streken meer uithaalde, was hij als onderwerp van gesprek in de
Semarangsche wereld vrijwel losgelaten; en omdat hij nergens kwam,
gaf zelfs een onvoorzichtig woord, een vergissing, de menschen geen
aanleiding om zich over hem druk te maken. Dit zou echter plotseling
veranderen.
Men had gehoord van zijn bezoeken bij de Wije's! Daar stak wat
achter. Het was dan Wije gelukt den jongen man, die alle uitnoodigingen
afsloeg, in die mate dat men ze ter slotte niet meer deed, in zijn
huis te lokken. De bedoeling die hij daarmee had, was volstrekt niet
raadselachtig. Van Beek was de zoon van een schatrijken vader; dat
wist men; en gelukkig dat het tooverwoord "millionnair" nog niet was
uitgesproken, want dan zou de algemeene verontwaardiging nog grooter
zijn geweest. En Wije's Anneke was vijftien jaar. Neen, daar viel niet
aan te twijfelen, het was een speculatie, een schandelijk intrigue,
in strijd met alle goeden zeden.
Dus besloot men, zonder eenige afspraak, maar toch met onderling
goedvinden, er een eind aan te maken. Drie families met huwbare
dochters zetten allen een vast avondje in, waarop de kennissen eens
voor altijd werden uitgenoodigd. Ook van Beek, hoewel niet tot de
intimes behoorende, ontving drie nagenoeg gelijkluidende briefjes van
dezelfde strekking. In den aanvang had men werkelijk eenig succes, want
van Beek, ofschoon zijn karaktervorming zeer veel te wenschen overliet,
kende zijn manieren misschien beter dan de meesten uit zijn omgeving
en wist dus precies wat hij doen moest om aan de beleefdheid niet te
kort te doen, maar ook--en dat viel de menschen uit den gis--wat hij
laten kon; en vooral dit was zijn fort. Hij eindigde met zóó zelden
te verschijnen dat men wanhopig werd.
In dien toestand beging men een onvoorzichtigheid. Men redeneerde
aldus: kunnen we van Beek niet tot ons trekken, dan moeten we Anneke
van hem vervreemden. Dientengevolge werd Anneke nu geïnviteerd, nadat
men haar vader had doen inzien dat hij haar jeugd niet mocht ten offer
brengen aan een officieelen sleur; hij mocht het zoo nauw niet nemen
en moest maar over 't hoofd zien dat er nog een paar maanden aan den
vollen rouwtijd ontbraken; het was in 't belang van dat arme kind.
Van stonde aan dat Anneke haar verschijning maakte op de gezellige
avondjes, scheen ook in van Beek een trek naar die vermakelijkheden
te ontwaken. En, hetzij uit een soort van traagheid die gaandeweg
overwonnen moest worden, hetzij uit kiesche berekening, hij wist
het zoo aan te leggen, dat men eerst na verloop van eenigen tijd
opmerkte dat hij de avondjes druk bezocht en steeds kwam als Anneke
er ook was. Ook in de wijze waarop hij zich met haar onderhield was
een climax waar te nemen, doch die viel enkel toe te schrijven aan
van Beek's bleuheid; hij kon met Anneke gezellig genoeg babbelen
als zij alleen waren, doch zoo in tegenwoordigheid van een heel
gezelschap... dat moest zijn tijd hebben.
Toen men zich eindelijk van het feit rekenschap begon te geven,
kwam er aan de ergernis geen eind. Bij een der families werd aan een
dochtertje van tien jaar opgedragen, Anneke en van Beek te beluisteren,
wanneer zij, zooals ze soms deden, met hun beidjes alleen stonden bij
een knaapje met prachtwerken of naast de piano. Het kind berichtte
dat zij er niets van kon verstaan, omdat die twee Fransch praatten!
