Een enkele keer had Anneke hem te woord gestaan, en zij had misschien

begrepen dat Kees niet namens zijn ouders, maar uit zichzelf kwam. Den

middag van de begrafenis zat zij alleen, snikkende, te wachten op de

terugkomst van haar vader. Dus was al haar zorg vergeefsch geweest,

moeder was weg en een leegte heerschte reeds nu in huis.

Zacht werd een hand op haar schouder gelegd.

"O Anneke, ik heb zoo'n medelijden met je," sprak Kees. Zij had hem

niet hooren binnenkomen, en de golving van het neergelaten zeil, toen

hij het oplichtte, had haar aandacht niet getrokken; nu keek zij op,

zonder schrik echter.

"Wat ben je goed, Kees."

"Is er niemand gekomen om je te troosten?" vroeg hij verontwaardigd,

de ledige binnengaanderij ziende. "Dat is toch te erg."

"Ze zijn bang," zeide het meisje. "Allemaal behalve jij."

"En jij," viel hij in met geestdrift. "Thuis vertelden ze dat je

weggeloopen was van den dokter. Dat was flink van je; mama zei dat

het onverantwoordelijk was van mevrouw, maar ik vond het flink,

en daarom ben ik...."

Het knarsen van rijtuigwielen op het voorerf deed hem ophouden. Voor

Anneke's papa was het nog te vroeg om terug te zijn; vreemden dus. Een

onwil om door andere menschen hier te worden aangetroffen overviel hem;

"men" had altijd wat te zeggen!

"Daar komt iemand," zeide hij; "ik zal maar heengaan. Tot weerziens,

Anneke." En hij verliet de achtergaanderij, op hetzelfde oogenblik dat

de voordeur openging, om aan twee dames toegang te verschaffen. Langs

het huis heenloopende, zag Kees het rijtuig staan; hij herkende

het dadelijk.

"Papa datang?" vroeg hij in 't voorbijgaan den koetsier.

"Njonja," was het antwoord. Het deed Kees goed; de eenige die dan

nog kwam was dus zijn moeder.

Anneke was naar voren gegaan, de dames te gemoet, maar zonder

hartelijkheid. Wat wilde men nu nog, daar moesje toch dood was! Zij

liet zich de omhelzingen welgevallen, doch luisterde niet naar de

gesproken woorden, die nu geen waarde meer hadden.

"Je moest ons eens wijzen waar mama's kast staat," zeide mevrouw Duna

eindelijk. "Dan kunnen wij wat opredderen. Je pa zal er anders zoo

bitter verlegen mee zitten, kassian!"

Het klonk Anneke als heiligschennis in de ooren. "Wat, vreemde dames

zouden snuffelen in mama's kast? Zij was wel jong, maar dàt gevoelde

zij best dat zou mama nooit hebben gewild. De kast waarin zij zelf

pas in den laatsten tijd iets had mogen wegbergen, waarvan mama den

sleutel steeds bij zich gedragen had... neen, papa moest het weten,

maar zonder hem zou zij het niet toestaan.

"Ik weet niet of ik dat doen mag," zeide zij.

"Gerust hoor," verzekerde mevrouw Duna, terwijl de andere dame

bemoedigend knikte.

"Als u eens wachtte tot Papa kwam."

"Dat is juist wat we vermijden willen. Heeren hebben daar zoo weinig

begrip van; als je pa thuiskomt zal hij heel dankbaar zijn dat we

hem die moeite bespaard hebben. Kom, heb je den sleutel of is die

bij de baboe?"

"Ik heb hem," zeide Anneke.

"Geef hem mij."

"Neen mevrouw."

Zij zeide het zacht, doch beslist. Mevrouw Duna besloot nog een

laatste poging te doen.

"Kind, kind," zeide zij, "je weet niet wat je doet. Bij al het verdriet

dat je pa al heeft, wil jij hem niets sparen!"

Anneke begon te schreien.

"Zie je," ging mevrouw Duna voort, "ik wist wel dat je het zoo niet

inzag. Wees nu een flinke meid en help ons voort."

Zij sloeg haar arm om Anneke's hals; doch deze rukte zich los en door

haar tranen heen fonkelden haar groote zwarte oogen.

