"Meneer Duna is op reis, niet waar?"

"Ja, hij is even naar Soerabaja. Maar dat belet jou niet om te

toucheeren wat je toekomt."

"O, daar dacht ik niet eens aan," zeide Wije.

Zij keken een tijdlang uit het raam, naar de onder hen voortbewegende

drukte van sappie-karren, toko-wagens en kisten pikelende

inlanders. Toen kuchte de chef en zeide:

"Van Beek komt nogal eens bij je, niet waar?" En op Wije's bevestigend

gebaar, ging hij een weinig aarzelend voort: "Ik heb hem zoo'n beetje

onder mijn voogdij, naar je weet; houd me dus de vraag ten goede:

Trekt hij verliefde gezichten tegen je dochter?"

"Niet dat ik weet," antwoordde Wije, vroolijk. "Hij vertoont steeds

dezelfde merkwaardige facie, die alleen verandert als hij lacht

of gaapt."

"Ik zal je zeggen waarom ik het vroeg," zeide de chef ernstig

blijvend. "De oude heer van Beek heeft van iemand--wie doet er niet

toe--een zoogenaamde waarschuwing ontvangen. Hij heeft die natuurlijk

aan mij gezonden... trouwens, dat is al iets heel bijzonders. Weet

je hoe Hollandsche menschen gewoonlijk doen?"

"Neen..."

"Wel, die met Indië te maken hebben, houden er hier één persoon op na,

bij wien zij alles informeeren of door wien zij zich geregeld bericht

laten zenden. Wat zij buitendien ontvangen, gaat zonder mededoogen

in de voddenmand."

"Dat is toch niet altijd verstandig!"

"Dikwijls niet, maar... Enfin, ik heb geantwoord, dat naar mijn weten,

er niets van aan was. Voor de voorzichtigheid heb ik er nog bijgevoegd:

en al was het zoo, dan zou je zoon den verstandigsten streek doen,

die hij ooit van zijn leven kon uithalen. Ik heb het wel in andere

woorden uitgedrukt, maar je begrijpt...."

"Jawel," zeide Wije. "Nu, ik ben zeer gevoelig voor uw opinie..."

"Ik ben klaar, meneer," klonk het van den anderen kant der kamer,

en zij braken hun gesprek af om zich weer aan de "zaken" te wijden.

"Mag ik u feliciteeren, meneer," zeide ten slotte de boekhouder. "En

jou ook, Wije; je hebt het er kranig afgebracht."

En er verscheen ook champagne, waarop de overige employé's geïnviteerd

werden. Weer stonden zij allen om Wije heen, evenals zooveel jaren

geleden. Het waren op een enkel na, dezelfde gezichten, alleen wat

verouderd, doch dat merkt men niet, als men met elkaar gelijk op leeft,

en zij uitten hun gelukwenschen voor de toekomst, juist als toenmaals.

Toen Wije het kantoor verliet, om naar zijn toko terug te keeren,

deed de chef hem uitgeleide tot aan de trap, arm in arm met hem over

de monsterkamer wandelend en hem tot driemaal toe de hand schuddend

op amicale wijze. Van den toko-wagen wilde hij geen gebruik maken;

hij had behoefte zijn ledematen eens flink uit te strekken. En dit

deed hij, zonder te letten op den modder en de plassen, zoodat de

voorbijgangers hem verbaasd aankeken en snel uitweken om niet bespat

te worden. Hij had het gezien, onder cijfers, wat hij voor zich reeds

sedert maanden had vermoed, gezien met eigen oogen, dat hij nu geld

genoeg bezat om zoo noodig onafhankelijk te kunnen leven. Op bescheiden

voet, weliswaar, maar het kòn toch. En als er nog een jaar bij kwam,

zoo gelukkig als het afgeloopene, dan zou hij er mee uitscheiden en

naar Holland gaan; voorgoed, en daar een welverdiende rust genieten,

bij een heel klein beetje werken voor eigen plezier. Het aardigste

was dat niemand het kon gissen! Want hij had zijn spaarpenningen

nooit bij één kantoor gelaten, doch hier een weinig, dáár een

weinig, wat courante aandeeltjes in plaatselijke prauwenveeren,

een paar spaarbankboekjes, en zoo voort. Maar nu werd het lastig;

het bedrag dat hij dezer dagen zou toucheeren was te groot, om zoo

maar te worden weggemoffeld... soedah! hij kon er nog een poos over

nadenken, en zelfs al vond hij er niets op, dan was die verlegenheid

eigenlijk niet eens zoo erg.

