allerlei gedachten zijn hoofd doorkruisten. Wie was die man, die daar
naar willekeur beschikte over het lot van een firma als Kan Liong
Tjoe? De grootste, de voornaamste uit het geheele Chineesche kamp,
en wiens val een verschrikkelijken nasleep zou hebben! Ook zijn firma
zou er onder lijden... en deze gedachte verdrong de anderen. Toen
begon hij te pleiten.
Piong Pan Ho vatte er niets van. Hoe kon iemand zich zoo opwinden
voor een vreemde zaak, aan welke hij niets verschuldigd was,
welker winst of verlies hem niet raakte? En er voor spreken als
gold het hemzelf? Dat kwam zeker weer uit dat fameuse ati! Jawel,
daar gebruikte Wije het woord alweer. Hij begon het te beschouwen
als een ziekte, een hinderlijk ding, dat op den duur allen handel
in den weg moest staan. Misschien was het iets waaraan men verslaafd
raakte, als aan de opium. Het loste zich op in woorden, in volzinnen,
die hij niet verstond en omzichtig beantwoordde, maar toch zóó dat
Wije ten laatste inzag dat het neerkwam op verschil in principes,
waaromtrent zij elkaar niet verstonden. Zij hadden evengoed uren tot
elkaar kunnen blijven doorspreken, maar dan ieder in zijn eigen taal,
zonder schade voor het resultaat.
En dit bleef een weigering van den Singkeh om iets voor zijn landgenoot
en daardoor indirect voor Wije's firma te doen. Des ondanks was Wije
hem dankbaar, bespeurende dat Piong Pan Ho van zijn standpunt uit,
met dit bezoek blijken gaf hem boven allen, ja boven zijn eigen
handelsbelangen te stellen.
"Mag ik mijn chef van avond nog waarschuwen?" vroeg hij.
"Als u niet zegt dat ik hier geweest ben, ja."
Met een hartelijken handdruk verliet Piong Pan Ho de voorgalerij,
en Wije oogde hem na, tot hij verdwenen was in het duister van den
weg. Toen riep hij om spoedig het eten te laten opdragen, berekenende
dat zijn chef nog aan tafel moest zitten, waarbij hij hem niet wilde
overvallen.
"Houd je van avond zelf maar wat bezig," zeide hij tot Anneke. "Ik
moet hiernaast zijn en weet niet hoe lang het duren zal."
XII.
DE VOORAVOND VAN EEN FAILLISSEMENT.
Het huis van den chef was een dier ouderwetsche, uit een ruime beurs
gebouwde woningen, met massieve muren en rondom breede galerijen,
door laag afhangende luifels overdekt, die weinig licht toelaten,
maar daardoor ook de warmte van overdag buitensluiten, terwijl zij de
's avonds ingezogen koelte vasthouden. Een groot vertrek achterin,
uitkomend zoowel op de achtergalerij als op de zijgalerij, met hooge
dubbele jaloezie- en glasdeuren, diende den chef tot werkkamer als hij
thuis was, of zooals men in Indië pleegt te zeggen, tot "kantoor",
een uitdrukking waarmee men iedere kamer aanduidt, waarin de heer
des huizes iets verricht dat in 't bijzonder tot zijn ambt of vak
behoort. Zoo houdt de dokter er een "kantoor" op na om zijn patiënten
te behandelen, die om welke reden dan ook, hem niet bij zich thuis
kunnen ontbieden; de rechter prepareert zijn bezigheid voor de volgende
zitting en de dominé maakt zijn preek op zijn "kantoor".
Na een haastig maal had zich de chef in zijn kantoor teruggetrokken,
want de mail was aangekomen en bij hem thuis bezorgd. Volgens de
gewoonte, door den Schoolmeester uitsluitend aan Amsterdamsche
kooplieden toegedicht, brak hij de belangrijkste brieven altijd het
eerst open; en welke die waren, kon hij buitenop heel goed zien aan de
gedrukte firma-adressen; met het gewicht dier namen, in hun betrekking
tot de zaken, die zij met hem deden, hield de inhoud gelijken tred,
en in het cirkelgangetje eener Indische mail-correspondentie, waarin
gelijksoortige brieven even regelmatig terugkeeren als de leeuwen in
een mallemolen, zijn afwijkingen zeldzaam.