"Neen mevrouw," zeide zij nogmaals; "niet voor papa thuis is."

"Dan moet jij het zelf maar weten," zeide mevrouw Duna. "Goeden

middag." Zij wendde zich trotsch om en verliet met haar vriendin het

sterfhuis. "Wat 'n kat!" was haar eerste woord in het rijtuig.

De vriendin glimlachte fijn.

"Ze heeft nòg gelijk!" zeide zij.

Het waren nare oogenblikken voor Anneke, toen de dames weg

waren. Gelukkig kwam Wije spoedig daarop terug en kon zij haar gemoed

uitstorten.

"Je hebt goed gedaan," zeide hij, "er mag niets aangeroerd worden

voorloopig. Roep nu de baboe en pak voor ons beiden wat goed in;

morgenochtend gaan we samen naar boven. Ik heb voor veertien daag

verlof gevraagd; straks komt er antwoord."

Het denkbeeld was van den dokter uitgegaan. Hij had het Wije met een

paar woorden gezegd; het was vooral noodzakelijk voor Anneke. Daarop

had hij den procuratiehouder der firma gewenkt, die op het kerkhof

tegenwoordig was, en hem opgedragen voor het verlof te zorgen, wat

deze beloofde.

Terborg, Wije's assistent, bracht 's avonds antwoord. Komende in

de achtergaanderij, schrikte hij van Wije's uiterlijk. Het blonde

haar was in die weinige dagen sterk vergrijsd, en de smart had die

eens zoo zachte trekken hoekig en scherp gemaakt. Terborg moest zich

geweld aandoen, om zijn verrassing niet te laten merken.

"Ik kon van middag niet weg," zeide hij, Wije's hand vattende;

"maar toen uw boodschap kwam, verzocht ik het antwoord te mogen

brengen. Meneer heeft, evenals wij allen, erg met u te doen. Hij laat

zeggen, dat u een maand boven moogt blijven."

Den volgenden ochtend gingen Wije en Anneke op reis naar Oengaran. 's

Avonds viel de regen in dichte stroomen, de ziekte, die de plaats

zoolang geteisterd had, wegspoelende.

Dat had de tepêkong der Chineezen uitgewerkt!

VII.

HANDEL EN ROUW.

Want ook in het Chineesche kamp waren offers gevallen, en toen het

getal daarvan onrustbarend bleef stijgen, werd er een verzoek gericht

aan den resident om een grooten optocht te mogen houden met vuurwerk.

Hooge stellages, met doek en papier bekleed, versierd met allegorische

drakenfiguren en spreuken in gulden letters, en in den top een

paar jonge inlandsche kinderen, stevig vastgebonden, voorafgegaan

en gevolgd door wonderlijk toegetakelde Chineezen, werden langs de

wegen gepikold door Javaansche koelies. En overal knalde en spatte

het vuurwerk, pijlen, donderbussen en mertjons, oorverdoovend en den

adem belemmerend. Doch dat was niets, zoo het doel slechts bereikt

werd. En zie, het gelukte!

In het geheele Chineesche kamp was misschien niemand meer in

zijn schik dan Piong Pan Ho. Ook voor zijn deur hadden de djengees

stilgehouden, om zijn bijdrage te ontvangen; hij behoorde dus onder de

bemiddelden. Hij wist het wel, en het feit op zichzelf verschafte hem

natuurlijk groot genoegen, maar heden was hij voor de eerste maal in de

gelegenheid het te kunnen toonen, en dat was veel meer waard. Zoolang

toch een Chinees niet onaantastbaar rijk is, veroorlooft hij zich

niets dat naar weelde of vertoon zweemt. En zóóver was Piong Pan Ho

nog lang niet.

