hoe de chefs het maakten, of mevrouw in goeden welstand verkeerde,
of de kinderen gezond waren, en eindelijk besloot hij met de opmerking
dat het warm was. Intusschen zat Piong Pan Ho schijnbaar de gelegenheid
eens op te nemen, maar feitelijk te bekomen van het vreemde, dat een
vis à vis met een der aanzienlijke leden dier blanke maatschappij voor
hem inhield, tevens luisterend naar de wijze waarop de toko-houder
met dat volkje omsprong. Heel moeielijk was het niet te onthouden:
eerst meneer, dan mevrouw, voorts de kinderen en ten slotte het
warme weer. Het laatste vooral was een zeer vruchtbaar onderwerp,
dat onmiddellijk in verband was te brengen met de vraag of bier dan
wel brandy-soda bij de heerschende temperatuur gezond was.
Toen Kan Liong Tjoe zag dat de ander volkomen op zijn gemak was--een
Chinees schept geen behagen in de verlegenheid van een rasgenoot--begon
hij over zaken te spreken.
"Mijn vriend hier," zeide hij, "wil een toko openen. Kent meneer het
huis waarin onlangs Tjap Goan gestorven is?"
"Jawel," zeide de chef, den naam opteekenende, om dien straks aan
Wije te kunnen meedeelen.
"Dat huis heeft Piong Pan Ho gekocht."
"Dus gaat hij een toko in dranken en blikjes openen?"
"Neen meneer, precies als mijn toko; alleen neemt hij er lampen bij."
"Een concurrent dan?"
"Tida! Eén man kan immers niet alles voor zich alleen hebben?" riep
Kan Liong Tjoe lachend uit. Toch verwonderde hem de vraag. Wist die
meneer niet dat Chineezen onder elkaar niet concurreeren? Althans
niet in verkoopsprijzen; hoogstens trachten zij de waren goedkooper
machtig te worden dan hun buurman; doch het zou immers vierkant tegen
hun belangen indruischen door concurrentie de prijzen te drukken! Zoo
die slechts even onder die der Europeesche toko's blijven en niet boven
de koopkracht der afnemers gaan. "Piong Pan Ho," vervolgde hij, "kent
echter de heeren nog niet, en de heeren kennen hem niet; daarom ben ik
meegegaan om hem voor te stellen. Als meneer aan hem wil verkoopen, zal
ik den eersten tijd voor hem instaan; later mag meneer zelf oordeelen."
"Goed," zeide de chef, tevreden knikkend; "tot hoeveel?"
"Twintigduizend," antwoordde Kan Liong Tjoe op den eenvoudigst
mogelijken toon; en toen de chef nogmaals knikte ging hij voort:
"Piong Pan Ho zal over eenige dagen wel zelf bestellen, zoodra hij
op orde is."
"Twintig mille!" herhaalde de chef, toen de Chineezen vertrokken
waren. "Als Kan Liong Tjoe voor dat bedrag instaat, is hij minstens
goed voor het dubbele." En hij wreef zich vergenoegd in de handen.
Dezelfde berekening was ook door den Chineeschen toko-houder gemaakt,
nog eer hij de monsterkamer af was. Zonder zijn crediet te schokken,
had hij de beschikking over een kleine veertig mille gekregen, die
hij met Piong Pan Ho samen, best gebruiken kon.
