"Indische lui," verklaarde deze, "beweren dat de ziekte altijd bepaalde

woningen treft. En ik geloof het ook. Veertien jaar geleden woonden

wij in de stad; toen de ziekte kwam, zijn wij verhuisd, omdat een

oude meid aan mijn vrouw gezegd had, dat in ons huis vroeger een

geval was voorgekomen. Na ons trok een onderwijzer er in, en hij en

zijn vrouw hebben het beiden gekregen."

"Ik dank u voor de raadgeving," zeide Wije, en bracht het gesprek op

iets anders over.

Toen zij huiswaarts reden kwam het hem echter weer in de gedachte,

en hij overwoog de vraag, of er verband kon bestaan tusschen de

overtuiging dier menschen en het feit, dat Anneke en hij, die het

grootste gedeelte van den dag uit huis waren, zij op school, hij op

het kantoor, waren gespaard gebleven; en hij nam zich voor tegen den

Oostmoeson, onder een of ander voorwendsel, te verhuizen.

Nog een paar dagen bleven er over eer zijn verlof om was, die hij

doorbracht met in zijn huis alles te ordenen. Hij besloot Anneke niet

langer te laten schoolgaan; de avonden kon hij nu geheel aan haar

wijden; het was toch altijd een lievelingsdenkbeeld van hem geweest

zijn eigen kinderen te onderwijzen; overdag moest zij dan voor het

huishouden zorgen. Het meisje was met dit plan zeer ingenomen.

VIII.

ZOU DIE OOIT TERECHT KOMEN?

De eerste keer dat Wije weer op het kantoor verscheen, wachtte

hem een nieuwtje. Eenige dagen geleden, zoo vertelde men hem,

hadden de chefs 's morgens vroeg zitten lachen en pret gehad, wel

tien minuten lang. Waarover, had men niet kunnen opvangen; doch in

het middaguur, toen ze naar huis waren, liet de correspondent door

den klerk Meijerbeer een paar brieven op den lessenaar van den chef

neerleggen. Men hoorde kort daarop een gegiegel, en de klerk met zijn

muzikalen naam kwam grijnzend terug.

"Ik weet, meneer," riep hij uit, zoo opgewonden als dat bij iemand

van zijn slag mogelijk was.

"Laat hooren."

"Zal-d-er komen een jongelui met de overgroote meerderheid van

zedelijkheid."

"Watblief?" zeide de correspondent.

"De desbetreffende missive ligt op meneer zijn tafel," ging de klerk

voort; "zijn schaapachtigheid grenst aan de ongeloovigheid, maar tida

koerang wang. Hij moet met de stukken van het geld leeren slaan."

De employé's zagen elkaar aan; de nieuwsgierigheid was groot; ieder

dacht hetzelfde, koesterde dezelfde begeerte; maar toen deze op het

punt stond zich te uiten in een algemeen opstaan en stormen naar de

kamer der chefs, werd zij intijds bedwongen door den correspondent,

die inzag dat zoo iets geen pas gaf tegenover de inlandsche oppassers.

"Hier, Meijerbeer," zeide hij, dezen een schoon vel papier en een

potlood aanreikende, "maak als de bliksem een afschrift. 't Hoeft

niet mooi, hoor! En niets verschikken op de tafel."

Het luidde als volgt:

Amice!