Onder al die bedrijven geraakte mevrouw Duna ten einde raad. In haar
haat tegen Anneke had zij zich verzet tegen het onschuldige plan van
Kees. Zoo zij dit niet gedaan had, dan zou Wije van Beek niet hebben
aangehaald en deze nooit den moed gevonden hebben, Anneke het hof te
maken, terwijl Kees in die twee jaar wel van gedachten veranderd zou
zijn. Anneke had een mooi gezichtje--behoudens een menigte aanmerkingen
die mevrouw Duna op het mooie daarvan had--doch wat in de kleine
Semarangsche maatschappij uitstak, deed dit nog niet te Batavia,
waar zooveel meer keus was. En... maar al die overwegingen waren
nutteloos. Het stond er nu eenmaal toe. Anneke had van Beek in haar
netten verstrikt en zou een nog betere partij doen dan die, welke
zij had getracht in den beginne tegen te gaan. Want hoewel van Beek
qua persoon niet in de schaduw kon staan van Kees, zijn financieele
positie, waar het toch bij een huwelijk op aan kwam voor een meisje,
was veel sterker. Het was om te stikken van ergernis! Lang dacht zij
na over een middel om tusschenbeiden te komen, en eindelijk--het
was gewaagd, maar er schoot niets anders over--besloot zij Kees
er voor te spannen, als hij in de vacantie thuis kwam. Als zij hem
eenige vrijheid liet, zou hij geen aansporing noodig hebben om dien
verwenschten medevrijer van de baan te dringen; voor ernstige stappen
was de tijd te kort; daarna kon men verder zien.
Doch mevrouw Duna had geen geluk met haar intriges.
"Vrouwtje," zeide haar man, op zekeren avond in de achtergalerij
komende, met een brief in de hand; "slecht nieuws uit Batavia. Kees
schrijft dat hij niet overkomt."
"Zoo, waarom niet?"
"Hij is ziek geweest en nog niet heelemaal beter," ging de heer Duna
voort. "De dokter heeft gezegd dat hij naar Soekaboemie moet. Eigenlijk
schrijft hij niet zelf, maar de mevrouw waar hij woont..."
"Geef dan toch hier!" viel zij in de rede, hem den brief
ontrukkend. "Denk je dat ik zoo'n zenuwachtig schepsel ben, dat je
met zooveel omwegen aankomt?"
"Nu, ik schrok er toch van."
"Ja jij...!"
Duna trok de schouders op; maar niet gewoon zijn tijd te verbeuzelen,
liet hij zijn vrouw aan de lectuur van het vrij lange epistel en ging
terug naar zijn kantoor.
"Heb je even tijd?" vroeg mevrouw, een kwartier later bij hem komende.
"Jawel."
"Kees kon op geen voor hem ongelegener tijd ziek geworden zijn."
"Neen, 't is niet plezierig, na een jaar hard gewerkt te hebben,
niet eens thuis te kunnen komen."
"Dat is het ergste niet."
"Hoe bedoel je?"
"Herinner je je dan niet wat hij wilde eer hij wegging, ten opzichte
van dat meisje Wije?"
"Die loopt niet weg," zeide Duna verwonderd over de belangstelling
van zijn vrouw in die zaak.
"Dat doet ze wel. Je weet toch wat ik je verteld heb over dien gekken
van Beek!"
"Praatjes."
"Je verbaast me, zoo weinig als de wenschen van Kees je ter harte
gaan."
"Ik dacht juist dat jij..."
"Men kan van idee veranderen."
"Dat moet dan wel sedert zooeven geschied zijn."
"Dat is het ook. Ik dacht, toen ik dien brief las: als Kees eens niet
beter geworden was... dan zou hij zijn moeder..." Hier overmeesterde
haar de aandoening.
En Duna, zijn kantoorstoel met een ruk omdraaiend, trok haar op
zijn knie.
Er heerschte een oogenblik van stilte, gedurende hetwelk zij den
zakdoek vast tegen haar lachende oogen aangedrukt hield.
"Zou er niets aan te doen zijn?" opperde zij ten laatste. "Als je er
eens met van Beek zijn chef over sprak?"
"Dat gaat niet," zeide hij peinzend.
"Of met Wije zelf? Je praat maar over Kees, en doet alsof je van dien
ander niet afweet."