Op de trap ontmoetten zij Wije. Niettegenstaande zijn goed geheugen
voor Chineezen-gezichten, duurde het eenigen tijd eer deze Piong
Pan Ho herkende. Dit was niet zoozeer te wijten aan den tijd die
verloopen was sinds hij hem de laatste maal gezien had, als aan de
verandering die het gelaat van den Singkeh ondergaan had. Toen hij pas
aangekomen was op Java's stranden, opgevoed onder die groote massa
van individuen, van welke niemand één dag zeker is van zijn leven,
zijn bestaan als bij het uur tellende en daarom zich zonder bedenken
overgevende aan de lusten die het oogenblik bood, werkende tevens met
reuzeninspanning om een nietig aandeel in het dagelijksch brood, na een
kort verblijf in Singapore, dat brandpunt van prostitutie in het groote
met zeden overstelpte en daardoor onzedelijke Engelsche rijk, droeg
hij de gewone uitdrukking der Singkeh's, het door de gewoonte van den
doodsangst strak getrokken vel, overgoten met het vuile Singapoersche
glimlachje, opkomend en verdwijnend in snelle afwisseling, gelijkende
op den schuwen hond, die niet weet of hij de hand die hem aanhaalt
zal likken of bijten. De veranderde levensomstandigheden, de voor een
Singkeh matige inspanning, de volkomen veiligheid en rechtszekerheid,
de betrekkelijke zedelijkheid en eindelijk de gelegenheid om zich
verstandelijk te ontwikkelen in de laatste jaren, hadden een grooten
invloed gehad op de trekken van Piong Pan Ho's gelaat en er een waas
van ontluikende menschelijkheid over verspreid.
Dat bracht Wije in de war, doch toen hij zijn ouden beschermeling ten
slotte herkende, verheugde hem de verandering in diens lot, en meer
nog de dankbaarheid, die Piong Pan Ho blijkbaar bleef koesteren voor
den eerste die zich zijner had aangetrokken, grooter dan de geringe
dienst volgens Wije's opvatting meebracht.
Wije werd dadelijk bij den chef geroepen, die hem het adres van Piong
Pan Ho overgaf en zijne beschikking meedeelde.
"Weet u," vroeg Wije aarzelend, "dat die man een klontong van Kan
Liong Tjoe is geweest?"
"Neen; wat zou dat?"
Het begon den employé eindelijk te vervelen, dat eeuwige "wat zou
dat?" telkens als hij een waarschuwing meende te moeten doen hooren.
"Het pleit sterk voor 's mans vlijt en werkkracht," zeide hij met
plotselinge frontverandering. "Ik ben overtuigd dat we een soliden
klant aan hem gewonnen hebben."
"Ja, ik ook. De recommandatie van Kan Liong Tjoe is trouwens een
bewijs. Maar het doet me plezier dit nog van je te hooren."
"On ne peut faire boire un âne s'il n'a pas soif," mompelde Wije,
op zijn plaats teruggekeerd. De chef wilde nu eenmaal nooit luisteren
als men hem op eenig gevaar wees. Welk gevaar hier bestond zou echter
Wije niet dadelijk hebben kunnen zeggen; de list van den toko-houder
doorzag hij zelf niet, doch zijn instinct waarschuwde hem; niet voor
Piong Pan Ho, dien hij vrij juist taxeerde, maar voor den ander,
wien hij het nooit vergaf dat hij goed van de firma onder de markt
had laten verkoopen.
Hij had niet lang tijd tot nadenken, want men kwam hem inlichten
omtrent het gebeurde van 's morgens vroeg. Nauwelijks echter had hij
dit nieuws in zich opgenomen, of er kwam bezoek op de monsterkamer,
opgevolgd door nieuwe bezigheden, die hem den geheelen dag geen rust
gunden. Eerst 's avonds, toen hij in bed lag, begon hij de vergaderde
stof te verwerken en deze bezorgde hem een naren droom. Hij zag
het gebouw, waarin nu het bloeiende handelshuis was gevestigd,
verlaten; de groote deur was gesloten en ten overvloede met een
plank dichtgespijkerd, de muren hadden het laatste spoor van witkalk
verloren, de verf was gebarsten en van het houtwerk losgesprongen,
de ruiten waren ingeworpen en als ledige oogholten staarden de ramen
hem aan, hem die daar op den kali-kant tegenover het firma-gebouw
stond, terwijl de regen neerkletterde, zonder zich te kunnen bewegen,
evenals de:
Phrygische vreemde, des
vorsten Tantalus' dochter; haar
houdt omklemd de Sipylus-rots,
haar omgroeiend, epheu gelijk.
Nooit verlaat de treurende--zoo
zeggen de mannen--
sneeuw of stroomende regen.
En zij bevochtigt uit steeds schreiend
oog het gesteent'....