Heb medelijden met een diep ongelukkig vader! Als gij dezen

ontvangt is mijn zoon Johan, mijn eenige, dicht bij de stad uwer

inwoning en zal weldra voor u staan. Schrik niet als gij hem ziet

en lach niet, wat ik u bidden mag; het is te ernstig. Het zal

u moeielijk vallen in zijn trekken de mijne te herkennen of die

mijner overleden vrouw, zóó zijn zij misvormd door een uitdrukking

van schaapachtigheid, die aan 't ongeloofelijke grenst. Misschien

is het mijn schuld, dat ik hem als jongen te weinig bespied,

te veel toegegeven heb, te lang een gouvernante gelaten--ik weet

het niet; trouwens in onzen kring werken allerlei omstandigheden

daartoe mede, dat wij de zorg voor een kind aan vreemden moeten

overlaten. Maar toen zijn moeder dood was had ik meer gelegenheid

hem te observeeren. Ik zag toen zijn kwaal en meende die te

moeten toeschrijven aan gebrek aan omgang met jongelui van zijn

leeftijd. Zoo spoedig mogelijk liet ik hem klaar maken voor de

academie, en bracht hem zelf naar Leiden. Helaas! twee maanden

later kwam hij weer thuis, nu voorgoed bedorven. Ik kon hem

niet meer weg krijgen; van dien dag af leidde hij een leven dat

ik verklaar niet te begrijpen. Hij is ziek; ziek door overmaat

van zedelijkheid, ingetogenheid, lichtgeloovigheid--wat moet ik

er nog meer bijvoegen? Ik heb het onmogelijke gedaan om hem te

genezen; ik heb feesten gegeven, maar dan sloot hij zich op in

zijn kamer; ik heb zijn nichtjes hier gelogeerd, maar na eenige

dagen liep hij met hen op en neer als ware hij zelf een meisje;

en zij, die anders nuffig genoeg zijn, sloegen de armen om zijn

taille--bah! Eindelijk heb ik zelf geprobeerd hem te verleiden;

ik heb hem gebracht in de buurt van plaatsen--enfin, ik ben

gegaan zoover als ik durfde en gaan kon als vader. Maar het

is niet langer te dulden. Zooals hij is kan hij niet blijven,

kan hij niet optreden als erfgenaam van onzen ouden naam en

fortuin. Mijn laatste hoop is gevestigd op Indië. Gij hebt het mij

nooit geschreven, doch als ik de boeken mag vertrouwen die over

dat land handelen, dan is het daar een zoodanige maatschappij, dat

men hier te lande wèl zal doen zoo men verzwijgt er in te hebben

verkeerd. Daarheen zend ik mijn Johan, in het vaste geloof dat

de invloed van de omgeving op den duur uitwerken moet, wat hier

onmogelijk blijkt: eenigermate een mensch van hem te maken. Ik

geef hem royaal reisgeld mee en zeide hem zich voor het verdere

tot u te wenden; ingesloten zult ge een wissel van f 5000.--

vinden, terwijl een gelijk bedrag in den loop van het volgend

kwartaal door mij zal verzonden worden. Wil hem aanmoedigen er

zooveel mogelijk van te gebruiken en mij schrijven als er meer

noodig mocht zijn. Van harte hoop ik dat hij terecht komt. Het

eenige wat ik u in den naam onzer oude vriendschap verzoek is dit:

wil het oog op hem houden; en als hij het te eeniger tijd zóó bont

mocht maken, dat zelfs in de Indische maatschappij zijn doen en

laten wordt gelaakt, stuur hem dan terug. Dan eerst geloof ik aan

eene duurzame verbetering. Vrees niets zoo hij zich aan de ten

uwent getolereerde ondeugden mocht overgeven; onder de strengere

vormen onzer samenleving hier, zal zich dat alles bij een karakter

als het zijne, spoedig tot de normale grenzen laten terugbrengen.

Ontvang mijne meest vriendschappelijke groeten.

J. Th....

De handteekening had Meijerbeer niet kunnen ontcijferen. Dat was

een groote teleurstelling, doch na een paar dagen wist men den naam;

er was in het logement waar ook de procuratiehouder woonde, door den

chef een kamer besteld voor den heer van Beek.

"Sapristi, wat 'n ouwe naam!"

"Die heer papa schijnt een klap van den molen beet te hebben."

Ook Wije had geglimlacht, toen hij na het lezen van den brief, dien

zoo veel verspreiden naam vernam.

"Maar met het geld schijnt het in orde te zijn," merkte hij op.

"Dat zal waar zijn! We hebben al plan gemaakt om hem zijn aankomst

met een gloeiende fuif te laten vieren."

"Met dat al is het niet plezierig voor hem, dat die brief... zoo

verdwaald is geraakt," zeide Wije. "Jelui hebt er toch buitenaf niet

over gesproken?"

