De zon, bij het vertrek van Semarang achter het karretje, had het reeds

lang ingehaald, maar hinderde den reiziger niet, daar haar stralen

werden opgevangen door de kruinen der boomen op den berm van den weg,

waarvan geen karig gouvernement de beplanting had verhuurd en die dus

nimmer van dit sieraad werd beroofd. Toen hij Kendal binnenreed betrok

de lucht, zich voorbereidende tot regen in den avond, die reeds niet

meer ver was. Piong Pan Ho richtte zich uit zijn luie houding op,

de plooien van zijn buis gladstrijkende. Daarna raadpleegde hij zijn

lijstje van namen en noemde den bovenste aan den koetsier.

"Soedah tahoe," gromde deze, landerig over den moeielijken tocht en in

't vooruitzicht van geen of slechts een geringe fooi te zullen krijgen.

Doch dit viel mee. Voor het opgegeven huis hield het karretje

stil. Het was geen toko, dat zag men dadelijk; de beide ramen, aan

weerszijden van de deur één, waren met blinden gesloten; van de deur

stond slechts één vleugel open en vergunde een blik naar achter,

in het duistere voorvertrek, op iets dat het midden hield tusschen

een altaar en een schoorsteenmantel, waarboven de schilderij van de

godheid, den tepèkong, prijkte met den grimmigen scherprechter naast

hem. Voor het huis zaten, onder het afdak, een paar jonge Chineezen

en een oude, allen met ontbloot bovenlijf, bleekbruin met gemarmerde

witte vlekken, de oude uit een pijp rookende van Chineesche bamboe,

waarvan het worteleind een klein kopje vormde.

Schijnbaar onverschillig zagen zij het voertuig aan; maar toen Piong

Pan Ho, na den naam gelezen te hebben, die in vergulde letters met

rood afgezet boven de deur stond, hun toeriep van waar en van wien

hij kwam, schoten zij toe, de jongeren hem helpende met grooten ijver

en dienstbetoon, ondanks zijn protest. Toen alles naar binnen was

gedragen, betaalde Piong Pan Ho den voerder en gaf hem een halven

gulden fooi.

"Trima kassih toewan Singkeh!" zeide de inlander, vleiend

beleefd. "Wanneer gaat u weer terug?"

De Chinees gaf hierop geen antwoord, maar trad het huis binnen,

terwijl de koetsier vergenoegd wegreed, zijn vreugde aan het paard

meedeelende door tusschenkomst van de stukgeslagen zweep.

Er zijn in het leven van elken mensch oogenblikken, die nietig

en onbelangrijk schijnen, en toch inderdaad op zijn toekomst een

zoodanigen invloed uitoefenen, dat hij die ze opmerkt, zich verbaast en

eindigt met niets meer gering te achten. Hoort men van menschen die,

met niets begonnen, fabelachtig rijk zijn geworden, dan zal men negen

van de tien keeren de energie en werkkracht van zulk een persoon hooren

roemen en de tiende maal zijn geluk in een of andere speculatie. Den

laatsten verwaarloozende, vraagt men zich af waarom dan anderen, de

genoemde hoedanigheden in minstens even groote mate bezittende, niet

eveneens reüsseeren? Ontledende en waar het mogelijk is de carrière

dier weinige gelukkigen naspeurende, stoot men geregeld op het feit,

dat zij plotseling een kapitaaltje of bescherming en hulp gevonden

hebben, waarmee zij hun talent konden ontwikkelen. Is men voorts zoo

gelukkig de aanleiding tot dien onverwachten steun te ontdekken,

zoo vindt men een dier nietigheden, als de oude bekende historie

van den jongen die, nadat hem werk geweigerd was in een boekwinkel,

bij het uitgaan van de deur een speld opraapte en daardoor opnieuw de

aandacht trok van den chef der zaak, die hem nu aannam en op het pad

der fortuin verder leidde. In zulke oogenblikken handelt men spontaan,

onbewust van de gevolgen.

Aan Piong Pan Ho, tot voor een paar dagen een nederige klontong,

ongeacht door den minsten toko-bediende, werd plotseling een zending

van vertrouwen opgedragen; de koetsier noemde hem toewan Singkeh,

de Babah's bij wie hij aanlandde, ontvingen hem als hun meerdere,

vierden hem, vleiden hem, onthaalden hem rijker dan de gastvrijheid,

een maatschappelijk geloofs-artikel der Chineezen, voorschreef;

en hij, opgewonden door zulke weelde, praatte onstuimig door, niet

lettende op zijn woorden. De oude Babah deed hem een vraag, maar op

hetzelfde oogenblik sloeg de scherpe walm van de offerstokjes vóór

het beeld van den tepèkong, hem in de keel.

