De chef lachte erom; hij vond de woorden van zijn ex-verkooper geestig

en raak; dat nam niet weg dat hij bleef bij wat hij gezegd had; alleen

zou hij terwille van Wije, dien hij vertrouwde en kende, iets door

de vingers zien wat betrof den te kiezen Chineeschen strooman. Maar

Wije, in zijn hart spijtig over de positie waarin de bekrompenheid

van zijn chef hem ging plaatsen, beloofde, nu in ernst, met een heel

solieden Chinees voor den dag te zullen komen. Hij had daarbij het

oog op Piong Pan Ho, die het hem niet zou weigeren. Op weg naar dezen,

bedacht hij echter, dat het zaak zou zijn eerst Kan Liong Tjoe op te

zoeken en te spreken over de huur van het tokogebouw. Eigenlijk had

hij hiermee wel mogen beginnen, doch hij was niet ontsnapt aan de

zucht die de meeste menschen onaangename zaken tot het laatst doet

uitstellen. Hoe dichter hij de woning van den Babah naderde, des te

sterker werd zijn voorgevoel, dat hem reeds gister een oogenblik had

bevangen en hem zeide dat die man zijn plannen zou contrarieeren, om

zich te wreken over de behandeling hem destijds in de toko aangedaan.

Kan Liong Tjoe dacht echter niet meer aan die kleinigheid. De

streek hem door Duna gespeeld, hield zijn geest geheel alleen bezig

en hij beschuldigde allen die tot de beide firma's behoorden, van

medeplichtigheid. Voor 't eerst van zijn leven zag Wije een Chinees in

allen ernst boos. Vóór hem staande, zonder de minste deferentie voor

den Europeaan, schold hij de beide chefs voor dieven en oplichters,

zich heesch pratend, den mond wijd open, met de handen kletsend op zijn

dijen en andere vleezige gedeelten. Nooit zou hij weer een Europeaan

vertrouwen en in zijn toko, waarin reeds zijn vader had gewerkt,

wilde hij er geen dulden. Zoodra hij die weer in zijn macht had,

zou hij haar laten uitrooken om den peststank te verdrijven, dien

dat gespuis er in gebracht had... Het was Wije bijna niet mogelijk

aan het woord te komen, zóó raasde de Chinees voort. Inziende dat

hij tot geen kalme bespreking kon komen, vertrok hij.

In de toko riep hij de bedienden bijeen en na hun de zaak te hebben

uitgelegd, hun voorhoudend dat het ook in hun belang was zoo de

zaak werd voortgezet, droeg hij hun op dien avond Kan Liong Tjoe

te bepraten. Doch den volgenden morgen berichtten zij hem, dat de

Babah niet te bewegen was. Het stond op hun gezichten te lezen dat

zij er zelf grooten spijt van hadden, en een hunner opperde het

denkbeeld om de toko ergens anders te vestigen; zij wilden gaarne

met meneer meegaan, dien zij hadden leeren kennen als een goed en

pinter chef. Maar daar viel niet aan te denken. Het verlies van het

gebouw nam het cachet van de zaak. Wije, in een andere lokaliteit een

toko openende, zou voor een Europeesch toko-houder worden aangezien,

de klandizie zou daarmee geheel veranderen, geen inlander zou zijn

inkoopen daar komen doen, en ook verscheiden Europeanen zouden er

niet meer koopen wat zij nu eenmaal gewoon waren in een Chineesche

toko te halen. Men stuurde thans naar de toko van Kan Liong Tjoe; of

die er niet langer in was deed niets ter zake; de loop was er heen,

en zou niet ophouden voordat de deur gesloten was; dan echter zou zich

de stroom verdeelen, doch dien te leiden was ondoenlijk. Het besluit

van Kan Liong Tjoe beteekende voor Wije het niet doorgaan van zijn

plan, dat hoe jong nog, hem reeds gansch had ingepalmd. En dan het

malle figuur tegenover mevrouw Duna! Er was intusschen niets aan te

veranderen, dus schreef hij haar een kort briefje, haar verzoekend

dien middag in de toko te komen.

Zij kwam en luisterde aandachtig naar zijn verslag.

"Waar woont die Chinees?" vroeg zij toen hij had uitgesproken.