Er volgde eenig zwijgen.

"'t Is geen zaak die de firma betreft," meende de correspondent.

"Hm, ik zie het al," zeide Wije; "en ik begrijp wat er volgen moet,

als de stumper voet aan wal gezet heeft. Ik had wel trek hem onder

mijn bescherming te nemen."

"Dat doe," zeide de procuratiehouder lachend.

De oude heer van Beek had verzuimd te melden met welke boot zijn zoon

zou vertrekken. De chef der Semarangsche firma had in den beginne

een paar maal de passagierslijsten ingezien van de kustbooten, maar

onder alle andere drukten had hij de geheele geschiedenis vergeten,

tot plotseling de jonge van Beek zijn kantoor binnenkwam. Een tamelijk

lange, schrale figuur, een spitse neus tusschen bleekblauwe, starende

oogen, door een bril in hun functie bijgestaan, donkerblond haar

dat minstens in geen twee maanden geknipt was, ziedaar de persoon

die, gestoken in een grijs fantasiepak, blazende van de hitte en

verschrikkelijk transpireerende, zich voorstelde als Johan van Beek.

"Aangenaam kennis te maken; ga zitten," zeide de chef. "Je schijnt

het warm te hebben."

"Ja meneer, de wandeling hierheen viel niet mee."

"Je hebt toch niet geloopen? Ja? Waarom heb je geen wagen of dogcart

genomen?"

"Men zei dat het zoo wat twintig minuten gaans was, en toen vond

ik het zonde daarvoor een rijtuig te nemen," verklaarde van Beek,

terwijl de jongste chef zich dieper over zijn papieren heenboog.

"Nu, dat zal je in 't vervolg wel anders leeren inzien. Is de reis

voorts nogal voorspoedig geweest?"

"Dank u. Alleen hier heb ik moeite gekregen met mijn bagage. Men

vroeg mij een bewijs, een pas, of zoo iets, en toen ik dien niet had,

moest alles door naar een grooten boom.... men zei ik zou hem wel

zien onderweg, maar ik heb niets als kleine boompjes gezien en een

breede laan."

"In orde, ik zal er voor laten zorgen." En de chef schelde. Aan den

oppasser gelastte hij den boomklerk te roepen en ging voort tot van

Beek: "De "Boom" is hier het douanelokaal. Je zult zelf even met den

klerk mee moeten. Heb je witte kleeding in je koffers?"

"Jawel meneer, maar ze zeiden dat het gevaarlijk was daarmee aan wal

te gaan voor iemand die de eerste keer in 't land kwam, vanwege de

plotselinge koude buien."

"Je moet je niet zooveel wijs laten maken," zeide de chef met geweld

zijn ernst bewarende. "Ha, daar is Bolman. Bolman, ga met meneer mee

naar den Boom en help hem zijn goed in te klaren. Vervolgens breng

je hem in 't logement, en.... rijd even bij een kapper aan en zeg

hem meneer's haar te knippen zooals hier gebruikelijk is. Begrepen?"

"Best meneer," zeide de boomklerk.

"Nu, van Beek," vervolgde de chef, "tot ziens. Ik kom in den vooravond

bij je; blijf zoolang thuis en kleed je wat luchtiger. Bonjour."

Het sprak vanzelf dat de boomklerk 's middags, toen de chefs waren

gaan eten, rapport moest doen. De employé's kregen hun rijsttafel op

het kantoor gezonden, en zelden waren zij daarmee zoo spoedig gereed

en de bedienden met de etensdragers vertrokken, als heden. Toen

verzamelden zij zich om Bolman heen.

