en balen, langs nauwe gangetjes en opende een deur. En Wije stond
eensklaps voor een groot, in Europeeschen trant gebouwd woonhuis. Een
flauwe bocht in het dak, ten bewijze dat de nokbalk niet uit één
stuk bestond en de booze geesten er derhalve geen voor hen geschikt
verblijf konden vinden, wat verguldsel aan de ijzeren kolommetjes der
voorgaanderij en de paneelen van deuren en vensters, doch overigens
een woning van de fraaiste soort, met breede marmer-bevloerde galerijen
en ruime hooge vertrekken.
Op die plek maakte het een zonderlingen indruk, als van iemand in
gala-costuum in een smidswerkplaats of een paard in een huiskamer,
omgeven als het was door dichtbijstaande Chineesche barakken met
opgelapte zij- en achtergevels.
"Hoe komt dàt hier?" zeide Wije onwillekeurig.
"Ik heb het gemaakt," verklaarde Piong Pan Ho, hem voorgaande in
de stijf maar kostbaar gemeubelde binnengalerij. Een der deuren
van de kamers was hoog uit den grond, en daarvóór stond een los
houten trapje. De Singkeh nam het weg en ontblootte dusdoende de
brandkastdeur, die tot den halfonderaardschen kelder toegang gaf.
"Wacht even, meneer," zeide Piong Pan Ho; en afdalend, ontstak hij
een lamp die aan het gewelf hing. Toen riep hij Wije.
Langs den muur stonden kleine, gemakkelijk te hanteeren kistjes,
die voorheen volgens het ingebrande merk, tot verpakking van cognac
hadden gediend, op sommige plaatsen tot drie en vier hoog opgestapeld;
waar berging te kort kwam, waren ze vervangen door aarden kwalies. Een
huivering doorliep Wije's leden toen hij den inhoud zag, zilvergeld
en bankpapier. Hij was niet gewoon geld te zien gestapeld en kon dus
geen taxatie maken, doch zooveel zag hij wel, dat hier een vermogen
was opgeborgen.
"Zonde van 't geld," merkte hij op, een kistje met banknoten
aanwijzende, waar de schimmel een duim dik op lag.
"Soesah," klaagde Piong Pan Ho; "ik kan niet meer in zaken steken. Het
volgend jaar, als de opium weer verpacht wordt, denk ik voor de helft
mee te doen; dan ruim ik iets op. Maar er komt toch altijd meer bij."
Wije verliet spoedig den kelder; de geldstank maakte hem wee.
"Maar zeg eens," vroeg hij, toen ze het geheele huis hadden gezien,
"waar woon je zelf?" Geen der kamers toch droeg sporen van bewoning.
"In de bijgebouwen."
Zoo was het. De Singkeh wilde wel een mooi huis bezitten, doch niet
bewonen. Wije begreep dit niet.
"Heb je geen kinderen?" vroeg hij, om een verklaring daarvoor te
zoeken.
"Nog niet," zeide Piong Pan Ho, met iets treurigs in zijn stem.
Wije had een wonde plek aangeraakt. Piong Pan Ho had niemand aan wien
hij met genoegen zijn rijkdommen kon achterlaten; en dat steekt elk
mensch, van welken landaard hij wezen moge. En wat had hij er al niet
voor gedaan! Eerst had hij zijn vrouw de schuld gegeven en deze hem
eindelijk een voorstel gedaan als oudtijds Sarah aan Abraham; evenals
deze had hij zich tot een Hagar gewend, neen, tot verscheiden; doch
als hij die de woestijn inzond, hadden zij geen van allen een Ismaël,
noch bij zich, noch ook bij Piong Pan Ho achtergelaten.
Hij was geëindigd met het te beschouwen als een vloek, die op
hem rustte en waaraan hij liever niet dacht. In de zwakke hoop van
misschien een goeden raad te zullen krijgen van een Europeaan, die toch
zooveel wist, sprak hij er even over met Wije; maar toen hij bemerkte
dat het te vergeefs was, veranderde hijzelf haastig van onderwerp.
V.
SINTERKLAAS-SURPRISES.
