geopend wil hebben, gaat hij gewoonlijk even weg tot het klaar is. Van
dat oogenblik maak je gebruik en neemt uit een pakje zes kluwentjes
weg; let wel: zes! Dat pakje geef je hem, en het klopt precies."
Welk een vreugde beving van Beek, toen den volgenden morgen de
boomklerk hem een stel passen overgaf met de woorden: "Ga even
met den mandoer naar den Boom: we hebben niets dan vier kisten
Adrianopel-garen; er is niets bijzonders aan, dus je kunt het wel
even alleen doen."
Of hij dat kon! Hij spoedde zich weg, zijn gelukkig gesternte
prijzend. Hoe toevallig dat men hem juist gisteravond had ingelicht!
Het ging precies zooals men gezegd had. Gemakkelijker zelfs. Want toen
hij den verificateur het pakje toereikte, waaruit zes kluwentjes in
zijn zak verdwaald waren, keek deze er even in en zeide: "Het zal wel
in orde zijn; ga maar door." Doch dit maakte de rekening niet. Van
Beek wilde nu, de eerste maal dat hij alleen handelde, ook toonen
dat hij zijn zaken wist.
"Weegt u het als u blieft na," zeide hij, het pakje terugwijzende.
De verificateur lachte even om zijn drukte, en wilde juist het pakje
in de kist werpen, toen plotseling zijn oog viel op van Beek's zijzak,
waaruit een rooden draad afhing. Dat was mis! En onder de suspicie
van een smokkelpartij, greep hij van Beek bij den arm.
"Mee naar den controleur," zeide hij kort.
Van Beek had den controleur nog nooit gezien, doch de faam die van
dezen ambtenaar uitging, was geweldig. Het was de opperste macht op
dit kleine terrein, hij besliste als het ware over leven en dood,
tronende in zijn bureau, waar men hem alleen in hoogst belangrijke
geschillen mocht komen storen.
"Blijf hier even staan," zeide de verificateur, zoodra zij de deur
binnen waren, en ging zelf naar den hoogen lessenaar, waarachter de
controleur verborgen zat, met wien hij eenige oogenblikken fluisterend
sprak.
"Kom eens hier, vriend!" klonk een gestrenge stem, die van Beek deed
sidderen. "Wat heb je daar in je zak?"
"De zes kluwentjes overwicht," stotterde de ongelukkige, de corpora
delicti te voorschijn halende.
"Overwicht? Wat is dat? Kom je ons nog voor den gek houden ook?--Weegt
u het even na," vervolgde de controleur tot zijn ondergeschikte,
terwijl hij wees op een balans in de vensterbank.
De verificateur deed wat hem gelast werd; maar toen de schaal in
evenwicht was, teekende zijn gelaat onverholen verbazing en hij keek
beurtelings naar de koperen gewichtjes en op den pas.
"Het komt precies uit, meneer," zeide hij eindelijk. "Daar begrijp
ik niets van!"
Neen, en de controleur begreep het evenmin.
"Hoe heet je?" vroeg hij om iets te zeggen.
"Van Beek, meneer."
"O....!"
Dat "O!" was typisch. De verificateur begon zich te schamen en
zocht naar een afleiding, die gevonden werd in het binnenkomen van
den oppasser, met het leitje waarop Bolman, de boomklerk, zich liet
aandienen. De mandoer was hem gaan waarschuwen, en hij kwam juist
intijds om medeaanhoorder te zijn van van Beek's explicatie.
De controleur moest er om lachen, maar dat nam niet weg dat het feit
bleef bestaan, dat van Beek, hetzij dan uit onnoozelheid, zich aan
de hooge waardigheid van den Boom vergrepen had.
"Ik zal het er voor ditmaal bij laten," sprak hij tot Bolman. "Maar
zeg aan je chef, dat hij vriendelijk verzocht wordt ons dergelijke
tooneelen te besparen en dit jonge mensch thuis te houden; op den
duur zou het aan den goeden naam uwer firma schade doen."