Hij zeide die regels op in zijn nachtmerrie; zij waren uit een
Grieksch koor, door een gestudeerd vriend van hem vertaald; hij had
dit van buiten geleerd om in gezelschap de menschen een idee te kunnen
geven van Grieksche dichtkunst en versmaat, die hij echter zelf niet
begreep. Ook nu niet; maar daar kwam zijn vriend, opduikende uit de
kali, met een zwaren houten hamer in de handen. En evenals vroeger
begon hij hem uit te leggen: de lange syllaben aanhouden en den toon
geven, zóó, zóó... en bij ieder zóó een slag op zijn borst met den
hamer. Hij gilde het uit.
"Wim, Willem, word toch wakker! Foei, wat droom je."
Wije ontwaakte, maar de indruk van zijn droom verliet hem nog in geen
weken, en hoewel de zaken op het kantoor hun gewonen gang bleven gaan
en niets zijn vrees scheen te rechtvaardigen, toch werd zijn voorgevoel
met den dag sterker. 't Was belachelijk, de firma was volgens iedereen
"zoo goed als de Javasche bank," en hij zou het ook aan niemand hebben
durven zeggen, gesteld al dat hij buitenaf iets van het kantoor zou
kunnen of mogen zeggen. Alleen zijn vrouw maakte hij deelgenoot van
zijn heimelijken angst, doch hij vond ditmaal geen weerklank: het was
immers op niets gegrond! Een standje heeft iedereen op zijn beurt. En
al viel het huis, wat dan nog? Wije's reputatie was uitmuntend;
hij kon overal terecht.
Met dit laatste troostte hij zich eenigermate, hoewel het hem spijten
zou. Zelfs voor een oud, leelijk kantoor en een firma waarin men
part noch deel heeft, krijgt men hart als men er bijna vijftien jaar
aan verbonden is geweest. En aan den anderen kant is het voor een
employé het onaangenaamste dat hem overkomen kan, zijn vertrouwen te
verliezen in de zaak die hij dient. Ieder heeft zijn opvatting van
de onsterfelijkheid op deze aarde; de handelsman wenscht de sporen
van zijn werkzaamheid te doen voortbestaan in zijn firma-archief.
Zoo pikirde hij voort en het dreigde bijna een idée fixe van hem te
worden, toen andere gebeurtenissen plotseling zijn gedachten afleidden.
VI.
WAAROM JUIST DEZE?
In Java's beneden-landen is de weersgesteldheid vrij regelmatig. Het is
Westmoeson of Oostmoeson, en daartusschen een zeer korte kentering. De
elementen voeren er zelden strijd; zij worden er als het ware niet
bestuurd, doch geadministreerd in groote eentonigheid; een storing is
een fout in de administratie, meestal weinig beteekenend en zonder
invloed op den gang der zaken. Een praatje over het weer is daar
dan ook niet te houden, wat voor de Hollanders een heel gemis is;
men bepaalt zich tot de opmerking: hè, hoe warm, of: hè, wat een bui;
meer te zeggen zou àl te banaal zijn.
Dat is de regel, maar wee het land als een uitzondering plaats vindt,
als in enkele achtereenvolgende jaren de regens verminderen en de
droogte langer aanhoudt. Dan daalt na afloop van den Westmoeson het
grondwaterpeil, om tegen het midden van den Oostmoeson den bodem
geschikt te maken voor de opneming dier vreeselijke kiemen der
cholera, die zich weldra in al haar ellende verspreidt, duizenden
offers vragend, tot òf fellere droogte het grondwater eindelijk
beneden het gevaarlijke punt doet dalen, òf geweldige regens van den
volgenden Westmoeson het daar boven doen stijgen, zoodoende een einde
makende aan de ramp, die maanden lang de bewoners der beneden-landen
in telkens nieuwen rouw dompelde.
Zulk een jaar was aangebroken. Langs den Bodjong-weg vermenigvuldigden
zich de optochten van inlanders, onder eentonig gezang een der hunnen
grafwaarts dragende; maar nog nam men er weinig notitie van onder de
Europeanen; de gezondheidstoestand onder hen was voorloopig nog goed,
ja beter dan anders, want ook in deze geldt de regel: waar meerderman
komt, moet minderman wijken; bij de nadering der cholera schijnen de
gewone ziekten te vlieden. Het was de stilte vóór het onweer.