In de sociëteit was feest, den avond vóór Sinterklaasavond. Want, zoo
had men geredeneerd, op dien avond zelf willen de menschen òf thuis
zijn òf een kijkje nemen in de schitterend geëtaleerde toko's. Dat
genoegen mocht de sociëteit niet storen, en aan den anderen kant wilde
zij niet achterblijven om het hare te doen ter eere van den populairen
bisschop en tot amusement van kinderen en menschen. Tot tien uur genoot
de jeugd, eerst van de tombola, daarna van den marmeren dansvloer;
toen hernamen de ouderen van jaren hun tijdelijk opgeschorte rechten,
een regeling waarbij niemand zoo profiteerde als meisjes van Anneke's
leeftijd, die ditmaal klein genoeg voor een servet en groot genoeg
voor een tafellaken, met beide partijen mochten meedoen.
Van af negen uur hadden zich in de voorgaanderij en waar men
verder gelegenheid vond, partijtjes georganiseerd, doch Wije,
die geen geregeld sociëteitsbezoeker was en dus ook tot geen vast
clubje behoorde, had geen partners ontmoet; en ook zij die zonder
vaste afspraak zich heden bijeen hadden gevoegd, hadden hem niet
uitgenoodigd. Trouwens hij had het niet gezocht; het amuseerde hem veel
meer om rond te wandelen, nu dezen dan genen aansprekende. Dat was,
vond hij, een surrogaat voor een discours met iemand van veelzijdige
ontwikkeling, daar toch ieder afzonderlijk wel over één punt iets
dragelijks wist te zeggen.
"Zeg, Wije, zou je mij even willen aflossen?"
Het was Duna, die met twee hooge handelchefs en den president van
den Raad van Justitie speelde. Zijn vrouw had hem door een bediende
dringend laten verzoeken even bij haar te komen, en nu trachtte hij
op deze wijze voor zijn medespelers de stoornis op te heffen.
"Ziehier," zeide hij, de volgorde aanwijzende op de kaarten die Wije
van hem had overgenomen. "Eerst die, dan die, die,... en verder naar
omstandigheden."
Wije knikte en hield zijn blik op de kaarten gevestigd, niet ziende
wat er op de aangezichten van Duna's partners omging. Anders zou hij
hebben bespeurd dat deze aan de tijdelijke persoonsverwisseling hun
goedkeuring niet hechtten. Hij bemerkte het echter toen, na afloop
van den robber, de volgende gever volstrekt geen haast maakte, doch
met zijn hand op de kaarten, eenvoudig een praatje begon.
Het was moeielijk. Opstaan en wegloopen kon hij niet, blijven zitten
had geen reden.
"Mag ik de heeren een sigaar aanbieden?" vroeg hij plotseling,
den eenen handelchef zijn koker voorhoudende, en deze, overbluft,
nam er een, welk voorbeeld de president volgde terwijl de andere
chef bedankte.
"Nu," zeide de eerste, met welbehagen den rook uitblazende, "die mag
je ook wel achter slot houden, want de bedienden van den tegenwoordigen
tijd zijn eerste kenners."
"Ja, 't is krengentuig," voegde zijn collega er aan toe, grimmig,
zoowel van wege den inhoud der opmerking als door het feit dat de
sigaar van Wije zoo meeviel en hij die had afgeslagen. "Ze moesten
de rottan maar weer invoeren."
Maar de president trok het zich aan, dat de ander iets beoordeelde,
dat op zijn gebied thuis hoorde, en zoo ontstond een korte discussie
over de wenschelijkheid van de wederinvoering der rottan-straf.
Nu, dat was een punt waarover Wije in den laatsten tijd veel had
nagedacht. Toch mengde hij zich niet dadelijk in het gesprek. Met
de snelheid hem eigen, had hij een plan ontworpen om zich te wreken
over de beleediging van zooeven en minder voorzichtig dan vroeger in
het voor zich houden van stekelige invallen als men hem prikkelde,
nam hij toen hij in de verte, door de openstaande deur der balzaal
den heer Duna zag aankomen, het woord.