"Ben je mal, vrouw?"
"Neen, nog niet. Enfin," vervolgde zij, opstaande, "dan weet ik wat
mij te doen staat."
"Geen dwaasheden hoor!" riep hij haar achterna, maar zij antwoordde
niet.
Den volgenden morgen vond Duna, toen hij in zijn rijtuig zat,
tusschen de brieven die hij 's avonds thuis had geschreven, er een
van zijn vrouw aan Kees geadresseerd. Dit was geheel naar gewoonte;
de brieven gingen steeds via het kantoor naar de post; dan werden zij
gefrankeerd op kosten van de crediet-instelling. Doch Duna herinnerde
zich het gesprek van gisteravond en draaide den brief eenigen tijd
besluiteloos om en om. Hem openbreken wilde hij niet, en om er zelf
een brief bij te schrijven, daartoe ontbrak hem de tijd. Eensklaps
kreeg hij een inval. Toen hij zijn kantoor bereikt had, ging hij vlug
naar zijn schrijftafel, doopte een pen in den inktpot en schreef
achter op het envelop: "Van alles over A.W. is geen woord waar,"
en teekende dit met zijn initialen.
Mevrouw Duna liet het rijtuig, dat stapvoets uit de benedenstad was
teruggekomen, wachten, en zoodra zij gereed was met de beschikkingen
voor haar huishouden, begaf zij zich naar de woning van Wije's
chef. Zij had een boodschap verzonnen, die zij uitspon tot een
morgenvisite; en zonder dat de vrouw van den chef er erg in had,
wist zij naar het adres te informeeren van den ouden heer van Beek in
Holland. Zoodra zij dit had en er genoeg overheen gepraat, vertrok zij.
Eenige dagen later liep Anneke, op een morgen, met roodgeweende oogen
door het huis. Haar vader was nauwelijks vertrokken, toen de post
bezorgd werd. Er was slechts één brief, aan Anneke geadresseerd
en uit Batavia. Maar het handschrift op den omslag was niet van
Kees. Zij brak hem open. "Lieve Anneke," luidde de aanhef, weer
in dat vreemde schrift. Toen keek zij naar de onderteekening, die
onleesbaar was, maar met een sierlijken krul verbonden aan de woorden:
"p.p. je liefhebbende Kees." Zij moest erom lachen; p.p., dat wist
ze, beteekende "per procuratie"; maar wie liet nu minnebrieven bij
volmacht schrijven? Het maakte haar een beetje boos, doch toen zij
den inhoud eindelijk had gelezen, kwamen de waterlanders voor den
dag. Kees was ziek, zóó erg dat hij niet schrijven kon. En hij zou
er haar onwetend van hebben gelaten, om haar niet onnoodig angstig
te maken, als hij zelf niet veel ongeruster was geworden dan zij bij
mogelijkheid ooit kon zijn, door een regel dien zijn vader achter
op een brief van zijn moeder had geschreven. Het uitgeknipte stukje
envelop lag in de vouwen van den brief. Wat beteekende dat toch? In
den brief van zijn moeder stond geen woord over haar! Was er dan iets
gebeurd? Iets tusschen zijn moeder en haar, zóó gewichtig dat zijn
vader, die nooit een particulieren brief schreef, er de moeite van
een heelen regel voor over had gehad? Zij moest hem gauw schrijven,
want hij gevoelde dat hij niet eer beter zou worden, dan nadat hij
omtrent haar gerustgesteld was. O, wat speet het hem dat hij nu niet
thuis kon komen!