Deze boodschap, behoorlijk overgebracht, bezorgde van Beek een klinkend
standje van den chef. Hij beloofde beterschap en van nu af aan niets
meer te zullen gelooven. Intusschen, daar hij aan den Boom niet meer
komen mocht, voegde de chef hem aan Wije toe.
Onder de leiding van dezen en den bedaarden Terborg viel er werkelijk
eenige beterschap te bespeuren, maar aan de volkomen genezing moest
nog eerst het tweede feit voorafgaan.
Er was een avondje geweest bij een familie, en twee der jongelui uit
het logement zaten na afloop op het galerijtje vóór hun bovenkamers
te bekoelen en wat na te praten. Daar opende zich van Beek's kamerdeur
en deze trad naar buiten.
"Op mijn kamer is een verschrikkelijk groote vleermuis," deelde
hij mee.
"Schiet hem dood," raadde de een; en de ander, met een goed geveinsd
gebaar van schrik en afschuw, schoof zijn stoel achteruit en week
als ontzet eenige passen zijwaarts.
"Je deur is toch goed dicht?" vroeg hij.
"Ja, waarom?"
"Gelukkig. Neen, alsjeblieft, niet te dicht bij mij! Die beesten
zitten vol ongedierte en licht heb je al wat te pakken."
"Neen, dat kan niet," betuigde van Beek. "Ik ben stilletjes in mijn
bed gebleven tot hij onbeweeglijk tegen den zolder bleef zitten. Toen
ben ik eruit gekomen om te vragen wat ik doen moest."
"Wel.... je hebt een geweer. Heb je hagelpatronen?"
"Ja."
"Nu, dan is het eenvoudig genoeg, als je maar voorzichtig bent,
zoodat je hem niet opschrikt. Ga zoo zacht mogelijk terug, neem je
spuit en mik secuur."
"Zou jij het niet voor me willen doen?"
"Merci; ieder op zijn eigen kamer, hoor!"
"Nu.... dankje." En hij verwijderde zich. Maar nauwelijks had hij
de deur in alle stilte achter zich gesloten, of de beide jongelui
namen hun sloffen in de handen en slopen op hun bloote teenen naar
hun kamers.
Het was één uur in den nacht. Het geluid der tongtongs aan de
wachthuisjes, die het uur aangaven, voorafgegaan door de bedoek in de
moskee, stierf in de verte weg; een enkele nablijver, die geslapen
had op zijn post, liet nog even zijn slag hooren, en toen was alles
stil, zoo stil als het in een Oostmoeson's nacht zonder kikkers en
krekels slechts wezen kan. In het hotel sliep iedereen of lag althans
te bed. Daar klinkt de scherpe knal van een geweerschot, scheurend
door de luchtlagen. Deuren vlogen open, en van alle kanten stroomden
halfgekleede gestalten toe onder angstig vragen: "Wie is het? Heere,
wie zou het zijn?"
"Boven, boven!" was het antwoord, en men vloog, struikelend over
elkaar, de trap op, de logementhouder voorop. Ook dáár waren alle
deuren open.... op drie na. De logementhouder bonsde op de eerste,
en een slaapdronken stem gaf antwoord. De tweede deur was die van van
Beek. Men gevoelde, zoodra zijn naam genoemd was, dat hij het moest
zijn, en diep medelijden beving allen. De deur werd geopend... en
daar stond de gewaande zelfmoordenaar, zich oprichtende, voorzichtig,
met een papiertje, een doode vleermuis aanvattend en in de hoogte
houdend onder den blijden uitroep: "Ik heb hem!" Het geweer tegen de
kastdeur aangeleund, illustreerde de rest.
's Morgens daarna zat de stumper in zijn kamer. Naast hem een kom
met ijs, waarin hij de compressen koud maakte, alvorens die op zijn
deerlijk gehavend gelaat te appliceeren. Intusschen bevond zich
de logementhouder op het kantoor, waar hij den chef het gebeurde
mededeelde, zijn leedwezen betuigende dat hij de logé's niet had
kunnen verhinderen van Beek een geducht pak slaag te geven, maar
aan den anderen kant den chef beleefd doch dringend verzoekend,
den jongen man elders onder dak te brengen.
