaken die men in een
Indischen coiffeurs-winkel aantreft. Eenige dagen later kocht hij in
een apotheek een gouden lorgnet, en dat deed de deur dicht!
Voor de zooveelste maal sprak heel Semarang over van Beek. En men wist
wat er aan de hand was! Reeds lang was de lucht zwaar van de praatjes
over een mutatie in de hoogste handelskringen. Er was uitgelekt,
dat op het kantoor van den heer Duna allerlei werk verricht werd,
dat geen zin zou hebben, tenzij men stond voor een overgave van
het beheer aan een ander chef. Op den dag vóór het opzetten van
het lorgnet, was van Beek door zijn chef naar Duna gezonden, onder
wiens toezicht hij een en ander had moeten doen, dat de goedkeuring
van den laatstgenoemde had weggedragen. Die feiten stonden vast en
niets gemakkelijker dan er verder op door te bouwen. Duna ging weg;
waarheen en wie hem zou vervangen was een open vraag; van Beek kreeg
een positie bij de crediet-instelling, en een hooge, want daarop wees
alles wat hij aantrok.
De tweede week was om; zondagmorgen, en nog geen antwoord. Van Beek
begon ongeduldig te worden. Over de zaak nadenkende, kwam hij tot
het besluit dat Anneke het zeker niet aan haar vader had durven
zeggen. Daar kon hij in komen; hij zou het ook niet durven. Maar
als dat het geval was, kon het verbazend lang duren, langer dan
aangenaam was, nu het ophield een nieuwtje te zijn. Hij had zich al
zoo dikwerf met Anneke geëngageerd en wandelend gedroomd, dat zijn
hersenen weigerden in die richting verder te functioneeren. Er zat
niets anders op dan vanavond bij de Wije's te gaan eten, en bleek het
dat zijn vermoeden juist was, den volgenden dag een brief te schrijven,
waarvoor er in den Franschen bundel, waaruit hij zijn declaratie had
gehaald, een model als geknipt was.
Zoo overviel hij Wije en Anneke. De eerste had in de drukte van den
laatsten tijd het geheele aanzoek vergeten, en Anneke had zich stil
gehouden; doch nu begreep haar vader dat het niet aanging van Beek
langer op te houden. Na den eten, terwijl Anneke nog achter bezig was,
kwam Wije, onder een voorwendsel zich een oogenblik verwijderende,
bij haar.
"Hoor eens Anneke," zeide hij een weinig driftig, "dat gaat zoo
niet. Ik schaam me mijn oogen uit mijn hoofd als ik dien jongen
aanzie. Je hebt nu tijd genoeg gehad om er over te denken; wat wil
je? Ik sta er op het hem mee te deelen."
"Dan, neen!" antwoordde zij bits.
"Nog een half uur geef ik je," hernam hij. "Kom je vóór, dan zal ik
het beschouwen als een teeken dat je hem aanneemt, blijf je achter,
en dan bij voorkeur in je kamer, zoo zeg ik hem het tegendeel."
Zonder verder antwoord af te wachten ging hij terug naar van Beek,
onderweg op zijn horloge ziende.
Het half uur verstreek onder een zeer gedwongen discours. Wije liet
er een minuut of vijf overheen loopen en riep toen den huisjongen,
hem vragende waar de juffrouw was.
"Nonna soedah masok kamar, [8]" berichtte de bediende.
"Goed," zeide Wije en zich tot van Beek wendende vervolgde hij:
"Anneke heeft mij verteld wat je haar gevraagd hebt."
"O ja...?"
"Ik kan niet anders zeggen, dan dat haar en mij je aanzoek vereerd
heeft. De beslissing moest ik natuurlijk overlaten aan haar, en zij kon
er maar niet toe komen. Intusschen heb je recht op een antwoord. Welnu,
het spijt mij, doch haar niet verschijnen beduidt een afwijzing."
Van Beek had van de redeneering niet veel verstaan; hij had een
aanval van benauwdheid, meer door verlegenheid dan door spanning
veroorzaakt; het laatste woord echter drong tot hem door, en iets
als toorn beving hem.
"Dat is gemeen," mompelde hij, doch heel zacht.
"Nogmaals, het spijt mij," zeide Wije. "Gelukkig weet niemand er iets
van; want dat is altijd onaangenaam. Ik zal Anneke streng verbieden
er zich tegen wien ook, over uit te laten." En toen van Beek langzaam
opstond: "We scheiden hoop ik als vrienden? Dat is best. Nu, al heeft
dit niet zoo mogen zijn, je blijft ons welkom. Misschien krijg je
later wel weer eens trek om hier aan te komen."
Het eerste wat van Beek deed, toen hij thuis kwam, was de vuist ballen
en een slag geven, die slechts de klamboe raakte van zijn bed; daarna
nam hij een stoel, ging er verkeerd op zitten, de leuning vóór hem,
zijn armen op de leuning, zijn hoofd op zijn armen, en huilde.