Dit laatste en het feit dat Kees ziek lag, vervulde voor 't oogenblik
alleen Anneke's gedachten, en was de oorzaak van haar droefheid. De
baboe informeerde belangstellend wat de nonna scheelde, maar werd
afgesnauwd. Dit gaf aan Anneke's gemoedsstemming een andere richting;
zij kon de bedienden natuurlijk niet vertellen wat haar hinderde,
doch dat haar iets in den weg zat, had zij behoefte te uiten, hoe dan
ook. De lieden begrepen er niets van. Hun kamertjes werden nagezien
en vuil bevonden; alles moest worden uitgedragen en gereinigd. Het erf
zat vol onkruid en er lagen klappers te rotten op den grond; dacht de
kebon dat hij voor zijn gemak op de wereld was? In den stal werden
de planken opgelicht en daaronder lag allerlei ongerechtigheid; ook
de koetsier kreeg wat hem toekwam. En allen vlogen her en derwaarts
in ongewone bedrijvigheid, bezield door de vrees die een inlander
koestert voor een Indisch humeur.
In de achtergalerij zat de naaister, die alleen buiten schot gebleven
was, een liedje te neuriën waarvan het referein luidde: "Nonna
Semarang banjak tinkah-nja" [5] en toen de baboe tegen twaalf uur bij
haar kwam zitten, maakte zij de philosophische opmerking, dat Anneke
onvoorzichtig deed met die tinkah's te toonen eer zij een man had.
Maar om dien tijd was het onweer, dat ook hier de gewone zuiverende
uitwerking had gehad, reeds bedaard en Anneke herlas haar brief,
zich afvragend, wat meneer Duna wel kon gedacht hebben dat zijn
vrouw aan Kees zou schrijven over haar. Zij kwam er niet achter; want
natuurlijk had zij als belanghebbende niets van de in omloop zijnde
praatjes vernomen; van het lasteren zou het plezier glad af zijn,
zoo de getroffene er mee in kennis gesteld werd en zich dadelijk kon
verdedigen. Het liet haar betrekkelijk koud, daar zij niet genoeg in de
hij-zei-en-toen-zei-hij conversatie verkeerd had, om zich op te winden
over iets dat van haar gezegd was. Maar Kees moest antwoord hebben;
en zij offerde haar middagrust op om hem een langen brief te schrijven,
die weldra als medicijn van de aangenaamste soort zou werken.
Toen zij daarmee gereed was, nam zij haar schrijfboeltje op om het
weg te sluiten, er niet op lettende dat een reepje papier er tusschen
uitgleed en dwarrelend zijn weg vond naar den grond, waar het een half
uur later door Wije gevonden werd en opgeraapt. Het was het reepje
dat Kees uitgeknipt had. Wije herkende onmiddellijk de paraaf van den
heer Duna, die hij zoo vaak op wissels en quitanties had gezien, en
den regel lezende trok hij onmiddellijk een slotsom, die de waarheid
zeer nabij kwam. Zijn eerste opwelling was Anneke ter verantwoording te
roepen, doch hij bedacht zich en ging naar zijn kamer. Onder het heen-
en weerloopen overwoog hij het geval. Hij herinnerde zich een toast,
geslagen bij een bruiloftsmaal, waarin de spreker had betoogd dat
de vader der bruid wel een groot vertrouwen schenken moest aan den
jongeling dien hij zijn dochter gegeven had; dat hij, de spreker,
zich verbeeldde een neiging te zullen gevoelen om den onbeschaamde,
die hem met een verzoek van die strekking naderde, de deur uit te
werpen... Wije had toen zijn buurvrouw ingefluisterd, dat iemand
die zóó sprak, blijkbaar geen huwbare of meer dan huwbare dochters
bezat, doch nu vond hij dat die man toch gelijk had en gevoelde een
groote kwaadaardigheid in zich opkomen tegen hem, die zijn lieveling
wilde wegrooven. Het kwam niet te pas, dat een meisje, nog eer zij
haar ouders iets had kunnen vergoeden van al de haar bewezen liefde,
maar zoo dadelijk haar hart en hand cadeau deed aan den eersten den
besten. Dat was slecht en ondankbaar. Zij behoorde voor 't minst te
wachten tot... tot... natuurlijk niet tot ze een oude vrijster was;
er viel nog een middenweg te betrachten; zij behoefde in geen geval
zóó van broek-en-baatje in de bruidsjapon te springen!