Deze begreep dat dit verzoek billijk was, en zoodra van Beek weer
voor den dag kon komen verhuisde hij naar het paviljoen van den chef,
bij zichzelven zwerende dat hij nu heusch niemand meer vertrouwen zou.
IX.
TROUWEN... GOED; MAAR GEËNGAGEERD...!
In het begin van den Oostmoeson had Wije zijn plan om te verhuizen
volvoerd. Zijn nieuwe woning was iets minder ruim dan de vorige,
maar had het voordeel van beter gebouwd te zijn; iets wat in Indië
voornamelijk uitkomt bij deuren en vensters, in de meerdere of mindere
mogelijkheid die te kunnen sluiten, en in het al of niet optrekken
van vocht in de muren. Het voorerf was klein, zoodat het huis vrij
dicht op den weg stond, maar het achtererf zooveel te langer. De
achtergaanderij lag nagenoeg op één lijn met de voorgaanderij van
het huis daarnaast, waarin toevallig Wije's oudste chef woonde. Wat
men met de plaatsing van het huis, zoover naar voren, bedoeld had,
was een geheim dier befaamde Indische bouwkunst, maar wat er mee
te doen was, wist mevrouw Duna bij haar eerste bezoek onmiddellijk
te zeggen. Zij raadde Wije aan het geheele erf te koopen, er in de
lengte een weggetje af te scheiden, breed genoeg voor een dogcart,
en heel achteraan een inlandsche kampong aan te leggen, waarvan hij
huur kon trekken. Een mooier en secuurder geldbelegging was er niet,
verklaarde zij.
"Ik zou bang zijn dat er niet veel van de huur terecht kwam," meende
Wije. "De huurders zouden toch arme inlanders zijn, en we weten allen
hoe weinig men die financieel kan vertrouwen."
"En het Gouvernement dan?" vroeg zij. "Hoe krijgt dàt zijn geld
binnen van diezelfde inlanders? Hoe anders dan door hoofden aan te
stellen, die belang hebben dat te blijven, en daarom zorgen dat het
geld wordt opgebracht?"
Wije had op zijn tong om te zeggen dat het Gouvernement geen
particulier was, dat het als souverein regeerde en als zoodanig
wettelijke handelingen deed, bekend onder termen als landrente en
belastingheffen, rechtspraak, en zoo voort; maar dat diezelfde zaken
door particulieren uitgeoefend andere namen droegen, waaronder de
meest populaire "scharrelen met inlanders in de kampong." Doch hij
was een voorzichtig man.
"U spreekt alsof u ondervinding had van die dingen," peilde hij het
terrein, lachend.
"Nu ja," viel de heer Duna in, "mijn vrouw heeft voor haar liefhebberij
en met een philanthropisch doel wat huisjes laten zetten, óók op een
achtererf, van een huis dat mij toebehoort. Maar dat is geen maatstaf
voor sérieuse zaken.--Wel Anneke wat zie je er goed uit. Hoe oud ben
je nu?"
Maar die manier om van onderwerp te veranderen lukte niet. Mevrouw
Duna had den wenk van haar man wel begrepen, doch het beviel haar
niet dat hij door zijn vraag de attentie op Anneke vestigde, wie zij
het gebeurde op den sterfdag van haar moeder nog niet vergeven had.
"Hoor nu zoo'n man eens," ging zij hardnekkig voort, Anneke's antwoord
overstemmend. "Of denkt u, meneer Wije, dat een huishouden als het
mijne met zeshonderd gulden in de maand te drijven is?"
"Neen, mevrouw zeker niet.--Hé," vervolgde Wije, na even geluisterd
te hebben, "begint de zee nu al te spoken? Dat is vroeg!"
Als de Westmoeson doorstaat, is er betrekkelijk weinig wind noodig
om de naar die zijde open reede van Semarang woelig te maken; en dan
hoort men 's avonds, als de geluiden die de dag meebrengt, verstomd
zijn, op Bodjong het slaan van de branding. Maar het jaargetij was
nog zoover niet. De opmerking van Wije deed allen naar buiten zien,
de oogen in de richting vanwaar men meende dat het geluid kwam.
