Er was dien avond groote conferentie in het logies der Chineezen. In

plaats van de vermoeienissen van den dag te verdrijven door een langen

nacht slapens, zaten of stonden de klontongs rondom de bedienden die

op dien middag bij Wije's handelingen waren tegenwoordig geweest. Het

eerste uur was doorgebracht met een wild dooreenschreeuwen, waaruit

niemand, zelfs geen Chinees, wijs kon worden. Toen kwam er een

toestand die den naam van een ongeregeld debat mocht dragen, maar

dan toch een debat, ingeleid door een voorstel van den bediende die

de administratie over de klontongs voerde, dat hem eindelijk gelukt

was aan allen verstaanbaar te maken. Dit was om den volgenden morgen

het werk te staken. Met horten en stooten, telkens een oogenblik van

betrekkelijke stilte afwachtende, voerde hij de verdediging, daartoe

bijgestaan door zijn kameraad, die beweerde evenals hij de manieren

der Europeanen door en door te kennen. Deze toch wisten zich niet

te helpen, zoodra er een afwijking plaats vond in den dagelijkschen

gang van zaken; zij meenden alles te kunnen regelen met bevelen en

geweldplegen, doch waar noch bevelen noch vloeken noch geweld hielp,

en ze bovendien niet aan het geld van hun ondergeschikten konden komen,

daar stonden zij machteloos. Er was geen sprake van dat hij, die thans

aan het hoofd der toko stond, een middel zou weten te bedenken om hen

te dwingen. Een Chinees... dat was iets anders. Die zorgde wel dat

zij zich door hun schuld gebonden achtten; als hij die niet wettelijk

kon invorderen, dan waren er nog andere manieren om tot hetzelfde

doel te geraken, want hij vond altijd steun bij zijn landgenooten,

en daardoor stond men steeds tegenover een sterkere macht, die

nimmer verzwakte, omdat men zich onder elkaar getrouwelijk hield

aan de goede gebruiken en wetten der gewoonte. Bij de Europeanen was

dat juist omgekeerd. Zij hadden een wet ontvangen van hun overheid,

waarbij bepaald was dat iemand die niets bezat, niet verplicht was

zijn schuld te betalen en er ook niet voor behoefde te werken. In

plaats nu van zich aaneen te sluiten en door onderlinge maatregelen

die wet onschadelijk te maken, nam de een den man in zijn dienst,

die feitelijk een pandeling van den ander behoorde te zijn. Ja,

zij hadden er schik in als hun buurman nadeel leed.

De winkelbediende voegde hier een voorbeeld bij. Toen hij nog

boodschappen bezorgde, voor Kan Liong Tjoe, was hij eens ergens gekomen

waar juist een dame bezig was de baboe van een andere dame af te

troggelen. De meid antwoordde dat zij wel genegen was bij mevrouw te

komen, maar dat zij niet weg kon omdat zij achttien gulden voorschot

had. Tra perdoeli, had hij toen die dame hooren zeggen, en zij had

er bijgevoegd dat die schuld toch niet was te innen en de meid niet

bang behoefde te zijn voor bedreiging met de politie; dit was tempo

doeloe wel anders geweest, maar nu kon zij volstrekt geen gevaar.

Tegen dat alles hadden de klontongs niets te zeggen; maar hun

hoofdbezwaar, een dag verlies, bleef bestaan. En als het nog maar met

één dag afliep! Maar wie weet of die Europeaan niet zou volhouden; hij

had reeds meer getoond dat hij koppig was als een muildier. Wat dan?

Dan nog geen nood, luidde het tegenbetoog. Het was beter twee dagen,

ja een week, niets te verdienen en daarna op den bestaanden voet

te kunnen doorwerken, dan zich neer te leggen bij den wil van den

Europeaan. Want deed men dit, dan waren alle extra's uit. Men zou

rekenschap moeten geven van elke halve el goed, van elken knoop; in

de boekhouding der Europeanen ging niets verloren. En zoo heel lang

kon het niet duren. Leden zij schade, de zaak eveneens; en al wilde

de chef dit tijdelijk laten doorgaan, heel spoedig zouden de anderen,

aan wie hij ondergeschikt was, tusschenbeiden komen.