Maar wat was er aan te doen? Niets! Verliefdheid groeit altijd
tegen de verdrukking in; verbied een meisje te kijken naar een
kwast, een leeglooper, die haar het hof maakt, en tien tegen een
dat ze hem neemt, terwijl ze zonder dat verbod hem verachtelijk zou
hebben afgewezen. Hoeveel te meer zoo het een man geldt, die iets
beteekent... hm, die redeneering gaat niet altijd op, maar zeker is,
dat tegenwerken altijd verkeerd uitkomt. Dus niets doen, besloot Wije,
en bergde het verraderlijke papier in zijn sigarenkoker.
IV.
MEN POUSSEERT ZICH.
Toen hij uit zijn kamer kwam was hij het geheele papiertje en wat
daaraan verbonden was, weer geheel vergeten. Eenige maanden geleden
zou hem dit, bij zijn voor indrukken zoo ontvankelijken geest, niet
gebeurd zijn, doch sedert een week of wat beheerschte en verdrong
één gedachte alle andere in hem. Na de tusschenkomst van Piong
Pan Ho in de verwikkelingen met de klontongs, hadden de zaken in
de toko een geheel anderen loop genomen als te voren. Er viel geen
zweem van tegenwerking meer te bespeuren; iedereen deed zijn plicht
met een ijver, die zelfs Wije, die toch zelf wist wat werken was,
ten zeerste trof. Hij had tot nu toe steeds in den waan verkeerd
dat er uitsluitend door Europeanen hard gewerkt werd, natuurlijk met
uitzonderingen, doch in den regel was de particulier--van ambtenaren
had hij geen ondervinding en dus geen recht van spreken--met zijn
hart bij hetgeen hij te doen had. De inlander daarentegen liet zich
steeds dwingen tot arbeid, altijd berekenende met hoe weinig hij kon
volstaan en zonder toezicht niets uitvoerende. Ook al werkte hij voor
zichzelf, dan nog moest men de tijdelijke meerdere krachtsinspanning,
die hij zich daarbij getroostte, niet aan vlijt toeschrijven maar aan
luiheid: zijn doel was dan niet zooveel mogelijk werk af te doen, doch
zoo spoedig mogelijk weer tot rust te komen. Alleen de rijstcultuur,
ter onzaliger ure door de volgers van Mohammed ingevoerd, die zich
als een log blok in de weg zet van alle meer winstgevende bedrijven,
in langwijlig peuterig werken alle arbeidskrachten verslindend en
indirecte voortbrenging door loonend ruilverkeer belemmerend--slechts
de rijstcultuur draagt zijn goedkeuring weg, omdat daarbij alles met
de langzaamheid van een karbouw geschieden kan.
Tusschen die twee in, had Wije zich den Chinees gedacht; maar in deze
dagen was hij tot andere gedachten gekomen en meende hij de oplossing
van het raadsel: hoe een Chinees rijk wordt, te hebben gevonden
in zijn volhardend werken, mits dit gepaard gaat met beleid. Want
waarschijnlijk was er onder het beheer van Kan Liong Tjoe niet minder
ijver betracht dan thans, nu hij aan het hoofd stond, maar de vorige
chef miste beleid, zoowel als de grootere kennis die den Europeaan ten
dienste staat. Het was, vond Wije, een harmonisch geheel: Chineesche
werkkracht onder Europeesche leiding.
De toko illustreerde deze stelling en ging zóó goed dat Wije zich
gelukwenschte, en nu van wege het resultaat, met zijn betrekking. Er
was geen kwestie van, of de tractementsregeling zou in zijn
voordeel uitkomen; voorzoover hij reeds nu kon nagaan, zou zijn
aandeel in de winst alleen zijn vroeger salaris als verkooper van
de firma overtreffen. In zekeren zin was hij nu ook chef; geheel
onafhankelijk toch was nagenoeg niemand, maar men liet hem de vrije
hand èn hij verdiende. Ziedaar de twee factoren die iemand stempelen
tot chef. Het hinderde hem nu ook geenszins dat men hem voor een
halven Chinees aanzag; eer hij het had bemerkt was hij in zijn phase
van geluk gekomen, en die deed hem de rest minachten.