"Hoe, je wilt toch niet zelf....?"

"Natuurlijk. Waar woont hij?"

Hij duidde het haar uit, aarzelend.

"Zal ik meegaan?" vroeg hij ten slotte, doch zij schudde het hoofd,

opstaande en zich met vluggen, veerkrachtigen stap naar haar rijtuig

begevend.

Wije bleef achter; zijn wenkbrauwen omhoog, de wangen opblazend,

ging hij weer naar zijn lessenaar. Hij had haar eergister een

kranige vrouw gevonden en hij zou bij die opinie blijven zoolang zij

uitsluitend tegenover hem haar beradenheid toonde, doch als zij deed,

wat hij vermoedde dat zij van plan was te doen om Kan Liong Tjoe tot

andere gedachten te brengen... dan verspeelde zij zijn achting ten

eenenmale. Dan, meende hij, was het geen voorkeur die haar bewogen

had hem een gunst te schenken, maar koele berekening; dan sloot

zij eenvoudig een koop en payant de sa personne, en dat was gemeen,

ten minste als het buiten hem omging.

Na betrekkelijk korten tijd kwam zij terug en Wije herademde toen

hij aan haar gezicht zag dat zij niet geslaagd was.

"Die vent is krankzinnig," riep zij uit. "Hij loopt den geheelen dag

te schelden en te mopperen. Ik heb een inlander uitgehoord, die voor

zijn huis den weg stond te begieten. Had je 't niet bemerkt?"

"Neen," verklaarde Wije; "wel dat hij erg opgewonden was, toen ik

met hem sprak..."

"Nu, zoo is hij den geheelen dag. Ik ben maar een oogenblik bij hem

gebleven; er viel niet te onderhandelen. Maar, wat nu gedaan?"

"Niets," zeide Wije; "het sprookje is uit."

"En wat ga jij beginnen?"

"Ik... wacht totdat de vendutie is afgeloopen en dan ga ik weg."

"Weg? Waarheen?"

"Naar Holland. Hier kan ik niet leven van 't geen ik heb, en ik krijg

er toch niets bij; misschien lukt me dat ginds beter, en zoo niet,

dan is het daar toch altijd aangenamer wonen."

"Doe het niet," raadde zij, "het zou je tegenvallen, zooals

het iedereen tegenvalt, die hier gewend is. Luister eens, nu ik

mijn geld toch niet in die toko kan zetten, moet ik er meer huizen

bijkoopen. Want aan een Bank vertrouw ik het niet toe, dàt laat ik aan

jelui over. En ik kan als vrouw zoo moeilijk voor al die dingen zorgen,

vooral als er meer bijkomt. Wil jij de administratie daarvan op je

nemen? 't Is wel geen lucratieve betrekking, maar voor bijverdienste

toch altijd voldoende. Dan kun je tevens hier blijven."

"Voorloopig kan ik het wel aannemen," zeide Wije. "Als ik het niet

kan volhouden, is daarvoor licht iemand anders te vinden. Ik zal

echter moeten verhuizen naar een goedkooper woning."

Zij had er een voor hem, in een der dwarslanen die op den Bodjongweg

uitkomen; daar kon hij intrekken en voor zijn administratie het

paviljoentje inrichten, dat een aparten uitgang had op een kampong-pad.

De vendutie van de toko Kan Liong Tjoe had reeds lang te voren de

aandacht getrokken. Een zoo groote partij goederen, berekende men,

ineens op publieke veiling, moest noodzakelijk goedkoop gaan; en men

nam zich voor zijn slag te slaan, terwijl men andere inkoopen zooveel

mogelijk uitstelde. Maar juist doordat iedereen dezelfde berekening

had gemaakt, liep het druk en joeg men elkaar op, zoodat de opbrengst

de taxatie ruim overtrof. Toen het afgeloopen was, werden de deuren

gesloten, om in langen tijd niet weer open te gaan.

Wije werkte eenige dagen mede op het kantoor der firma, ten einde de

finale afrekening op te maken; toen kwam het oogenblik dat de chef hem

met iets weemoedigs in zijn blik, de hand reikte tot afscheid. Geen

van beiden sprak een woord en even zwijgend stonden de employé's aan

den uitgang der monsterkamer.