Plotseling gaat het gerucht door de plaats van een geval bij een
Europeaan, gevolgd door nog een; en dan spreekt men het uit, de
couranten bevatten mededeelingen en rapporten, de dokterskoetsen
rennen over den weg, heeren rijden met hun zakdoek voor den neus of
een sigaar in den mond naar de stad, dames ziet men niet meer, en 's
avonds is de sociëteit drukker bezocht dan anders, door vreesachtigen
die gehoord hebben dat de kans op besmetting vermindert wanneer men
"het vleesch goed onder den pekel houdt." Maar overal loopt het
discours over dit ééne onderwerp: cholera.
"De dokter komt van avond op de sociëteit," zeide Wije; "ik ga er
even heen."
"Blijf je niet lang weg?" vroeg zijn vrouw. "Je weet, ik ben niet bang,
maar in dezen tijd..."
"Even maar; het is alleen om den dokter uit te hooren."
Zij waren niet bang, de Wije's, maar de algemeene zenuwachtigheid had
hen niet geheel onaangetast gelaten. De voorgeschreven maatregelen,
als dubbele reinheid van huis en erf, en een matig glas champagne,
namen zij trouw in acht; Anneke bleef schoolgaan, omdat hun alle
plotselinge afwijkingen van de normale gewoonten was ontraden; een
enkele maal echter ving Wije den dokter op, om zich te laten vertellen
dat al wat hij deed goed was en betrouwbare inlichtingen te ontvangen
omtrent den stand der epidemie.
De dokter had zijn vast partijtje in de sociëteit, doch in dezen tijd,
die alles omverwierp, had hij het voorloopig moeten opgeven. Nu zat
hij aan de kletstafel met eenige andere oude heeren en verscheiden
jongelui, zeker van het feit dat hij binnen het half uur zou worden
weggeroepen, meestal om een calmans voor te schrijven tegen uit
vermeende symptomen ontstane zenuwachtigheid.
"Maar dat kan me niet schelen," verklaarde hij; "liever tienmaal voor
niets rijden, dan dat iemand "het" heeft. Weet jelui wat ik mij echter
wel aantrek?"
Men schudde ontkennend het hoofd.
"Dit," zeide de dokter, een pand van zijn witte jas met duim en
vinger opheffende.
Allen lachten; dat zou wel uitkomen, dat men z'n jas aantrok! Maar
het was niet zóó bedoeld.
"Ziet," ging de geneesheer voort, "mijn haren zijn grijs, maar nog
nooit in mijn leven heb ik iets zoo bespottelijks gezien. Men verlangt
dat een dokter in een zwarte jas visites maakt. Soedah! in gewone
tijden heb ik er vrede mee; men went aan alles, dus ook dááraan. Ik
heb het altijd gedaan; doch nu vind ik het onverantwoordelijk. Zoodra
de ziekte begon, heb ik een witte jas aangetrokken; ik wilde haar
niet in het zwarte laken overbrengen van 't eene huis in het andere."
Er waren er die goedkeurend knikten, maar een der jongelui zeide: "Het
is toch zóó'n gewoonte, dat een zieke allicht zijn vertrouwen verliest
op den geneesheer, die in plaats van deftig in 't zwart, daar in eens
met een wit jasje bij zijn bed komt. Misschien is het heel gek, maar
het is zoo, en vertrouwen doet een heeleboel. Sapada! brandy-soda."
"Je hebt gelijk," stemde de dokter toe. "Vertrouwen is de halve
genezing; de één put het uit een zwarte jas, de ander uit cognac
fine champagne." Hier hield hij even op, terwijl het jonge mensch een
kleur kreeg en de anderen glimlachten. "Alleen vind ik het beter in
godsnaam de menschen het vertrouwen tijdelijk te doen missen, dan hen
direct te infecteeren. Geloof me, als het bacteriologisch laboratorium
te Batavia ooit gebrek aan grondstof krijgt, laat ze gerust de oude
doktersjassen opvragen, dan hebben zij voor jaren genoeg. Als echter
mijn collega's deden wat ik doe, zou niemand er verder om malen; maar
in plaats daarvan, gebruiken zij het als een middel om mij patiënten
af te troggelen. Dat is het wat ik mij aantrek! En vooral die één,
die smeerlap....."