Op een morgen verscheen Kan Liong Tjoe in de hem ontnomen toko. Toen
hij binnenkwam stond Wije met den rug naar den ingang, een bediende
iets aan te wijzen bij een der stellingen met goederen, en deze, die
de ontvangen inlichting, volgens een door Wije ingevoerde gewoonte,
repeteerde om te doen blijken dat hij het begrepen had, dempte
plotseling het geluid van zijn stem, terwijl een ander die haastig kwam
aanloopen van uit het magazijn, eensklaps zijn vluggen tred inkortte
en voortliep met een slentergang dien Wije al sinds maanden niet meer
kende. Het was zulk een verrassende verandering, dat Wije, die met
een snellen blik hetzelfde ook bij de overige bedienden opgemerkt had,
den bewerker daarvan onwillekeurig onvriendelijk te gemoet trad.
"Mau apa di sini?" [6] vroeg hij norsch en uit de hoogte.
Kan Liong Tjoe had wel weer heen kunnen gaan, zoo hij ten minste
gekomen was met het voornemen om den door zijn komen veroorzaakten
toestand te bestendigen; want nauwelijks hadden de bedienden gehoord
op welken toon hun vroegere baas werd aangesproken, of zij gingen
weer hun gang als bestond er geen Kan Liong Tjoe. Wellicht gevoelden
zij dat hier een conflict dreigde te ontstaan tusschen de groote
machten, waarin de kleinere, zoo zij er zich in mengen, steeds het
gelag betalen.
"Ik wilde meneer gaarne even spreken," zeide Kan Liong Tjoe beleefd,
en toen Wije hem medegenomen had naar het hoekje waar hij zelf vroeger
zijn menschen ontving, vervolgde hij: "Men zegt dat het zoo goed gaat
met de toko."
"Jawel," antwoordde Wije, nog steeds kortaf; "maar je komt zeker niet
alleen om dàt te vertellen."
"Om te vragen of het waar is."
"Nu ja! Het is waar. Wat verder?"
"De menschen zeggen dat het komt doordat meneer zoo pinter is."
"Dat kan wel," lachte Wije, door deze woorden toch eenigermate gevleid.
"Nu dacht ik," zeide Kan Liong Tjoe, "dat zoodoende de toko gauw weer
aan mij terugkomt. Maar wat zou ik er aan hebben, als ik haar toch
niet zoo goed kan beheeren, dat zij winst afwerpt?"
"Waar moet dat heen?" vroeg Wije zich af. "Denkt hij mij te kunnen
engageeren voor dat geval?"
"Met mijn andere zaken gaat het ook al niet," vervolgde de Chinees. "Ik
kan er van leven totdat ik de toko terugkrijg, maar meer ook niet. En
dan gaat het toch niet, omdat ik niet pinter genoeg ben. Mijn schuld
aan de firma is heel groot; het kan nog eenige jaren duren eer die
uit de toko is betaald; zou meneer mijn zoon als bediende willen
aannemen en hem leeren, tot hij bijna zoo pinter is als meneer zelf?"
Wije's gelaat betrok. Hij had niet veel zin in dat voorstel, daar hij
den Chinees niet vertrouwde en het zoontje achteraf wel eens een nieuwe
oplage van het Trojaansche paard kon blijken. Aan den anderen kant
had hij medelijden met den man, die in zijn eigen zaak een plaatsing
kwam vragen voor zijn zoon. En over 't algemeen weigert men niet graag
iets aan iemand, die voor een ander wat komt vragen. Wije aarzelde.
"Eerst had ik naar de firma willen gaan," zeide Kan Liong Tjoe, het
zwijgen van den ander misduidend, "maar ik bedacht dat ik beter deed,
voor ik daartoe overging, bij meneer te komen."