Een hevige hoestbui overviel hem; en onder het bijkomen zag hij de

begeerig starende varkensoogjes van zijn gastheeren.....

"Kan Liong Tjoe is een rijk man, en doet veel zaken," antwoordde hij,

maar bedaard en afgemeten.

Teleurstelling spiegelde zich op aller gelaat af, maar zij maakten

onmiddellijk hun rekening op. Piong Pan Ho was slimmer dan men

gedacht had, men moest hem te vriend houden en boven de officieele

inlichtingen die hij kwam ophalen namens Kan Liong Tjoe, hem

persoonlijk interesseeren in datgene, dat hij onvermijdelijk moest

bemerken met zijn vlug verstand, doch den baas niet aanging. Dat zij

hem overschat hadden, is nooit bij hen opgekomen; integendeel, toen

hij gebruik gemaakt hebbende van wat zij hem in dien tijd leerden,

van jaar tot jaar klom in aanzien en fortuin, prezen zij zichzelf om

hun juisten blik.

Den morgen na zijn aankomst, ging Piong Pan Ho met een der jonge

Babah's, beiden met een pikoelan koopwaren, te voet naar de dessa. Zij

stapten regelrecht naar de woning van den bekel. Het dorpshoofd

ontving hen vriendelijk en liet dadelijk koffie koken en manisan gereed

zetten. Den Babah kende hij; naar den ander vroeg hij niet; doch toen

hij vernam dat Piong Pan Ho namens den Tjina-besaar te Semarang kwam,

begon hij mededeelingen te doen omtrent den stand der rijstvelden

van diegenen zijner onderhoorigen, die van dezen voorschot op hun

oogst hadden ontvangen. Een voor een liet hij hen roepen, voorzoover

zij niet in de sawah's of in heerendienst op het werk waren; enkelen

kochten iets uit den meegebrachten voorraad, doch de hoofdzaak was

het verifieeren der ongeschreven contracten en obligaties, waarbij

de schuldenaars veelal trachtten nog iets meer los te krijgen, en

ook de belangen van den notaris-bekel niet uit het oog werden verloren.

Weer buiten de dessa gekomen, op weg naar een volgende, legde de

Babah Piong Pan Ho uit voor hoeveel diens chef voordeel had in de

transacties, en wat er voor de agenten overschoot.

"Een mooie winst, die twee bij elkaar," vond Piong Pan Ho. "Die schuld

wordt dus nooit afgelost?"

"Met de rijst; maar dan moeten zij weer nieuwe schuld maken," was

het antwoord; "de renten betalen zij gewoonlijk niet geheel, daar die

ieder jaar hooger wordt. Als zij vast zitten geven wij geen geld meer."

"En dan?"

"Dan verhuren zij hun grond en gaan werken. De bekel houdt hen in

't oog. Soms hebben zij dochters, die we in pand nemen als wij ze

noodig hebben. Het geld is altijd goed."

Na de omstreken van Kendal alzoo doorkruist te hebben, keerden Piong

Pan Ho en zijn geleider terug in het huis van waaruit zij hun tocht

begonnen waren.

"Vriend," zeide de oude Babah, "waarom zoudt ge niet eenige zaken

doen voor uw particuliere rekening?"

"Kan Liong Tjoe heeft mij gezonden," antwoordde Piong Pan Ho; "als

ik later zelfstandig ben, kom ik hier terug."

De Chineezen zagen elkaar ongerust aan. Als de Singkeh aan de

verleiding weerstand bood en zijn chef van alles wat hij wist

rapport deed, waren zij verloren; althans zouden zij zich met veel

geringere winsten moeten tevreden stellen. Zij drongen bij hem aan,

hem voorspiegelend hoe goed zij zijn belangen zouden behartigen;

eindelijk maakten zij hem duidelijk dat hij geen kapitaal behoefde in

te brengen, daar zij hem hierin zoover hun middelen reikten van dienst

zouden zijn. Doch Piong Pan Ho bleef ontwijkende antwoorden geven;

hij gevoelde zijn kracht en voorzag zijn zwakte als hij zich met hen,

die hem onderwezen hadden, inliet.

Tot laat in den nacht zaten de Babah's onder elkaar te overleggen. Zij

begrepen eindelijk dat er nog maar één middel overschoot: zij moesten

den Singkeh omkoopen. Toen Piong Pan Ho den volgenden morgen in

zijn karretje zat, op weg naar Bodja, en gebruik wilde maken van de

ververschingen hem door zijn gastheeren medegegeven, ontdekte hij

in een met papier omwikkeld theekopje enkele biljetten der Javasche

bank. Hij lachte en sprak eenige woorden hardop, in zijn moedertaal,

zoodat de voerder verschrikt omkeek, denkende dat de Singkeh gek was

geworden, en deze ternauwernood tijd had zijn vondst voor onbescheiden

blikken in den binnenzak van zijn buis te verbergen.