Doch het idee van een strike wilde er bij de Chineezen niet in. Hoe de

bedienden ook hun best deden, de klontongs bleven zich verzetten. Er

moest iets gedaan worden, dat erkenden zij, maar werkstaken... dat

was zóó nieuw, zóó ongewoon! Eindelijk bedacht een der volksleiders

in spe een uitkomst. Hij wilde Kan Liong Tjoe opzoeken en diens

oordeel vernemen; als dit ten gunste van zijn voorstel uitviel

zouden de klontongs het werk staken, zoo niet, dan moest men iets

anders verzinnen. Dit werd aangenomen; en terwijl de bediende zich,

ondanks het nachtelijk uur, op weg begaf, zochten de anderen hun

slaapsteden op.

Wat Kan Liong Tjoe gezegd had bleek den volgenden morgen. Toen Wije

kwam en de sleutels van het magazijn aan den bediende overhandigde,

deelde deze hem mede dat er geen enkele klontong wilde werken.

"Ook al goed," zeide Wije, die wel begrepen had dat er iets van

dien aard zou geschieden. "Maar dan heb ik jou ook niet noodig. Ga

je vrienden opzoeken. Zoodra zij weer uitkomen, kan jij ook

terugkeeren. Intusschen staat je verdienste stil."

"Baik," zeide de bediende, maar blijkbaar ten hoogste verrast.

Wije nam de zaak in den beginne niet heel zwaar op. Wat gisteren

gebeurd was mocht zich natuurlijk niet herhalen, daarvoor zou hij

zorgen; voor het geval dat men hem aanviel had hij een zakrevolvertje

bij zich gestoken, en zelf zou hij zijn handen niet meer uitsteken. Op

den duur konden de klontongs toch niet blijven luieren; elders werk

vinden was voor hen zeer moeilijk; dus het einde van de zaak moest

zijn dat hij overwon.

In den loop van den dag ging hij naar het kantoor zijner firma en

maakte terloops melding van het geval. De chef echter bleek zijn

optimisme niet te deelen. Een enkele dag kon geen kwaad, maar als het

langer aanhield zou de toko er geducht onder lijden, vond hij. De

verkoop door de klontongs bedroeg meer dan men had verwacht en had

het groote voordeel van uitsluitend à comptant te zijn. Wije moest

derhalve zorgen dat hij de zaak, hoe dan ook, spoedig schikte.

"Men moet toch wat zeggen," mompelde Wije, toen hij het kantoor

verliet, doch 's namiddags, nadat de chef door van Beek had laten

vragen hoe het stond met de klontongs, zag hij in dat het ernstiger

dreigde te worden dan het zich had laten aanzien. Zoolang men hem

vrijheid van handelen liet was het niets, doch die onbekookte inmenging

en overhaasting konden alles bederven. Aan toegeven dacht hij echter

niet, ook niet toen zich den volgenden dag de boodschappen van het

kantoor herhaalden.

"Zeg dat ik wel bericht zal sturen," zeide hij eindelijk tot van Beek;

"en als je weer gestuurd wordt, loop dan maar een straatje om. Je

gezicht maakt mij zenuwachtig."

"Meneer schijnt zich erg ongerust te maken; hij is al naar meneer

Duna geweest ook," deelde van Beek mee.

"'t Kan me niet schelen," zeide Wije. "Weet ge wat... zeg dat ze op het

punt stonden van toe te geven, maar dat zij daarvan hebben afgezien

toen zij bemerkten dat jij zoo dikwijls hierheen kwam. Daaruit maken

ze op dat ik door den baas word opgejaagd."

"Maar dat is immers niet waar?"

"Zeker is dat waar! Een der bedienden heeft het mij verteld."

Aan den avond van den derden dag was Wije wanhopig. Van Beek was

weggebleven, maar in diens plaats had de chef een mandoer gezonden met

een briefje, een uur daarna weer een en zoo voort, telkens een ander

als "brenger," maar zonder variatie in het verzoek om aan genoemden

brenger bericht mede te geven omtrent de klontongs. Hij had een bezoek

gebracht aan Kan Liong Tjoe, doch zonder resultaat.

De gewezen toko-houder ontving hem beleefd, doch betuigde hem niet

te kunnen helpen. Ten eerste schatte meneer zijn invloed te hoog;

hij was uit de toko en had dus niets meer te zeggen; ten tweede stond

hij gereed om op reis te gaan naar het binnenland, waar hij zaken had.