Lag in deze woorden een bedreiging? Wije meende het en werd
woedend. Als de Chinees naar de firma ging, stond de kans tien
tegen één, dat de chef hem terwille zou trachten te zijn, enkel
en alleen omdat hij, Wije, het anders inzag. Er zou weer een reeks
onaangenaamheden uit voortvloeien, maar.... hij liet zich niet dwingen
en niet dreigen ook. Op het punt Kan Liong Tjoe met een weigering af
te schepen, ging hem echter plotseling de vraag door het hoofd: wat
zouden de Chineezen er van zeggen? Dáármee viel rekening te houden,
dat moest eerst onderzocht.
"Ik zal er over denken," zeide hij, "en je dezer dagen bericht
sturen. Trouwens op het oogenblik is er personeel genoeg."
"Hij behoeft geen geld te verdienen, eer meneer hem werkelijk gebruiken
kan," opperde Kan Liong Tjoe.
"Begrepen," zeide Wije. "Nu, zooals gezegd, ik zal bericht
sturen." Hiermede liet hij den Chinees gaan.
Er verliepen een paar dagen, gedurende welke Wije het te druk had;
doch toen begaf hij zich, op een middag, naar Piong Pan Ho om dezen te
raadplegen. Hij trof hem gelukkig thuis, wat anders een zeldzaamheid
was, daar de Singkeh in den laatsten tijd bijzonder dikwijls op
reis ging.
"Kan Liong Tjoe is een dikke leugenaar!" barstte Piong Pan Ho los,
na Wije aangehoord te hebben. "Nu hij de toko kwijt is, heeft hij meer
vrijheid en ruimte in zijn zaken dan voorheen; en met de tienduizend
gulden die ik voor zijn aandeel in de pacht heb gegeven, ontbreekt het
hem niet aan contanten. Meneer moet het niet doen; het is een akal,
daar ik die varkens in de toko wel commandeeren kan, doch hem niet,
noch zijn zoon. Maar anders had hij dubbel het pak rottan-slagen
verdiend, dat ik toen aan dien bediende heb laten geven."
"Oho!" riep Wije uit. "Ik heb er lang over gepikird, sobat, hoe je
dat in der tijd hebt aangelegd..."
"U zult het toch niet aan den resident vertellen?"
"Waar zie je me voor aan? Je hebt me immers geholpen!"
"Betoel," zeide Piong Pan Ho, die er nu reeds aan begon te wennen
tusschen oorzaak en gevolg, waar hij het verband niet zag, daarvoor
eenvoudig het geheimzinnige Europeesche ati in de plaats te brengen;
een begin van abstraheeren! "Dus meneer keurt de rottan-straf niet af?"
"Neen," zeide Wije, "dat doet niemand."
"Waarom hebben de Hollanders die dan verboden?"
"Ja, dàt weet ik ook niet."
"Sebab dia poenja ati baik," [7] besliste Piong Pan Ho, waarmee Wije
lachend instemde.
"Wat is dat toch voor een feest," vroeg de Singkeh een oogenblik later,
"waarvoor al de toko-blanda zoo mooi gemaakt worden?"
Wije legde hem uit, zoo goed hij kon, wat Sinterklaas was.
"Het is aardig voor de kinderen, dat zij op dien dag cadeautjes
mogen ontvangen," zeide Piong Pan Ho met een uitdrukking alsof hij
zich plotseling iets herinnerde. "Maar," ging hij peinzende voort,
"nemen ook groote menschen geschenken aan op dat feest?"
"Zeker," antwoordde Wije. "Hoezoo?"
"Ik wou graag luitenant worden," fluisterde de Singkeh.
"Pas op!" waarschuwde Wije. "Een poging tot omkoopen wordt zeer
kwalijk opgevat."
Dat wilde de Chinees dan ook niet doen, enkel een cadeau sturen aan
de mevrouw; als die maar dikwijls tegen haar man zeide, "die Piong
Pan Ho zou zoo'n geschikt luitenant wezen" dan ging het van zelf.
"Maar men benoemt iemand niet tot luitenant," zeide Wije, om van dit
chapitre af te komen, "die niet minstens een mooi huis bewoont."
"Ada!" riep de voormalige klontong. "Wil meneer het zien?"