Even na zijn vestiging als toko-houder was hij gehuwd. Het meisje dat

hem in den beginne zoo bekoord had in de toko van Kan Liong Tjoe,

had hij van dezen overgenomen op billijke voorwaarden. Zij was een

voorbeeldige Chineesche vrouw geworden. Als Piong Pan Ho op reis

was, nam zij de zaken waar alsof het zoo behoorde; en het zou de

vraag geweest zijn in wien de ondergeschikten een gemakkelijker chef

zouden gehad hebben, in haar of in hem, gesteld dat hij zich met de

toko was blijven bemoeien. Doch dit deed hij niet. Toen hij zag hoe

goed het ging, bepaalde hij zich tot de onderhandelingen betreffende

den inkoop, en voorts reisde hij, zaken doende voor Kan Liong Tjoe

en zich, maar hoe langer hoe meer voor zich en minder voor den ander.

Het veroorzaakte geen breuk tusschen die twee. Kan Liong Tjoe had

zooveel mogelijk voordeel getrokken uit zijn voormaligen klontong;

daarmee moest hij tevreden zijn. Misschien had hij gehoopt nog meer

uit hem te halen en hem daarom de vrije hand gelaten in het aanknoopen

van nieuwe relaties, die nu van wege hun eisch om veel contant geld

en door de omstandigheid dat Piong Pan Ho het leeuwenaandeel in de

voor hem geopende credieten had weten te bemachtigen, zwaar op hem

drukten, stipt genomen was dit zijn eigen schuld, een speculatie die

tegengeloopen was.

Toen het eerste jaar om was, dacht Kan Liong Tjoe dit nadeel te

kunnen stuiten door zijn borgstelling bij de verschillende huizen op

te zeggen. Hij ging dus rond, naar hij voorgaf om eens te informeeren

naar den stand van Piong Pan Ho's rekening. Doch overal waar hij kwam

oogstte hij een onverwachten dank voor zijn recommandatie. Piong Pan

Ho betaalde prompt en zelfs liet hij in den laatsten tijd slechts

zelden prolongeeren, niettegenstaande zijn inkoopen gaandeweg grooter

werden. Om geen mal figuur te slaan sprak Kan Liong Tjoe maar niet

van zijn borgstelling, en verliet de eene firma na de ander met een

flauw bewustzijn, dat zijn gewezen klontong zoo mogelijk nog solider

stond aangeschreven dan hijzelf, zij het voor een kleiner bedrag.

Piong Pan Ho moest grooter winsten maken dan hij; dàt stond vast. Maar

hoe? Uit de binnenlanden was immers niet meer te plukken dan die

zaken voor ieder ander opbrachten; trouwens de eerste maal dat de

Singkeh voor hem uit was geweest, had hij één agent op knoeierij

betrapt en getrouwelijk aangegeven; als de anderen ook knoeiden zou

Piong Pan Ho dit evenzeer bemerkt hebben; voor medeplichtigheid was

hij toen nog te groen, dàt bewees het aanbrengen van dien één. In

de opiumpacht kon hij niet betrokken zijn, dat wist Kan Liong Tjoe,

zelf deelhebber zijnde, te goed... Het intrigeerde hem eindelijk zoo

sterk, dat hij besloot te trachten het persoonlijk uit te vinden en

daartoe Piong Pan Ho in zijn toko op te zoeken.

Dit geschiedde den dag na Wije's vertrek en den grooten Chineeschen

optocht. Hij was er niet geweest sedert het begin van Piong Pan Ho's

vestiging, want de bruiloft waarop hij genoodigd was geworden, mocht

niet meerekenen; de geheele feestelijkheid had bestaan in lekker

eten en drinken in een aangebouwde bamboe pendoppo, en veel verder

waren de gasten ook niet gekomen. Dus zag hij nieuwsgierig rond. De

indruk dien de toko maakte was: benauwd maar ordelijk. De legplanken

langs de muren, die vroeger tot berging en uitstalling van dranken

dienden, waren nu door doozen en pakken ingenomen; de ruimte in het

midden werd gevuld door stapels zwaardere goederen en glazen kasten met

galanteriewaren, precies als bij Kan Liong Tjoe, alleen de uitgespaarde

gangetjes waren veel nauwer; men kon er maar even tusschen door en

dan nog bukkende, want juist daar hingen de verschillende soorten van

lampen aan de lage zoldering, die verder geheel bekleed was met in

strikken hangende spiegels, een uitstalling die tevens als reflector

dienst deed en in alle hoeken voldoende licht wierp.