"Wat 'n portret!" begon deze. "Wij gingen maar eerst naar den kapper;

want ik geneerde mij een beetje om zóó met hem aan den Boom te

komen. Ik zei den Franschman, dat hij hem kort knippen moest--in

't Maleisch, omdat de baas mij een knipoogje gegeven had--en hij

deed het. Onze vriend zweeg als een mof zoolang het duurde. Toen

het afgeloopen was haalde hij een dikke portemonnaie uit zijn zak en

scharrelde er een poos in, totdat hij een kwartje vond. Dat legde hij

op tafel. Maar de Franschman deed alsof hij het niet zag en zei: "Ça

fait un florin, monsieur." Daar had je de poppen aan het dansen! Hij

dacht zeker dat hij werd afgezet en begon op te spelen van heb ik jou

daar. Ik had niet gedacht dat er nog zooveel pit in den vent zat, en

Fransch sprak hij als water, zoodat ik het nauwelijks volgen kon. Het

duurde een heele poos, eer ik hem kon beduiden dat dit hier de prijs

was. En nog geloof ik dat hij mij maar half vertrouwde. Soedah, om

aan den Boom niet weer hetzelfde gehaspel te krijgen, heb ik eerst

betaald en hem later in 't logement de quitantie voorgelegd. Dat

heertje schijnt erg op den penning te zijn. Maar.... hoe oud denken

de heeren dat hij is?"

"Zeven en twintig," raadde er een, en op het ontkennend hoofdschudden

van den boomklerk telde men door, tot dertig toe.

"Een en twintig!" zeide Bolman eindelijk, onder kreten van

verbazing. "Hij wordt de volgende maand twee en twintig."

In den vooravond reed de chef naar het logement. Hij ontveinsde zich

niet, dat het een moeielijke opdracht was hem door van Beek's vader

gegeven; maar hij herinnerde zich, hoe hijzelf eenmaal door zijn

rijken schoolvriend was voortgeholpen, ja feitelijk gebracht tot de

positie die hij nu bekleedde; en mocht hij er al eenige oogenblikken

over gedacht hebben zich dezen last van den hals te schuiven, bij

nadere overweging begreep hij dat de oude van Beek, met de macht van

zijn enorm fortuin, een niet te verachten vijand zou wezen en hem

evenveel kwaad als voorheen goed zou kunnen doen.

"Wel, van Beek," opende hij het gesprek, "vertel me nu eens wat van

den ouden heer." En terwijl het jonge mensch praatte, daartoe telkens

door een korte vraag aangemoedigd, bespiedde hij hem en trachtte de

met hem te volgen gedragslijn gaandeweg vast te stellen.

Nu is men in Indië gewoonlijk nogal spoedig gereed met zijn oordeel

over een nieuwgekomene; een toevallige indruk, een ongelukkig woord,

een praatje van iemand die hem vroeger gekend heeft, en men is

gereed om een uitspraak te doen, die dit eigenaardige heeft dat

zij den getroffene overal volgt, waarheen hij zich in dat land ook

begeeft. Is zij gunstig, zooveel te beter, doch dikwijls vernietigt

zij zonder mededoogen een geheele carrière.

De chef had dan zitten luisteren, met het rustige van iemand die

zeker van zijn zaak is. Hij zou dat karakter wel binnen korten

tijd schatten. En zie, na een goed kwartier trok hij met groote

beslistheid de som. Die jonge man was niet zoo dom als zijn vader

meende, enkel maar wat groen, en dàt zou er door de wrijving met

anderen wel uitgaan. Och heer, hij had er zooveel zien komen, die

erger waren dan deze, en in een paar jaar ontbolsterd waren!

"En wat zijn nu je plannen voor de naaste toekomst?"

"Papa zei, ik zou dat eens met u overleggen."

"Jawel, maar aangezien het je vrij staat te kiezen, zou ik wel eerst

willen weten waar je den meesten lust toe hebt. Over de uitvoering

kunnen we dan spreken. Hoe denk je over een reis door Java, om te

beginnen?"

"O neen, meneer," antwoordde van Beek haastig; "ik wil werken."

"Werken?" herhaalde de chef.

"Ja meneer. Ik mag, nu ik hier ben, mijn vader niet langer tot last

zijn. De reis heeft toch al zoo verschrikkelijk veel geld gekost."

De chef begon te lachen.

"Hoeveel denk je wel dat je vader bezit?"

"Drie millioen ongeveer, en als de oude tantes sterven komt er nog

een millioen bij. Dat weet ik; maar aan alles is opmaken."