"Die ellendeling!" zeide Wije 's avonds tot Anneke, aan wie hij de

geheele historie had verteld. "Ik ben overtuigd dat hij er plezier in

heeft. Eén woord van hem en 't is uit. Maar ik geef het niet op. Buigen

zullen ze, of ik verzoek ontheven te worden van dat baantje."

"Maar Papa," vroeg Anneke. "Zou die andere Chinees u niet kunnen

helpen?"

"Welke andere?"

"Die toen hier was... u weet wel, de man van dat armbandje."

"Piong Pan Ho!" riep Wije uit. "Wie weet! Ja... ik ga er dadelijk

heen."

"Daar komt iemand aan," zeide Anneke, eenige oogenblikken later,

juist toen het rijtuig voorreed. "O!"

"O!" herhaalde Wije, met een begin van goeden luim. "Tot straks!" En

hij sprong in den mylord om halverwege het voorerf den verbaasden

van Beek voorbij te rijden.

De klontongs waren wederom vergaderd. In het langwerpig nauw vertrek

heerschte een drukkende hitte. De zware balken aan de zoldering, die

niets te dragen hadden dan hun eigen gewicht en een dun planken dek,

oorspronkelijk donkerbruin geverfd met roode randen, doch nu zwart

door in roetmoppen saamgegroeide spinnewebben, de muren vuilblauw

van de eenige jaren geleden opgestreken met indigo vermengde witkalk,

de daar tegen steunende rollen beddegoed van hen wier slaapplaats dit

vertrek uitmaakte, zogen de weinige lichtstralen, die een pit op een

met petroleum gevulde wijnflesch flikkerend verspreide, nagenoeg geheel

op, voorzoover zij niet loodkleurig reflecteerden op de aangezichten

en bovenlijven van de klontongs, die ditmaal zwijgend den geschorsten

bediende aanzagen, luisterend naar hetgeen hij te zeggen had.

Meer dan het vorig plan, droeg het zooeven gesproken woord hun

instemming weg.

"Het is deze Europeaan, die ons in den weg staat," luidde het. "Een

ander zou het al lang hebben opgegeven. Als wij hem kunnen verwijderen

zal alles goed gaan. Nu, er is niets anders aan te doen dan dat

wij hem doodslaan. Voor minder wijkt hij niet. Maar wij moeten het

gezamenlijk doen, en zóó dat het een ongeluk schijnt."

Eenige kreten bewezen den spreker dat men het geheel met hem eens was.

"Morgen ochtend," vervolgde hij, "gaan allen weer aan het werk. Dat

wil zeggen, jelui wacht als gewoonlijk vóór de deur van goedang. Als

ik die heb opengemaakt dringen allen naar binnen, op twee na." Hij wees

er twee aan. "Binnen, blijf jij"--wederom een aanwijzing--"vlak achter

de deur staan. De anderen heffen een vervaarlijk geschreeuw aan."

De klontongs lachten. Dat viel in hun smaak!

"Dan loopt hij natuurlijk naar binnen, om te zien wat het is. Maar

de twee die buiten blijven, haken hun voeten om zijn beenen. Kijk,

zóó. Dan struikelt hij. Op dit oogenblik steekt hij, die achter de

deur staat, hem het mes in de borst. Goed raken hoor!"

Dat beloofde de bedoelde.

"Vervolgens dragen wij hem een eindje verder, naar een pak goed, en

leggen hem daar op, het mes tusschen rottan-touwen stekend. Dan loopen

wij naar de toko en vertellen dat de blanda gevallen is... toevallig

juist in een mes dat op de gewone manier aan het pak van de pikoelan

was vastgestoken."

Een daverend applaus op Chineesche manier, gelijkend op het brullen

van tijgers en het geschreeuw van krolsche katten doorelkaar, volgde

na deze woorden. Het scheen niemand te treffen, dat de bediende zelf

geenerlei aandeel in de te plegen handeling voor zijn rekening nam. Wel

protesteerden zij die aangewezen waren om Wije te doen struikelen,

doch dit werd geschikt door hun getal op vier te brengen. Toen

achtten zij zich sterk genoeg en prezen mede den ontwerper van het

plan, zich verheugend over zijn terugkeer tot Chineesche begrippen,

in de ontwikkeling waarvan hij zich een meester getoond had.