Behoefte gevoelende zijn geluk mee te deelen aan een ander, liep hij

bij Piong Pan Ho binnen. Deze was zeer verheugd dat meneer zooveel

oentoeng had, en zelfs min of meer verbaasd dat de toko nog zóóveel

had afgeworpen. Dat was bijna zoo goed als de losse handel, dien hij

met een deel van zijn geld dreef! Als meneer wilde dan zou hij eens

wat kapitaal voor hem uitzetten.

"Ik dacht," zeide Wije, bij dit aanbod stilstaande, dat hem na zijn

overlegging van even te voren niet zoo verwerpelijk scheen, "dat je

zelf met je geld geen weg wist."

Dat was zoo geweest, legde de Singkeh uit, maar nu niet meer. Hij had

nieuwe kanalen gevonden, en... men had hem een belegging aangewezen,

die wel geen groote winsten zou geven, maar toch buitengewoon

voordeelig beloofde te zijn. Meneer herinnerde zich wel wat zij

destijds samen besproken hadden, over die cadeaux? Nu, hij had er wil

van gehad. Men was bij hem gekomen om eens poolshoogte te nemen. Bij

die gelegenheid was er druk gesproken en men had hem verteld wat hij

zoo al aan onroerende goederen moest kunnen aantoonen, om in aanmerking

te komen voor luitenant-Chinees. Want het stond niet om enkel vlottend

kapitaal te hebben, dat zàg men niet. En zoo terloops was er gepraat

over een suikerfabriek in het Japarasche, die te koop was.... De vorige

week had hij haar gekocht; en nu zou de zoo gewenschte benoeming wel

niet lang meer uitblijven, ten minste er werd al voor gezorgd.

"En wou je mijn geld in die suikerfabriek steken?" vroeg Wije.

"Tida!" riep Piong Pan Ho; "ik zal er mee handelen; dan mag meneer

er later een suikerfabriek voor koopen."

De Chinees beschouwde die suikerfabriek blijkbaar als een stuk dood

kapitaal of een voorwerp van luxe; doch Wij e wilde hem niet vragen,

wat hij dan onder "handel" en "serieuse zaken" verstond, uit vrees

van een antwoord te zullen krijgen dat hem zou weerhouden zijn geld

aan Piong Pan Ho toe te vertrouwen, vanwege het soort dier zaken. Hij

beloofde dus binnen een paar dagen terug te zullen komen, zoodra hij

het in de toko door hem verdiende had ontvangen. De Singkeh vond het

uitstekend en droeg hem de groeten op aan Anneke, een beleefdheid

die hij nooit verzuimde sedert zij eenige dagen na Sinterklaas met

haar vader was meegekomen om hem persoonlijk te bedanken.

De heer Duna was van zijn reis terug en zat bij Wije's chef, de boeken

van de Chineesche toko na te zien. In het notitieboekje dat geopend

naast hem lag, schreef hij nu en dan iets op. Eindelijk sloeg hij de

boeken dicht.

"Wel?" vroeg de chef.

"We zijn er," zeide Duna.

"Hoe bedoel je dat?"

"Ik zal Kan Liong Tjoe laten aanzeggen, dat hij het nog ontbrekende

moet aanzuiveren."

"Dat kan hij immers niet!"

"Dan houden we vendutie van den inventaris en de goederen. Ik zie

dat die er ons juist zullen brengen. En desnoods maken we gebruik

van onze hypotheek op het pand zelf."