Met een beweging van schrik en verrassing sprong de chef op van

zijn stoel. Het was toch ernstiger dan hij gemeend had. Was dat

onnoozelheid of vrekkigheid? De toon waarop het gezegd was en de keus

der woorden weersprak het eerste. Maar dan was het een abnormaliteit,

zóó groot... ja, dàn had de oude van Beek toch gelijk!

"Hoor eens," zeide hij, eenigszins kortaf, "dat je wilt werken

is goed; ik zal je er aan voorthelpen. Wij staan in relatie met

een suikerfabriek niet ver van Solo; daar zal ik je een plaatsing

bezorgen. Eerstbeginnenden doen het beste de binnenlanden in te gaan,

en de stad is niet ver van de fabriek. Maar je blijkt zoo in 't geheel

geen verstand te hebben van geld en van wat je past als je vaders zoon,

dat ik voorloopig de manier zal regelen waarop je verteringen worden

ingezet. Kom overmorgenavond bij ons eten, dan is er tevens antwoord

van de fabriek."

Onder dit gesprek, dat in een hoek der groote voorgaanderij plaats

vond, had zich meer in het midden, een kring gevormd van logé's. Hij

paalde aan de bittertafel, waar de eene helft met den rug heengewend

zat, terwijl zich de uitersten van de andere helft buiten het afdak

in de open lucht bevonden. Het waren stadsbewoners en buitenlui,

onderscheiden door hun gelaatskleur, die van gene wit, van deze

vuurrood was. Een tweede verschil, maar dat allengs verdween naarmate

de avond vorderde, was het stemgeluid, dat van de buitenlui ongegeneerd

hard klonk.

Van Beek, die den vertrekkenden chef nazag, bemerkte dat hij bij het

passeeren van het vroolijke troepje eerbiedig gegroet werd, terwijl

een hunner opstond en hem blijkbaar een vraag deed, die de chef na

eenig aarzelen, schouderophalend en lachend beantwoordde. En toen hij

weggereden was ontstond er in den kring een gefluister. Plotseling

rees een groote gestalte van zijn stoel op.

"Wat zeg je?" hoorde de nieuweling in den hoek. "Van Beek? Een zoon

van....?" En hij trad uit den kring rechtstreeks op den genoemde aan.

"Wat hoor ik," zeide hij; "is u een zoon van den ouden heer van Beek?"

De aangesprokene verklaarde dit inderdaad te zijn.

"Wel wel, dat doet me plezier! Bergen en dalen.... dat ken je. Kom

eens gauw bij ons zitten."

"Heeft u papa gekend?" vroeg van Beek, die door reuzenkracht

meegetroond, zelfs niet aan tegenspartelen dacht.

"Dat zal waar zijn! Je vader en de mijne waren

schoolkameraads. En.... laat me je eens voorstellen: meneer Rivière,

óók een schoolkennis van je vader, dat wil zeggen zijn oude heer;

meneer Jansen, van Epscheuten, Kraai, en ik heet Bach. Allemaal van

de fabrieken Iringmanis en Koeningajoe. De andere heeren hooren hier

in de stad thuis en staan al te popelen om hun naam te zeggen."

Zoo was het, en na iederen naam een handdruk, tot van Beek eindelijk

op een stoel gedrukt werd, met een gevoel alsof hij eksteroogen aan

al zijn vingers had.

"Een bittertje, of een glas port?" presenteerde hij, die zich Bach

genoemd had.

"Liever een glas port," nam van Beek aan.

Aan tafel zou hij bij voorkeur water gedronken hebben, maar men liet

niet af, en al spoedig hadden de jongelui de overtuiging dat van Beek,

om hun eigen woorden te gebruiken, niets afsloeg dan vliegen. En in

deze opinie werden zij versterkt, toen zij hem na den eten, meegenomen

hadden naar de sociëteit.