"Het is een rijtuig, dat van de stad komt."
"Neen pa, van boven," zeide Anneke.
Men twistte een oogenblik over deze vraag; en toen het bleek dat
Anneke gelijk had, vond Wije gelegenheid iets te zeggen over de
slechte ontwikkeling van het gehoor bij Europeanen, in tegenstelling
van inlanders en ook van de in Indië geborenen. Men had daar zoo
niet op gelet, doch nu Wije het zei... jawel! nu wist men staaltjes
bij te brengen, die voor de juistheid van zijn stelling getuigden;
men herinnerde zich dat men steeds bij ieder vreemd geluid als
onwillekeurig de bedienden naar de herkomst, de beteekenis vroeg,
en meestal een voldoend antwoord kreeg. En daarmee was men over het
gevaarlijke punt heen, dat niet meer werd aangeroerd. Toen het schot,
om acht uur, gevallen was, vertrok de visite.
Naar huis rijdende verweet Duna zijn vrouw haar onvoorzichtigheid,
en dreigde haar den heelen boel op te zullen ruimen, als zij hun
reputatie daarmee in gevaar bracht. Zóóveel was die liefhebberij
niet waard; gelukkig dat Wije het klaarblijkelijk niet had begrepen,
en.... dat hij de discrete Wije was. Zij antwoordde niet, maar leunde
behagelijk achterover, stil voor zich heen lachende over de domheid
dier beide mannen; de een die zoo weinig bon entendeur was, en de ander
die zóó weinig blik op zijn eigen huishouden had, dat hij werkelijk
geloofde dat zij dit met zijn vaste toelage bestreed--nu ja, iets
kwam er misschien uit die kampong, maar veel kon het toch niet zijn.
Wije intusschen herdacht het gehoorde, dat hij best begrepen had. Hij
bracht het in verband met een vroeger door hem vernomen gezegde van
mevrouw Duna, die zich eens had uitgelaten dat een vrouw, die niet
minstens het geld voor haar huishouden wist te verdienen, geen knip
voor haar neus waard was. En hij had schik dat hij de oplossing van
deze raadselachtige woorden gevonden had. Aan den anderen kant maakte
het zijn verontwaardiging gaande. Weliswaar bestond ten slotte ook zijn
firma van den inlander, die de katoentjes kocht; ja, men kon verder
gaan, en zeggen dat het tractement van den Gouverneur-generaal en al
die hooge heeren voor het grootste deel bestond uit de centen van Kromo
en Wongso, maar.... wat maar? Wije was even vast geraakt, doch vond
spoedig een uitweg. Men handelde niet direct met die lui. Dáár zat de
knoop. Kromo ging niet naar Buitenzorg om zijn centen te deponeeren
en Wongso kwam niet bij de firma om anderhalve el katoen voor zijn
baadje. Er waren tusschenpersonen: hoog, lager en laagst. De laagsten
kwamen slechts met den inlander in aanraking. Dus: deed men het na,
dan verlaagde men zich.
Heel tevreden met die redeneering ging hij aan tafel; daarna gaf hij
Anneke les. De methode die hij hierbij volgde was zeer bijzonder en
zou, als hij bekend was geworden, van vakmannen de haren te berge
hebben doen rijzen. Op school had Anneke de beginselen van het Fransch
geleerd; daarmee was hij doorgegaan, om na korten tijd er Engelsch
en Duitsch bij te nemen, afwisselend voor elke taal een week. Een
grammaire werd niet gebruikt en toch was het onderricht streng
grammatikaal. Men nam eenvoudig een roman en begon te lezen. Eerst
woord voor woord, elk rededeel op zichzelf beschouwende en er
de bijzonderheden van opsommende, van een werkwoord de beknopte
vervoeging, van een zelfstandig naamwoord meervoud, naamvallen en
geslacht, en zoo voort; dan de plaats der woorden in den zin en hun
betrekking tot elkaar; eindelijk de vertaling, en na eenigen tijd
een resumé van het gelezene in de oorspronkelijke taal. Geen thema's,
geen fouten, geen opvoedkundig en leerzaam strafwerk... hoe kon dat
goed gaan? Gelukkig dat Anneke nooit rekenschap heeft behoeven te geven
van de wijze, waarop zij geleerd had zich zoo vloeiend uit te drukken
in de vreemde talen. Voorloopig was van de buitenwereld Kees Duna de
eenige die iets bemerkte van haar vorderingen, en er zich in verheugde.