"Bonjour kerels," zeide Wije, toen hij den laatsten de hand drukte,

en met brandende oogen liep hij de trap af. Beneden gaf hij een

ontkennenden wenk aan den koetsier van den toko-wagen en stapte

haastig voort met eenigszins gebogen hoofd. Op den Bodjong-weg

gekomen, verminderde hij zijn vaart, den kant van den weg houdend,

in de schaduw, den voet af en toe hoog opheffend en wijd neerzettend

om over een zonneplek te stappen alsof het een plas water was.

VII.

EEN OORSPRONKELIJKE DECLARATIE EN EEN BLAUWTJE.

Thuis gekomen liep Wije onmiddellijk naar zijn kantoortje, om het geld

op te bergen dat hij zooeven van de firma ontvangen had. Morgen kon

hij dat bezorgen, en in één woord, aan zijn eigen zaken beginnen. Ja,

het beste was maar al het oude van zich te schudden en met kalmte

en moed de toekomst in te gaan, die toch zoo heel donker nog niet

was. Hij scheurde de papiertjes van drie dagen van den kalender en

las dat van heden: Quand tout est perdu, c'est l'heure des grandes

âmes, stond er op. Wel niet heelemaal toepasselijk, doch als men

het vrij vertaalde: wanneer het slecht gaat, steek dan het hoofd op,

dan was het te gebruiken; bovendien kon men zich desnoods verbeelden

een grande âme te zijn.

"Is u daar al?" vroeg Anneke binnenkomende. "Alles afgeloopen?"

"Ja, we zijn zoover."

Zij zag hem even aan, doch zijn gezicht stond niet treurig en ook de

toon van zijn stem klonk niet gedrukt, dus scheen hij zich de zaak

niet zoo erg aan te trekken als zij had gevreesd. Wat er eigenlijk

gebeurd was, besefte zij niet ten volle. Nog nooit in de omstandigheden

verkeerd hebbende voor zich zelf en anderen te moeten zorgen, wist

zij niet wat dat beteekende, en evenmin wat het was zich te moeten

verminderen, als men niet alleen staat op de wereld. Zij kon er

derhalve ook geen angst voor gevoelen, en het alleen naar vinden dat

haar pa ergens over tobde. Doch zoo dit niet langer het geval was,

dan was immers alles in orde. Zij praatte met hem door over al wat

er gedaan moest worden in de eerstvolgende dagen, hoewel ze reeds

alles wist: welke meubels meegingen naar het kleine huisje en dat de

rest netjes opgepoetst werd voor de vendutie. Want daarmee was reeds

een begin gemaakt. En hij vond het gelukkig dat zij het blijkbaar

beschouwde als een niet onplezierige verandering, zonder begrip van

meerdere of mindere weelde.

Een groot uur later, terwijl Wije in zijn kamer was, stond zij in

de achtergalerij en bespeurde aan den kant van de pagger van Beek,

die zoodra zij hem in 't oog kreeg, haar wenkte. Zij ging er heen.

"Juffrouw Anneke, u gaat verhuizen?" vroeg hij, met iets afgemetens

in zijn houding.

"Ja, dat heb ik u immers voor een paar dagen al verteld!" zeide zij.

"Juist," ging hij voort; "dus we zullen geen praatje meer kunnen

houden zooals nu."

"Neen, dat is jammer. Maar u komt ons ginds toch wel opzoeken?"

"Zeker heel graag. Komt u morgen... neen... ik zal het nu maar

doen. Ik... had u wat te zeggen, hier, aan de heg." En hij wees met

zijn vinger op een blaadje, alsof dàt er niet bij kon gemist worden.

Anneke knipte met de oogen. Als Indisch meisje op die punten zeer

gevat, begreep zij dadelijk waar hij heen wilde, doch zij miste den

slag hem te voorkomen; en terwijl zij nadacht over de wijze hoe hem

nog van zijn stuk te brengen, stak hij van wal, eentonig de woorden

opdreunend, alsof hij een van buiten geleerd lesje opzei, wat dan

ook werkelijk het geval was.