Een blauw envelop, gelijk aan dat hetwelk indertijd aanleiding gegeven
had tot het standje tusschen de beide patroons, was het eerst aan
de beurt. Hij haalde er de rekening-courant uit, wier inhoud hem
blijkbaar niet interesseerde, daar hij alleen naar de einduitkomst
keek.... een alle deftigheid verstorende woede, gemengd met hevigen
schrik, ontstelde zijn trekken, en het duurde geruimen tijd eer hij
die weer meester was. Toen riep hij een bediende, beval den dogcart
in te spannen en schreef eenige regels op een boodschapleitje, dat
de koetsier moest bezorgen ten huize van den hoofdboekhouder. En toen
deze gekomen was, reikte hij hem den begeleidenden brief over.
"Is die traite te dekken?"
"Jawel meneer," antwoordde de boekhouder. "Morgen vervallen drie
accepten van Kan Liong Tjoe, die wij in portefeuille gehouden hebben,
omdat..."
"Ik weet het."
"En tegen het eind der volgende week--den datum weet ik niet uit
mijn hoofd--de remise van Soerabaja; dus meer dan genoeg. De traite
is immers op dertig dagen?"
"Ja.--Ada apa?" De laatste woorden golden den bediende, die Wije's
komst berichtte. "Zoo, Wije; iets bijzonders? Ga zitten."
Aan den rand der zijgalerij, even achter de geopende deur van het
kantoor, had zich van Beek geposteerd. Met de familie aan tafel
gebleven, nadat de chef zich verwijderd had, nog lang napratend, stond
hij juist op toen Wije's stem zijn luid "Sapada!" in de voorgalerij
deed hooren. Zijn kwaad geweten fluisterde hem in dat Wije zich over
hem kwam beklagen; en nieuwsgierig te weten welke voorstelling Anneke
van het gebeurde gegeven had, ging hij niet naar zijn paviljoen,
maar sloop den hoek om van het gebouw.
"Een groot ongeluk," hoorde hij Wije zeggen. "Er is zooeven iemand bij
mij geweest, die kwam waarschuwen dat morgen Kan Liong Tjoe failleert."
De boekhouder schoof met stoel en al een eind achteruit, zijn bezorgden
blik vestigende op den chef. Deze sloot even de oogen.
"Heb je nog meer van die nieuwtjes?" vroeg hij met galgenhumor,
maar uiterlijk onbewogen.
"Ik weet niet," zeide Wije, "of we geheel op die mededeeling kunnen
vertrouwen, maar.."
"Wie deed haar?"
"Een andere Chinees. Ik heb moeten beloven zijn naam niet te zeggen."
"Hm! Dus iets als een anonieme waarschuwing?"
"Zoo zouden we het kunnen beschouwen," zeide Wije. "Maar ik heb
reden om te gelooven dat, zoo het morgen al niet gebeuren mocht,
Kan Liong Tjoe toch zeer wrak staat, want hij had aan mijn zegsman
hulp gevraagd."
"Is dat alles waarop je geloof steunt?"
"Om u de waarheid te zeggen, heb ik altijd een kwaden dunk van Kan
Liong Tjoe gehad. Misschien herinnert u zich, dat ik hem eens betrapt
heb op het verkoopen onder de markt?"
"Onzin!" riep de chef uit. "Dat heb ik je toen ook al gezegd; en als
nu je inlichtingen geen beteren grond hebben dan toen, belief ik er
niet aan te hechten."
"Meneer," zeide Wije ernstig, "ik hoop het van harte dat het een loos
alarm is, doch ik vrees voor het tegendeel."
"Ik vrees, ik hoop, ik heb redenen.... wat duivel, voor den dag
ermee!" barstte de chef los, zich opwindende. "Wie is je zegsman? Ik
sommeer je hem mij te noemen, opdat ik ten minste weet waaraan ik
mij te houden heb."