Voor het raam stond een tafeltje met Chineesche boeken, een bakje

oost-indische inkt en een telbord; daarachter zat Piong Pan Ho's

echtgenoote. Zij riep met dat eigenaardig stemgeluid, het midden

houdende tusschen het harde scherpe Chineesche en het zangerige

Javaansche, en van uit een der gangetjes trad de huisheer zijn bezoeker

te gemoet.

"Kan Liong Tjoe!" verwelkomde hij, aangenaam verrast. "Goed nieuws?"

"Goed nieuws," zeide de ander. "Ik kom je eens opzoeken."

"Ga mee naar achter," raadde Piong Pan Ho.

Hij wees den weg. Het eerste gedeelte, grenzende aan de toko en een

magazijntje daarop volgend, kende Kan Liong Tjoe, maar niet weinig was

hij verwonderd toen hij in den muur hiervan een nieuwe deur zag. Zij

gingen er door en kwamen in een ander locaal, over een erfje en weer

in een bergplaats; en zoo ging het voort door verscheiden gebouwtjes

en hokjes. Eindelijk stond Piong Pan Ho stil.

"Dit," zeide hij met de vlakke hand op een muur slaande, "moet ik er

nog bij hebben; dan is het genoeg."

"Waarvoor?" vroeg Kan Liong Tjoe. "Wil je de toko vergrooten?"

Hij zei het maar om een vraag te doen, want op hun weg had hij

opgemerkt dat Piong Pan Ho geen gebrek aan ruimte had; alleen in de

voorste localen stonden koopwaren en niet eens dicht op elkaar. Maar

waarvoor kocht de Singkeh dan al die schuren?

"Laat ons teruggaan," zeide Piong Pan Ho. "De thee staat klaar;

binnen zal ik je mijn plan vertellen."

Toen zij zaten ging hij voort:

"Dit gedeelte en de toko wil ik laten staan. Ook de goedang heel

achteraan. Die komt uit op den weg aan den anderen kant, en is van

een Arabier die haar wil verkoopen, doch op 't oogenblik nog te duur;

en.... ik moet ook nog wat wachten. Al wat er tusschen staat laat

ik afbreken."

Hij hield op en Kan Liong Tjoe zweeg eveneens; het duizelde hem. Die

Singkeh praatte over koopen en afbreken alsof hij een goudmijn ontdekt

had. "Ik moet nog wat wachten," had hij zooeven gezegd, alsof de

grootste financieele moeielijkheden daarmee vanzelf te overkomen waren.

"Dus je wilt," vroeg hij ten slotte, toen de stilte aanhield, "die

goedang voor bergplaats gebruiken?"

"Ja, voor rijst. We doen verkeerd met in de dessa enkel geld te

brengen. Ze moeten daarvoor immers toch ook weer rijst koopen?"

Kan Liong Tjoe begreep eindelijk. Piong Pan Ho wilde zijn voorschotten

in de dessa in rijst verstrekken, natuurlijk tegen den prijs die in

tijden van gebrek te maken was. Daartoe schuurde hij de rijst op, die

de dessa zelf hem leverde in goedkoope tijden. Eenvoudiger kon het

niet; en het resultaat zou zijn dat de Javaan werkte voor den kost,

en het surplus in den zak van den Chinees en consorten terechtkwam. Nu

ja, dàt was altijd zoo, maar deze Singkeh verstond de kunst om zooveel

mogelijk aan zich alleen te trekken.

"Waar berg je dan de toko-waren?"

"Ik doek de toko op, zoodra ik kan," zeide Piong Pan Ho.

"Toch geen failliet?" vroeg de ander schrikkende. Hij dacht aan het

gesprek van ruim twee jaar geleden en tevens aan zijn borgstelling.

"Neen."

"Waarom dan?"

"De toko is goed om mee te beginnen. Men moet haar echter niet te

lang aanhouden; dan wordt het moeielijk en later onmogelijk zich

ervan los te maken, en zij bindt mij de handen voor andere zaken."

