"Ik wed Duna," zeide Wije plagende, maar geheel de dupe van de
geschiedenis, die hij met al zijn schranderheid niet doorzag. Hij was
trouwens ook slechts vader; een moeder zou zich zoo gemakkelijk niet
hebben laten bedotten.
X.
EEN CHINEESCHE LES IN STAATHUISHOUDKUNDE.
Op den morgen toen de stoomer zich met bronzen wieken van Semarang's
reede wegstuwde en Kees Duna naar de plaats zijner tijdelijke
bestemming voerde, stond Piong Pan Ho het werk te surveilleeren,
dat uitgevoerd werd in de ruimte, gelegen tusschen zijn toko en
de goedang, die vroeger van den Arabier, doch nu van hem was. De
voormalige schuren en hokken waren verdwenen, nog slechts een spoor
achterlatende in aan de kanten opgestapelde gebruikte steenen en
dakpannen, benevens eenig houtwerk; in hun plaats vertoonde het erf
breede, haaks op elkaar loopende uitgravingen, gedeeltelijk met zand
aangeplempt; achteraan verrees een drie voet hoog stuk metselwerk,
in de verte een massieve ophooging gelijkende van een der toekomstige
vertrekken van het in wording zijnde gebouw, doch hetwelk bij nadere
beschouwing een overwelfde, in den bodem gegraven ruimte bleek te
zijn, met getraliede luchtgaten even boven den beganen grond. De
toegang tot dezen kelder bevond zich aan den binnenkant van het
gebouw en werd afgesloten door een ingemetseld voorstuk met deur,
van een tot dit doel ontleede brandkast.
Een zestal metselaars met bijbehoorende koelies, voor het mengen van
specie en aandragen van de tot het werk benoodigde steenen, begonnen
in de uitgravingen de fundamenten te leggen, terwijl Piong Pan Ho
zich met den baas onderhield. Noodzakelijk was het niet, daar deze
reeds lang wist wat er gedaan moest worden, doch de Singkeh hield
er van de zaken dikwijls te herhalen, en de baas nam daarmee te eer
genoegen, daar hij in dien tijd niets behoefde uit te voeren en zijn
in daghuur uitbetaald loon toch doorging. Werkte hij daarentegen, dan
was het een zwaar baantje, ook voor zijn ondergeschikten trouwens;
want een Chinees speelt er niet mee en vergt voor hetzelfde loon
ongeveer tweemaal zooveel werk als een Europeaan.
Het gesprek tusschen Piong Pan Ho en den baas werd gestoord door de
plotselinge komst van Kan Liong Tjoe. Wel moest het iets belangrijks
zijn, dat den toko-houder op dit uur van den dag tot zijn rasgenoot
dreef, dien hij buitendien zelden opzocht, en meer nog, hem door
deed dringen naar achter in plaats van den ander in de toko op te
wachten. Maar wat het ook zijn mocht, eerst maakte hij een doodgewoon
praatje, waartoe het werk, dat voor zijn oogen geschiedde, ruimschoots
gelegenheid aanbood. Het ligt niet in den aard der oosterlingen zoo
ineens met de deur in huis te vallen.
"Wat maak je hier?" vroeg hij.
"Een woonhuis," was het antwoord, waarop zij rondliepen en Piong Pan
Ho van de inrichting uitleg gaf.
"Je moet verbazend veel oentoeng gehad hebben!" riep Kan Liong Tjoe
uit. "Het wordt grooter dan het huis van den Majoor-Chinees. Als het
klaar is, breek je de toko zeker af?"
"Welneen," antwoordde Piong Pan Ho. "Die blijft er vóór staan, zoodat
niemand het zien kan."
"Waarom, als je toch zóó rijk bent?"
"Zóó rijk ben ik niet."
"Toch rijker dan ik," zuchtte Kan Liong Tjoe.
Piong Pan Ho zag snel op.
"Soesah?"
"Ja."
"Kwam je om er mij over te spreken?" En op bevestigend antwoord ging
hij den ander voor, naar het bekende vertrek achter de toko.
