De Europeanen wisselden een snellen blik, getuigende zoowel van

verwondering als van groote spanning, beiden met een lichte kleur

door de emotie van 't oogenblik. Zij twijfelden er niet aan of de

Chinees zat vast; het timmeren dat zij gehoord hadden, en niets anders

kon verraden dan het inpakken van goederen om die aan den boedel te

onttrekken, had hen geheel overtuigd; er bestonden nu slechts twee

mogelijkheden, òf Kan Liong Tjoe had ter elfder ure nog hulp kunnen

vinden, die hem eenigen tijd boven water hield--misschien tegen afgifte

van de goederen die hij aan 't inpakken was--òf hij speelde een rol,

en in dat geval meesterlijk.

Van het gesprek met den kassier, gehouden in het bekende argot,

verstonden zij niets. Toen het was afgeloopen wenkte de toko-houder

den man dat hij kon teruggaan.

"Er is nog niet zooveel in kas," zeide hij bedaard; "wij wachten

zelf. Maar ik zal erom zenden, en het over een half uur bij meneer

laten bezorgen."

Wije's chef keek op zijn horloge; zijn hand beefde.

"'t Is lastig," zeide Duna luid; en toen, onder zijn adem en snel

sprekend: "Er moet minstens één van ons hier wachten, nog beter

allebei."

"Een half uur is zoo lang niet," zeide de chef. "We kunnen hier

wachten. Onderwijl kan de sobat ons eens vertellen of de nonja

welvarend is?"

Voor het eerst toonde Kan Liong Tjoe's gelaat iets van wat er in hem

omging. Het was alsof zijn wangen opzetten en de kleur bruiner werd,

terwijl wenkbrauwen en oogleden een schuiner stand aannamen, en de

zwarte pupillen inkrompen, tevens schitterend met dieper glans.

"Wie heeft het u medegedeeld?" vroeg hij kort.

"Hoe? Heb je soesah?" was de tegenvraag, die de chef met een quasi

verrast gebaar deed, blij echter dat men tot de ontknooping naderde.

"Ja meneer, heel erge soesah met... mijn vrouw. Die is nu al drie

maanden ziek..."

"Gévédé!" ontsnapte aan Duna.

"... en wil maar niet beter worden," ging de Chinees voort. "Ik heb

er een dokter blanda bij gehad, die mij in één maand duizend gulden

heeft gekost; maar 't hielp niets."

"Dat is heel erg," stemde Duna toe, om zijn vergissing goed te

maken. "Maar... heeft de sobat al iemand uitgestuurd?"

"Nog niet; ik zal het dadelijk doen." En hij stuurde werkelijk

iemand weg.

Het halfuur groeide aan tot drie kwartier, heel gezellig doorgebracht

met een praatje. Toen kwam de gezondene terug.

"Brr!" deed Kan Liong Tjoe. "Hij zal het vóór den middag zenden,

zegt hij. Als de heeren niet hier waren zou ik zelf even gaan."

"Hoe denk je er over?" vroeg Duna.

De ander haalde zijn schouders op.

"Als we hem laten gaan, kunnen we lang wachten."

"Meneer is het met mij eens," zeide Duna, zich tot den toko-houder

wendende, "dat we wachten, terwijl de sobat gaat. Mocht het ons te

lang duren... wel, dan laten wij een employé ontbieden en gaan zelf

naar het kantoor terug."

Kan Liong Tjoe verhief zich een weinig van zijn stoel, met de handen

steunend op de leuningen. Een in goed gezelschap niet getolereerd

geluid weerklonk; toen liet hij zich met een smak terugvallen op

de zitting.

"Soedahlah! Ik kan niet betalen. Dàt is het."

Het was gezegd, eindelijk. In slimheid zouden de Hollanders het

misschien hebben afgelegd tegen den Mongool, hun geduld had hem

overwonnen.