Kees had dit jaar eindexamen gedaan; na de vacantie zou hij naar
Batavia vertrekken, om voor Indisch ambtenaar te studeeren. Achttien
jaar oud, had hij zijn vollen wasdom bereikt; iets korter dan zijn
vader, maar breeder in de schouders. Over zijn geheele gestalte
lag een waas van groote rustigheid en zekerheid verspreid, en zijn
ernstige grijze oogen teekenden een vasten wil en geduld om dien uit
te voeren; over het algemeen zou men hem ouder geschat hebben dan
hij was, zoo niet het dons op zijn bovenlip zijn leeftijd verraden
had. Bij de drukke bezigheden van zijn vader, die zelfs tehuis werkte,
en een moeder die haar tijd liever besteedde aan haar geldmakerij dan
aan haar zoon, had Kees zich al vroeg alleen gevoeld en geleerd de
personen met wie hij in aanraking kwam, te beproeven en te schatten
eer hij zich bij iemand aansloot. In zijn sympathieën was hij zeer
conservatief, en steeds kostte het hem moeite zich los te rukken van
iemand of iets, waarbij zich die geplaatst hadden. Zijn gevoel voor
Anneke, in den beginne niets meer dan groote-jongens-genegenheid voor
het mooie kinderkopje, was langzamerhand overgegaan in een sterke
gehechtheid, voortgesproten uit de gewoonte van dagelijks zien,
en elkaar meedeelen der gedachten. Kindergedachten weliswaar, doch
voor kinderharten minstens even belangrijk als voor groote menschen
de hunne. De tijd van scheiding, gevolgd na de afspraakjes op het
erf der hoogere burgerschool, was voor Kees, ondanks zijn volharding,
een tijd van pijnlijke zelfkwelling geweest. Zijn wil had toen strijd
gevoerd tegen zijn conservatisme, en de overwinning behouden, tot
Anneke door haar daad van moed en liefde in zijn oogen de oude schuld
had uitgewischt.
Gepraat hadden zij er niet veel over; op een middag na haar terugkomst
van Oengaran stond Anneke als vroeger aan den ingang van het erf,
en daar kwam ook Kees weer aan. Dat was alles. Eerst later bekende
Kees hoe naar hij die langdurige verkoeling gevonden had.
"Ik ook, Kees," antwoordde zij. "En weetje, ik ben zoo
veranderlijk... maar op 't eind houd ik toch altijd het meest van jou."
Dat wist hij en daarmee was hij tevreden. Iets anders echter
maakte hem ongerust. Hij had nu de hoogere burgerschool achter den
rug, en daardoor een groote mate van wetenschap en kennis in zich
opgenomen. Pedant had het hem niet gemaakt, maar hij gevoelde toch dat
hij, met alles wat hij wist en een encyclopaedie tot zijn beschikking,
op een zoo hoogen trap van ontwikkeling stond, dat er feitelijk
niets was dat hij niet kende. Er was nauwelijks één onderwerp, dat
hij niet aandurfde; en dikwijls had hij reeds ouderen in jaren al
disputeerende vastgezet, met behulp van een honderdtal axiomata en
stellingen, die hij tot zijn beschikking had.