Kan Liong Tjoe ontwikkelde zijn moeielijkheden, die op het volgende
neerkwamen. De vorige droge moeson had schaarschte meegebracht in
den rijstoogst, zoodat de prijzen van dat artikel gaandeweg gestegen
waren. Hij had geen kapitaal kunnen vinden om een voorraad in te
slaan, zooals Piong Pan Ho, om later bij hooge prijzen zijn schade
te dekken, en geld te slaan tegen den tijd dat de inlanders daaraan
groote behoefte hadden, toen eensdeels de mindere opbrengst van hun
grond het afbetalen hunner schuld bemoeielijkte, anderdeels de prijs
van het voedingsmiddel zoo duur werd. Had de ander door kracht van
contant geld dus geen schade geleden, hij wel. In den beginne had
hij de toko den last laten dragen, doch daardoor was zijn toestand
niet verbeterd; integendeel, want de voorschotten in de dessa had hij
desnoods kunnen weigeren, de betaling van de meermalen geprolongeerde
accepten kon hij dat niet doen. En morgen verviel er een van ruim
twaalf duizend gulden, in drieën gesplitst, ten bate van Wije's firma.
"Hoe komt dat zoo groot? En is het niet uit te stellen?" vroeg Piong
Pan Ho.
Kan Liong Tjoe, meenende dat hij niet beter kon doen dan den ander
zooveel mogelijk een blik in zijn toestand te vergunnen, om daarna
met zijn verzoek voor den dag te komen, dat eigenlijk een voorstel
tot zaken doen was, omdat hulp vragen zonder belooning onbegonnen
werk zou zijn, beging nu een groote onvoorzichtigheid in zijn antwoord.
"Deze accepten," zeide hij, "betreffen geen werkelijke
handelsschuld. Ik zat eenige maanden geleden vast, en toen, bij het
inlossen van anderen, vroeg ik om wat accommodatiepapier te mogen
afgeven, ten einde aan een oogenblikkelijke verlegenheid te gemoet
te kunnen komen. De heeren vonden het goed en zoo werden deze drie
accepten opgemaakt."
"In plaats van goederen kreeg je dus geld?" vroeg Piong Pan Ho,
die dit soort van transactiën nog niet kende.
"Ja. Vroeger heb ik het ook wel voor hen gedaan; onder elkaar doen de
Europeanen het zelden, van wege hun crediet, maar dikwijls geschiedt
het tusschen hen en een van ons. Jij geeft bijvoorbeeld een accept
af; zij disconteeren het en gebruiken het geld; tegen den vervaldag
lossen zij het in."
"Hoeveel?" vroeg Piong Pan Ho.
"Vijf percent of meer."
"'t Is gemakkelijk en niet erg duur. Mag het?"
"Wie ruikt het eraan?"
"Dat is waar," bevestigde Piong Pan Ho, het in zijn geheugen
noteerende.
"Ik had het geld noodig," hernam Kan Liong Tjoe, om op zijn eigen
belangen terug te komen. "Zooals je weet, ben ik deelhebber in de
opiumpacht. Daar is veel contant geld toe noodig, want als wij de pacht
aan het Gouvernement moeten betalen of opium koopen, is het uitstaande
meestal nog niet binnen. Zooveel als er dan op slag noodig is, passen
wij bij, ieder naar zijn krachten, en daarvoor wordt rente berekend,
twee percent in de maand. Wie nu voor zijn aandeel in gebreke blijft,
lijdt schade, daar de anderen het onder elkaar verdeelen."
"Dat begrijp ik," zeide de Singkeh; "die rente wordt van de winst
der eindrekening afgetrokken."
"Juist. Maar het gebeurt soms dat, als er een niet storten kan,
ook de anderen geen geld hebben. Dan wordt het voor zijn rekening
bij derden opgenomen, en dat is heel duur! We moeten dit trouwens
toch wel doen, want wij zijn niet altijd voldoende bij kas; maar dan
dragen we het samen."
"Waar leen je dan?" vroeg Piong Pan Ho, wiens oogen dieper schitterden.