"Hondenkinderen!"

Met één woord, schrijft Tacitus, dempte Caesar een soldatenoproer: door

hen Quirites, Ridders, te noemen, die den krijgseed schonden. Piong

Pan Ho, plotseling verschijnend in de deuropening, deed iets

dergelijks. Wel was er een groot verschil in den aanhef van beider

redevoering, maar men bedenke dat Caesar te doen had met mannen die

eergevoel bezaten. De uitwerking was nochtans dezelfde.

Verlamd door schrik staarden de klontongs op den in donkerblauw

gekleeden Singkeh, wiens streng gelaat zij ondanks de slechte

verlichting onmiddellijk herkend hadden. En zij luisterden zwijgend

naar hetgeen hij verder te zeggen had. Het was weinig en stond wat

kieschheid van vorm en inhoud betreft, tot datgene wat Caesar op zijn

"Quirites" deed volgen, als de zooeven door Piong Pan Ho gebruikte term

tot het woord van den grooten veldheer. Het laatste gedeelte gold in 't

bijzonder den bediende, die rillend en met starren blik voor zich keek.

"Haal een rottan," gelastte de Singkeh, en een der Chineezen verliet

het vertrek om spoedig daarna met het verlangde terug te keeren. "Neem

het licht van die kist en leg hem er op."

De bediende liet het doen, zonder aan tegenstand te denken. Voorover

op de kist, lag hij roerloos. Men had zijn armen uitgespreid; op ieder

daarvan en ook op elken voet, ging een Chinees zitten. Door een grillig

spel van het toeval waren het juist die vier, die aangewezen waren

om Wije te doen struikelen, en hij die den messteek zou toebrengen

stond, na een hinderlijk kleedingstuk te hebben verwijderd, op zij

van de kist met de rottan in de hand, wachtende.

Er was een oogenblik van zoo groote stilte, dat men de ademhaling

der klontongs hooren kon, grof en zwaar, als van menschen die na

langdurige lichaamsinspanning nog niet gerust hebben.

"Twee dozijn," klonk het vonnis, kort maar beteekenisvol.

Scherp suisde de rottan door de lucht, neerkomend met een geluid

als van een hevigen snik, en de kist met allen die er op zaten,

schudde door de geweldige spiertrekking van den getroffene. Bij den

derden slag bleef een bloedige striem achter en de bediende uitte een

doordringenden gil, den eersten, doch die bij de volgende slagen zich

herhaalde, telkens langer, vervloeiende tot een jankend gehuil tegen

het einde van de strafoefening. Deze had twee minuten geduurd.

"Wie van af heden den toewan-toko nog iets in den weg legt, ja hem

alleen maar niet ijverig genoeg dient, zal gestraft worden," zeide

Piong Pan Ho. "Zorgt dat allen het vernemen. Die blanda werkt onder

ons en met ons, daarom is hij een der onzen." En hiermede verdween hij.

III.

GOED INTRIGEEREN IS NIET IEDERS WERK.

Van Beek had natuurlijk gezien dat Wije uitreed, ja zelfs

iets opgemerkt van de haast waarmede deze in zijn rijtuig was

gesprongen. Een wijl stond hij besluiteloos wat te doen. Hij kwam om

een visite te maken en niet zooals Wije scheen te denken, gezonden door

den chef. Mocht hij hem in dien waan laten, en tevens zijn visite voor

niet gemaakt doen gelden? Zijn traagheidsvermogen kwam in conflict met

het laatste; men zette zich in beweging om een bezoek af te leggen,

dus men volhardde in die beweging. En wat het eerste betreft, zoo

was het hem betrekkelijk onverschillig wat Wije van hem dacht, doch

niet hoe Anneke het zou opnemen. De klap dien hij van haar ontvangen

had, had hem in 't eerst geducht boos gemaakt, doch hoe langer die

scène geleden was, hoe meer zij haar scherpe kanten voor hem verloor,

en eindelijk vond hij dat het toch maar niet iedereen te beurt viel

om door zoo'n mooi meisje op de wang gestreeld te worden. Het was

een aangenaam souvenir. Maar waarom zou het dit blijven? Kon men er

niet een herhaling van provoceeren, altijd op een minder onzachte

wijze? Zoover was hij met zijn denken gekomen, en dat bleek machtig

genoeg om hem tot den gang van heden op te wekken.