Van nu af ging de zaak vlot genoeg. Inziende dat hij onmogelijk iets

meer kon uitdragen, en vernemende dat zijn grootste schuldeischers geen

accoord wilden, gaf hij zich over en nam genoegen met het voorstel dat

hem gedaan werd, en hem ten slotte nog zoo kwaad niet leek. De toko

zou blijven zooals zij was, doch het beheer voortaan berusten bij

de Europeesche firma, die er een employé in zou zetten met speciale

volmacht. Daartoe moest Kan Liong Tjoe zijn zaak cedeeren. Zoodra

de schulden gedelgd waren en ieder het zijne had, kon hij de toko

terugkrijgen en men hoopte als van ouds op de klandizie.

"Dat is nummer twee," merkte Duna op, toen zij met Kan Liong Tjoe

het notariskantoor verlaten hadden, en de Chinees zich verwijderde

in de richting van zijn wijk.

"Ja," zeide de chef, "de rotte plekken zijn uitgesneden."

"'t Is nu etenstijd," vervolgde Duna. "Van middag kom ik bij je, tegen

half drie. Ik zal van te voren onze overeenkomst concipieeren. Denk

intusschen eens na wien je in de toko zult zetten."

"Ten derden male," zei de notaris halfluid en liet zijn vuist voor

hamer fungeeren op den rand van zijn bureau ministre, 'n zeldzaam

mooi stuk voor Indië. In de linker hield hij het concept van de

overeenkomst tusschen de beide huizen, door Duna opgemaakt, evenals

de beide vorigen die hij dien dag had ontvangen. En hoe duidelijk

stond er alles in! Geen hoekje om door te kruipen! Taal onberispelijk,

stijl gespierd; de laatste misschien iets te kort, maar toch, zoo de

noodzakelijke woorden als: gereede penningen, inschuld, uitwinning,

interessen, werden toegevoegd, nec non met de even noodzakelijke

aanhangsels over het compareeren en het verleden zijn met of zonder

doorhalingen en renvooien, zouden deze drie acten de schoonste zijn die

sedert jaren ten zijnen kantore waren opgemaakt. Voorts de inhoud! Een

geschiedenis, een roman in drie deelen--neen, een epos: Múze notáris

bezing d'overeénkomst tússchen ons béiden... Dat was maar gekheid;

doch zulke stukken zouden iemand plezier in zijn vak doen krijgen.

"En wie gaat nu in de toko?"

"Ik heb er over nagedacht dat... zieje, Duna, nu we den export opruimen

kan ik één employé missen, en... Kan Liong Tjoe was altijd een onzer

voornaamste klanten... dus, nu de toko alles bij ons nemen moet,

dacht ik dat... Wije ... als hij wil..."

"Hm, Wije..."

"Hij is daarbij zoo thuis in Chineesche zaken, zieje."

"Ja."

"De vraag is of hij wil."

Duna zweeg. Hij dacht aan Kees en Anneke, aan den wensch van zijn

zoon, den tegenstand zijner vrouw. Wije in een Chineesche toko

geplaatst... die positie was zóó nieuw, dat zij onmogelijk de achting

der maatschappij kon genieten, en zijn vrouw zou triumfeeren; maar

Kees... Ja, in dit geval gingen de belangen van Kees voor; hij zou

eventueel met Anneke trouwen, niet zijn moeder. Maar... nòg hooger

gold het belang der zaak; de chef had gelijk; het moest! Wat dan Kees

betrof... "Er is nog and're grond dien hij beploegen kan."

"Stel Wije maar aan," zeide Duna, met een wreeden trek om den

mond. "Als hij niet wil... dan wordt hij, juist om de redenen die je

zooeven opnoemde, te duur voor de firma."

"Dat vind ik geen manier van doen."