Van Beek verklaarde niet te kunnen biljarten. Met edele zelfopoffering

schaarden zij zich daarop om de kletstafel; maar als de wijn aan tafel

en de voortzetting daarvan in de sociëteit niet alreeds hun invloed

op van Beek hadden doen gelden, dan zou hij voorzeker weggevloden

zijn. Wat een gesprekken! En welk een tafereel hing men op van het

leven in de binnenlanden! Hij twijfelde geen oogenblik, of alles wat

men zeide was de nuchtere waarheid, want zij spraken immers niet tot

hem, doch onder elkaar, en op den meest eenvoudigen toon. Die Jansen

bijvoorbeeld, vertelde met het grootste cynisme, hoe hij een paar

weken geleden een Javaansch meisje uit haar woning had weggeroofd,

op een oogenblik dat haar vader en haar broers in de sawah werkten;

en toen deze later op hun knieën voor hem lagen, hem smeekende het

meisje terug te geven, had hij hen met revolverschoten neergeveld en

de lijken in de rivier doen werpen. Daarop hadden allen gelachen en

Jansen "een kraan van 'n vent" genoemd.

Het was zóó erg, dat van Beek niet eens zijn afschuw durfde te kennen

geven en zich bepaalde tot een poging om zijn schrik weg te spoelen

uit het voor hem staande glas, dat door een geheimzinnige zorg steeds

opnieuw gevuld werd.

"Je mocht óók wel eens wat presenteeren," fluisterde zijn buurman

hem in. "Ze hebben jou al zoo veel geöffreerd."

"Dat moeten zij weten," was het antwoord. "En.... ik heb eigenlijk

al genoeg."

"Wel verd...." begon de buurman, bijna uit zijn rol vallende, met

grooten lust van Beek een oorvijg toe te dienen; doch hij herstelde

zich. "Nu, een glaasje champagne tot besluit, drink je nog wel met

ons mee?"

"Ja, daar heb ik altijd veel van gehouden."

Hij hield het niet lang meer vol, doch tot het laatste oogenblik

bewaarde hij wat men zijn "verstand" geliefde te noemen en met zijn

plotseling wegzakken de jongelui, die hem in de armen van zekere

Olympische godin hadden willen voeren, het koopje gevend van hem

thuis te moeten brengen.

Den volgenden dag moest van Beek het bed houden. Vruchteloos trachtte

hij zich te herinneren wat er in den loop van den vorigen avond met

hem gebeurd was, doch één indruk was blijvend: die van de schildering

der binnenlanden. Daar zou hij zich niet in wagen, en dit herhaalde

hij telkens bij zichzelf, tot hij gevoelde een voldoenden voorraad

koppigheid te hebben aangekweekt, om het ook tegenover den vriend

van zijn vader te kunnen volhouden.

Het gelukte dezen niet hem dien onzin uit het hoofd te praten, en

het einde was, dat hij om erger te voorkomen, van Beek bij de firma

inlijfde, voorloopig zonder tractement, om te zien wat er uit hem

te maken was. Om te beginnen werd hij aan den boomklerk toegevoegd,

en belastte deze hem met het schrijven der duplicaat-verklaringen

van invoer, terwijl hij hem gaandeweg onderwees in het opmaken dier

stukken in originali. Het bleek dat het van Beek noch aan goeden wil,

noch aan vlug begrip ontbrak.

"Ik zou hem gerust alles overlaten," zeide de boomklerk een paar

maanden later, "als hij zich niet telkens wat liet wijs maken. Maar

soms doet hij de gekste dingen, en dan komt het geregeld uit dat de

een of ander hem er heeft laten inloopen; waarschuwen helpt niet."