"Laat mij dan voor den zegsman doorgaan. U zult toch wel meer
vertrouwen stellen in mijn woorden, dan in die van den eersten den
besten Chinees. Wat doet er de naam toe?"
"En ik zeg je dat ik meer vertrouwen stel op een Chinees, die de zaak
rondweg vertelt, dan op een Europeaan, die er omheen draait. Die
houding past je niet; je weet meer dan je zeggen wilt. Nog eens:
wie is het?"
"Liem Eng Hap," verzon Wije; "maar ik reken er op dat die naam niet
buiten dit kantoor genoemd wordt."
"Wie is dat?" vroeg de chef, iets bedaarder. "Dien ken ik niet."
"Het is geen klant van ons," zeide Wije, volkomen naar waarheid,
daar hij den naam zelf gefabriekt had en hem in stilte een paar maal
herhaalde om hem niet onmiddellijk weer te vergeten. "Ik kende hem
maar van aanzien... enfin, zooals er zooveel zijn."
"Hoe kwam hij er toe om je dat te vertellen?"
"Misschien is hij een vijand van Kan Liong Tjoe, of uit zucht om de
eerste te zijn. En aan wien zou zoo'n man het anders zeggen, als aan
den verkooper, dien ze dagelijks in het kamp zien?"
"Juist," bevestigde de chef, "en daarom had je ons bijtijds moeten
waarschuwen en niet in den blinde crediet geven, om plotseling aan
te komen met een bericht: morgen gaat die of die over den kop."
"Het crediet geven ligt buiten mijn ambt."
"Maar niet het waarschuwen."
"Dat heb ik gedaan."
"Te laat, als het ten minste waar is. Je maakt mij niet wijs, dat
het niet lang te voren in het Chineesche kamp bekend zou zijn. En
als je zulke goede vrienden daar hebt zitten dan.... dan ben je op
zijn zachtst genomen schandelijk onoplettend geweest."
"Die goede vriend," antwoordde Wije sarcastisch, "wist het zelf eerst
van morgen, en zou het mij toen wel gezegd hebben, als dat protegeetje
van u niet aan mijn jaspanden gehangen had. Wat niet voor morgenochtend
in het Chineesche kamp bekend zal zijn, weet ik nu reeds; me dunkt
dat het vlug is. Trouwens het verwijt van onoplettendheid zou in de
eerste plaats dengene treffen, wiens werk het is de soliditeit der
klanten te beoordeelen."
"Zwijg!" bulderde de chef. "Wou je mij m'n werk leeren? Ik zeg je,
dat als je niet zoo lang bij ons was geweest, dit alleen je je ontslag
zou kosten."
"En ik stel er tegenover," zeide Wije, bleek wordende, "dat als we
niet voor moeilijke dagen stonden, ik ondanks mijn gehechtheid aan de
firma, wegens het zooeven door uw betoonde wantrouwen, mijn ontslag
zou nemen!"
"Hou je mond, Wije!.... Meneer alsublieft!" viel de boekhouder
in. "Moet er dàt nog bijkomen? Laat mij het eens uitpraten. Meneer
meende het zoo niet.... en Wije weet niet wat er voorafgegaan is. Als
u het goedvindt, meneer, ga ik met Wije mee naar zijn huis... er is
van avond toch niets meer te doen, en... en dan komt alles in orde,"
eindigde hij, daar zijn woordenrijkheid hem in den steek liet en hij
inzag dat het beste zou zijn die twee, wier bloed aan 't koken was,
zoo spoedig mogelijk van elkaar te scheiden.
"Goed, gaat maar heen, ik moet nadenken," zeide de chef, zich weer
zettende; want onder de woordenwisseling was hij van zijn stoel
opgestaan.
De boekhouder trok Wije mee en liet hem niet vrij eer zij van het
erf waren, als vreesde hij dat de ander mogelijk nog terugloopen zou.
Van den rand der zijgalerij maakte zich de gestalte van van Beek los,
die op zijn teenen wegsloop naar het paviljoen.