"Hier en daar. Er zijn een paar Europeesche landheeren, die ons voor
twee percent 's maands leenen; maar dikwijls is het niet genoeg wat
zij kunnen geven. Dan zoeken wij het op andere manieren... zooals ik
nu bijvoorbeeld, met die accepten. Het allerlaatst in het Chineesche
kamp; dat spreekt."
"Zit er zóóveel in die opium?"
Kan Liong Tjoe juichte in zijn hart, als de hengelaar, die een
plotselingen ruk aan zijn tuig voelt. En voorzichtig als deze, trachtte
hij zijn aas aanlokkender te maken, door het met zachte beweginkjes
op en neer te doen dansen voor de oogen van den smulgragen visch.
"Nog meer. Worden de Chineesche officieren niet altijd gekozen uit hen,
die door de opium rijk zijn geworden?"
Piong Pan Ho lachte, een gullen hartelijken lach, als verwelkomde hij
de benoeming, die zoozeer door al zijn landgenooten wordt begeerd. Ja,
dàt was iets! Als men maar eenvoudig luitenant werd, kon men onberispt
in een mooi rijtuig rijden, lid worden van de sociëteit der Europeanen
en zooveel meer. Men moest het zelfs doen, om door het voeren van
eenigen staat, zich de hooge onderscheiding waardig te toonen!
"Vooral nu is de opium zoo mooi geworden," ging Kan Liong Tjoe voort,
den indruk van zijn woorden opmerkende. "Het Gouvernement heeft een
vasten tak van dienst ingesteld om den invoer van gesmokkelde opium,
door ieder ander, behalve door de pachters, tegen te gaan."
Daar was iets duisters in, vond zijn aandachtige toehoorder. Hoe,
het gouvernement verkocht immers de opium aan de pachters? Dat het
den smokkelhandel tegenging was te begrijpen; maar waarom dan een
uitzondering gemaakt juist voor de grootste afnemers?
"Wel, nu kunnen de pachters immers hoogere sommen betalen voor de
pacht!" verklaarde Kan Liong Tjoe.
"Toch zou het Gouvernement meer verdienen met alleenverkoop," hield
Piong Pan Ho aan.
"Dat is waar, doch ik zal je vertellen hoe dat zit; die zaakwaarnemer,
die sedert een paar jaar hier rondloopt en vroeger bij het Gouvernement
was, heeft het mij uitgelegd. De Radja Blanda heeft verboden dat er
veel opium wordt ingevoerd en door het Gouvernement verstrekt; want
als de andere Radja's dat hooren en zij komen 's avonds bij elkaar,
dan plagen zij hem en zeggen dat er zooveel schuivers zijn op zijn
gebied. Daarom is het, zie je. Maar het Gouvernement hier wil toch
gaarne veel geld verdienen, en dus hebben zij dat zóó ingericht."
"Oeah! Orang blanda pinter betoel!" [1] riep de Singkeh, uit de
volheid zijns harten.
"Zoodat," vervolgde de ander, die zijn doel in het oog hield, "sedert
die maatregel is gaan werken, er voor ons meer te verdienen valt. Maar
doordat de clandestiene verkoop zulk een knak heeft gekregen, hebben
zich onze zaken uitgebreid. Daarvoor is meer kapitaal noodig, en
zoo komt het dat mijn twaalfduizend gulden, die ik zeker meende vóór
morgen los te krijgen, vast zijn blijven zitten. Nu wou ik je vragen
mijn aandeel in de pacht over te nemen."
Zij praatten nog lang. Piong Pan Ho met groote bedaardheid den ander
hoe langer hoe meer uithoorende, tot hij ten slotte begreep, dat zijn
gewezen baas naar alle kanten te veel hooi op zijn vork genomen had en
noch tegenover de dessa, noch de pacht, noch de Europeesche firma's
in staat was ten volle aan zijn verplichtingen te voldoen. Hij liet
intusschen ten volle recht wedervaren aan de stoutmoedigheid waarmee
Kan Liong Tjoe zijn zaken dreef, die geheel op crediet gegrondvest,
telkens met de winst vergroot, door combinaties waar een gewoon
verstand van duizelde, in het leven gehouden, reusachtige afmetingen
bezaten. Voorzeker, daar was van den Babah veel te leeren, vooral
uit de fouten die hij begaan had en die weldra dat trotsche geheel
ineen zouden doen storten, met een geweldigen slag. Piong Pan Ho zag
het wankelen en sufte een oogenblik van de grootheid van den val,
die door een kleinigheid veroorzaakt zou worden; een geluid als van
een donderend kraken suisde in zijn ooren.