"Bij het bespreken van wat de invoering der rottan-straf in 't
bijzonder, en andere ingrijpende goede maatregelen in 't algemeen,
tegenhoudt, meneeren, moet men tegenwoordig niet meer vragen: welk
beginsel is er tegen, doch wie zijn er uithoofde van hun private
beginselen of begrippen tegen? En dan moet men hier rekening houden
met deze drie partijen: orthodoxen, modernen en juristen. Volgens
mijn opinie zou in dit geval geen der partijen er tegen zijn,
zoo er maar een grondig onderzoek vooraf ging; de orthodoxen niet,
want God zelf heeft de rottan, tot gebruik gereed, laten groeien; de
modernen niet, want de straf is volkomen in harmonie met hun.... met
de humaniteit, aangezien de inlander haar als niet onteerend beschouwt;
de juristen niet, omdat zij, in tegenstelling met gevangenisstraf, het
karakter niet onherroepelijk bederft, alle rancune verdwijnt zoodra
de striemen genezen zijn, en dus zuiver correctioneel werkt. Daar is
meneer Duna. Heeren!"
Met een lichte buiging verwijderde hij zich.
"'n Knappe vent," zeide de president met een fijn lachje. "Maar ik
geloof dat hij ons alle drie 'n beetje voor den mal hield."
"Beunhazerij," bromde de orthodoxe chef.
De moderne chef zeide niets maar keek strak op een reepje papier,
dat lag onder zijn holle hand, naast het spel gewasschen kaarten,
dat straks, na deze gift, door Duna zou worden opgenomen. Met de
sigaar die hij uit Wije's koker genomen had was het meegekomen,
en zoolang deze bij hen zat, had hij er de hand op gehouden. Toen
iedereen zich bezighield met het opnemen der kaarten, schoof hij
het papiertje ongemerkt onder het tweede spel. Wat de woorden die
er op stonden te beteekenen hadden, begreep hij niet, maar bij
intuïtie gevoelde hij dat hij dusdoende Wije een kool stoofde; in
welk gevoel hij versterkt werd, toen eenige oogenblikken later Duna,
met een onderdrukten uitroep en een kleur, het noodlottige reepje
in zijn zak stak en in den daarop volgenden robber een fout beging,
die hem het gemakkelijk te winnen spel deed verliezen.
Het dansen werd hoe langer hoe geanimeerder, en Anneke, voor wie het
een nieuwtje was eens in een "heuschelijke" balzaal rond te zweven,
gevierd en om strijd genood door "werkelijke" heeren, genoot met
volle teugen.
"Neen, nu is meneer van Beek aan de beurt," riep zij uit, drie vier
anderen lachend terugwijzende, en den arm nemend van den genoemde.
In een der deuren stond een groepje jongelui, van het soort dat niet
danst, omdat hun opvoeding de beoefening dier kunst niet had omvat,
en nu met minachting sprak over het "koelie-werk," er tevens met
hongerige oogen naar kijkend.
"Zou je niet....!"
"Wat is er?"
"Die gekke van Beek springt ook al mee."
"Waarachtig! En lekker ook!"
"Dat zal waar zijn! Wie is dat?"
"Ken je haar niet? 'n Dochter van Wije. Van 't goeie soort."
"Hoe zoo?"
"Kijk haar maar aan..." En de spreker vervolgde zijn zin, Anneke
de gevoelens toedichtend, die alleen in staat zouden zijn geweest
zijn oogen zoo te doen glinsteren en op zijn wangen die kleur te
voorschijn te roepen. Want daar hij niet langer rein genot begreep,
kon hij het zich ook niet bij anderen voorstellen.
"Pas op!" zeide zijn vriend. "Achter je!"
De waarschuwing kwam te laat. Het jongemensch wendde zijn hoofd om,
zag twee oogen op zich gevestigd in uitdrukking niet ongelijk aan de
zooeven door hem gecritiseerde en ontving een slag met de vlakke hand
in zijn gezicht.
Er volgde een oogenblik van opschudding, waarin het eene deel der
toegeschoten heeren veel moeite had Wije tegen te houden om den
beleediger van zijn dochter verder te kastijden, doch hem betrekkelijk
snel tot bedaren bracht, terwijl het andere deel weinig moeite had om
het jongemensch tegen te houden, die beweerde Wije zijn klap te willen
teruggeven, maar lang tobde eer men hem het zwijgen kon opleggen en
meetroonen naar het buffet.