"Maar wat bezielt je, Duna? Dat is tegen alle afspraak."

"Lees dan de contracten nog maar eens over."

"Die zijn voor geval van nood."

"Dat zie ik anders in," zeide Duna bedaard. "We hebben die zaak

geëntameerd om ons geld te redden, niet om Kan Liong Tjoe van dienst

te zijn. Of denk je dat die een oogenblik zou hebben geaarzeld

jou te bedriegen en schade te doen, als hij had gekund? Waarom dan

consideratie gebruikt tegenover hem?"

"Dat toegegeven; maar het plotseling opheffen dier toko zou aan onzen

afzet enorm veel kwaad doen."

"Onzin; wat de een minder neemt, neemt de ander meer; aan de behoefte

moet worden voldaan."

"En Wije?"

"Dat is jouw zaak. Maar ik mag het geld van onze instelling niet zoo

lang vastzetten; dat strijdt tegen alle gezonde beginselen."

"Nu, maar ik neem geen genoegen met die handelwijze."

Duna haalde de schouders op, alsof hem dat volmaakt onverschillig was.

"En ik waarschuw je," vervolgde de chef, zich opwindend, "mij niet

te contrarieeren. Het zou je berouwen."

"Al genoeg," zeide Duna, opstaande. "Ik wil je niet overhaasten. Als

de boel tegen einde Mei uit de wereld is, ben ik tevreden; dan kan

ik er nog een woord over zeggen in mijn verslag. Neem jij het op je

om Kan Liong Tjoe aan te pakken, of zal ik het doen?"

"Doe jij het. Misschien bedenk je je nog wel. En anders, denk aan

mijn waarschuwing!"

"Allright," spotte Duna. "Bonjour!"

Het was voor Wije een harde slag, toen hij het besluit van den

heer Duna vernam. De chef trachtte het hem te verzachten door de

mededeeling, dat Duna zelf er niet lang plezier van zou hebben. Hij

grondde deze voorspelling op den reeds genoemden brief van den

ouden heer van Beek. Deze toch had gevraagd wie die mevrouw Duna

was? Of haar man aan het hoofd stond van het Semarangsche kantoor

dier crediet-instelling in welke hij, van Beek, verscheiden aandeelen

bezat? Zoo ja, of de chef hem dan eens een en ander wilde schijven over

het verband tusschen de mooie deftige verslagen en het kleine dividend

van die zaak. Nu, dàt zou hij doen, dáár kon Duna op rekenen! Doch

Wije, ofschoon gestreeld door de warmte waarmee de chef voor hem

partij trok, en ook een weinig door het uitzicht op wraak, putte

uit dat alles niet veel troost. De schoone toekomst, die hij zich

gedroomd had, lag in duigen. Het ergste was dat hij een betrekking zou

moeten gaan zoeken, want de firma kon hem, vanwege de inkrimping die

haar zaken door dit geval zouden ondergaan, niet weer als verkooper

aannemen. Of men moest Terborg ontslaan; en dàt wilde hij niet. Hij

besloot er maar dadelijk werk van te maken; het haastte wel niet, maar

er was ook niet zoo dadelijk een vacature. De chefs, die hij er in de

nu volgende weken over aansprak, beloofden allen zijn sollicitatie

in het oog te zullen houden; op 't oogenblik had niemand een plaats

voor hem, maar... men kon nooit weten. Doch toen er op een paar dier

kantoren werkelijk vacatures kwamen en deze werden aangevuld, zonder

dat men om hem scheen te denken, kreeg Wije den indruk dat men hem "aan

't lijntje hield" met halve toezeggingen, doch dat feitelijk niemand

hem plaatsen wilde. En toen hij, om daarvan zekerheid te krijgen en

tevens van de redenen die de menschen tot een dusdanige handelwijze

bewogen, nogmaals aanklopte, ontving hij de meest zonderlinge en voor

hem onbegrijpelijke antwoorden. Men had gedacht dat hij die betrekking

niet zou willen hebben, dat die andere te veel buiten zijn eigenlijke

line of business lag; één had hem zelfs voor te ontwikkeld geoordeeld,

om hem te kunnen aannemen als inférieur van een ander employé, die

"niet erg hoog vloog!" Sommigen beweerden dat het hun speet zich

vergist te hebben, een beleefdheid die anderen weer verzuimden,

maar het eind van de historie bleef: geen betrekking.