Een gevoel van kleinheid beving Kan Liong Tjoe. Hij, de grootste

toko-houder in het Chineesche kamp, was op dit oogenblik de mindere

van zijn vroegeren leerling, die hem daar opeens een fout aanwees in

zijn zaken, die hij vóór dezen nooit zóó had ingezien. Het drukte

hem, zoodat hij opstond en afscheid nam, eerst toen hij thuis was

tot het besef komend, dat hij het eigenlijke doel van zijn tocht

had gemist. Piong Pan Ho had hem zijn toekomstplannen meegedeeld,

maar hoe hij zoover gekomen was als hij nu blijkbaar stond, wist Kan

Liong Tjoe nog altijd niet.

Eén geruststelling nam hij echter mee. Zijn instaan voor den Singkeh

zou hem geen nadeel berokkenen; dat had hij uit alles opgemerkt, en

dat was een heel ding; want toen Piong Pan Ho sprak over het gebonden

zijn door de toko, vermoedde hij weinig hoe juist hij den spijker

op zijn kop sloeg. Kan Liong Tjoe zat sedert het laatste jaar zoo

vast als een muur. De zaken gingen goed genoeg, maar wat uit het

eene hoekje los kwam, moest dienen om onmiddellijk het andere te

stoppen; hij had over zijn vlottend werkkapitaal te veel beschikt;

een toestand die jaren kon duren, doch door een kleinigheid in zijn

evenwicht gestoord worden. Dat Piong Pan Ho in zijn te grooten ijver

de aanleiding hiertoe geweest was, nam hij dezen alweer niet kwalijk;

hij had op zijn voorstellen niet behoeven in te gaan. De zaak was nu

vol te houden zoo goed hij kon; viel de slag, dan was het betrekkelijk

niet eens zoo erg, en misschien zelfs beter; hij zou dan weliswaar

opnieuw moeten beginnen, doch met de relaties buiten de toko om,

en het voorbeeld van Piong Pan Ho volgende, was het te doen.

In kalme rust hadden Wije en Anneke hun tijd in het gebergte

doorgebracht. Rustig en zorgeloos. Met buitengewone kieschheid

had iedereen hen in hun droefheid alleen gelaten, zonder hinderlijk

betoon van deelneming, en toch hadden zij van af den eersten dag zich

omringd gevoeld van vrienden, die zij niet zagen maar in allerlei

kleine attenties bemerkten. Wije was nog nooit verder geweest dan

Semarang. De wenk van den dokter om wat beddelakens en sloopen mede te

nemen, was hem niet bijzonder opgevallen; wie wist hoe zoo'n logement

in de bergen ingericht was! Doch te Oengaran wachtte een inlander

het rijtuig op, zeide een paar woorden tot den koetsier en sprong op

het achterplankje. Toen sloegen zij rechtsaf, achter de sociëteit om,

en hielden even daarna stil voor een kleine woning.

"Is dit het logement?" vroeg Wije, nadat zij uitgestegen waren.

"Neen meneer, een logement is hier niet," zeide de inlander. "Meneer

is toch de vriend van den toewan dokter?"

"Ja...."

"Dan moet meneer hier wezen. Ik heb gisteren avond laat bevel gekregen

om meneer op te wachten."

Later toen hij weer op Semarang terug was, vernam Wije dat het optrekje

aan een administrateur van een onderneming in 't gebergte toebehoorde,

en deze er den dokter de beschikking over liet gedurende de eerste

maanden van den Westmoeson.

De eerste dagen praatten Wije en Anneke bijna uitsluitend over hun

verlies. Maar elk onderwerp raakt uitgeput, zoo ook dit, te meer

waar de omgeving niet bijdroeg hen daar telkens en telkens weer aan

te herinneren. Thuis, met alles dat sprak van haar die heengegaan

was, zouden zij zich niet zoo spoedig over hun geweldige droefheid

heengezet hebben, doch hier ondergingen zij weldra den invloed van het

nieuwe. En daar beiden voor het eerst van hun leven het majestueuze

natuurschoon van de bergen aanschouwden, kon het niet missen of hun

aandacht werd daardoor afgeleid.