Den volgenden morgen werd hij wakker als vrouwenhater. Slechts even
stelde hij zich de vraag of het publiek er naar raden moest of weten
hoe hij dit was geworden; hij besloot tot het laatste, en Wije's
woorden in den wind slaande, vertelde hij aan zijn mede-employé's dat
hij een blauwtje geloopen had op Anneke Wije. Dat kleedde, meende
hij, en verkneukelde zich als men hem meewarig aanzag, terwijl
hij zich zooveel mogelijk in het publiek liet zien, met name bij
de uitvoeringen der schutterij-muziek op de aloon-aloon en voor het
residentie-huis. Bij een dier gelegenheden voegde zich een jongmensch,
een Semarangsch lion bij hem.
"Weetje," vroeg deze, "waarom ik met je loop?"
"Neen," antwoordde van Beek.
"Omdat alle dames naar je kijken, en zoodoende ook naar mij."
Toen was hij overgelukkig.
VIII.
ONVERBREEKBARE BANDEN.
Anneke daarentegen pruilde. Zij was boos op haar vader en verdrietig
dat van Beek nu niet meer aan huis kon komen. In den laatsten tijd
was hij zoowat hun eenige bezoeker geweest. En sedert zij verhuisd
waren, hadden haar vriendinnen haar langzamerhand allen in den steek
gelaten. Wel hadden meisjes, die in de benedenstad woonden, en daarom
stadsmeisjes genaamd, pogingen gedaan tot toenadering, doch daarop had
Anneke geen weerwerk gegeven; zij hoorde in de Bodjong-coterie, daarin
had zij haar leven lang verkeerd en zij wilde zich niet encanailleeren
met dochters van kleermakers, winkeliers of koekebakkers; dan liever
geen omgang! Het was intusschen hard om zich boos te houden tegen
den eenige met wien zij wel omgang had, haar vader; met de bedienden
praten viel niet in haar smaak, te meer daar de oude getrouwen, die
nog uit haar moeders tijd stamden, de een vóór, de ander na, hadden
verklaard in dit huis niet krassan te zijn en dus vertrokken waren,
vervangen door nieuwe, onverschillige gezichten. Dus begon zij bij
beetjes vriendelijker te worden, om weer geheel de oude te zijn,
toen zij op zekeren dag onder de van Batavia vertrokken passagiers
den naam las van C. Duna, ambtenaar ter beschikking.
"Zou hij komen?" vroeg zij den ochtend toen de boot aankwam. En
's middags: "O, ik weet wanneer hij komt; op het gewone uurtje,
als u nog aan 't kleeden is, pa."
"Ik zal mij haasten," plaagde hij. Maar hij deelde Anneke's zekerheid
niet. Zoo zelden toch kwam het voor, dat uit wat hij kalverenliefde
noemde, ernst werd, vooral als men van elkaar ging. Kees, vreesde hij,
zou die geschiedenis van twee jaar geleden, wel vergeten zijn, althans
de toen gegeven beloften en gedane verklaringen zoo zwaar niet opnemen.
Doch dan kende hij Kees niet. Geen minuut vroeger dan hij jaren geleden
gewoon was, kwam hij, rustig opstappend, zonder zelfs den tred te
verhaasten toen hij Anneke, die al een half uur had staan wachten,
in de verte bespeurde, kalm en zeker, recht op zijn doel afgaand.
"Dag vrouwtje," zeide hij, met groote innigheid, haar de beide handen
toestekende.
Zij riep slechts zijn naam, terwijl zij haar gezicht naar hem ophief,
vergetend waar zij stond. En het was bloot toeval, dat niet geheel
Semarang het zag.
"Wat zei je daareven?" vroeg zij plagend, terwijl ze naar binnen
wandelden.
"Heb je 't niet gehoord?"
"Ja... maar zoo zonder vragen!"
"Dat heb ik al gedaan toen je nog zóó'n hummel was," betoogde Kees,
heel laag bij den grond wijzend.
In de voorgalerij namen zij plaats, op een bank, achter de zware
houten balustrade, zich verbeeldende dat een toevallig voorbijganger
hen niet kon zien; en onder den indruk van hun beginnend geluk zwegen
zij, slechts nu en dan elkaars namen fluisterend, met een handdruk
als antwoord, dichter bij elkaar naarmate het buiten donkerder werd.
"Daar komt papa," zeide Anneke, plotseling oprijzend. "Kees is vóór,"
riep zij haar vader toe, terwijl zij hem in de deur voorbij snelde.
"Zoo, Duna," groette Wije; "welkom thuis op Semarang. We zullen
de lamp eens opsteken; net iets voor Anneke om je in 't duister te
laten zitten."