Men had iets tegen hem, dat bleek hoe langer hoe meer. Maar wat? Na

veel vergeefsche pogingen om er achter te komen, gelukte het Wije

ten slotte een der hoogstgeplaatste employé's eener groote firma aan

het spreken te krijgen. Hij vond zijn vermoeden bewaarheid. Er was

destijds iets met hem gebeurd, vertelde men; het rechte wist natuurlijk

niemand, doch het was niet geheel in orde met hem. En bij gebrek aan

bekende feiten, sprak men eenvoudig over zijn "antecedenten." Dat

woord was door één gebruikt, en het had opgang gemaakt: iemand met

zijn antecedenten wilde niemand hebben. Iedereen sprak er over,

maar niemand was er verantwoordelijk voor. Telkens als Wije er een

aanklampte, verklaarde de zoodanige het natuurlijk beter te weten,

Wije's antecedenten waren van de beste soort, het was onzin, laster

en zoo voort. Elk afzonderlijk was hem bijzonder genegen en beloofde

hem zijn steun, zoowel tot verkrijging van een betrekking als tot

tegenspreken van alle mogelijke kletspraatjes... doch met hun allen

drongen zij hem onverbiddelijk uit hun maatschappij.

Wije worstelde wanhopig tegen, pleitte zich moe om een beschuldiging

van zich af te wentelen, die... eigenlijk niet eens een beschuldiging

was, om ten slotte in te zien dat zijn moeite vergeefsch was. Tot het

uiterste verbitterd gaf hij het eindelijk op, allen die betrekkingen

te vergeven hadden collectief voor een "vervloekten ploertenboel"

uitmakend; iets wat men zich eveneens collectief aantrok, terwijl

elk afzonderlijk het volkomen met hem eens beweerde te zijn.

Eindelijk werd de vendutie van de toko in de nieuwsbladen aangekondigd,

en nog had Wije geen betrekking. Zelfs zijn sollicitaties naar andere

plaatsen op Java, waren zonder vrucht gebleven; het scheen wel dat

zijn antecedenten hem ook daarheen vooruitgeloopen waren!

Op een avond zat hij ongekleed in zijn achtergalerij. Het was een

uitzondering. Hij kleedde zich anders altijd; maar vandaag had hij er

geen trek in gehad; en daarbij kwam dat Anneke uit was, en eerst in

den naävond zou terugkomen. Voor wien zou hij zich dus kleeden? Hij

gaapte eens, ten bewijze dat de rest van het menschdom hem geheel

onverschillig was.

Er kraakte een voetstap in de grind van het voorerf. Wije hoorde het,

door de aan beide zijden der binnengalerij openstaande deuren. Hij trok

de schouders op en strekte zich behagelijk uit in zijn luierstoel,

zoodat de verlengstukken, waarop zijn beenen lagen, zwiepten en een

kreunend geluid gaven; hij dacht er niet aan te ontvangen, maar zou

belet geven. Wel zeker, die weelde kon hij zich nog veroorlooven!

Doch er volgde geen sapada-geroep. Zonder zich één oogenblik te

bedenken, stapte de bezoeker voort, het huis in, door de donkere

galerijen, recht op het licht af dat achter brandde. Wije zag verbaasd

op, vooral in den laatsten tijd aan dergelijke familiariteiten

niet gewoon. Even achter de deur hielden de voetstappen op en Wije

bespeurde in het halfduister de omtrekken van een vrouwengestalte,

die hem wenkte. Met een gevoel van ergernis en nieuwsgierigheid

te gelijk, schoot hij zijn sloffen aan en voldeed aan het zwijgend

verzoek. In de binnengalerij stond hij neus aan neus met mevrouw Duna,

die zich weer geheel in het donker had teruggetrokken, zoodat Wije,

uit het licht komend, geruimen tijd werk had eer hij haar herkende.