"Laat ons vóór blijven zitten," zeide Wije; "mijn dochtertje zit achter
wat te werken." En hij riep een bediende, wien hij gelastte sigaren
en brandy soda te brengen. "Vertel me nu eens wat dat opvliegen van
den ouwe eigenlijk beteekent. Want ik ben wel goed, maar niet mal...."
"Neen, dat weet ik; doch als je alles geweten had, zou je het niet
zoo hoog hebben opgenomen. Je had eigenlijk beter gedaan door niet
te komen."
"Wat zeg je?" riep Wije verontwaardigd uit. "Als je toch zooiets hoort,
haast je je immers om het te gaan zeggen."
"Betrekkelijk. Als er wat aan te doen is, ja; anders ben je eenvoudig
een brenger van slechte tijding, en die is nooit welkom, zooals
je weet."
"Men zou er haast toe komen," was het bitter antwoord, "om geheel
onverschillig te worden omtrent den algemeenen gang der zaken, althans
zich zoo te toonen. Ik had in den vooravond dien Chinees hier, weet
je wat die zei?"
"Nu?"
"Dat hij niet begreep hoe iemand die vast salaris genoot, onverschillig
of de firma goede dan wel slechte zaken maakte, zich inspande en zijn
best deed."
"Wel, van Chineesch standpunt uit, is die onbegrijpelijkheid
begrijpelijk," zeide de boekhouder lachende.
"Ik probeerde hem uit te leggen," ging Wije voort, "wat ijver en
ambitie waren. Maar het lukte mij niet al te best. Achteraf ben ik
er blij om, daar ik anders onwillekeurig zou gesproken hebben van
een belooning in den vorm van appreciatie dier eigenschappen. En als
ik je gezegde, je raad van zooeven overdenk en aanneem dat jij, die
zooveel ouder bent dan ik, dien uit ondervinding put, dan kom ik tot
de overtuiging dat dit een fictie is en dat Piong Pan Ho ten slotte
nòg gelijk heeft."
"Piong Pan Ho? O... is die het?" riep de boekhouder uit.
"Daar heb ik me leelijk verpraat," zeide Wije kleurende; "maar ik
reken op je stilzwijgendheid."
"Natuurlijk. Wat dat betreft, had je groot gelijk. Dus die andere
naam.... hoe was die ook weer?"
"Ik ben hem glad vergeten!"
"Die is rijk! Enfin, je hoeft niet bang te zijn dat de baas er op
terugkomt. Hij heeft wel gewichtiger dingen in zijn hoofd. Daarover
gesproken... en dan weet je meteen hoe hij zoo uit zijn humeur
kwam... er is weer zoo'n export-akkevietje, en ditmaal niet van stroo."
"Daar weet ik zoo weinig van," bekende Wije. "Ik weet maar één
ding, dat die export bij ons altijd kleinere of grootere verliezen
oplevert. Doch hij is overal in handen van de chefs zelf, zoodat je
moeilijk inlichtingen krijgen kunt."
"Het is anders eenvoudig genoeg," legde de boekhouder spottend
uit. "Men koopt suiker of koffie van de ondernemingen, soms door
bemiddeling van een makelaar, soms direct, men verscheept ze naar
Amsterdam of elders, en wacht bedaard tot het briefje komt met de
opgaaf van hoeveel men heeft bij te passen, want voor de koopsom hier
is natuurlijk al getrokken."
"Anderen maken toch winst!"
"Hm, daar heb ik nooit zoo heel veel van gezien. Over het algemeen is
de gewone consignatie het best. Men verdient zijn vast commissieloon
en daarmee uit. Al het andere... je hebt zeker wel eens 'n vast
partijtje gehad?"
"Vroeger, ja."
"Als je na een jaar afrekende, heb je dan niet opgemerkt dat, hoewel
er betrekkelijk weinig omgaat, er toch gewoonlijk één verliezer is,
die nog al veel heeft te betalen?"
"Ja. En zóó, meen je, gaat het..."