"Er komt," sprak hij, "in het leven van elken man een oogenblik waarop

hij diegene ontmoet, die hem aan het geluk doet gelooven. Dan grijpt

er een verandering in hem plaats; uit wat hij gisteren nog gewoon en

prozaïsch vond, schept hij heden poëzie, de reinste, de schoonste,

die hem het hart doet zwellen in de borst, zich uit in alles wat

hij spreekt of schrijft, hem den verrukkelijksten droom doet droomen

en, door hem te vergrooten in zijn eigen gevoel, den moed inboezemt

haar te naderen, die van dit alles de oorzaak is, en haar te vragen

dien droom te verwezenlijken. Dat oogenblik is voor mij aangebroken,

en die ik bemin zijt gij, Anneke. Wilt gij de zonnestraal zijn die

mijn pad verlicht? En, ziet u, u kunt het best doen, wat dat betreft;

mijn papa is schatrijk, hij is millionnair."

De laatste zin was oorspronkelijk.

Van Beek's declaratie had het gewone effect dat die dingen altijd

hebben; er volgde geen antwoord. Maar ook uit Anneke's houding

viel niet op te merken of zij hem aannam of niet. De zaak was dat

zij het een niet wilde, het ander niet durfde, en het ten slotte

zelf niet meer wist. De tirade door hem geuit, had zij voor ernst,

voor uit hemzelf gekomen aangezien, en meende daarom dat het hem in

't hoofd geslagen was, een tijdelijke toestand, doch die misschien

door een weigering bestendigd kon worden. Zij had in 't algemeen te

veel kassian met hem, en thans in 't bijzonder, om hem dàt aan te

doen. Dan de laatste woorden, waarvan het lompe haar ontsnapt was,

doch de beteekenis niet. Millionnair! Dat wil zeggen... Anneke wist het

nauwelijks, maar wel dat het nog meer was dan officier of ambtenaar,

ook schoone zaken, zooals zelfs een zestienjarige gevoelt vanwege het

gedurig hooren zeggen. Dat vulde aan wat er aan die hoekige gestalte

ontbrak, fatsoeneerde den neus, tintte de oogen, maakte den bril tot

een sieraad, was oorzaak dat zij van Beek de voorkeur gaf als zij

aan Kees dacht, maar aan Kees als zij van Beek voor zich zag.

Terwijl de gedachten haar door het hoofd kruisten in snelle opvolging

en afwisseling, het antwoorden onmogelijk makend, zich oplossende

in één verlangen, om weg te kunnen loopen, stond van Beek daar

onbewegelijk, schijnbaar zonder spanning en onverschillig. Een vraag

om antwoord, een aandringen, had hij te voren niet geprepareerd,

en in zijn langzaam denken kon zich dat niet zoo ineens ontwikkelen,

daar waren minstens eenige dagen mee gemoeid. Hij bleef staren op haar

bewogen trekken, niet in staat daarvan af te lezen wat zij uitdrukten.

"Anneke! Waar ben je?" riep haar vader; en het was een verlossing.

"Ik zal het papa zeggen," sprak zij, zich verwijderend.

"Alsublieft," zeide hij, "dan ben ik er meteen af."

Anneke hoorde het laatste niet meer; op een drafje snelde zij naar het

huis terug. Wije was gekleed en had zin een eindje te wandelen. Anneke

deed dit gaarne; en om uitstel te voorkomen, en tevens zelf nog eens

te kunnen bedenken hoe zij het zou vertellen, zeide zij voorloopig

niets van het zooeven gebeurde.

Toen zij terugkwamen was het donker met zwartbewolkte lucht. De

lantaarns, opgehangen in het midden tusschen de boomen, vermochten hun

petroleumlicht niet te doen doordringen tot op den weg; het bescheen

slechts een bolvormige ruimte in de duisternis, daartegen zichtbaar

stuitend, met takjes en bladeren van boomen in den kring, groener

dan overdag, door de inwerking van het oranjegeel schijnsel. Laag

bij den grond, dicht langs den wegkant, de oliepitjes en smeulende

stukken hout, waarvan men de inlandsche dragers niet zien kon, dan

als voorbijzwevende vlekken op het zwart rondom.