"Ik zal hem uitdagen."
"Ja, daar kan je niet buiten."
"Maar waarom vlogen jelui er tusschen, eer ik hem zijn klap kon
teruggeven?"
"Dat gebeurt altijd, je kunt toch midden op een bal geen kloppartij
houden!"
"'t Was buiten de zaal."
"Maar in de sociëteit."
"Dat is waar... in de sociëteit... Weetje wat? Ik daag hem niet uit."
"Hm!"
"Neen. Om de kans te loopen 'n kogel in mijn body te
krijgen..... dankje, dat is geen satisfactie. Ik klaag hem aan bij
de directie; dan wordt hij geschrapt, volgens het reglement."
Het was duidelijk dat dit besluit de meesten niet beviel; doch slechts
één gaf het op ondubbelzinnige wijze te kennen, door op zijn hakken
om te draaien en zich te verwijderen in de richting van de balzaal.
"Doe wat je wil," zeide een ander, daarmee zich opwerpend als tolk
van de overigen. Wel ja, hij moest het zelf weten, men zou oordeelen
naar den uitslag. Gelukte het hem Wije uit de gezelschapskringen,
waarvan de sociëteit het middenpunt vormde, te doen uitstooten,
dan kon men zich bij hem blijven houden; leed hij échec, en werd
hij daardoor genoopt zich zelf terug te trekken, dan bleef Wije
"getapt." Dat was de veiligste weg.
Wije had zich een poos in de leeszaal opgehouden, om zijn zenuwen
tijd van bedaren te laten, en daarop, als ware er niets voorgevallen,
zich weer onder de menschen begeven. Het incident was intusschen bij
iedereen bekend geworden, behalve bij de jonge dames die alleen voor
den dans oogen en ooren open hadden; dat de anderen het wisten, bleek
uit de verhoogde vriendelijkheid waarmee men "le vainqueur" behandelde.
Den volgenden dag bleef hij in afwachting of soms de ander nog
iets van zich zou laten hooren, doch toen de avond gevallen was,
begreep hij daarvoor geen oogenblik langer bezorgd te moeten zijn,
en hij gaf zich over aan het genoegen der Sinterklaas verrassingen,
die hij en Anneke elkaar bereid hadden.
Zij zaten in de achtergalerij; want de pakjes moesten natuurlijk aan
de voorgalerij worden bezorgd! Met mysterieuse gezichten liepen de
bedienden, de vertrouwden van beide partijen, telkens om het huis heen,
"Sapada" roepend met veranderd stemgeluid en zelf antwoord gevend,
om daarna op een drafje aan te komen bij meneer en de juffrouw,
met de oprechte verzekering, dat "dit" juist was afgegeven door een
koelie of een jongen dien zij niet kenden, grinnikend toen kokki,
die ook eens wou meedoen, een pakje heette te hebben aangenomen, dat
bij nader onderzoek voor haarzelf bestemd bleek. Want de Wije's waren
gewoon op dien avond ook hun bedienden te bedenken, wat zeker niet door
den grijzen bisschop zou zijn afgekeurd, als hij het had kunnen zien.
Reeds herhaaldelijk had Anneke haar vader bedankt en deze zijn dochter,
onder geveinsd terugwijzen van den dank door beiden, en ook was er
een paar maal iets gekomen voor Anneke, dat met zekerheid kon worden
gezegd van deze of gene vriendin afkomstig te zijn, toen er een pakket
arriveerde welks inhoud werkelijk te raden gaf. Het was een gouden
armband, niet zwaar, zooals voor een meisje van Anneke's leeftijd
paste. Een viertal dunne hoepeltjes, hier en daar met een bandje in
gespvorm bijeengehouden.
"Hé, van wie komt dat?" was de vraag, die voor de hand lag.
Maar hoe zij de verpakking ook bekeken, niets was er dat hun eenig
licht gaf.
"'t Zal wel uitkomen," meende Wije. "Maar eer we het weten, kan je
hem niet dragen."