"... bij onze firma," vulde de boekhouder aan. "En nu is er weer zoo'n
bom gebarsten. De baas had mij laten halen om te weten hoe het stond
met de kas; onder de verwachte ontvangsten had ik juist een accept van
Kan Liong Tjoe opgenoemd, dat morgen vervalt; toen kwam jij binnen!"
"Is het zóó erg?" vroeg Wije verschrikt. "Zou die ellendeling ons
meeslepen?"
"Wees gerust. Het is wel erg, maar zóó erg niet; dan zou ik hier niet
zoo kalm zitten praten. We zullen echter een handje geholpen moeten
worden; doch daarvoor is geen vrees; een huis als het onze laten ze
zóó maar niet vallen."
"Ze? Wie?"
"De banken en anderen, bij wie onze gedisconteerde accepten loopen. En
nu stap ik op," zeide de boekhouder. "'t Wordt laat."
"Wacht, ik zal laten inspannen."
"Neen dankje; ik loop liever om wat beweging te hebben."
Wije draaide de lamp uit, sloot de voordeur en ging naar achter,
waar Anneke juist bezig was haar boeltje op te ruimen. Toen zij zich
naar bed begeven had, bleef hij op en neer loopen met wijde, langzame
passen, het hoofd gebogen, af en toe heftig trekkend aan zijn sigaar,
in mokkend denken. Hij had den chef de gesproken woorden nog niet
vergeven, ofschoon hij zich kon voorstellen dat de oude heer uit zijn
humeur was. Maar rechtvaardigde dat dien toon, tegen iemand die hem nog
wel een dienst bewees? En toch... hij was op het oogenblik immers ook
onplezierig gestemd, verduiveld onplezierig; maar had hij daarom Anneke
afgesnauwd, toen zij hem goeden nacht wenschte? Neen, immers? Waartoe
diende dat, waarom moest men het van sommige lui verdragen dat zij
een geheelen dag knorrig waren en lomp jegens hun omgeving, zonder
eenige verontschuldiging dan: dat ze uit hun humeur waren? En dan
maar dadelijk van ontslag te spreken! Dat was een leelijk woord. Wie
aan boord zijnde den kapitein te vriend wil houden, spreekt niet
van storm, en wie zich niet wenscht te brouilleeren met een employé,
noemt het woord "ontslag" niet. Want beiden komen, als men ze opzweert
door ijdel gebruik van hun naam, en brengen zware bezoeking mede. Wije
was niet bijgeloovig, maar de feiten kon men toch niet loochenen! Hoe
ging het in de binnenlanden? Nauwelijks één onderneming waar in den
loop van 'n jaar niet minstens één ontslag voorkwam. Was dat omdat de
jongelui niet deugden voor hun werk? Neen; want dan zouden ten slotte,
nadat ieder zijn beurt van ontslag en wederaanstelling bij een ander
gekregen had, alle ondernemingen met ongeschikte employé's werken. Het
kwam enkel en alleen door het onophoudelijk spreken over ontslag. Het
stond dus nagenoeg vast dat hij het niet lang meer zou maken bij de
firma. Doch wat was dan een particuliere betrekking, als men na zestien
jaar trouwen dienst op straat kon gezet worden om un rien; sterker
nog, om betoonden ijver? En anders als men oud was. Zonder pensioen,
zonder iets! Gelukkig wie zich een kapitaaltje had overgespaard; maar
hoe weinigen deden dit, hoe weinigen konden het doen? De chefs, ja;
zelfs al failleerde een huis, dan kwamen zij nog terecht; men hielp
hen altijd, desnoods met een paar dozijn commissariaten, waarvoor
zij niets hadden te doen dan eenmaal in een jaar hun handteekening
zetten op de balans, die de directeur had opgemaakt, en zich te laten
feliciteeren met het mooie dividend door genoemden directeur behaald,
of een meewarig gezicht trekken als dit niet het geval was. Maar de
employé's waren steeds de dupe van alles. Hijzelf kon een rente van
twaalfhonderd gulden maken; als zijn vendutie meeviel misschien iets
meer; dat was honderd gulden in de maand! Wat beteekende dat? Men kon
weliswaar in Holland goedkooper leven dan in Indië, doch van honderd
gulden zou hij zich niet één meubelstuk kunnen aanschaffen zooals er
hier verscheidene stonden. Wije keek eens rond. Ja, het zou hem hard
vallen van dit alles afstand te moeten doen. En eensklaps dwaalden
zijn gedachten af naar haar die er zoolang voor gezorgd had, maar
nu niet langer zorgen kon; die rustte onder de aarde, waarop hij
zooveel te strijden had; die hem vroeger steeds troostte met een
enkel woord... O, hoe miste hij haar nu!