"Ik moet u even spreken," zeide zij, "over zaken. Maar niemand behoeft

te weten dat ik hier ben geweest. Kunnen we ergens gaan zitten?"

"Laat ons dan in mijn kantoortje gaan," sloeg hij voor, de deur daarvan

openend. Binnengekomen, sloot hij de jaloezieën en stak de lamp op.

Het was een gezellig kamertje. Ongeveer een meter van den muur af

stond de schrijftafel en daarboven hing de lamp, dus niet in het

midden, wat al dadelijk de stijfheid der gewone Indische inrichting

brak. In een hoek, schuin achter den lessenaar, was een halfronde

rustbank geplaatst, waarachter een kleine draperie, gekroond door

een witmarmeren beeldje op een hoekconsôle. Het verdere meubilair

bestond uit stoelen en knaapjes, zóó gesteld, dat men haast overal,

door de stoelen een weinig te verschikken, een zitje had. Het geheel

lokte als het ware uit tot causeeren.

Mevrouw Duna nam plaats op de rustbank; en met een gebaar dat zij

zacht wou spreken, drong zij Wije een stoel te kiezen, die daar vlak

tegenaan stond.

"Men zegt dat u overal rondloopt om een betrekking," begon zij;

"is dat waar?"

"Hm..." deed Wije verlegen.

"Wat belet u om op die vendutie alles op te koopen en de zaak eenvoudig

voort te zetten?"

Hij schrok ervan. Het was iets waaraan hij in 't geheel nog niet

gedacht had, en het imponeerde hem dit denkbeeld, dat zoo stout maar

tevens zoo zakelijk was, door een vrouw te hooren opwerpen.

"Ik heb niet zooveel geld," zeide hij. "En denkt u dat zij, die

mij niet eens een betrekking willen geven, mij kapitaal zouden

toevertrouwen?"

"Ja, daar heb ik van gehoord," zeide zij, antwoord gevend op het

laatste deel van zijn gezegde. "Die mannen meenen gewoonlijk dat zij

de wijsheid in pacht hebben, doch ze zijn met hun allen één groote

domheid. Wat de een den ander niet kan nadoen deugt niet. Maar soedah,

je sprak over geld... Je begrijpt wel dat ik hier niet ben gekomen

enkel om een praatje te maken?"

Of hij dat begreep! Men had haar slechts aan te zien, om te weten

dat zij steeds met een doel sprak of handelde.

"Ik zou het niet durven veronderstellen," zeide hij, met iets

ondeugends in zijn blik.

"Doe het dan ook niet," zeide zij kort.

"Ik wil in die toko je compagnon zijn. Denk daar eens over na, en

vertel me dan hoeveel geld je zelf kunt bijbrengen en hoeveel je

schat dat er noodig is om alles op te koopen."

Hij noemde een bedrag van tachtigduizend gulden, als zijn schatting

van de opbrengst der vendutie, en meende daarvan zelf ongeveer de

helft te kunnen voldoen. Het scheen haar mee te vallen.

"Er zal nog wel wat meer noodig zijn?" informeerde zij. "Men moet

toch voor de loopende uitgaven wat hebben!"

"Dat is zooveel niet," zeide Wije. "De verkoop is hoofdzakelijk à

contant, terwijl de inkoop op crediet gaat."

"Zou je dat krijgen?"

"Bij onze firma natuurlijk," meende hij, "en die is de

voornaamste. Maar er is iets anders dat ik mij afvraag: het tokogebouw

is van Kan Liong Tjoe, zal hij het willen verhuren?"

"Kom, daar moet je maar voor zorgen. En nu, de tijd is kort; om alles

in orde te brengen mag je geen dag verliezen, dus er moet dadelijk

beslist worden; neem je mij aan als stille vennoot?"