Gestuurd door de gewoonte van dagelijks doen, vonden Wije en Anneke

hun weg op het voorerf, zij hangende aan zijn arm tot zij stil stonden

voor de trap van de voorgalerij, er tegen stootend met den voet.

"Papa, van Beek heeft mij gevraagd."

Hij liet haar los, onwillekeurig starend in de richting waarin zij

stond, een hè! van verrassing uitstootend. Maar hij kon haar niet zien;

en kloppend op zijn zak, waarin hij gewoon was een doosje lucifers te

hebben, liep hij naar binnen; Anneke hem achterna, de warme kleur die

zij bij het zeggen der laatste woorden had gekregen, onder het gaan

voelende zakken, langzaam wegtrekkend van haar voorhoofd naar omlaag

in haar hals. Haastig stak hij de lamp op, en die nog vasthoudend,

het hoofd half onder de kap, zag hij haar scherp aan; te laat.

"Je hebt zeker nog wel meer te vertellen?"

"Neen pa."

"Wat heb je hem geantwoord?"

"Niets pa; alleen dat ik het u zou zeggen."

"Doe me een plezier en zeg wat je wilt. Het is je gewoonte niet om je

de woorden zoo uit de keel te laten halen; waarom dat dan nu gedaan?"

"Omdat ik het zelf nog niet weet," zeide Anneke eenvoudig. "Ik zou

graag trouwen, maar liever niet met van Beek."

"Je zegt dat op een toon alsof je bedoelde: desnoods met van Beek."

"Ja pa, dat bedoel ik."

Wije zweeg, niet wetend hoe hij het had. Hij zag haar aan, terwijl

zij droomerig naar buiten staarde, en ontdekte een vreemden trek om

haar mond, rimpels, loopende van de neusvleugels naar de mondhoeken,

cirkelvormig. Hij kende dat bij oudere meisjes, die een leeftijd

hadden bereikt waarop zij heetten te berusten in het denkbeeld van

nooit te zullen trouwen, doch bij Anneke vond hij het onrustwekkend

vroeg. Het gaf hem een vraag in, die hij niet durfde uiten, zich

geneerende voor het antwoord, al kwam dat van zijn eigen dochter.

"Correspondeer je nog met Duna?" vroeg hij, naar den bekenden weg.

"Ja pa. Kees komt over een week of wat thuis."

"Hoe sta je met hem?"

"We zijn altijd goede vrienden geweest, en met Sinterklaas... dat weet

u." Zij stond op, om uit het glazenkastje, aan het andere eind van

de galerij, de minoeman te krijgen, zijn verklaring overhoorend, dat

hij het eigenlijk niet wist. Maar toen zij weer terugkwam, erg druk

met het overeindzetten der glaasjes en inschenken, was hem plotseling

een andere gedachte ingeschoten, aan mevrouw Duna.

"Je kunt van Beek niet gedurende "een week of wat" aan de praat

houden," zeide hij, "en afwachten wat Duna wil, zooals ik meen dat

eigenlijk je zoeken is. Hij moet antwoord hebben, ja of neen. En ik zou

het eens goed overwegen; ik weet toevallig dat er zich bij zijn aanzoek

geen bezwaren zouden opdoen, terwijl bij Duna... hm, ik heb reden..."

"U meent Kees zijn mama," zeide Anneke met verachtelijk optrekken

van haar bovenlip en even uitsteken van het puntje van haar tong.

"Hoe... wat...? Waar haal je dat vandaan? Ik bedoelde... zijn papa,"

loog Wije, die fameus geschrokken was.

"Neen, dan weet u het niet," zeide Anneke, en verhaalde hem, wat zij

wist van de kwaadsprekerij van mevrouw Duna en het blijk dat meneer

gegeven had daar niet mee in te stemmen.

"Juist, dat reepje papier," zeide hij. "Ik had het gevonden en

daaruit... maar ik zie nu dat ik het mis heb. Intusschen als mevrouw

tegen je is, voorzie ik toch groote moeielijkheden."