"Dat was zoo erg niet," vond Kees.
"Je zult mekaar wel een boel te vertellen hebben gehad, hè? En denk
je lang hier te kunnen blijven?"
"Ik heb maar tien dagen tijd; dan moet ik naar mijn standplaats:
Djokdja."
"Waren de oudelui niet blij je te zien?"
"O ja. 't Is wel jammer dat die verplaatsing van papa naar Batavia
niet twee jaar vroeger is geschied."
"Gaat je pa naar Batavia? Ik had wel iets gehoord... maar toch, het
rechte wist ik niet," jokte Wije, die onder belofte van geheimhouding
reeds alles had vernomen van mevrouw Duna. "De drukte... doch vertel
me eens, wat zijn z'n plannen? Of mag dat nog niet bekend worden?"
"Als u er niet op tegen heeft, wilde ik gaarne eerst iets anders
behandelen," zeide Kees. "Ik kwam namelijk vragen of Anneke en ik
samen mogen trouwen."
"Drommels!" riep Wije uit, zich verrast houdend, "dat is geen gekheid."
"Het is met voorkennis en goedvinden van mijn ouders dat ik dezen
stap doe."
"Zoo ... ik dacht, dat je moeder..."
"Toen mama zag, hoezeer het mij ernst was, heeft zij toegegeven. Waarom
zij er trouwens in den beginne tegen was, heb ik nooit gevat en weet
het nog niet," verklaarde Kees, verzwijgende dat hij dien namiddag
de grootste moeite had gehad met zijn vader, die beweerde dat Wije
"valsch" was. Ten bewijze daarvan had hij de geschiedenis verteld
van het stukje envelop, dat Wije opzettelijk onder zijn kaarten zou
hebben geschoven. Doch toen Kees telkens vroeg wat Anneke daarmee te
maken had en niet afliet, had ook hij er zich bij neergelegd.
"Nu," zeide Wije, "ik heb niets tegen je. Maar we zullen Anneke
moeten raadplegen; die heeft in deze het laatste woord. Waarom lach
je zoo? Hm, ik begrijp... enfin, dan zal ik haar roepen."
Doch eer hij kon opstaan, voelde hij twee armen om zijn hals, die
hem weer achterover trokken in zijn stoel, en kuste Anneke hem op
beide wangen.
Een geëngageerd paar in Indië rijdt in den vooravond, tenzij men
het niet kan betalen; eerst een toertje langs de wandelwegen, om de
kennissen tegen te komen; daarna, zoodra de schemering invalt, langs
de buitenwegen, om niemand tegen te komen; eindelijk weer terug,
om bij bevriende families, wier voorgalerij niet verlicht is en
die dus geacht kunnen worden uit te zijn of niet te ontvangen, een
"tot hun spijt" vergeefsche visite te maken. Tegen acht uur komen zij
thuis, om te eten; in den naävond vrijen zij, of praten buitengewoon
gezellig met ieder die zich bij hen voegt of op eenigerlei wijze hen
belet alleen te zijn.
Kees had bij dit alles nog gedaan weten te krijgen dat hij mocht
komen rijsttafelen, bewerende dat de tijd zoo kort was. Daarin had
hij wel gelijk, doch hoe kort ook, het was alsof een zonnestraal in
dat kleine huisje was binnengedrongen, alles wat goed was en rein
verlichtend, en het booze verjagend. Het geluk van zijn kind hief
ook Wije op uit den toestand waarin hij langzamerhand was verzonken,
dien hij zich niet ontveinsde, maar weet aan de omstandigheden. En aan
deze was voorloopig niets te veranderen, meende hij; op het oogenblik
dat hij genoeg had bijeengegaard zou hij zich daaruit losrukken,
maar tot zoolang kon hij er niets aan doen. Met zijn oude neiging
tot philosopheeren had hij zichzelf intusschen tot onderwerp van
bespiegeling gekozen, zich afvragend wat hem meer demoraliseeerde,
de omgang met mevrouw Duna of het geldmaken door tusschenkomst van
Piong Pan Ho. Want dat zulks het geval was had hij gevoeld. Door een
toeval toch. Gewoon artikelen te schrijven voor de courant, die daar
steeds welkom waren, kreeg hij op zekeren dag een stuk terug met de
kantteekening: "niet bruikbaar." En dit herhaalde zich, tot hij ten
slotte zelf naar de redactie liep om opheldering te vragen.
"Ik weet niet wat het is," zeide de redacteur, "maar je stukken
deugen niet. Het lijkt wel of je achteruit gaat, of je gedachten er
soms niet bij zijn als je schrijft."