Wije aarzelde. Zooeven had hij gesproken alsof de zaak reeds beklonken

was, maar nu schoot het hem plotseling in, dat het toch een malle

verhouding gaf. Hij wist, evenals iedereen, dat zij buiten haar man

om "scharrelde" en dat deze haar daarin alle vrijheid liet, maar de

zaak die zij thans wilde beginnen, behoorde tot een andere categorie

als die welke zij tot hiertoe gedreven had. Zij sprak van een stille

vennootschap, doch zou men die geheim kunnen houden? Het was heel

moeielijk. Men moest elkaar meer dan gewoonlijk ontmoeten om de

zaken te bespreken, en dat kon niet altijd wachten op een gelegenheid

als die zij heden avond blijkbaar met opzet had gekozen. En zoo het

uitkwam, wat dan? Men zou hem uitlachen; nu, dat was minder, hij zou

zich daaraan niet storen, dat deed hij reeds lang niet meer. Doch ook

Duna, en die wel in de eerste plaats, zou de risée worden van de stad,

ja bij de eigenaardige snelheid der Indische faam, van geheel Java. En

dan sprak het wel vanzelf, dat hij in zijn qualiteit als echtgenoot

den boel in de war zou sturen en afbreken. Neen, 't was te gek om

met de vrouw van een ander zaken te doen; dat mocht over twintig jaar

kunnen gebeuren, als de getrouwde vrouw wederom zal hersteld zijn in

de positie die zij in den lateren Romeinschen keizertijd bekleedde,

nù ging het niet. Toch, aan den anderen kant, was het aanbod voor

hem erg aanlokkelijk.

Hij begon zijn bezwaren op te sommen.

"Bah," zeide zij, na eenigen tijd te hebben geluisterd, "wat geef ik

daarom? Ik wil het stilhouden, omdat het niemand aangaat. Maar anders

kon het mij niet schelen."

"Alles goed en wel," zeide Wije, "maar uw man?"

"Duna doet als de rest; hij werkt voor anderen en weet voor zichzelf

niet meer te verdienen dan zijn levensonderhoud; hij mag dus blij

zijn als zijn vrouw weet op te leggen; en dat is hij ook, want hij

geniet van het voordeel dat ik hem bezorg, zonder ooit te vragen hoe

ik dat doe. Maak je niet ongerust; als ik er je plezier mee kan doen,

zal ik het hem mededeelen, zoodra we een poos aan den gang zijn."

"En als hij het dan afbreekt?"

"Dat zal hij niet, dat durft hij niet! Of voor wat zie je mij aan? Denk

je dat ik in mijn schulp kruip voor een boos gezicht van 'n man? Hoor

eens, als je zakelijke bezwaren hebt, zeg het dan, maar kom niet met

zulk een onzin voor den dag. Ik had dien niet van je verwacht. Juist

omdat ze allen zoo tegen je zijn, dacht ik dat je wel een uitzondering

zou maken op den regel. Neen... ik wil me niet vergist hebben. Hier,

sla toe!"

Zij was onder het spreken opgestaan, de woorden hoe langer hoe

hartstochtelijker uitstootende. Het koele en onvoldane dat haar gelaat

kenmerkte was als weggevaagd, haar oogen openden zich wijder, een

kleur steeg haar naar de wangen, en toen zij de hand uitstrekte en

Wije die onwillekeurig aanvatte, las hij in haar oogen, duidelijker

dan woorden het hadden kunnen uitdrukken dat die vrouw, die nog mooi

kon zijn als zij wilde, behalve haar geld ook nog iets anders wou

inbrengen in de compagnieschap en dat het de vraag was voor welke

gedeelte van haar doel zij zich het sterkst beijverde.

Het plotselinge daarvan verraste hem en overmeesterde hem.