Een rijtuig reed het erf op en Wije stapte uit. Zijn komst deed den
dokter zijn volzin afbreken, zeer tot genoegen der anderen; want als
hij over dien collega begon, kwam er geen einde aan; dat wist men
bij ervaring.
"Toch niets aan de hand?"
Het was de gewone vraag in die dagen.
"Neen, gelukkig niet," antwoordde Wije. "Hoe staat het ermee, dokter?"
"Het mindert in de laatste dagen, althans in het stadsverband."
"Ik las van avond in de courant, dat men te Batavia een nieuwe
geneeswijze toepast; met jodoform."
De dokter haalde de schouders op.
"'t Kan zijn," zeide hij. "We doen allen ons best. Maar voorloopig
kan ik niet beter raden dan: neemt voorzorgen. Want wie het krijgt,
is in de meeste gevallen veroordeeld."
Enkelen verbleekten, anderen bestelden een nieuwe dosis van hetgeen
zij dronken; die dokter was ook zoo ruw!
"De lucht is betrokken, naar ik onderweg zag," deelde Wije mede, en dit
deed de gezichten opklaren. Dàt wist men, als het ging regenen was het
over! Zij stonden op en keken naar buiten, en werkelijk, het was zoo!
"Sapada, kassih pajong!" riep een grappenmaker, moedig voor 't eerst
sinds maanden; doch de aardigheid viel niet in den smaak.
"Pas jij maar op!" kreeg hij te hooren.
Terwijl zij keken en disputeerden over de kansen op regen, nam Wije den
dokter apart, op en neer loopende in de gaanderij en sprekende over
de ziekte, tot het den dokter begon te vervelen en deze eindelijk
voorstelde weer te gaan zitten. Juist hadden zij plaats genomen,
toen een ongewoon geluid op den rijweg vóór de sociëteit aller
aandacht trok. Er werd hard gesproken, even maar; daarop zag men de
lantaarns van een rijtuig aansteken; een oogenblik later reed het
rijtuig naar binnen, terwijl een inlandsch bediende den anderen kant
van het hek inholde.
De dokter was opgestaan, begrijpende dat het hem gold; als iemand
haastig aankwam in dezen tijd was het altijd voor hem. Maar ook de
anderen zagen angstig uit, van het licht in het donker, om te weten
wiens rijtuig het was en wiens bediende. En toen beiden ongeveer
tegelijkertijd voor de trap aankwamen, vloog Wije op met een schreeuw.
"Sinjo sakit," zeide de bediende, nog ademloos van het harde loopen.
Geen woord werd meer gewisseld. De dokter, die al gereedstond, drong
vooruit het rijtuig in en Wije vlak achter hem aan; de koetsier legde
de zweep over de paarden, die deze aansporing niet gewoon, onstuimig
in het tuig vielen; en voort ging het in wilde vaart.
"Heb je de droppels in huis?" vroeg de dokter, toen zij op de hoogte
van de apotheek waren.
"Ja," antwoordde Wije, klappertandend.
Met grooter handigheid dan men van een inlander zou verwacht hebben,
stuurde de koetsier de nog steeds hollende paarden het erf op, waar
het zware grint medehielp om de dieren tot een langzamer gang te
dwingen. Zij waren er. Op hun teenen, maar toch snel, liepen de beide
mannen door het huis, Wije voorop. Van een der kamers stond de deur
open, en daarbinnen zat mevrouw Wije op een stoel, het zieke kind
in haar armen. Een scherpe pepermunt-lucht kwam de binnentredenden
tegemoet.
De dokter nam het kind op en legde het in zijn bedje.
"Is het cholera, dokter?"
"Ja mevrouw. Heeft u droppels gegeven?"
"Ja."
"Ingehouden?"
"Neen."