Maar weldra herstelde hij zich en terwijl Kan Liong Tjoe voortsprak,
zijn waar steeds meer aanprijzende, overdacht hij met koele nuchterheid
wat voordeeliger zou zijn: bijspringen in den nood, of profiteeren
van de débacle. Het laatste trok hem het meest aan; want hij zou dan
eerst gelegenheid hebben om te zien hoe de andere deelhebbers der
pacht zich hielden, bij het uitvallen van één hunner. Gesteld dat
zij eens allen in een soortgelijken toestand verkeerden! Dan moest
de pacht zelf in gebreke blijven, òf alles zou op hem neerkomen;
en daartoe was hij bij lange na niet machtig genoeg.
Hij stond op het punt in dezen geest een antwoord te geven, toen de
stem zijner vrouw hem naar de toko riep.
"Wacht even," zeide hij en ging heen.
Het was Wije, op de hielen gevolgd door van Beek, die heden voor
't eerst mee had mogen gaan naar het Chineesche kamp. De verkoop aan
den Singkeh had nooit heel veel bedragen, vooral niet in den laatsten
tijd, doch Wije hield er van bij zijn ouden kennis binnen te loopen,
al was het alleen om de groote hartelijkheid waarmee deze hem steeds
ontving. En, een klein ordertje schoot er toch dikwijls op over. Zoo
ook nu. Het werd afgesloten en Wije wilde zich groetend verwijderen.
Plotseling scheen Piong Pan Ho een denkbeeld door het hoofd te
gaan. Met een min of meer haastige beweging stak hij zijn arm door
dien van Wije en trok dezen ter zijde.
"Meneer," begon hij. Maar daar stak van Beek, die zeker meende dat
hij er ook bij noodig was, zijn spitsen neus vooruit, tusschen hen
beiden in. "A...tjie!" deed Piong Pan Ho, en niesde hem vlak in het
gezicht. Beleefd was het niet; misschien dacht de Singkeh van wel;
wat hij er echter mee bedoelde gelukte: van Beek week achteruit en
poetste zijn brilleglazen af. "Woont meneer nog in hetzelfde huis als
vroeger?" fluisterde Piong Pan Ho. "Ik meen te hebben gehoord dat u
verhuisd is."
"Ja," bevestigde Wije, en duidde hem uit waarheen. "Wou je mij
spreken, thuis?"
"Als het mag, van avond na sluiting.... neen, om zeven uur ongeveer."
"Goed. Kom gerust," zeide Wije, ziende dat van Beek, onverbeterlijk
als hij was, weer naderde. "Dag!"
Piong Pan Ho ging terug naar zijn landgenoot.
"Hoe laat moet je betalen, morgen?"
"Vóór den middag."
"Best. In de vroegte kom ik bij je. Ik weet nog niet of ik het
doen kan."
"Als je het niet doet, moet ik mij failliet geven," verklaarde Kan
Liong Tjoe. "En dan valt er vooraf nog veel te beredderen."
"Ik kom vroeg," beloofde Piong Pan Ho, en daarmee was dit onderhoud
afgeloopen.
Toen Wije 's middags thuis kwam, waarschuwde hij Anneke dat er
iemand kwam om over zaken te spreken, dus dat zij niet vóór behoefte
te komen. Maar even later, toen zij uit de badkamer kwam en de
achtergalerij doorliep, waar hij nog een oogenblik zat af te koelen
alvorens haar voorbeeld te volgen, hield hij haar staande.
"Herinner je je dien Singkeh," vroeg hij, "die eens als klontong bij
ons geweest is, en je toen een armbandje present gaf?"