"Ik wel," zeide Duna, toonende dat hij "geholpen" had en dus mocht

bevelen. "Het kan niet anders. Eigenlijk is hij ook voor de toko

te duur; doch dat kan gevonden worden. Stel hem aan op vijfhonderd

gulden 's maands en tien procent van de netto winst, onder voorwaarde

dat die twee te zamen minstens evenveel zullen bedragen als zijn

tegenwoordig salaris of wij anders moeten bijpassen. Dan hangt het

van hem af om door activiteit meer te maken. Je zult zien dat hij

onmiddellijk toehapt."

Teruggekomen op zijn kantoor, zag de chef den tegenover hem zittenden

jongeren collega aan en zeide met een zucht: "Je bent verdomd nog

beter af dan ik."

De veranderingen waren nu onderwijl ook bij de employé's

bekend geworden en hadden op allen een grooten en goeden indruk

gemaakt. Vooral op Wije, die natuurlijk het meest over de zaak had

nagedacht. Toen de chef hem aarzelend vroeg of hij genegen was de firma

in de toko van Kan Liong Tjoe te vertegenwoordigen, antwoordde hij, tot

diens groote verwondering en verlichting, dadelijk met ja; en op het

vernemen der voorwaarden toonde hij buitengewone blijdschap, sprekende

van een hem te beurt gevallen onderscheiding, te groote belooning voor

den geringen dienst dien hij bewezen had, nooit vergeten, altijd op

hem kunnen rekenen, enzoovoort, tot de chef er door medegesleept werd,

en hand in hand met hem staande, repliceerde met trouwe diensten,

billijke erkenning, hopen op succès, daar niet aan twijfelen, en

"mooie positie." En bij het hooren van dit laatste woord, door hem

zelf uitgesproken, nam hij zich voor het voort te planten onder zijn

kennissen, en zoodoende de publieke opinie te dwingen.

Doch deze laat zich niet dwingen, althans niet door een woord. Waar dit

zoo schijnt, heeft optisch bedrog plaats; een woord kan het uitvloeisel

zijn der publieke opinie, nooit omgekeerd. Te Semarang vond "men" dat

Wije gedegradeerd was. Men maakte glossen op het geval, noemde hem Wij

Kong Hoei en zijn dochter Ann Njo; en toen zich plotseling het praatje

verspreidde, dat Wije door onvoorzichtig, ja roekeloos! credietgeven

de firma in gevaar had gebracht en daarom met deze positie "gestraft"

was, vond het gereedelijk ingang.

Behalve de betrokkene zelf, hoorde natuurlijk iedereen het. De

employé's gaven zich moeite om uit te vinden wie het in de wereld

geschopt had, doch tevergeefs; en op wien men ook vermoeden had, niet

op van Beek. Zij spraken het tegen met het vernietigend argument, dat

Wije als verkooper met geen credietgeven te maken had; en het publiek

was welwillend genoeg dit aan te nemen en liefderijk de uitspraak te

doen: dat er dan wat anders gebeurd moest zijn.

Intusschen, daar Wije zelf ten zeerste was ingenomen met zijn

verbetering van positie, roemde hij daarover in zijn gesprekken met

Anneke; en zoo kwam het dat Kees Duna op zekeren dag twee brieven

ontving, één van haar, een anderen van zijn moeder, die met elkaar

in flagrante tegenspraak waren.

Kees woonde te Batavia bij een familie in, waar hij een paviljoen

te deelen had met een ander, die even als hij aan de afdeeling B

studeerde, natuurlijk met hetzelfde doel, om door middel van die enkele

B tot de dubbele te worden gepromoveerd. Deze gelijkheid van carrière

had hen tot confidenties gebracht, en zoo wist Kees dat zijn vriend

een meisje had te Soerabaja, met wie hij samen een lot in de loterij

speelde, om te trouwen als er de honderdduizend... of iets minder op

viel. En de vriend wist precies hoe lief Anneke was en hoe mooi.

"Begrijp jij er iets van?" vroeg Kees, nadat hij de voornaamste punten

had voorgelezen.

"Niets. Alleen dat je ouwe vrouw dat meisje niet mag lijden."