Het jongske lag daar met door de krampen samengetrokken lichaam, zich
wentelend in pijnen te hevig om zelfs maar een kreet te ontlokken. De
dokter had het fleschje genomen en druppelde er een nieuwe gift
uit. Met zorg bracht hij zijn arm onder het hoofdje en diende de
medicijn toe. Maar ook ditmaal tevergeefs. Toen zag hij om zich heen
in de kamer.
"Heeft u een wollen deken, mevrouw?"
"Jawel. Zal ik hem halen?" En op een toestemmend hoofdknikje, ijlde
zij de kamer uit.
"Ziezoo," zeide de dokter. "Hier Wije, houd eens vast."
Het was een zwart étui, en daaruit nam de geneesheer een spuitje,
vulde het voorzichtig en appliceerde het op het kinderlichaampje. Een
zwart streepje bleef achter in de blanke huid.
"Is er hoop?" vroeg Wije, terwijl de dokter het étui weer opbergde.
"Afwachten," zeide deze.
Mevrouw Wije kwam weer binnen, met het verlangde.
"Kan de kamferlucht geen kwaad?" vroeg zij.
"Integendeel," zeide de dokter, de deken over den kleinen patiënt
uitspreidend. "En nu zoo doenlijk met rust laten. Ik kan voor 't
oogenblik niets meer doen; tegen den morgen kom ik terug."
Wije geleidde hem naar buiten.
"Waar is Anneke?" vroeg hij terugkomend.
"Ik heb haar naar bed gestuurd, toen het begon. O Willem, zouden we
hem moeten verliezen?"
"De dokter geeft hoop," loog hij om bestwil.
Zij bleven samen waken, zittend voor het bedje en helpend telkens als
het noodig was. Langzaam ging de tijd voorbij in den stillen nacht,
en Wije's denken liep wild dooreen. Tijd, wat was tijd? Ingedeeld in
seconden, minuten, uren.... maar dat deugde niet. Hoe kort was soms
een uur en hoe lang was het nu! Langer dan een jaar, neen, dan vijf
jaren. Doorleefde hij dien tijd niet, vanaf de geboorte van zijn zoon,
in minder dan een uur? "'n Jongen hè?" zeide de chef, en wat was hij
blij! Dan de eerste tijd, de pogingen om te loopen, om te praten,
de humor in zijn kinderlijke opmerkingen... Weer sloeg de klok in
de binnengaanderij. Neen, die klok deugde niet; hij zou een betere
uitvinden, die den tijd aangaf zooals hij werkelijk doorleefd werd;
ja, en haar doen verkoopen door de firma, die dan niet zou vallen,
want allen zouden toestroomen om die klokken, Chineezen, Arabieren,
inlanders.... enkel door zijn uitvinding! Wat, hij iets uitvinden? 't
Was belachelijk! Kon hij zelfs maar zijn kind behoorlijk helpen? Hoe
onhandig was hij, en hoe dikwijls moest zijn vrouw hem vermanen dien
nacht! Zijn vrouw.... maar zij kende het gevaar niet; zij geloofde
dat er hoop was; hij had het haar immers gezegd! Zij dacht niet....
Neen, zij dacht niet, zij handelde. Als het kind eenige oogenblikken
rustig lag, ging zij ook zitten, steeds den blik op het gezichtje
gericht, waarvan geen beweging haar ontging, en zij las trek voor
trek de korte maar aangrijpende geschiedenis van den strijd tusschen
jong ontluikend leven en den laffen dood, die nooit zijn meerdere in
krachten aanvalt, die altijd grijnzend, wegmaait waar hij niet gezaaid
heeft, vernielt wat tot voortbestaan bestemd was, dien tegenhanger
van de liefderijke engel der eeuwige rust, die levensmoeden zachtkens
doet insluimeren en meevoert naar betere oorden. En zoo geheel ging
de moeder op in haar zieke kind, dat zij niet gevoelde hoe dezelfde
pijn die het jongske kwelde, ook in haar opkwam.
"Willem, hij zweet!"