"Ik geloof niet dat ik hem zou herkennen," zeide Anneke. "Het is al
zoo lang geleden! Maar ik weet nog wel dat ik het kreeg; ook heb ik
het snoertje nog. Toen het te nauw werd heeft mama het opgeborgen en
bij het uitzoeken heb ik het weerom gevonden."
Beiden zwegen een oogenblik; de laatste woorden van het meisje hadden
een nog gevoelige snaar aangeraakt.
"Nu," vervolgde hij ten slotte, "die man komt straks hier."
"Die klontong?" vroeg zij verbaasd.
"Dat is hij al lang niet meer. Sedert jaren is hij toko-houder en
een goed aangeschreven klant van onze firma. Ja ja, die Chineezen
hebben slag van handelen, als het er ten minste inzit. En die Piong
Pan Ho... enfin, hij komt vanavond hier. Interesseert het je hem te
zien? Hij is bovendien nog een soort natuurwonder."
"Hoe dat zoo, pa?"
"Wel, dezelfde dankbaarheid, die hem dreef om jou dat ding te geven,
schijnt hij nog steeds te koesteren. En dat enkel omdat ik hem even
den weg gewezen heb."
"Dat is zeker iets bijzonders," lachte Anneke. "Zal ik dadelijk even
vóór komen, of wachten tot acht uur?"
"Zoodra hij komt. Want hij maakt natuurlijk geen visite, om op te
staan als het schot valt. Als de zaken afgehandeld zijn, maken die
lui het meestal niet lang meer. En.... laat wat brandy vóór brengen;
iets anders gebruiken zij gewoonlijk niet."
XI.
NOG EEN PAAR AANBIDDERS.
Anneke ging zich kleeden en Wije ondernam den tocht naar de
badkamer. Het was toen nog geen zes uur, maar eer hij geheel gekleed
was, werd het nagenoeg zeven uur. Want na den dood zijner vrouw was
Wije in zijn slechte gewoonte van vroeger vervallen, om gedurende
het aankleeden verbazend te treuzelen. Eigenlijk vóór het aankleeden,
want dan liep hij heen en weer in zijn slaapkamer, palen afstands, soms
hardop redeneerende, doch steeds in nadenken over eenig onderwerp dat
hem in den loop van den dag of vroeger getroffen had, dit uitwerkend
tot hij ermee gereed was, of plotseling door zijn klok gewaarschuwd
werd dat de tijd niet stilstond. De minuten die overbleven besteedde
hij aan een haastig toilet.
Daarna las hij de courant, tenzij er visite kwam, en week in zoover af
van zijn vroegere gewoonte, dat hij al wat daarin interessant voorkwam,
aan Anneke voorlas. Aan tafel openbaarde zich het resultaat van zijn
overpeinzingen, ten minste als hij tot een conclusie had kunnen komen;
en voorzeker was het voor Anneke leerzaam en ontwikkelend om hem aan
te hooren.
Zij had intusschen minder tijd noodig dan haar vader; zelfs heden,
ofschoon zij bijna een kwartier verbeuzelde om het roode armbandje
van Piong Pan Ho, met een tusschenvoegsel van andere kraaltjes, zoo
te vermaken dat het wijd genoeg werd haar pols te omspannen. Toen zij
ermee gereed was, verliet zij haar kamer, benieuwd of de Singkeh het
herkennen zou.
Uit gewoonte wilde zij eerst het voorerf opgaan, doch zich bedenkend,
draaide zij om in de binnengalerij en liep naar achter, onderweg een
paar pisangs medenemende voor de paarden. De stal was geheel aan het
uiteinde der bijgebouwen. Daar staande, terwijl de vriendelijke dieren
haar nog dankbaar voor de lekkernij besnuffelden en zij hen streelde,
zag zij plotseling aan den voet van de grens-pagger verderop, iets
wits. Zeker een doek of een stuk goed, dat daar te drogen had gehangen,
er afgewaaid was, en door de bedienden vergeten!