Anneke voorzag die niet, doch gevoelde ze. En dat deed de kansen

van van Beek voor 't oogenblik rijzen. Want zij had daareven de

waarheid gezegd, zij wilde trouwen. Niet uit ziekelijke begeerte of

maatschappelijk oogpunt, doch omdat zij was, die zij was, een gezond

ontwikkeld meisje met het bewustzijn van groote geschiktheid voor die

zijde van het leven, die zich in het huwelijk openbaart, en totale

ongeschiktheid voor de misère, die juist om deze redenen, haar in geval

van teleurstelling zoude wachten. Ook dit kon zij niet formuleeren en

toch wist zij het, als bij instinct. Intusschen, zij hield van Kees;

het zou haar geen moeite kosten haar hand in de zijne te leggen, als

hij om haar kwam; zij was met die gedachte al zoo lang vertrouwd,

dat ze het zich haast niet anders meer kon voorstellen. Maar soms

beving haar een schrik bij de gedachte dat het wel eens niet zoo kon

uitkomen en drong zich de vraag in haar op: wat dan? Of, wie dan? Het

antwoord echter hierop had zich nog nooit belichaamd, tot op dezen

avond, plotseling, op een oogenblik waarin zij de vraag in 't geheel

niet stelde. En men verlangde dat zij dadelijk zou kiezen; niet eerst

afwachten, neen, onmiddellijk. Maar dat ging immers niet. Daar moest

over worden gedacht... daartoe moest men een vertrouwde hebben, een

moeder, aan wier voeten men kon gaan zitten of knielen, het hoofd in

haar schoot, met twee woorden telkens een volzin beginnende, die het

hart verder voltooide, en daartusschen korte schreibuien. Zoo kon

men alles oplossen, doch een man was niet de persoon bij wien men

op die wijze hulp kon zoeken, aan zijn gesteven witten pantalon was

daarvoor geen plaats.

"Ik voor mij," hernam Wije, toen zij bleef zwijgen, "vind beide

partijen even mooi, maar zooals altijd, de zekere de beste. En

bovendien is, waar men elkaar kent en de een den ander niet bepaald

afstoot of tegenstaat, een zoogenaamd mariage de raison in de

meeste gevallen te verkiezen boven een huwelijk uit liefde, of beter:

verliefdheid. In het laatste geval stelt men wederzijds eischen, hooger

dan met den besten wil vervuld kunnen worden, en slechts weinigen

zijn zoo verstandig zich wat in te toornen; in het eerste weet men

nagenoeg wat men aan elkaar heeft, de eischen die men stelt gaan daar

niet overheen en zijn bescheiden, en de gewoonte van met elkaar te

leven doet de rest om het huwelijk althans aangenaam te maken."

"Foei pa, wat is u prozaïsch," viel Anneke in. "Is dat nu niet,

wat u mij laatst hebt gezegd dat men een paradox noemt?"

"Betrekkelijk ja. Voorzoover men de meening van jongelui en

romanschrijvers als de heerschende aanneemt. Maar we dwalen af. Ik

zie wel dat je nu geen trek hebt er verder over door te gaan. Soedah,

een paar dagen mag je er altijd over nadenken. Beloof je mij dat ook

te zullen doen?"

"Ja pa. Van Beek zal er misschien wel op terugkomen of zondag... neen

dan zijn we pas verhuisd, maar zondag over acht dagen komt hij vast

weer bij ons, en dan... kunnen we zien."

Wije glimlachte over haar slimheid in het uitstellen, doch vond ten

slotte dat het geen kwaad kon als zij er eens over pikirde, hopende dat

zij van Beek zou aannemen. Er was in zijn ideeën omtrent een huwelijk

van Anneke een verandering gekomen, die dateerde van af het eerste

bezoek van mevrouw Duna. Anneke was lastig in huis, een sta in den

weg en... hij hield te veel van haar, om niet in gedurigen angst te

verkeeren, dat zij het zou bemerken.

Als zij echter met Kees geëngageerd raakte, dan was het nog gekker,

vooral daar dit engagement lang kon duren, omdat zij met trouwen

moesten wachten tot hij bevorderd was tot controleur. En ten slotte

werd de verhouding zoo mal, zoodra men "het" wist. Het kwam niet in

hem op, dat feitelijk hijzelf, en niet Anneke, voor een keus stond.