Zij sprak moeilijk, haar tong was droog en kleefde aan het verhemelte,
maar toch lag er iets als een juichtoon in die woorden. Met een
onwillekeurige beweging legde Wije zijn hand op het voorhoofd van
het kind. Het was klam en koud. "Goddank!" mompelde ook hij, meenende
dat dit een gunstig teeken was.
Opeens had er een verschrikkelijke verandering plaats. Het eenigszins
opgezette gezichtje viel plotseling in, de kleur ging over in
grauwbleek, een paar stuiptrekkingen en toen een kort snikje. Het
was uit. Zij vlogen beiden overeind, het feit voor oogen en het toch
niet willende gelooven. De moeder stak haar armen uit naar het kind,
maar zij gleden af langs het dek en met een doordringenden kreet
zakte zij ineen.
Schokkende als in een hevige koorts droeg Wije haar naar hun
slaapkamer, en toen eerst zag hij, voor de tweede maal dien nacht, die
vreeselijke symptomen. Radeloos ijlde hij terug naar de kinderkamer
en greep het fleschje met de medicijn. Zonder te weten wat hij deed,
goot hij er een lepel vol van uit en gaf het zijn vrouw in.
Voor een der kamers van de bijgebouwen zaten de bedienden in
een kringetje, een obor van klappervezel in het midden, tegen de
muskieten. Zij waren niet gaan slapen. Tegen een geval als dit, was
zelfs het inlandsch phlegma niet bestand. Af en en toe was de baboe
van het zieke kind weggeroepen; en telkens als zij weer terugkwam,
vroeg men haar om bericht, dat zij met kreunende stem gaf.
Toen zij Wije luid roepende in de achtergaanderij zagen verschijnen,
wisten zij dat het ergste gebeurd was, en een gerekte klaagtoon ging
onder hen op. Ze verstonden nog wel niet wat hij zeide, maar dat was
niet noodig; de koetsier en de staljongen begrepen wat zij te doen
hadden. Immers, zonder dat het hun bevolen was, hadden zij de paarden
opgetuigd in den stal laten staan, de dokter moest gehaald worden,
wat anders?
Gewoon aan verrassingen, die zijn vak stempelden tot het droevigste van
alle vakken, trof het nieuwe geval in hetzelfde huis den geneesheer
toch diep. Innig bewogen staarde hij nu op het lieve vrouwtje,
dan op den ongelukkigen Wije. Toen deze hem onder een vloed van
zelfverwijtingen had verteld wat er met de medicijn gebeurd was,
schrikte hij; maar na eenige oogenblikken aan het ziekbed vertoefd
te hebben, drukten zijn trekken zoowel verwondering als vreugde uit.
"Stel je gerust," zeide hij; "het heeft eer goed dan kwaad gedaan."
"Meent u het, dokter?"
"Ja, zie maar, de huid blijft lenig. Hier durf ik hoop geven."
Helaas, die hoop werd niet vervuld. Wel doorstond mevrouw Wije de
cholera, doch een week later bezweek zij, zonder bij kennis te zijn
geweest aan de typhus, die in de meeste gevallen onmiddellijk op de
eerstgenoemde ziekte volgt.
Anneke was dien eersten dag door den dokter meegenomen naar zijn huis,
doch den volgenden morgen vroeg ontsnapte zij. Ze wilde haar moesje
oppassen en Wije miste de kracht het haar te weigeren. Met de Indische
meisjes aangeboren handigheid vervulde de nu dertienjarige Anneke
haar moeielijken plicht, waarin niemand haar hielp. Aan deelneming
ontbrak het niet; de Wije's waren bemind, en iedereen was met hun
ongeluk begaan; maar persoonlijk betrad niemand het besmette huis.
Op één uitzondering na. 's Middags na vieren stapte geregeld een
breedgeschouderde jongen het erf op, met een pakje boeken onder den
arm. Hij ging dan direct naar achter, en op de trede der gaanderij
staande, wachtte hij geduldig tot er iemand kwam. Dan luidde het:
"Papa en mama laten vragen hoe het met mevrouw gaat."
Meestal was het Wije zelf die antwoordde: "Dankje, Duna; maar het
blijft hopen en vreezen."