"Waarom niet, Pa?"
"Het cadeau is te kostbaar om bloot als een attentie te kunnen
gelden...."
"Ik weet het!" riep Anneke uit. "Hij heeft het me gisteravond
gezegd.... niet met ronde woorden, maar ik heb het toch begrepen... het
is van van Beek."
"Zoo," zeide Wije, "dat is meer dan ik achter hem gezocht zou
hebben. Nu,...."
"Dari kampong tjina," annonceerde de huisjongen, de galerij inkomende
met een nieuw pakket.
"Dat blijkt," zeide Wije, het aannemende. "Er zit geen stuk Europeesch
papier omheen." En hij begon het te ontpakken.
Het duurde lang, daar hij de gewoonte had de knoopen der touwtjes met
de vingers los te peuteren, en nog was hij bezig, toen de bediende
verscheen met een pakje, waarvan Anneke zich meester maakte.
"Een man van het stoomboot-kantoor bracht het," zeide de jongen,
"ik ken hem."
Anneke nam een schaartje en knipte de touwtjes door. Een étui kwam
te voorschijn, dat ze opende...
"Kees!" riep zij onwillekeurig.
"Wat is het?" vroeg haar vader, zonder op te zien. Hij was juist aan
den laatsten knoop. "Heb je 't al?"
Maar hij kreeg geen antwoord. Anneke had uit het étui een armband
genomen, niet van goud ditmaal, maar van geëmailleerd zilver,
bestaande uit vijf platte schakels. Eén er van vormde de sluiting,
en daarop stonden tevens haar initialen. Op elk der anderen was een
woord gegraveerd: God zij met ons, las zij zacht, en door plotselinge
aandoening overmeesterd, boog zij het hoofd, terwijl twee groote
tranen in haar ooghoeken parelden en toen neervielen, bol inkrimpend
op de gladde oppervlakte van het zilver, in een punt het licht van
de lamp weerkaatsend.
Wije schoot in een luiden lach. Het laatste papier verwijderend,
hield hij een doosje in de hand, waarop met ruwe letters Piong Pan
Ho zijn naam had geschreven.
"Kijk, Anneke, een cadeau van onzen Singkeh," zeide hij, "die zich
wil schikken naar Europeesche adat, doch tegelijk begrijpt dat een
practisch man ook als gever zijn naam niet verbergt. Misschien wist
hij niet.... Wat heb je?"
"Niets, pa," zeide Anneke, trachtend zich te herstellen.
"Van wie is dat?" vroeg hij, het geschenk van Kees opnemend.
"Ik weet het niet... ik geloof... Wat zit dáár in?"
"Neen, zóó kom je er niet af," zeide Wije. "Wacht, ik zal je
toonen dat je voor mij geen geheimen kunt hebben.--Waar drommel
zit dat ding?" vervolgde hij, zoekend in zijn sigarenkoker. "Dat is
sterk! Gister heb ik het nog gezien."
"Wat toch pa?"
"Ik begrijp er niets van," zeide Wije, met de hulpeloosheid van iemand,
die een vooruit berekend effect ziet falen. "Soedah, het is van den
jongen Duna."
Anneke stond op van haar stoel en zette zich sans gêne op haars
vaders knie. En hem onder de kin streelende zag zij hem, hoewel sterk
kleurend, onbevreesd in de oogen.
"Als het nu eens van Kees was," zeide zij, "zou dat zoo'n wonder
zijn? We zijn immers altijd zulke goede vrienden geweest, dat.... Met
zoo gek kijken, pa! Zal je 't laten? Daar dan... 't is uw eigen
schuld... Ik hou heel veel van Kees." Bij het uitspreken der laatste
woorden had zij in de lucht gekeken; nu verliet zij haar tijdelijke
zitplaats en meteen het doosje meenemende, dat Wije naast zich gezet
had, besliste zij: "En daarom mag ik het ook hebben."
Zij zette zich, eenigen tijd zwijgend voor zich starende, terwijl ook
Wije zijn mond hield. Hij vond het heel moeielijk nu iets verstandigs
te zeggen; hij moest er eerst eens over pikiren. Om een afleiding
te vinden, die hij nu wenschte, nam hij het nog altijd ongeopende
doosje van Piong Pan Ho. Een kreet van verbazing ontsnapte hem,
en lokte Anneke weer naast zijn stoel.