Er volgden eenige dagen van drukte en bezigheid, de vendutie,

het verhuizen en eindelijk, voor Wije, het zich inwerken in de

administratie, die hij voeren moest voor mevrouw Duna. Toen hij die

in orde had, niet dan nadat zij verscheiden malen inlichtingen was

komen geven, begon hij aan zijn eigen zaken, het laatst ontvangen

geld op de gewone wijze beleggend. Daarop bezocht hij Piong Pan Ho,

wiens benoeming tot luitenant hij in de courant had gelezen.

Hij vond den Singkeh niet in de toko, die vergeleken met de vorige

maal dat hij er geweest was, erg leeg was, zoo dat men nu zonder

zich te stooten er doorheen kon wandelen. De bediende, die Piong

Pan Ho ging waarschuwen, kwam terug met het verzoek of meneer achter

wou komen. Wije liep daarop door, om het nieuwe huis heen, naar de

bijgebouwen. In een der kamertjes zat de man dien hij zocht, achter

een met papieren beladen tafel, een grooten hoornen bril op zijn neus.

"Dag luitenant," groette Wije, en het hooren van zijn nieuwen titel

riep een flauwen glimlach te voorschijn op het gelaat van den Singkeh.

"Banjak soesah," zeide hij toen, wijzende op eenige rekeningen die

voor hem lagen.

"Wat is er?" vroeg Wije deelnemend.

"Die suikerfabriek is de rotste zaak die er bestaat," barstte Piong

Pan Ho los. "Het is een dievenboel! Daar liggen de rekeningen van

benoodigdheden; ik heb laten informeeren wat zij kosten, alles twintig

percent minder dan hier staat; de reparaties kan ik niet nagaan,

maar ook daar is op gestolen. Op die manier lijd ik verlies; ik wist

wel dat er geen groote winsten mee te behalen waren, soedah! maar

verliezen is toch jammer, dat doe ik nooit."

"Ja," zeide Wije, die een papier had opgenomen en ingezien, "het is

erg, dat zie ik zóó wel, al ken ik de prijzen niet. Nu je 't echter

weet, is het niet moeielijk er een eind aan te maken."

"Het zijn Europeanen, meneer. Wat helpt het mij of ik het weet;

ik heb er een Chinees naar toe gezonden om mij te berichten hoe het

op de fabriek zelf toegaat, maar wat helpt het mij? Ik kan hen toch

niets doen."

Een oogenblik moest Wije lachen om het idee: Piong Pan Ho met een

rottan den administrateur en de employé's der fabriek afranselend;

want iets anders kon hij niet bedoelen met zijn klacht.

"Er zijn nog andere middelen," zeide hij. "Maar... ik weet wat! Ik heb

nu toch niets te doen, en zoek werk... stel mij als je gemachtigde

aan; dan zal ik alle bestellingen en leveringen zelf behandelen,

de administratie hier voeren en, in één woord, hun niets overlaten

dan het werk op de fabriek."

Piong Pan Ho stond op van zijn stoel en greep Wije's hand, zich

daarover heenbuigend zooals hij het de inlanders had zien doen bij

hun hadjies. Toen sprak hij lang en luid over de goedheid van dien

Europeaan, die hoewel pinterder dan de anderen, zijn oentoeng niet

zocht in het plukken van een armen Chinees, wiens dood het zou zijn

als hij op zijn zaken doorgaand verloor; en er volgde een combat de

génerosité over het salaris dat Wije zou genieten. Het werd eindelijk

bepaald op vijfhonderd gulden; minder wou Piong Pan Ho in geen geval

geven, en hij behield zich voor ingeval de fabriek winsten afwierp,

Wije daarvan percenten toe te kennen, zoo goed als hij die moest

uitbetalen aan dien administrateur. En nu men toch over geld sprak,

herinnerde hij zich dat er reeds veel was binnengekomen van hetgeen

hij voor meneer had uitgezet; hij zou het even nakijken. Wat hij

deed in een dier langwerpige blauwe boekjes, blaadje voor blaadje

omslaand, en zonder er naar te zien, met zijn vingers de balletjes

op het telbord heen en weer schuivend.

"Acht duizend driehonderd twee en twintig," las hij af; "ik zal het

gaan halen."

Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman · 第 15 / 20 段