Anneke daarentegen had weinig schoolonderwijs genoten. Was zij nu voor
hem een geschikte gezellin? Vreemd was het, dat de gemakkelijkheid
waarmee hij anderen overtuigde, bij haar geheel in 't riet liep. Want
ook in hun minnekout droeg soms de wetenschap door; en als hij dan
zijn vaste stellingen in 't vuur bracht, bukte zij niet zooals de
anderen, maar viel in haar onnoozelheid die onomstootelijke waarheden
zelf aan, door te vragen naar de beteekenis van het meest kernachtige
woord. Trachtte hij die te ontwikkelen, dan stond het tien tegen een
of door haar domme manier van de dingen op het eenvoudigst op te nemen,
spatte de geheele stelling uiteen en bleek niet langer bruikbaar.
Hij gaf daarvan de schuld aan haar weinige woordenkennis, en daarom
vernam hij met blijdschap dat haar vader haar onderwees in de moderne
talen. Zoodoende zou zij toch eenigszins in staat zijn hem te volgen!
Opmerkelijk was dat hun vrijerij, die toch altijd plaats vond
aan den kant van den openbaren weg, tot nu toe onbesproken was
gebleven. Misschien was de reden daarvan wel juist deze, dat zij niets
trachtten te verbergen voor het alziend oog van het publiek. Maar zelfs
de wederzijdsche ouders hadden er niet de minste erg in. Toen echter
Kees op het punt stond voor langeren tijd naar Batavia te vertrekken,
meende hij het tijdstip gekomen om er over te spreken. Hij begon met
het Anneke voor te stellen.
"Ik zal je erg missen, Kees," had zij gezegd. "Zal je eens schrijven?"
"Schrijven..." zeide hij met een ernstig gezicht. "Ja, zie je, daar
komen we juist op iets waarover ik je van avond wou spreken. Ik wil
heel graag; dàt is het niet... maar, als men elkaar schrijft... de
vraag is of je pa het goedvindt."
"Pa? Waarom niet?"
"Wel," zeide hij, "omdat als wij elkaar brieven schrijven... Je zoudt
mij toch antwoorden?"
"O zeker, Kees," beloofde zij, door zijn blijkbaar aarzelen gespannen.
"Dan zouden we zoo goed als... geëngageerd zijn."
Het was eruit! Kees keek verlegen om zich heen en Anneke beefde als
een blad, terwijl het bloed haar naar het hoofd steeg. Zij dacht niet
aan het zotte, dat twee gelieven elkaar wel zouden mogen spreken,
dag aan dag, en bij het afscheid, als het donker was geworden, elkaar
een zoen geven, maar niet op eenige honderden mijlen afstand mochten
correspondeeren, zonder dat eerst op hun verhouding een officieele
stempel gedrukt was. Aan de gedachte dat zij eenmaal met Kees zou
trouwen was zij reeds lang gewoon--hoe dikwijls hadden zij het
elkaar niet gezegd!--maar geëngageerd... Dat was iets anders! En
dat zou morgen of overmorgen moeten geschieden, zoo plotseling,
zoo onverwacht? Op haar leeftijd? Het was om zich dood te schamen!
"Ik zou niet durven, als je er niet bij was," betuigde zij.
"Maar dat bedoel ik niet," zeide hij, begrijpende wat haar voor de
oogen zweefde; "geen publiek engagement; daarvoor zijn we allebei
nog te jong. Geheim, weet je; niets dan een afspraak.... Later,
als ik klaar ben, en aangesteld, wordt het pas publiek. Twee jaar
moet ik te Batavia zijn, en dan duurt het nog wel een jaar dat ik
aspirant ben. Over drie jaar ben je zeventien en ik controleur. Het
is maar om elkaar in dien tusschentijd te mogen schrijven; en ook,
als ik in de vacantie thuis kom, om je te kunnen opzoeken."
"Moet ik het papa vragen, Kees?"
"N..neen," zeide hij na een oogenblik nagedacht te hebben. "Ik zal er
thuis over spreken met mijn pa, en dan zal die wel verder zorgen. Zoo
hoort het."
Eerst in den naävond van den volgenden dag vond Kees gelegenheid
zijn vader de zaak voor te dragen. De heer Duna glimlachte over de
zonderlinge convenance-begrippen van zijn zoon, maar nam het feit
zelf ernstig op.