Meestal waren het de jongelui uit het hotel, die van Beek beetnamen. In

den eersten tijd na het sociëteitsavondje hadden zij hem links laten

liggen. De indruk van een klaplooper te zijn, dien hij hun gegeven

had, was daarvan de oorzaak. Maar daar hij toch onder hen woonde en

verkeerde, was dit op den duur moeilijk vol te houden. Toen begonnen

zij zijn lichtgeloovigheid te exploiteeren; en de vele koopjes die

hij daarbij snapte, waren een bron van vermaak en conversatie. Wie

de sociëteit of bij een familie binnenkwam met de woorden: "heb je

de laatste mop van van Beek al vernomen?" was zeker van een willig

gehoor. Zoodat zijn reputatie overal doordrong. Hemzelf kregen echter

weinigen te zien, want behalve tot de meest verplichte, was hij tot

visites maken niet over te halen; en nadat een der jongelui hem een

plaats in zijn rijtuig geweigerd had, bij gelegenheid van een partij

bij den resident, en hij toen was thuisgebleven, omdat hij geloofde

wat men hem vertelde, dat men er te voet niet heen kon gaan, en hij

de uitgaaf van een rijtuig niet wilde doen, bedankte hij voor alle

volgende invitaties.

De belangstelling in zijn persoon begon echter langzamerhand te

verflauwen, vooral daar de Oostmoeson was aangevangen en men zich

afvroeg wat er dit jaar van de ziekte komen zou, toen van Beek

plotseling door twee daden zijn naam weer op aller tong bracht. De

eerste deed vooral de handelswereld het hoofd schudden.

Het was hem toch niet ontgaan, dat bij het opmaken der verklaringen tot

invoer der goederen, de zoogenaamde passen, waar die goederen niet op

de bij Staatsblad vastgestelde prijslijst voorkwamen, en de firma dus

zelf de waarde moest opgeven, dit met een zekere zuinigheid gedaan

werd. En hoe kon het ook, daar de boomklerk hem had uitgelegd dat

juist hierin de kracht van zijn betrekking lag, zóó aan te geven dat

de Boom geen aanmerkingen maakte en toch de firma niet meer dan een

minimum invoerrecht betaalde, ja zelfs een soliden naam aan den Boom

behield. Want ging men te ver dan heette het smokkelen, en wee de firma

die daarvoor bekend stond! Alles wat zij invoerde werd opengemaakt,

gewogen, doorzocht; hetgeen groot tijdverlies en dikwerf schade aan

de goederen en althans aan de verpakking met zich bracht.

De employé's die in het logement woonden, hadden de gewoonte om soms

hoog op te geven van hun slimheid in boomzaken, en de trekken te

verhalen die zij de ambtenaren speelden. Het spreekt dat daarbij

niet zelden werd overdreven, en toen van Beek kwam deed men dit

opzettelijk om hem, die alles geloofde, er in te doen loopen. Op

zekeren avond zaten zij weer bij elkaar, en vormde de Boom het

onderwerp van discours.

"Heb je al eens Adrianopel-garen ingevoerd, van Beek?"

"Neen, nog niet."

"Zoo; dan ken je den truc ook niet. Het komt in kisten en is verpakt in

kleine pakjes van een gros kluwtjes, of soms meer; dat hangt van den

afzender af. Maar het wordt geprijsd per gewicht. Aan den Boom nemen

ze een pakje, storten dat uit, wegen het, en berekenen het totaal,

dat natuurlijk kloppen moet met je aangifte. Begrijp je dat?"

"Ja zeker."

"Maar als je dat deed, zou je toch heel gek staan te kijken. Weet je

waarom? In de kluwentjes zitten stukjes hout, van een vrij zwaar soort,

en daarvan is het gewicht natuurlijk op de factuur afgetrokken."

"O juist!" zeide van Beek. "Dus wegen zij meer."

"Goed gezegd. Ik zie dat je vooruit gaat. Maar wat moet je nu doen?"

"Ik zou het aan den verificateur vertellen."

Een algemeen lachen volgde op deze woorden.

"Daar heb je meneer Simpel weer!" riep de onderwijzer uit. "Neen

man, dat gaat niet. De verificateurs weten het net zoo goed als jij,

maar ze moeten zich aan de letter van de wet houden; dus wegen zij,

hout en al, en... beboeten je."

Het was een moeielijk geval. Van Beek trok zich aan de punt van zijn

neus, een gewoonte van hem als hij nadacht, maar hij kon er niets

op vinden.

"Zal ik het hem zeggen?"

"Ja, ga je gang maar," zeiden de anderen goedig.

Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman · 第 6 / 20 段