"Papa, waarom gaat u niet slapen? Is er wat?"
Hij schrikte, de woorden niet verstaande, maar het stemgeluid hoorend,
dat als doordrong in zijn hart; en opziende met door tranen benevelde
oogen, zag hij even achter de deuropening der binnengalerij het beeld
van haar, naar wie zijn ziel trok; niet als in de laatste oogenblikken
harer ziekte, met grauw vertrokken gelaat, niet als in de kist,
toen hij haar den laatsten kus gaf, doch jong en frisch zooals in de
eerste tijden van hun huwelijk, de mooie zwarte oogen op hem gericht,
radende wat hij wilde, waarover hij nadacht.
Eerst week hij terug van de verschijning, toen naderde hij, de handen
vooruitgestoken, toch voorzichtig, als vreesde hij dat heerlijk
droombeeld te verjagen.
"Kleine Anna!" stamelde hij.
"Paatje, wat heeft u toch?"
"Mijn God, kind, ben jij het? Ik dacht dat zij het was..."
"Arme pa! Dacht u aan moesje?" zeide Anneke haar armen om hem heen
slaande. "Waarom heeft u mij niet geroepen? Ik werd wakker en hoorde
u loopen."
Hij zag neer op het meisje vóór hem, haar van zich houdende op
korten afstand. Zij droeg slechts een slaap-sarong met verschoten
kleuren van grijs en rood, toegeknoopt over de borst, armen en hals
vrijlatende waarin Hoggarth zijn geliefde lijnen niet vergeefs zou
gezocht hebben en waarvan de teint, zachtgeel reflecteerende in
het zonlicht overdag, nu marmerwit opkwam uit de duisternis der
binnengalerij. En op de mat een paar voetjes, klein maar solide,
fraai gewelfd, niet door schoeisel bedorven, oploopende tot een fijnen
enkel die in vollere vormen overging daar waar de onderrand der sarong
begon. Hij beschouwde dit alles met het oog zijner herinnering; en
turend in het donkergekroonde gelaat, streelde hij haar schouder,
bewogen fluisterend: "In alles je moeder! Ik moest me zoo vergissen."
"Kon ik u dan ook maar zoo troosten," zeide zij hartelijk. "Zal ik
nog wat bij u komen? Wacht, ik ga een kabaja aantrekken."
"Neen," zeide hij, zwak glimlachend voor het eerst, "het is al over. Ik
had me opgewonden over iets van de firma; daardoor kwam het. Ga maar
weer slapen en wees gerust; ik zal dadelijk sluiten."
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
I.
UN HOMME AVERTI... VAUT DEUX CHINOIS.
Kan Liong Tjoe failleerde niet.
Het was een feit zonder precedent in de geschiedenis van den handel,
ongehoord nieuw, en volgens Wije Engelsch energiek! Want, zeide hij,
men mag van de Engelsche principes houden of niet, één ding zal men
moeten erkennen, namelijk dat zij, waar het belang van hun handel op
het spel staat, niet van halve maatregelen houden. Zij durven als
natie, door de afschaffing der slavernij de wereld in beroering
te brengen, om in een concurrent land de cultures te fnuiken;
zij schieten steden als Kopenhagen, Vlissingen, Alexandrië plat,
ter wille van Londen als stapelplaats; zij vergiftigen millioenen
menschen in China, na met de wapenen den import van opium gedwongen
te hebben, om de papavercultuur in hun kolonie te doen bloeien. En
ziet een Engelsche vennootschap dat een zaak goed is, doch door
omstandigheden in de eerste jaren met verlies heeft gewerkt, dan
verdubbelt zij zonder aarzelen haar kapitaal, om met het goede,
nieuwe geld het kwade te redden en óók weer goed te maken.