Met kleine, langzame passen liep hij voort, daarmee te kennen gevende

dat hij zou omkeeren als Anneke de voorgaanderij verliet, in plaats

van hem af te wachten. Zij zag het met verwondering, doch niet in

't minst verlegen.

"U komt toch niet met mij vechten?" vroeg zij met gemaakten schrik.

"Neen juffrouw, ik wou een visite maken. Maar ik zie dat uw papa

is uitgegaan."

"Ja, dat is een moeielijk geval," spotte zij.

"Toen ik het zag, dacht ik, kijk, daar heb ik eindelijk eens

gelegenheid u te spreken. Ik moet u nog altijd mijn excuses maken."

"Och kom," zeide Anneke, "laat ons daar nu niet weer over beginnen."

"Ik heb toch heel dikwijls aan de heg gestaan, maar u kwam nooit

meer zoover."

"Aan de pagger?" vroeg zij geërgerd. Want plotseling overviel haar

een gedachte; zij dacht er nooit om dat op het achtererf vreemde

oogen haar konden zien; dikwijls liep zij in een enkele sarong en

den handdoek over de schouders naar de badkamer, en hij was nu net

zoo'n vent.... "Hoe laat?"

"Altijd om denzelfden tijd als toen," zeide hij tot haar groote

verlichting. "Maar om daarop terug te komen. U moet bedenken dat

iedereen mij steeds wat trachtte wijs te maken, in dien tijd."

"Kassian," zeide Anneke. "Daar heb ik van gehoord. Doen ze het nog?"

"Neen nu is het uit."

"A la bonne heure!"

"Hoe, spreekt u Fransch?" vroeg hij opgetogen.

"Zeker, U ook?"

"Mais si! On ne parle que ça chez nous."

"Hiernaast? Ik wist niet..?"

"O neen," zeide van Beek lachende. "Thuis bij ons, in Holland. Mijn

moeder was een Française. Ik heb haar wel niet gekend, doch papa

hield van die taal en zoo komt het dat we altijd Fransch spraken. Ik

doe het ook graag, maar men komt hier nooit iemand tegen die het kan;

alleen de kapper; en daarom laat ik mij tweemaal in de maand knippen."

"Er zijn toch meer menschen die het kunnen," verklaarde Anneke. "Papa

zegt dat de meesten het niet graag doen, omdat zij uit gebrek aan

oefening het vlotte spreken verleerd hebben. Hijzelf spreekt het

heel goed, en hij heeft het mij geleerd. We wisselen om de week;

deze week is de Engelsche. Spreekt u dat ook?"

"Jawel, maar niet zoo gemakkelijk. Als ik mag, kom ik eens terug in

de Fransche week."

"Dat behoeft nu juist niet. Ik zal het papa zeggen, misschien vraagt

hij u wel eens ten eten."

"Heel graag," zeide hij eenvoudig, haar de hand ten afscheid reikend.

Het was een smalle, magere hand, week en zonder veerkracht bij

't aanvatten, een hand die nooit gewerkt had. "Net 'n dood

vischje," resumeerde Anneke haar gevoelens, toen van Beek zich

verwijderde. Physiek trok die jonge man haar in 't geheel niet

aan. Doch zijn spreken beviel haar. De totale afwezigheid van Indische

uitdrukkingen was iets nieuws voor haar, en het nieuwe heeft altijd

een zekere bekoring. Dan zijn Fransch! Want het laatste gedeelte van

hun gesprek was in die taal gevoerd, en Anneke moest de gemakkelijkheid

waarmee hij zich uitdrukte, onwillekeurig bewonderen. Ofschoon zij het

Indisch publiek tegenover hem in bescherming genomen had, was echter de

waarheid, dat zij behalve haar papa, nog nooit iemand zoo vloeiend een

vreemde taal had hooren spreken; ja eigenlijk in 't geheel niet, daar

men er zich gewoonlijk met een half zinnetje of met een bekend citaat

afmaakte. Zelfs Kees maakte op dien regel geen uitzondering. Misschien

kon hij het wel--hij had er immers examen in gedaan--maar dan durfde

hij niet. Hoeveel moeite had het hem niet gekost om hem eens "je

t'aime" te laten zeggen! Hij had eerst gelachen en verklaard het veel

liever in 't Hollandsch te doen, of het zonder woorden te toonen,

zoo zij even uit het licht van de lantaarn wilde gaan; en eindelijk,

toen zij half boos was geworden door zijn hardnekkig weigeren, had hij

het op zulk een zonderlinge manier uitgesproken, dat de aardigheid er

glad af was. Zij wilde trachten haar vader te beduiden dat hij van

Beek een weinig moest aanhalen, daar er van hem veel te leeren was;