Toen zij wegging was de zaak op alle punten besproken en

beklonken. Wije bleef achter met een gevoel van herlevende energie en

groote dankbaarheid. 't Was toch zonderling, vond hij, dat een vrouw

van dien leeftijd nog zulk een invloed kon uitoefenen. Hij schreef

het toe aan de omstandigheid dat zij een volbloed-Europeesche was. Van

een indische verwachtte men, misschien zeer ten onrechte, veel eerder

toenadering en stelde die daarom minder op prijs. Doch een Europeesche

was opgevoed en zoo vastgeroest in begrippen van uiterlijk fatsoen,

dat dit haar ophield zelfs wanneer iets beters ontbrak. Als die uit

den band sprong was dat iets nieuws, iets zeldzaams; dan zag men over

een jaar of wat gemakkelijk heen.

Aan tafel verbaasde hij den bediende door een paar maal hardop

te lachen in zijn eentje, en na den eten ging hij weer in zijn

luierstoel liggen na-mijmeren, zich vragen stellende, hoe dat idee

toch in haar hoofd was opgekomen, of zij het een wilde om het ander,

dan wel het ander om het een, waarom zij daar vóór dezen nooit iets

van had laten blijken, en zoo voort. Daarna fantaseerde hij over

de toekomst; in de toko zou een kantoortje worden aangebouwd, dat

gesloten kon worden; dáár zou zij komen om over zaken te spreken,

's middags; dáár zou hij als chef troonen en geld verdienen nu ook

voor zich, twee zeer aangename bezigheden.

Het rijtuig reed uit de wagenkamer. Het was tien uur; Anneke moest

worden gehaald. Anneke! Hij kleurde als een schooljongen bij de

gedachte aan zijn dochter. Welk een gezicht zou zij trekken als zij

het vernam! Dat kon toch niet uitblijven; in Indië houdt men dergelijke

zaken niet geheim. Wat zou zij zeggen, met het oog op de lessen die hij

haar placht te geven? Niet dat hij haar al te strenge begrippen had

ingeprent, maar toch, een waarschuwing nu en dan, een afkeuring van

wat met fatsoen en moraal in strijd was, had hij wel laten hooren en

daarbij zichzelf steeds op een tamelijk hoog standpunt geplaatst. En

nu? Foei, wat was het warm, men kon nauwelijks nadenken! Enfin,

misschien werd het wel niet bekend, althans niet zóó dat Anneke het

vernam; men kon daartegen maatregelen nemen, bijvoorbeeld de kabaja

verwisselen, die erg gekreukt was en een geur afgaf die sterk deed

denken aan de parfum... wat drommel, zijn kantoortje kon er ook naar

rieken! Hij sprong op om er de jaloezieën weer open te gooien en ging

toen in zijn slaapkamer, waar hij zich in overmaat van zorg ook de

handen waschte.

De chef schudde het hoofd, toen Wije hem zijn plan meedeelde en vroeg

om crediet voor latere inkoopen.

"Ik zou het je gaarne gunnen," zeide hij, "en misschien ware het ook

wel in ons eigen belang, maar het gaat niet. Het crediet heeft zijn

vaste regels, zijn oude traditie, en daarvan wijkt men niet af. Wij

hebben nooit aan een Europeaan crediet gegeven."

"Maar meneer," betoogde Wije, "we beginnen met een geheelen voorraad

als het ware contant te koopen, waarmee niet veel minder dan een ton

gemoeid is. Welke Chinees doet dat?"

"Dat is waar, en toch... ik twijfel er aan of de Javabank je accepten

zou discompteeren. Maar kan je de zaak niet op naam van een solieden

Chinees drijven?"

"Jawel, maar het is voor mij niet aangenaam. Zoudt u aan Kan Liong

Tjoe, als hij de toko weer opnam, crediet geven?"

"O zeker."

"'t Is sterk!" riep Wije uit.

"Die compagnon van je... is dat geen Chinees?"

"Neen meneer," zeide Wije, lachend zijns ondanks. "Doch als het moet,

zal ik wel een solieden Chinees opduikelen. Er zijn er genoeg,"

spotte hij, "die pas over den kop zijn geweest."

Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman · 第 14 / 20 段