Thuisgekomen peinsde hij er over en vond dat de man gelijk
had. Werkelijk wilden zijn gedachten slechts twee bepaalde richtingen
uit, en die kon hij toch niet op het papier zetten! Van toen af was
hij begonnen zich die vraag te stellen en de oplossing daarvan te
zoeken, zonder echter eenige moeite te doen zich van het kwaad af
te wenden. Het was alsof er twee personen in hem vereenigd waren, de
een die handelde, een ander die toezag en opmerkte met steeds grooter
belangstelling. Zoolang Kees er was, bleef mevrouw Duna weg van zijn
kantoor, en zie, dat had een merkwaardigen invloed op hem. Dàt was
het dus! Hij verheugde zich in de vondst, doch slechts matig in het
feit, tot hij het oog sloeg op zijn dochter en al het andere voor
't oogenblik vergat.
Anneke dong in die tien dagen naar den eernaam dien haar moeder vroeger
had gedragen. Toen zij met Kees verscheen op de receptie van den
resident, waren alle oogen op haar gericht, terwijl zich achteraan,
in de op een troep staande heeren, een indiscreet tonggeklik liet
hooren. En haar vriendinnen wilden haar nu weer allen kennen, het
onmogelijke verzinnende om hun terugtrekken van voorheen te bedekken,
haar den pet met het gouden biesje, waaronder Kees zich bevond, niet
weinig benijdend. Zij werd overstroomd met aanbiedingen om bij haar
uitzet te komen helpen.
"Het is haast te druk geweest om goed verliefd te kunnen zijn,"
beweerde Kees op den laatsten avond.
"Deugniet, wou je 't nog erger maken?" vroeg zij terug.
Na het vertrek van Kees begon ook voor zijn ouders de tijd te
korten. Reeds was Duna's opvolger aangekomen, de procuratiehouder
van Semarang in diens plaats te Soerabaja aangesteld en de betrekking
van den employé die nu procuratie kreeg, door van Beek ingenomen. De
gissingen waren dus juist geweest en men behoefde ook niet langer
te raden naar de plannen van den heer Duna; deze ging te Batavia
een eigen handelshuis, een administratiekantoor oprichten, waartoe
hij geld van anderen had weten te krijgen. Mevrouw Duna was in die
laatste dagen stroever dan ooit, zelfs tegen Wije, die het weet aan
haar sterk ontwikkeld gevoel voor zaken. Want er viel heel wat te
beredderen! De huizen bleven haar eigendom en daarover behield Wije
het beheer, doch buitendien had zij nog zoo veel. In haar kampongs
woonden verscheidenen, die den kost verdienden met rondventen van
artikelen die de passer oplevert; wat 's morgens werd ingekocht moest
men 's avonds kwijt zijn, maar tot dien inkoop, hoe gering ook, was
kapitaal noodig, dat een inlander nooit bezit. Dus leende zij hun
dat; den gulden, dien zij 's morgens of den avond te voren ontvingen,
betaalden zij des avonds terug met een kwartje "huurgeld." Het ging
echter niet aan die menschen te laten komen in het groote deftige huis
op Bodjong, derhalve behandelden de hoofden der kampongs die zaken,
waarvan het onvermijdelijk gevolg was, dat deze in den loop der tijden
niet onbelangrijk in voorschot waren gekomen, naar het heette door
het achterstallig zijn der leenende inlanders. Dat moest nu zooveel
mogelijk geïnd worden en voorts dit soort van zaken worden opgeruimd,
die zij Wije niet kon overgeven, omdat dit vrouwenwerk was volgens
haar, waartoe een man ten eenenmale de geschiktheid miste.
De morgen was aangebroken waarop de afreis van de Duna's zou plaats
hebben. In de drukkerijen der couranten stond het verslag ervan,
een week te voren opgemaakt, reeds gezet, beginnend met de woorden:
"Door tal van vrienden en kennissen uitgeleid..." en eindigend:
"met diep leedwezen zagen velen de zoo algemeen geachte en beminde
familie vertrekken." Aan den kleinen Boom lagen de beide bootjes onder
stoom, één voor de gewone passagiers, het ander afgehuurd door hen,
die de Duna's wegbrachten naar boord van de kustboot. Nog had de zon
geen kracht genoeg om de koelte uit de atmosfeer te verdrijven en het
donkerblauw van den hemel te ontkleuren, toen de rijtuigen aanreden
en zich een schaar gekleede dames en heer en met zwarte jasjes
verzamelde aan den kalie-kant, een zeldzaam schouwspel zoo vroeg
in een Indischen ochtend. Men sprak onder elkaar en slechts weinig
met de familie, die te veel had te doen met de zorg voor koffers en
pakken. Eindelijk verscheen een zestal muzikanten, die zich op de brug
van het stoomertje nederzetten en, zoodra de touwen waren losgegooid
en het klepperen der raderen in het weerstrevende water zich deed
hooren, de instrumenten aan den mond brachten en... iets speelden,
geaccompagneerd door het gillen der stoomfluit.