Vlug wipte zij er heen, maar toen zij de plaats bereikt had uitte zij
een klein gilletje. Gehurkt op den grond, achter een plekje waar de
pagger minder dicht begroeid was, zat een Europeaan, die nu verrast
oprees. Blijkbaar had hij haar bespied. Dit en het feit dat zij even
geschrikt was, riep een toornigen blos op haar wangen te voorschijn.
"Djonkok't [2] u zoo graag, of durfde u niet over de pagger heen
kijken?" vroeg zij verontwaardigd.
"Hè...?" deed hij, onbeleefd, de door haar gebruikte woorden niet
verstaande. "U is zeker de jongejuffrouw Wije."
"Ja," erkende zij, vreemd ophoorend van de betiteling, die in Indië
gemeenlijk door "non," vervangen wordt of bij meisjes van Anneke's
leeftijd en ontwikkeling reeds door juffrouw. "Wie is u?"
"Ik ben van Beek."
"O!" was de uitroep, waaraan de ander bij het noemen van zijn naam
zelden ontsnapte. "Toen u bij papa een visite maakte, was ik niet
thuis," liet zij er op volgen. "Maar waarom loerde u zoo, en hoe komt
u hier?"
"Ik woon hier in het paviljoen, en ik keek... naar u," biechtte hij
zijns ondanks.
"Nette manieren! Verbeelje dat een der bedienden het gezien had!"
"Ik... was bang dat u weg zou loopen," stotterde hij, "en ik vond
dat u zulk mooi haar had."
Er moest een wondere kracht in die zwarte oogen schuilen, dat zij
van Beek een niet al te slecht verzonnen uitvlucht en een direct
compliment--het eerste van zijn leven!--ontlokken konden.
Anneke was gevleid en daarmee haar boosheid verdwenen. Coquet wendde
zij haar hoofd af, als zag zij iets in de achtergalerij, en liet hem
een oogenblik gelegenheid den rijken tooi van donkere zacht krullende
lokken van nabij te bewonderen, doch spoedig daarop tintelde er iets
guitigs in haar blik.
"'t Is niet allemaal echt," zeide zij.
Dadelijk stak hij zijn armen over de pagger; en eer zij er op bedacht
was, haalde hij met de eene hand haar hoofd naar zich toe, terwijl
hij met de andere aan haar haren trok.
Pats! volgde een klap op zijn gezicht, die zich weldra rood afteekende
op den bleeken achtergrond van zijn wang. Van Beek tuimelde eenige
passen achteruit onder het uiten van een zeer onridderlijk scheldwoord,
en half bukkende, scheen hij naar een voorwerp te zoeken waarmee
hij kon gooien. Anneke begreep zijn bedoeling en het ongehoorde
daarvan deed al haar gevoelens wijken voor een plotselingen machtig
opkomenden spotlust.
"Nero, Nero, Nero!" riep zij in de handen klappende, maar zonder van
de pagger te wijken. "Kom hier; pak ze! Kss, kss, kss!"
En van Beek, zich geen tijd gunnende om te zien, zette het op een
loopen naar zijn paviljoen, achtervolgd door den helderen lach van
het meisje.
Een kwartier later opende hij voorzichtig de deur en sloop naar het
hoofdgebouw. In de voorgalerij was visite, die hij niet had hooren
komen--anders zou hij achtergebleven zijn--maar waar hij nu midden in
viel. De zelfs eenigszins gezwollen vlek op zijn wang lokte een vraag
uit van den chef, en van Beek wist niet beter te doen dan een getrouw
verhaal te geven van het gebeurde. Tot zijn eer moet gezegd worden dat
hij van de waarheid niet afweek, doch hij meende dat een dergelijke
handeling van een meisje op zichzelf al afkeurenswaard genoeg was.
"Iedereen probeert mij wat wijs te maken, en dat laat ik mij niet
langer doen," eindigde hij, terwijl de aanwezigen elkaar nauwelijks
durfden aanzien.
"Heeft Wije tegenwoordig een hond?" vroeg de gastheer aan zijn vrouw.
"Welneen," antwoordde zij, onder algemeen gelach.
"Had ik dat geweten!" was de uitroep die de vroolijkheid ten top
deed stijgen.