Bij de andere agenten ging Piong Pan Ho geheel verschillend te

werk. Hij wist nu, en verraste hen met zijn kennis. En wanneer

zij, bang geworden, hem smeekten en met aanbiedingen overstelpten,

liet hij zich ten slotte vermurwen, en verbaasde hen ten tweeden

male door zijn groote bescheidenheid in het gebruik maken van hun

diensten. Wat hij hen echter op het hart drukte, was geheimhouding,

niet alleen voor Kan Liong Tjoe, doch ook tegenover hun collega's. Nu,

een Chinees kan zwijgen. Eén der agenten, een ongelukkige stakker,

die in zaken weinig te beteekenen had, offerde hij op om daarmee een

mooi figuur te maken bij zijn chef.

Kan Liong Tjoe was zeer tevreden toen zijn zendeling thuiskwam en

hij diens rapport had ontvangen. Hij zond hem onmiddellijk weer op

reis, een andere richting uit. Toen Piong Pan Ho van deze tournée

terugkeerde, had hij onder nadere goedkeuring van zijn chef nieuwe

betrekkingen aangeknoopt, die zeer winstgevend beloofden te zijn. Doch

de lof dien hij hierover verwachtte, kwam niet terstond.

"Daar is heel wat geld toe noodig," zeide Kan Liong Tjoe, een ernstig

gezicht zettende... "Ik zou grooter crediet moeten vragen bij de

handelshuizen."

Zij zwegen beiden, nadenkende; de een met de spijtige gewaarwording van

een handelsman, die zich bij ongeluk heeft uitgelaten over zijn zaken,

de ander aan zijn jeugdige voortvarendheid plotseling een hinderpaal in

den weg geworpen ziende, waarop hij niet gerekend had. Want voorshands

waren de zaken die hij deed, slechts parasietplanten op die van Kan

Liong Tjoe; als deze geen geld verschafte, vorderde hij ook niet.

"Hoe meer zaken, hoe meer winst," dacht hij hardop.

"Maar als ik de goederen niet verkoopen kan, blijven ze liggen,"

zeide de ander, "en ik zou boven mijn kracht gaan werken."

"Dan failliet gaan," meende Piong Pan Ho.

De toko-houder lachte hartelijk. Die Singkeh! Toch was het aardig,

zoo spoedig als hij zich had ontwikkeld; het kwam er maar op aan

zijn nog eenigzins verwarde inzichten te ordenen, dan zou hij het

ver kunnen brengen. Reeds nu had hij zich beter gehouden dan een

der vroeger gezonden dwarskijkers, waaronder zelfs Kan Liong Tjoe's

eigen zoon. Wie hunner had ooit een agent betrapt op knoeierij? Een

groote genegenheid voor den jongen man beving den toko-houder; hij

kreeg lust hem te onderwijzen, hem op te voeden.

"Soedah, laat die nieuwe contracten maar bestaan," zeide hij;

"ik zal er over schrijven. En... het geld is er nog wel."

V.

RELATIES AFGEBROKEN EN AANGEKNOOPT.

Reeds had zich de namiddag-koelte verspreid over de stad, langzaam

de hitte verdringende uit de nauwe ruimten van het Chineesche kamp,

eer de conferentie tusschen de beide zonen van het Hemelsche rijk

was afgeloopen. Zij wandelden, nog fluisterend, de toko binnen, door

de achterdeur. Ook daar was uit den doodslaap der heete uren nieuwe

bedrijvigheid ontstaan. Bedienden van Europeanen met bonnetjes stonden

te wachten, onder elkaar pratende over niets en toch druk; in den hoek

waar galanterie-artikelen in glazen kastjes te kijk waren gesteld,

een groep jonge meisjes, de ééne die wat wilde koopen, omstuwend, en

meer omhaal makend over de bestelling van eenige dubbeltjes waarde

dan anderen voor even zooveel rijksdaalders; de meesten in baatje

en broek, enkelen van meer gevorderde ontwikkeling, in losse jurken

zonder bepaald model, die gaapten als zij bukten, tot stil genot

van den jongen Chinees die de koopster heette terecht te helpen,

maar volstrekt geen haast maakte.

Eindelijk waren zij gereed en drongen half stoeiende de toko uit. Op

den weg haakten zij de armen in elkaar, langzaam voortbewegend in de

richting van Bodjong; die aan den buitenkant liepen een stap vóór, zich

naar het midden der rij overbuigend om te verstaan wat er gesproken

werd. Men had een plannetje. Wie het had bedacht wist niemand, doch

allen kenden het; zij praatten nog slechts over de uitvoering, die ook

al was afgesproken en heel eenvoudig. Jongens zouden hen ontmoeten

en opwachten op het erf van de hoogere burgerschool, een uitgezocht

plekje! Men kon er heengaan zonder de opmerkzaamheid te trekken,

heen en weer wandelen, babbelen en eindelijk het gebouw omloopen, om

daar achter een onbeperkte vrijheid te genieten, door niemand bespied.