"Toch geen reden om expres leugens te verzinnen."

"Hm, een vrouw is 'n diepzinnig wezen."

"Ja," gaf Kees toe, "dat zeg je wel. Maar dat andere?"

Dat andere was de mededeeling dat Anneke met een der employé's van

het kantoor gevochten had en dezen een blauw oog geslagen.

"Dat is kranig! Meer kan je er niet van zeggen. Als het waar is."

"Juist, als het waar is. Maar... Anneke is driftig."

"Verdomd kerel, ik mag het zoo graag zien," zeide de vriend. "Als je

'n meisje bekijkt, dan denk je: waar zitten de spieren? En dan zoo

opeens... Ik herinner me nog, even voor ik wegging van Soerabaja,

die ui bij den kapitein-Chinees."

"Wat was dat?"

"Er was een groot bal..."

"Bij een Chinees?"

"Ja, dat is op Soerabaja gewoonte. De resident komt er, en de

officieren... enfin alles."

"Hoe gek!"

"Och, als het gewoonte is..."

"Dat is waar. Maar vertel op."

"Nu, ik was er ook. Voor 't eerst, dat begrijp je. We waren vroeg,

zoodat we de meesten zagen komen. In 't midden van de balzaal stond

een groepje stoelen, die de bedienden langzamerhand wegdroegen, en

daarnaast een familie, pratende met kennissen. Er was een jonge dame

bij, gedecolleteerd natuurlijk, zoowat van mijn lengte, een pracht van

'n meid!"

"En jij verliefd."

"Neen... maar je mag toch wel kijken als je iets mooi vindt?"

"Ja, maar jij kijkt altijd zoo heel erg," lachte Kees.

"Toen niet; ik gevoelde me ook nog wat... Soedah! Daar komt opeens een

ventje binnen; een die bij alle meisjes nagenoeg 'n blauwtje geloopen

had, maar indringerig als 'n vlieg. Hij knikt haar familiaar toe,

alsof ze hem niet pas een week geleden de hand geweigerd had. Ik

stond net te kijken...."

"Sla maar over; dat sprak vanzelf."

"Zwijg nou, hoor! Ze lacht zoo zoetjes voor zich heen; en juist toen

hij aan den anderen kant van de stoelen is, steekt ze zoo'n langen arm

uit... Hij is zoo stom en neemt haar hand aan. Ze schudt hartelijk,

en gaandeweg, zonder inspanning--ten minste je zag niets--buigt ze

haar elleboog en trekt hem naar zich toe. Hij scharrelt met zijn

voeten en zijn anderen arm tegen de stoelen op, tot ze buitelen en

hij er tusschen in rolt, op het oogenblik dat zij hem loslaat. Hoe

vind je hem?"

"Uiïg," zeide Kees. "Maar voor een dame..."

"Ja, dat mag je achteraf zeggen. Op 't moment was het een mooi

gezicht. En... ik wou maar zeggen dat het kranig is van je meisje,

als ze er een op zijn gezicht gegeven heeft. Wie weet wat hij gedaan

heeft!"

"Dan mag hij oppassen," uitte Kees, "ik zal het haar vragen."

Voor een beschrijving van Batavia was er in dezen brief van Kees al

evenmin plaats als in zijn vorigen, en Anneke achtte zich daardoor

ook niet gebonden veel over het jonge Semarangsche publiek te

schrijven. Toch was de inhoud van de acht zijdjes voor Kees zeer

belangrijk. Slechts een klein gedeelte las hij zijn vriend voor en

dat liep over de historie met van Beek, waarop de vriend verklaarde,

dat hij het van Kees zijn ouwe vrouw, met alle respect, eene minne

streek vond. Kees nam den brief zijner moeder en trok langs een

liniaal, regel na regel, dikke strepen door al wat over de Wije's

liep. Zoo deed hij eveneens met volgende berichten van dien aard,

van de vrij schaarsche brieven een bundeltje makende, nog onbesloten

wat hij er bij voorkomende gelegenheid mee zou uitvoeren.