Iets dergelijks was nu door twee Hollanders gedaan; en niet
schroomvallig giving too little, maar flink, snel en afdoende.
Wije's chef was op dien bewusten avond niet veel vroeger naar bed
gegaan dan zijn verkooper. Hij had zich gedwongen tot denken, de
punten, de kansen telkens neerschrijvend en later overwegend, tot
hij vóór zich had wat uitvoerbaar was, met hulp, en wat zonder hulp
van anderen. Den volgenden morgen kwam hij vroeg op het kantoor, riep
Wije en den boekhouder, gelastte hen geen der employé's in kennis te
stellen van hetgeen zij wisten en vertrok weer, regelrecht naar het
kantoor van den heer Duna gaande. Met dezen besprak hij de zaak en
slaagde niet alleen in het verkrijgen van den steun dien hij vroeg,
maar zelfs stelde Duna hem voor nog iets verder te gaan dan zijn
oorspronkelijk plan.
Met hun beiden overvielen zij den jongeren chef en deze, onvoorbereid,
gesteld voor de keus om zich te laten uitkoopen voor een billijke
som, betaalbaar in payementen, òf te moeten toezien dat het huis zijn
betalingen staakte en er op die manier toch te worden uitgedrongen,
koos, daar men hem geen tijd wilde geven, het eerste. In haast werd
een concept-contract hierover opgemaakt, hetgeen de jongste chef
persoonlijk bij de notaris ging bezorgen, terwijl de andere heeren
zich naar het Chineesche kamp begaven en de toko van Kan Liong Tjoe
binnentraden.
Zij vroegen naar den eigenaar. Een der jonge Chineesche bedienden ging
dezen, die zich achter bevond, roepen; doch op het oogenblik dat hij
de binnendeur der toko opendeed, zagen de Europeanen elkaar plotseling
aan, alsof dezelfde gedachte tegelijk in beiden was opgekomen.
"Ik hoor timmeren."
"Ik ook. Zouden ze...?"
"Natuurlijk."
"Maar dat moeten we beletten."
"Dat spreekt. Als we kunnen. Hei, Babah!" riep de heer Duna een
bediende aan. "Meneer wilde straks gaarne langs een anderen weg naar
huis. Kan men hier achter uitkomen?"
"Neen meneer."
"Dus is de toko de eenige uitgang."
"Ja meneer, alles moet door de toko."
"Dat is jammer," zeide Duna en wendde zich af.
Kan Liong Tjoe kwam te voorschijn en begroette de Europeanen
zonder een spoor van onrust. Toch stond hij tegenover den man,
die over eenige uren, tenzij hijzelf zich aangaf, bij den Raad van
Justitie zijn faillietverklaring zou vragen. En deze, zoodra zij in
het particuliere ontvanghoekje van den toko-houder gezeten waren,
nam het woord op gemoedelijken toon.
"We hebben vandaag nog al wat te betalen," zeide hij; "ik aan meneer
Duna, en deze aan anderen, zoodat, als iedereen wacht tot het laatste
oogenblik, het kon gebeuren dat de Javasche Bank gesloten was eer de
accepten konden worden ingelost. Dit doet men liever niet, zooals de
sobat wel begrijpen kan. Of hij er ook iets op tegen heeft wat vroeg
te betalen?"
"Baik," antwoordde Kan Liong Tjoe, langgerekt. "Hoe laat wil u het
hebben?"
"Liefst dadelijk."
"Hoeveel is het? En weet meneer waar de accepten zijn?"
"Jawel," zeide de chef, "meneer Duna heeft ze. Met de rente is het
twaalf duizend vierhonderd twintig gulden."
"O, dat is gemakkelijk," vond de toko-houder, glimlachend; en
achterover leunend in zijn stoel, riep hij zijn kassier.