"Gut pa, hoe mooi!" riep zij uit, haar blik vestigende op het geschenk
van den Singkeh. "Hij heeft woord gehouden. Weet u nog wel dien avond,
toen hij zei, dat hij het bloedkoralen snoertje zou omzetten in goud
en edelsteenen?"
"Ja," zeide Wije; "maar hij heeft overdreven. Je zult dien armband,
althans voorloopig, niet kunnen dragen. Een briljant als daar in
gezet is, bezit misschien niemand hier."
"Och".... begon Anneke, die meende dat juist dit de groote aardigheid
er van was; maar zich bedwingend vervolgde zij: "Wat zonderling dat
iedereen hetzelfde geeft!"
"Ja, dat kan zoo treffen," zeide haar vader. "Vooral bij
huwelijkscadeaux is het dikwijls het geval dat men met één artikel
overstelpt wordt, bijvoorbeeld met ijskannen. Het grappigst van
dien aard, dat ik ooit heb gezien, gebeurde toen ik pas hier op de
plaats was. Ik woonde toen samen met iemand, die eenige jaren ouder
was dan ik, en zich in gezelschappen heel aardig had gelanceerd. Op
zijn verjaardag kreeg hij acht cadeautjes, van acht jonge dames,
die allen gemeend hadden de vele attenties zijnerzijds niet beter te
kunnen beantwoorden, dan door een handwerkje voor hem te maken. Ik zie
ze nog arriveeren! Het eerste was een sluimer-rol. "Kijk," zei mijn
contubernaal, "dat is gezellig. Zoo'n ding geeft aan je inrichting
een prettig cachet." En hij gaf het een plaats. Het tweede was..."
"Weer een sluimer-rol?"
"Juist. En zoo ging het voort. Ik zie geen kans je te beschrijven
welk een humeur mijn vriend bezielde, toen het zesde, het zevende..."
"Ajàkkes, pa!"
".... en eindelijk het achtste pakket geopend was! Acht
sluimerrollen! Ik had moeite de onschuldige dingen tegen zijn woede
te beveiligen."
"Die arme dames!" zeide Anneke. "Men zou bang worden ooit meer iets
voor een heer te maken.--Het wordt zoo zachtjes aan laat... en ik
heb slaap. Zal ik uw boeltje te gelijk wegbergen?"
"Dat is goed," vond Wije. Doch hij geloofde niet veel aan dien
voorgewenden slaap. Zij ging natuurlijk in haar kamer zitten turen
op dat ding van dien Duna; jawel, dat was te begrijpen. Enfin,
men was nog zoover niet, en hij wilde er zich nu het hoofd niet mee
breken. Het beste was maar Anneke's voorbeeld te volgen; alleen te
zitten was toch erg ongezellig.
Een paar weken later ontving Wije een schrijven van de directie der
sociëteit, erg officieel, tot zelfs in de manier van dichtvouwen,
waarin hij een berisping las over zijn gedrag bij gelegenheid van
het jongste feest. En waarlijk, men had kans gezien het stuk zóó op
te stellen, dat er voor Wije's gevoel niets kwetsends in stond. Er
was een briefje bij van den secretaris, dienende om dit vooral nader
toe te lichten.
"... Er werd veel gekakeld," schreef deze, "en het duurde een heele
poos eer ze het eens waren. Eindelijk zou niemand voor zoover hemzelf
betrof, een andere handelwijze hebben voorgestaan dan nu gevolgd is,
zoo er niet van buitenaf invloeden aan 't werk waren geweest. Het
komt mij voor dat je een paar fameuse stille vijanden hebt...."
Lachend om deze uitdrukking, verscheurde Wije de beide geschriften
en begaf zich aan zijn arbeid.
VI.
OOK EEN COMPAGNON.