Er was een plekje, ongeveer een half uur van hun huis, waar zij

dikwijls heengingen. Daar hadden zij het steeds zoo aantrekkelijke

gezicht in de vlakte, thans in donzigen nevel gehuld, vlak en

gelijkmatig zwevend waar de zon scheen, maar witbruisend opstijgende

op die plaatsen, waar de wolken hun regen in grauwe strepen

omlaag zonden. Onder hen de kruinen der boomen in de ravijnen,

in hun zwaarmoedig donkergroen, uit de diepte langzaam opkomend,

aan weerszijden van de plek waar zij stonden, zich achter hen hoog

verheffend.

Wije leerde zijn dochter het schoone daarvan te zien, naarmate hij

zelf het in zich opnam, telkens wat nieuws. Maar toen zijn eigen

gemoedsstemming veranderde, begon hij in het landschap, dat hem de

eerste maal overweldigend had aangedaan, iets te missen. Tevergeefs

trachtte hij zich echter rekenschap te geven, van wat er dan ontbrak.

"Men schijnt het toch niet te dikwijls te moeten zien," zeide hij eens,

nadat zij langen tijd zwijgend hadden staan kijken.

"Het is zoo stil," merkte Anneke op.

Wije greep het denkbeeld.

"Je hebt gelijk," zeide hij. "Er ontbreekt leven en bedrijvigheid. Nu

voel ik het! Op een plaats als deze moet het geweest zijn dat de Ziener

zijn paradijs schiep; onder den indruk dezer natuur bevolkte hij

het met levende wezens, veranderde hij de wildernis in een lusthof,

geschikt tot opname van den mensch. Maar weldra, zich met dezen

vereenzelvigende, gevoelde hij de verveling, die hij eerst zocht te

verdrijven met de rangschikking van het bestaande, daarna door zich te

wijden aan het onderzoek naar het ontstaan. Hierin niet slagende, zag

hij om naar een ander wezen, aan wie hij zijn kennis kon mededeelen

en die hem verder helpen zou waar hij stuitte; de vrouw. Doch ook

te zamen konden zij niet doordringen in de geheimen van het heelal;

en beiden zouden zij bezweken zijn onder hun rusteloos denken, bij

de eenvormigheid van den alles voorkomenden overvloed door niets

afgeleid, zoo hun de weg niet gewezen ware naar de laaglanden, waar

behoefte hen drong tot werken; zij het in het zweet huns aanschijns,

maar werken! Daarin alleen ligt genezing voor de kranke ziel.

"Ook wij, Anneke, moeten werken. Wij hebben volop genoten van de rust

en de natuur; laat ons gaan eer het ons te veel wordt. Je hadt gelijk;

het is hier te stil."

Hij wierp nog een laatsten blik over het landschap, en wendde

zich om. Anneke volgde hem op het smalle voetpad. De woorden,

die hij gesproken had, begreep zij niet geheel; doch naar het

voorbeeld van haar overleden moeder, had zij zonder zich te bewegen

geluisterd. Alleen het slot meende zij te vatten, en het verheugde

haar. Zoodra de weg breeder werd, kwam zij naast hem, haar hand in

zijn arm leggende.

"Wanneer gaan we, papa?"

"Begin je ook te verlangen?" vroeg hij terug. "Nu, dan zullen wij

dadelijk zorgen. Overmorgen kan er een rijtuig zijn. Maar eer we

heengaan, dienen wij eenige visites te maken bij de menschen die

ons vriendelijkheid betoond hebben. Willen we daar van avond maar

mee beginnen?"

"Goed pa," zeide Anneke.

Toch zag zij er een weinig tegen op om vreemde menschen te

ontmoeten. Zij was anders niet teruggetrokken, iets dat trouwens in

Indië over het algemeen zeldzaam voorkomt. In Europa zijn de huizen

gesloten, dikwerf nog met een stevig hek voorzien, dat den bezoeker

als 't ware toeroept: ge komt er niet gemakkelijk in! Zet hij zich

over dien indruk heen en schelt hij aan, dan blikken de vensters

op hem neer, voorzien met horretjes of de meer moderne vitrage,

waarachter zich de huisgenooten verbergen zonder hun eigen uitzicht

te belemmeren, en de onaangename gewaarwording van bespied te worden

maakt zich van hem meester. Hij weet dat men door een dier vensters

hem bekijkt met de wat-is-dat-voor-'n-vent uitdrukking in de oogen,

doch uit welk kan hij zelfs niet gissen; op goed geluk af heeft hij

zijn gelaat naar links gewend, geplooid tot een trek die voorname

vriendelijkheid moet te kennen geven, maar in werkelijkheid òf knorrig

òf schaapachtig uitvalt. Maar... het zou ook kunnen wezen dat "men"