intusschen kon zij wel eens opletten of hij werkelijk 's avonds aan

de pagger stond en dan, zoo nu en dan, een praatje met hem maken;

voorzichtig altijd, want "je t'aime" behoefde hij niet te zeggen;

dat mocht alleen Kees... die het niet wilde; maar daar was bij van

Beek haars inziens zoo gauw geen gevaar voor.

De aldus beoordeelde wandelde middelerwijl het erf af, met een gevoel

alsof hij een erfenis gekregen had, zijn vuist dicht gesloten, als

om de aanraking van Anneke daarin te bewaren. In het duister van de

boomen op den grooten weg ontsloot hij zijn hand, haar vlak onder den

neus houdend, en zoende die, tot driemaal toe. Zijn denken was in die

oogenblikken ook heel wat gevorderd; Anneke moest hem niet slechts

de wangen streelen, doch ook kussen. Zoover zou hij probeeren het te

brengen; met Fransch spreken, dat zij klaarblijkelijk aardig vond,

en desnoods door middel van een mooi cadeau op Sinterklaas. Dat wil

zeggen als het niet anders kòn; want een cadeau kostte geld, vooral

in Indië, waar alles zoo schrikkelijk duur was. En hij mocht zijn

vader niet op kosten jagen! Tenzij dan in den uitersten nood. Hoeveel

zou hij moeten besteden, voor 't geval dat Anneke met Fransch alleen

geen genoegen nam? Hij bedacht een som en ging toen bij zich zelf aan

't afdingen, tot hij de galerij van zijn tehuis bereikte en er heel

weinig overschoot.

In high spirits kwam Wije terug van zijn bezoek aan Piong Pan Ho. In 't

begin was de Singkeh niet over te halen geweest zijn hulp te verleenen,

en dàt zoolang hij in de meening verkeerde, dat Wije sprak in het

belang der firma die hij diende. Het was, meende hij, weer de oude

geschiedenis van het ati, dat belangen samenknoopte die niets met

elkaar uitstaande hadden. Daarvoor liet hij zich niet gebruiken; hoe

mooi Wije hem ook alles uitlegde, het overtuigde hem niet. Trouwens men

moet logica geleerd hebben om er vatbaar voor te zijn. Doch nauwelijks

vernam hij dat Wije in de winsten der toko geïnteresseerd was, of hij

veranderde van houding. Toen waren slechts weinig woorden meer noodig

om hem op te doen staan, en te doen beloven dat hij het onmiddellijk in

orde zou brengen. Wije bood aan mee te gaan, en in 't eerst vond Piong

Pan Ho dit goed; doch bedenkende wat naar alle waarschijnlijkheid de

gang van zaken zoude zijn en dat het malle ati van den Europeaan daar

mogelijk tegen op zou komen, verklaarde hij een oogenblik later dat

het onnoodig was, ja misschien niet eens wenschelijk; meneer behoefde

zich echter niet ongerust te maken omtrent den uitslag.

"Ik dacht er een oogenblik over om het hiernaast te gaan zeggen," zeide

Wije tot Anneke, "maar we zullen liever morgen bericht sturen. Hij

zou maar weer zeggen dat ik aan Chineesche beloften meer vertrouwen

schonk dan die verdienen, en allerlei bijzonderheden vragen die

hem niet aangaan. Wat mij betreft, ik zie ze morgen al weer aan den

gang! Het eenige dat me benieuwt, is te hooren hoe Piong Pan Ho het

heeft klaargespeeld.... àls ik dat te weten kom."

Anneke deelde haar vader de bijzonderheden mede van het kort gesprek

met van Beek.

"Ik houd niet van dien jongen," zeide Wije. "In 't begin toen hij

hier was, had ik medelijden met hem, omdat hij van iedereen en alles

de dupe was; maar nu... ik weet het niet... 't is alsof hij, met al

zijn onnoozelheid, ze geducht achter den mouw heeft."