"Je begint vroeg, Kees," zeide hij. "Maar soedah, dat is tot
daaraantoe. Je kunt echter van mij niet vergen dat ik accès voor
je ga vragen bij een kind van veertien jaar. Neen... ik weet wat
je zeggen wilt; om haar nu en dan een brief te mogen schrijven,
kan je desnoods zelf vragen, bijvoorbeeld als je een afscheidsvisite
maakt. Iets anders. Je moogt niets doen zonder er eerst je moeder in
gekend te hebben. Wat mij betreft, ik heb me altijd voorgenomen om
in een geval als dit volkomen neutraal te blijven, en mij hoogstens
te bepalen tot een waarschuwing, als die noodig mocht zijn."
"Zou u het mama willen zeggen?" vroeg Kees.
"Hm, ja. Maar blijf er bij, dan weet je het meteen. Ga vast vooruit;
ik moet even wat afmaken."
Kees verliet het "kantoor" en begaf zich naar de achtergalerij,
waar hij bij wijze van voorbereiding met geforceerde lievigheid
zijn moeder in een goede luim zocht te brengen. Het gelukte vrijwel,
doch toen zijn vader kwam en opening van zaken gaf, zag Kees dat hij
vergeefsche moeite had gedaan.
"Wat? Dat nest, dat mij zóó gebrutaliseerd heeft!" riep mevrouw Duna
uit. "Nooit!"
Zij moest haar woorden toelichten, en dit deed zij, hoewel met
schromelijke overdrijving van de houding die Anneke had aangenomen,
die volgens haar met de nagels een attaque had uitgevoerd en zoodoende
de behulpzame bezoeksters had doen wijken.
"Kassian," zeide de heer Duna; "het kind zal gek van smart geweest
zijn. En wat deed je er ook!"
De laatste woorden had hij gemompeld, maar niet zacht genoeg. Er volgde
een scène, die eerst den vader en toen den zoon de vlucht deed nemen,
ieder naar zijn kamer.
Met dat al was Kees niet veel verder, want zijn vader bleef bij
wat hij noemde zijn neutrale houding en besliste dat Kees het met
zijn moeder moest trachten te vinden. Toen hij na een geheelen dag
in vruchtelooze pogingen verspild te hebben, inzag dat zijn moeder
onverzettelijk bleef, gaf hij het op haar te vermurwen; doch zijn
zin zoude hij doordrijven, met of tegen haar goedvinden. Nadenkende
over den te volgen weg, herinnerde hij zich de woorden zijns vaders
en besloot den daarin gelegen wenk op te volgen.
Na op den gewonen tijd Anneke gesproken en haar op de hoogte der
feiten te hebben gebracht, kwam hij iets vroeger dan het gebruikelijke
visite-uur, bij Wije.
"Ik kom afscheid nemen," kondigde hij aan, en opende daarmee het
gesprek, dat natuurlijk liep over de zaak die tot dit bezoek aanleiding
had gegeven.
"Waar blijft Anneke toch!" zeide Wije na eenigen tijd; en hij riep
een bediende om haar te waarschuwen. "Hier is Duna," ging hij voort,
toen zij eindelijk verscheen, "die overmorgen vertrekt en ons goeden
dag komt zeggen."
"O!" deed de kleine huichelaarster, Kees een hand gevende. "Niemand
had er mij iets van gezegd. Dus ga je naar Batavia?"
"Ja," zeide Kees.
"Hè hoe prettig!" speelde zij haar rol verder. "Ik zou ook wel eens
naar Batavia willen. Alle menschen zeggen dat het er zoo mooi is;
maar als je ze vraagt om iets te vertellen, weten ze niets."
"Nu," bood Kees aan, "als je met mijn stijl en voorstellingsmanier
genoegen neemt, wil ik je wel het een en ander schrijven--wanneer ik
tijd heb."
"Tijd," pruilde Anneke. "Dan komt er natuurlijk niets van."
"Foei," viel Wije in. "Is dat nu een manier om een vriendelijk aanbod
te beantwoorden?"
"Ik weet wat!" zeide Kees. "Telkens als ik een epistel stuur over
Batavia, krijg ik er van jou een terug over alle kennissen hier."