achter hem zit. Dus tracht hij met zijn keerzijde denzelfden indruk

te maken, wat de verschijnselen van lichten spierkramp in het leven

roept, en is de bezoeker, een bezoekster, een nog komischer uitwerking

heeft. Eindelijk gaat de deur open en bij al het vorige voegt zich het

kritisch onderzoek door de meid of, wat nog hatelijker is, door den

knecht. Is dit gunstig uitgevallen, het verlof gegeven om te mogen

zeggen wie er is, de bezoeker naar den indruk die zijn naam maakt,

in de mooie kamer, of het spreekkamertje gelaten, de drie minuten

verloopen waarin hij zich vervelen mag en die in de huiskamer met

het uitspreken van woorden als: wie is het, ken jij hem, neen, hm,

vervelend, zijn aangevuld, dan treedt ten slotte de heer des huizes

bij den patiënt binnen en liegt hem voor dat het een aangename

kennismaking is. De bezoeker hoopt in stilte dat zij dit op den

duur worden moge; maar tenzij hij in rang ongeveer gelijk staat met

den sultan van Turkije of den Shah van Perzië, blijven voorloopig de

bewoonsters van wat hij in de bitterheid zijner ziel den harem noemt,

voor hem onzichtbaar.

In Indië daarentegen zijn de huizen open, de erven omtuind door

een laag muurtje of een ketting in pilaartjes opgehangen, de ingang

meest zonder hek. De bezoeker ziet de familie in haar voorgaanderij

en treedt onmiddellijk bij zijn komst in den kring; en al was men

niet vóór, op het oogenblik van zijn komst, toch duurt het niet lang

of allen verschijnen en scharen zich om de groote ronde tafel. Men

verzoekt hem allereerst zich op z'n gemak te zetten, presenteert hem

iets. Dan wordt weldra het gesprek algemeen en alle gegevens zijn daar

om de kennismaking werkelijk aangenaam te doen zijn. Het behoeft geen

betoog dat door deze methode de jongeren tot conversabele menschen

worden opgevoed; waar dat niet plaats vindt ligt het aan de personen,

niet aan de omstandigheden.

Zoo was ook Anneke het thuis gewoon, en een vreemd gezicht schrikte

haar niet af.

Dat was het dus niet, wat haar dien avond met looden schoenen haar

vader deed vergezellen. Doch ieder mensch die het slachtoffer werd

van een groote ramp, draagt nog lang daarna zijn ziel als gewond met

zich om. Elke aanraking, hetzij goed of kwaad bedoeld, smart hem en

hij trekt zich schuw terug. Tot langzamerhand de tijd de wonden heelt

of ruwheid het leed afstompt.

Het werd haar gespaard. Alleen op de laatste visite, den vooravond

van hun vertrek, vroeg de gastheer aan Wije of hij dacht te blijven

wonen in zijn tegenwoordig huis.

"Jawel," meende deze. "Zoo heel groot is het niet."

"Daarom vroeg ik het niet," zeide de gastheer. "Maar om de ziekte."

"De ziekte? Die komt en treft wiens tijd het is. Wij hadden alle

voorzorgen genomen, en toch..."

"In 't geheel niet. De ziekte zit in het huis."

"De dokter verzekerde mij dat besmetting haar overbrengt. Natuurlijk

moet er aanleg zijn bij de persoon, maar voorts is het enkel

besmetting."

Doch heftig protest volgde op deze woorden, vooral van de zijde

der dames.

"Weet niet, die dokter!" riep de vrouw des huizes, een Indische,

uit. "Massa, besmetting; is-t-er niet. Tobat ... zeg jij maar man."

Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman · 第 5 / 20 段