Het was een drukke tijd. Om een zuivere balans te kunnen opmaken wilde
men den geheelen inventaris van de toko opgenomen hebben, iets wat in
de meeste zaken slechts met een taxatie wordt afgedaan. Het lastige
hierbij was dat de verkoop ondertusschen niet stilstond en er in de
aanwezige hoeveelheden dagelijks dus verandering kwam, die zorgvuldig
moest worden bijgehouden. Met de ijverige hulp zijner bedienden kwam
Wije er doorheen, en een week na Nieuwjaar verraste hij zijn chef
met de netjes geschreven lijsten.
"Mooi zoo," zeide deze. "Nu kunnen ze hier aan den slag komen. Als
je 's morgens een half uurtje kunt komen helpen met inlichtingen
en zoo, zullen ze die balans spoedig genoeg klaar hebben.--Apropos,
Kan Liong Tjoe is hier geweest; het is al eenigen tijd geleden, maar
met die drukte is 't mij door het hoofd gegaan; hij wou, geloof ik,
zijn zoon in de toko hebben. Kan je dien plaatsen?"
"Hij is met hetzelfde verzoek bij mij geweest," antwoordde Wije,
"en ik... heb het met de drukte óók vergeten."
"O zoo," zeide de chef, na Wije een poos te hebben aangekeken. "Is
je bedoeling het blijvend te vergeten?"
"Ja meneer. Ik had informaties..."
"Al goed; 't is mij onverschillig."
Zonderling, dacht Wije bij het heengaan, als de zaken maar marcheeren
wordt de lastigste chef tam!
Een week of wat later kreeg hij de boodschap om 's morgens van den
volgenden dag op het kantoor te komen en te blijven bij het afsluiten
der balans. Wije had daarvan slechts een vaag begrip. Zoolang hij bij
de firma was geweest, herinnerde hij zich, dat telken jare de chefs,
de procuratiehouder en de hoofdboekhouder zich een geheelen morgen
opsloten in de chefskamer. Zij trokken er met gelegenheidsgezichten in
en kwamen er met fideele gezichten uit, mompelend "'n mooi jaar!" En
de employé's, die fijne opmerkers, wisten een uur daarna elkaar
precies te vertellen of het een heel mooi, dan wel een matig mooi
jaar was geweest. In het laatste geval toch werden zij uitgenoodigd,
om met de chefs op het welzijn der firma een glas bier te drinken;
in het eerste geschiedde hetzelfde, doch met champagne, en zoo er
voor de tweede maal werd ingeschonken... ja, dàn bleef ook een maand
extra-tractement niet uit!
En nu moest Wije tegenwoordig zijn bij zulk een geheimzinnige
handeling in de chefskamer, want het betrof de balans van de door
hem bestuurde toko. Wije betrapte zich, bij het binnenkomen, op het
deftig plooien van zijn trekken; dat was aanstekelijk! Maar wat er
binnen gebeurde viel hem tegen; daar zat nu niets maçonnieks in; het
was eenvoudig beraadslagen over de sluitposten: hoeveel men mocht en
kon afschrijven, zonder het winstcijfer te sterk te drukken. En hier
viel niet veel te redeneeren; er was flink verdiend en er behoefde
geen schijn te worden opgehouden; men kon zoo royaal te werk gaan
als men verkoos. Het duurde dan ook niet lang of de boekhouder zat
van zijn kladstaten de posten over te schrijven in de boeken.
"'t Is verbazend goed gegaan," merkte de chef op, zich met Wije bij
een venster opstellend, en fluisterend om den boekhouder niet te
storen. "Jij komt er ook best af; en dat doet me het meeste pleizier."
"U is wel vriendelijk, meneer."
"Ja, want toen we je in de toko plaatsten, had ik er een zwaar hoofd
in. Maar zooals het nu gaat, zit er een fortuintje voor je in. Eén
ding is jammer, dat de zaak weer aan Kan Liong Tjoe teruggaat zoodra
wij voldaan zijn; anders kon je er best voor teekenen."
"Zou Kan Liong Tjoe er niet uit te houden zijn? Ik bedoel, dat hij
alleen de winst thuis krijgt?"
"Ik twijfel er aan. Maar ik zal er Duna eens over hooren; het zou
voor ons ook veel voordeeliger en solieder zijn."