Piong Pan Ho was prompt op zijn tijd gekomen, uitgedoscht in een nieuw
pak, van kleur en model echter gelijk aan dat waarmee hij ruim zes jaar
geleden aan wal gestapt was; alleen waren de toenmalige beenen knoopen
thans vervangen door de sierlijke tresjes, die men kantjing-tjina
noemt, en waaraan losse knopjes zaten uit edel metaal vervaardigd.
Anneke, gewoon de gasten haars vaders de hand toe te steken, maakte
met den Singkeh geen onderscheid. Daardoor viel diens blik op het
versierseltje dat zij droeg; het onmiddellijk herkennende, streelde
hij even haar arm en barstte los in een woordenvloed die zijn hooge
emotie te kennen gaf. Het meisje was schooner dan de schoonste bloem,
betuigde hij, en haar hart van goud en edelsteenen, waarin hij binnen
weinige dagen het prul dat zij alleen had aangedaan om vriendelijk
te zijn jegens hem, den schurftigen hond, hoopte om te zetten....
Wije wist er eindelijk lachende een eind aan te maken en Anneke
retireerde zich, doodverlegen door het effect dat zij niet had kunnen
voorzien.
"Heeft meneer deel in de firma waarbij hij werkt?" vroeg de Singkeh,
toen beiden wederom gezeten waren.
"Neen," zeide Wije.
"Waar werkt u dan voor?"
"Voor tractement."
"Dat hadden ze mij verteld," zeide Piong Pan Ho. "Maar als de firma
groote winsten maakt, krijgt u dan niets daarvan?"
"Niets hoegenaamd."
"En de verliezen?"
"Gaan mij ook niet aan."
"Dan begrijp ik niet waarom u zoo hard werkt. Andere heeren verkoopen
niet half zooveel als u."
"Toch wel," zeide Wije, het moeilijk vindende om in 't Maleisch,
aan een Chinees, uit te leggen welke innerlijke hoedanigheden
een ondergeschikte aanspoorden om zijn best te doen, zelfs al
was de uitslag daarvan voor hemzelf, wat het financieele betrof,
onverschillig. Abstracta komen in een onderhoud tusschen Europeaan
en Aziaat zóó zelden voor, dat nagenoeg niemand ze kent.
Wije behielp zich met de verklaring dat uit het ati, het hart,
allerlei goede daden kunnen voortkomen, onder anderen medelijden, de
zucht om iemand te helpen en zooveel meer. Had niet zijn toehoorder
zelf zooeven blijken gegeven een goed ati te bezitten?
Ja, dat begreep Piong Pan Ho. Men kon dankbaar zijn en aangedaan
tegenover iemand, vooral als dat een beeldig mooi meisje was; maar
in zaken, in den handel... neen, dat ging hem te hoog! Werken deed
niemand zonder loon; hoe harder werk, hoe hooger verdienste; daar
had een ati niet mee te maken. Soedah, hij wist echter ongeveer wat
hij weten wilde. Nog één vraag slechts.
"Waar bewaart meneer het geld dat hij overhoudt?"
"Bij de Bank."
"Dus kan het meneer volstrekt geen kwaad, als een groote klant van
de firma failleert?"
"Neen," zeide Wije, maar plotseling opmerkzaam. Hij had het tot nu toe
gevoerde gesprek voor een der gewone praatjes gehouden, die altijd
aan de zaak waarvoor een Chinees komt, voorafgaan. Nu echter begon
hij het vermoeden te krijgen, dat deze Singkeh, bij uitzondering,
in eens met de hoofdquaestie begonnen was.
"Ik kon het meneer van morgen niet zeggen," ging Piong Pan Ho voort,
"omdat Kan Liong Tjoe bij mij was, vlak achter de toko, en het zou
gehoord hebben."
"Kan Liong Tjoe," riep Wije verschrikt uit. "Die zal toch niet...?"
"Ja, meneer; morgen. Ik had hem eenigen tijd kunnen ophouden; dat
kwam hij vragen. Maar het is voor mij erg gewaagd; en nu het u geen
kwaad kan, laat ik hem liever vallen."