II.

TWEE DOZIJN MET DE ROTTAN.

Zoo Wije met lust en moed zijn nieuwe betrekking had opgevat, hij mocht

van beiden wel een voldoenden voorraad hebben om onder haar last niet

te bezwijken; want al spoedig zag hij in dat er op medewerking van den

kant der Chineezen niet te rekenen viel. Vroeg hij iets in de toko aan

een der bedienden, dan wist hij haast zeker dat het antwoord dáárop

zou neerkomen, dat de man het niet wist; zelfs de meest dagelijks

voorkomende zaken schenen zij allen plotseling te zijn vergeten. Als

er klanten kwamen die naar de prijzen vroegen van het een of ander,

liepen zij geregeld naar Wije; en als hij, die natuurlijk daarvan

ook nog niet geheel op de hoogte was, dan lang werk had eer hij het

kon zeggen, of er zich blijkbaar met een Franschen slag uitredde,

vermaakten zij zich inwendig met zijn verlegenheid; dat gevoelde

hij, hoewel aan hun gezichten niets was te zien. Wat er vroeger voor

betaald werd?

Ja, nu eens zooveel, dan weer zooveel, al naar men krijgen kon. Men

was gewoon maar een prijs te noemen, zorg dragend dat die niet te

laag was, en dan betaalde de een, terwijl de ander tawarde; in het

uiterste geval liep men naar den baas. Doch nu meneer alles zoo

precies wenschte, durfde men dat zoo niet meer te doen.

Daar viel niets tegen te zeggen, maar lastig was het.

Wije begon een boek aan te leggen, waarin hij al de duizend en één

artikelen met hun in- en verkoopsprijs opschreef, ruimte latend voor

de notities van de schommelingen der markt, een reuzenwerk weliswaar,

doch dat hem een boel gemak bezorgde toen het eenmaal gereed was.

Ook in de boekhouding had hij orde en regelmaat moeten brengen,

doch hierbij was hij zelf de man die het wist, dus dat ging

gemakkelijker. De kas werd elken avond opgemaakt. De eenige

moeilijkheid die zich bij dit gedeelte van het werk voordeed, was

het kleine geld. Overdag was er nooit genoeg om voor de koopers te

wisselen, maar 's avonds, als Wije voor de securiteit het geld meenam,

was het juist omgekeerd. Dan ontbrak het zoo gewilde bankpapier ten

eenenmale en moest de bodem van zijn wagenbak dikwijls een zware

proef doorstaan, om niet te spreken van het uittellen, eerst in de

toko en dan weer als hij het afdroeg aan de firma.

Wije maakte bij zichzelf de opmerking, dat het een der moeilijkste

dingen ter wereld was, om plotseling het beleid eener eenigszins

omvangrijke zaak op zich te nemen. Het was daarmede als met een nieuwe

taal die men te leeren had; niet alleen moet men de woorden kennen

en herkennen, doch men moet ze ook tot zijn beschikking hebben,

op ieder oogenblik. Dat kost oefening, die grooter schijnt dan die

waarmee men zijn moedertaal heeft aangeleerd.

Toen Wije zoowat twee maanden in de toko was geweest en het daar

zoover had gebracht dat de zaken een geregelden gang gingen, en het

scheen dat de Chineezen hun lijdelijken weerstand hadden opgegeven,

gebeurde er eensklaps iets dat hem bijna bewogen had er den bijl bij

neer te leggen. De dagelijksche administratie over den verkoop door

de klontongs berustte bij een der toko-bedienden. Op zekeren dag

bespeurde Wije dat deze zijn aanteekeningen in Chineesche karakters

hield, niettegenstaande hij dit dadelijk bij zijn komst voor goed

had verboden, zoowel als het spreken in hun koeterwaalsch als hij

tegenwoordig was.