"Hij praat toch zoo grappig," pruilde Anneke.

"Nu," zeide hij, "als hij jou amuseert, voor mijn part! Ik zal hem

vragen om Zondag te komen eten. Is dat goed?"

"Ja pa."

"Het kan nog niet," ging hij peinzende voort, "anders zou ik gaarne

eens wat jongelui voor je inviteeren. Maar men zou er te veel over

te zeggen hebben. God weet dat wij diepen rouw dragen in ons hart,

die langer duren zal dan de étiquette voorschrijft en door geen

avondbezoek zou worden verjaagd; doch daarmede neemt de wereld nu

eenmaal geen genoegen; het kan haar feitelijk niet eens schelen;

zij eischt slechts haar deel, in den vorm van uiterlijk vertoon."

"Voorloopig gun ik het de menschen," zeide Anneke. "Ik zou er zelf

nog geen plezier in hebben. En we vervelen ons immers niet."

Van Beek verscheen den Zondag daarop, even vóór etenstijd.

"Wat heb je daar een net pak aan," zeide Wije. "Zeker nog uit Holland?"

"Ja," antwoordde van Beek. "Maar u is de eerste die mij dat zegt. Ik

heb er een paar visites mee gemaakt, en iederen keer bemerkte ik dat

de menschen mij van boven tot onder aankeken, om daarna te lachen of

onder elkaar iets te fluisteren."

"Dat ken ik. 't Is omdat het model hun nieuw is. Feitelijk zijn ze er

jaloersch van, als iemand zich onderscheidt, door wat dan ook. Want

zie je, 't is ons hier onmogelijk zulk goed gemaakt te krijgen."

"Hoe komt dat toch?" vroeg Anneke. "Wij meisjes hebben de patronen

uit de Gracieuse maar na te knippen en de prentjes te volgen. Kunnen

de heeren-kleermakers niet evenzoo doen?"

"Toch vond ik de toiletten der dames erg ouderwetsch, toen ik pas

aankwam," zeide van Beek, meer eerlijk dan complimenteus.

"Zoo!" riep Anneke uit. "Het mijne ook?"

"Natuurlijk," zeide haar vader. "En als ik voor dat feit een verklaring

moest geven, zou ik die zoeken in de omstandigheid, dat jelui zoowel

als de kleermakers, naar afbeeldingen moet werken, en in de tweede

plaats dat het oog te veel aan het oude model gewend is. Als ik jou

was, van Beek, bestelde ik al mijn Europeesche kleeren in Holland--de

Indische niet, want die maken ze hier beter--als ten minste de maker

van dit pak je maat nog heeft."

"Ik geloof het wel. Hij heeft al voor mij gewerkt toen ik nog een

kleine jongen was."

"Hoelang is dat geleden?" vroeg Anneke.

"Zoolang nog niet," antwoordde van Beek; "ik ben hoogstens zes jaar

ouder dan u."

"Bravo!" riep Wije, terwijl Anneke in stomme verbazing naar achter

liep om het eten te doen opdragen en van Beek een kleur kreeg, ook al

van verbazing... over zichzelf. Maar het scheen wel dat in dezen kring

zijn anders zoo trage geest geprikkeld werd; en toen men na tafel het

discours in het Fransch begon, raakte hij nog meer op dreef. Daar was

dan toch eindelijk eens iets waarin hij niet voor iedereen behoefde

onder te doen!

Bij het afscheidnemen was het Wije, die hem een doorloopende

uitnoodiging deed voor twee Zondagen in de maand.

"Die jongen is 's avonds werkelijk genietbaar," getuigde hij.

Van Beek maakte trouw gebruik van de invitatie, en ook gelukte het hem

eenige malen Anneke tot een buurpraatje aan de pagger te bewegen, doch

verder kwam het niet. Dit speet hem zeer, vooral als hij dacht aan de

enorme uitgave waarop het hem zou komen te staan tegen Sinterklaas. Van

zijn gedachte om het eerst eens te probeeren met een kleinigheid, was

hij teruggekomen. Zóóveel savoir faire bezat hij wel om in te zien,

dat dit jegens een familie waar hij zoo gastvrij ontvangen werd,

voor hem, den zoon zijns vaders, geen pas gaf.

Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman · 第 11 / 20 段