Want hij had zich nu eenmaal, terecht of ten onrechte, in zijn hoofd

gezet, dat de Chineezen beide dingen enkel deden om de Europeanen

te bedriegen.

Zonder iets te zeggen nam Wije het boekje weg, sloot het in zijn

lessenaar en maakte een ander op volgens de staatjes, die hij van

denzelfden bediende ontvangen had. Dit legde hij neer op de plaats

van het oude. Daarop verwijderde hij zich van het tafeltje, zeer

tevreden over zichzelf, daar dit juist de eenige gelegenheid was

waarbij men kon knoeien, sedert er een aparte uitgang was gemaakt

voor de localiteiten waar de Chineezen huisden, en toko en magazijn

's avonds konden worden afgesloten.

Toen de klontongs eindelijk binnenkwamen, en de bewuste bediende

zich naar het magazijn begeven had, waar hij met hen afrekende, vond

hij het nieuwe boek. Hij bladerde er eenige oogenblikken in, zich

bezinnende wat hij tegen deze nieuwe akal van den Europeaan moest

doen. Daarop ging hij naar Wije; en het was merkwaardig om te zien,

welk een uitdrukking van goeden wil door groote domheid ijdel gemaakt,

zich op dat ronde gelaat had afgespiegeld.

Wije kende dien trek en vermoedde wat er gebeuren zou toen hij den

Chinees zag aankomen.

"Meneer, ik begrijp dit niet."

"Kan je het soms niet lezen?"

"Jawel meneer; het is heel goed."

"Wat begrijp je er dan niet van?"

"Niets."

"Dat is niet veel," zeide Wije flegmatiek. "Wil je het begrijpen?"

"Heel graag, als meneer mij leeren wil."

"Goed." En Wije riep den bediende die het winkelboek bijhield. Dezen

gelastte hij met den ander mede te gaan en hem te wijzen, hoe hij,

uitgaande van de saldo's die in het door hem opgemaakte boekje stonden,

de dagelijksche bijschrijving of afschrijving moest noteeren. "Die

is erin geloopen!" zeide hij bij zich zelf, toen de twee Chineezen

zich verwijderden.

Doch hij had zich te vroeg verheugd; want een kwartier later kwam

de een terug met het bericht dat zij in het boekje van meneer niet

konden zien hoeveel goed iedere klontong moest hebben.

"Dat komt er niet op aan," zeide Wije. "De zaak is maar hoeveel

geld zij afdragen. Dat schrijf je af; en zoo zij goed noodig hebben,

schrijf je de waarde bij."

"De klontongs willen echter weten of hun rekening uitkomt."

"Kwam hun rekening gister uit?"

"Ja meneer."

"Dan moet die immers voor vandaag verminderd worden met wat zij

afdragen; en vermeerderd met wat zij opnieuw ontvangen aan goed?"

"Ja meneer."

"Welnu, wat dan nog meer?"

"Niets meneer; maar zij begrijpen dat niet."

"Laat ze stikken!" riep Wije uit, woedend nu. "Denk je dat ik voor

ieder hunner een aparte boekhouding aanleg?"

"Zooals meneer wil."

"Nu, ik wil het niet anders. Zeg het hun en ruk uit."

De Chinees deed wat hem bevolen was. Vijf minuten daarna verscheen

de ander, de man van de klontongs.

"Meneer, de klontongs zeggen dat zij het zoo niet gewoon zijn."

"Dan moeten zij er maar aan wennen."

"Een Chinees kan niet wennen aan iets waaraan hij niet gewoon is."

Wije schoot in een luiden lach.

"En jullie dan?" vroeg hij. "Er is dunkt me hier heel wat veranderd

sinds ik gekomen ben."

Dat was zoo, gaf de man toe. Maar zij waren bereid meneer in alles

ter wille te zijn, hoe moeielijk het ook was, doch een klontong was

daartoe te dom. Het beste zou zijn dat meneer hem het boekje teruggaf;

dan zou hij dat voor de klontongs aanhouden en probeeren het andere

naar den zin van meneer in te schrijven.

Wije wilde daar echter niet van hooren. Hij besloot vol te houden,

inziende dat de tegenpartij hier zwak was en haar lijdelijken

tegenstand zou moeten opgeven. De Chinees verzocht hem ten slotte

zijn voornemen zelf aan de klontongs kenbaar te willen maken; hij was

overtuigd dat zij zich bij meneer's besluit zouden neerleggen, als

zij het uit diens eigen mond vernamen; het was dan toewan poenja soeka

[3] en niet, zooals zijn nu meenden, een uitvinding van den bediende.

Dat scheen billijk, en Wije begaf zich derhalve naar het magazijn, waar

de klontongs waren. Onderweg had hij zich bedacht op welke manier hij

de zaak zou aanvatten. Zich zettend voor het tafeltje, nam hij het boek

en riep den eersten naam die daarin stond, uit. Niemand antwoordde.

"Zijn Chineezen soms niet gewoon bij hun naam genoemd te worden?" vroeg

Wije den achter hem staanden bediende.

"Wien wil meneer hebben?" vroeg deze terug en op Wije's aanwijzing

herhaalde hij den naam, tevens den drager daarvan een wenk gevende.

Een kleine magere Chinees trad uit den hoop naar voren.

"Jij hadt gister f 132.26 schuld," zeide Wije. "Klopt dat of niet?"

De aangesprokene grijnslachte, doch zeide niets.

"Vraag jij het hem," gebood Wije den bediende, en deze deed het.

"Tida tahoe [4]," klonk het nu, onder heftig hoofdschudden.

"Klopte het gister?"

"Ja meneer," antwoordde de bediende.

"En waarom weet hij het nu niet?"

"Hij zal het misschien vergeten zijn."

"Maar wat geeft het dan, of het boek in Chineesch schrift wordt

bijgehouden, en alles van het goed wordt opgeschreven?"

"Ja... dan herinnert hij het zich weer."

"Baik," zeide Wije kort. "Laat hem zijn geld uittellen."

De bediende begon te spreken, doch in het voor Wije onverstaanbare

argot.

"Houd op!" viel deze in. "Spreek Maleisch."

"Als ik Maleisch spreek geeft hij zijn geld niet."

Wije's geduld was ten einde. Opstaande diende hij den bediende een

klinkende oorvijg toe. Doch de Chinees, die niet gewoon was zich als

een inlander te laten slaan, en er dus volgens zijn eigen uitspraak

ook niet aan wennen kon, vloog, zoodra hij van de verbazing bekomen

was, op Wije aan. En plotseling ontwaakten ook de anderen uit hun

apathie, om hun landgenoot te hulp te komen. Zij waren echter niet

vlug genoeg. Met een schop tegen diens maag had Wije zich van zijn

bespringer ontslagen, een poot losrukkende van den stoel waarop hij

gezeten had, timmerde hij daarmede op de lichaamsdeelen van hen die

hem eveneens hadden aangegrepen, en een sprong doende daar waar de

rij het dunste was, brak hij er door en bereikte de deuropening. Hier

konden zij hem alleen in het front aanvallen en één had de spits

moeten afbijten; daartoe scheen niemand lust te hebben.

"Trek dat tafeltje hierheen," gebood Wije den bediende

van het winkelboek, die zich tot nu toe geheel passief had

gehouden. "Ziezoo. Laat hen één voor één hun geld afdragen, en boek

het in. Als zij niet willen, sluit ik de deur en haal de politie."

Dit hielp. De een na den ander telde uit en werd door Wije naar

buiten gejaagd met het bevel zich onmiddellijk in het logies te

begeven. Eindelijk bleven alleen de twee bedienden over.

"Nu weet je hoe het gedaan wordt. Morgen precies eender," zeide Wije

tot den man der klontongs, en ging terug naar de toko.

Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman · 第 10 / 20 段