Bij die meisjes was ook Anneke Wije. Misschien de jongste, doch zeker

de kleinste, was zij door de andere meisjes met bereidwilligheid als

kameraadje opgenomen; vooreerst had zij zich met verbazende vlugheid

opgewerkt tot in op één na de hoogste klasse, ten tweede was zij om

haar lief gezichtje en brutale vroolijkheid de gunsteling van alle

jongens. De door haar aan Kees beloofde trouw had zij slechts matig

gehouden. Maar Kees was ook zoo stil en ernstig! Toch hield zij van

hem; de andere jongens dienden tot afwisseling, tot tijdverdrijf, voor

hoogstens veertien dagen; dan keerde zij tot Kees terug, door wien

zij steeds weder werd aangenomen, zonder dat hem eenige herinnering

scheen te zijn bijgebleven van het leed, dat zij hem al dien tijd

had aangedaan.

Kees was een wonderlijke jongen. Zoolang Anneke goed voor hem was,

maakte hij druk werk van haar, zich inspannende voor allerlei

verrassingen; maar gaf zij tijdelijk de voorkeur aan een ander,

dan trok hij zich terug en leerde met dubbelen ijver. Eens slechts

had hij een medeminnaar voor de kracht zijner vuisten doen wijken;

doch die had het dan ook te bont gemaakt, door hem uit te lachen waar

Anneke bij was!

Anneke wist dat zij hem nu tegen zouden komen, want Kees was gewoon

om dezen tijd Bodjong af te wandelen en voor het erf der Wije's

zijn praatje te maken met haar; toch hoopte zij dat hij ditmaal iets

later van huis mocht zijn gegaan, en onder het praten met de meisjes

keek zij beurtelings in de verte, of hij ook aankwam, en naar het

hek van de hoogere burgerschool, als om den afstand te berekenen,

dien zij nog te loopen hadden, eer zij het doel van dien avond zouden

bereikt hebben. Want geheel gerust was zij niet, zoo min als de andere

meisjes; dat bewees hun drukte en hun gegiegel, even gemaakt als het

zingen van een kind dat alleen in het donker is, of het piepen van de

kruiwagens der Chineesche mijnwerkers op Biliton, als zij alleen langs

een eenzaam boschpad moeten gaan om het gewonnen erts te vervoeren.

"Anneke, waar ga je heen?"

Zij schrikte toen zij die woorden hoorde en een hand aan haar baatje

trok. Het was Kees Duna. Ook het gesprek der meisjes verstomde,

maar zij zagen Anneke aan met lachende, tartende oogen.

"Wandelen," zeide Anneke, kleurende; want dertig pas verder stonden

de jongens aan het hek in nieuwsgierige afwachting.

"Kom even hier," zeide Kees, haar meetrekkend. "Ik weet waar je heen

gaat. Ze hadden mij ook gevraagd of ik kwam, maar ik wou niet; het

zijn gemeene jongens; ze willen.... Ga er niet naar toe, Anneke!" En

hij zag haar smeekend aan.

"Waarom niet?"

"Omdat..." hij aarzelde. Plotseling kreeg hij een idee; en met iets

slims in de uitdrukking zijner oogen, ging hij voort: "Zij hebben

erover gepraat op school; ga mee, dan zal ik het je vertellen; zoo

ineens kan ik het niet."

Het scheen een oogenblik dat zij zoude doen wat hij voorstelde;

omziende naar de meisjes met het voornemen hen te beduiden dat zij

Kees moest volgen, ving zij echter hun blik op, die duidelijk genoeg

zeide: hè, hoe flauw! Het was haar te machtig; flauw was zij niet;

dat had zij dikwijls genoeg getoond, doch als de jongste moest zij

haar reputatie handhaven door het telkens opnieuw te bewijzen.

"Vertel het morgen maar," zeide zij, trachtend haar hand los te rukken,

die hij gegrepen had.

"Neen," zeide hij, terwijl hij zijn verzoekenden toon liet varen. "Niet

morgen; nu of... als je gaat, Anneke, dan... ja, dan kom ik niet meer

en wil niet langer met je omgaan."

Het was een ongelukkig woord. Anneke was niet gewoon dat Kees haar

zóó aansprak; had zij geweten wat hij wist en zoodoende den angst

kunnen peilen die hem dreef... maar dat was niet te verwachten van

een elfjarig kind, zelfs niet van een Indisch meisje, hoe vóórlijk

zij ook wezen mocht.

Zij stampvoette van drift.

"Laat me los," riep zij uit; en zonder hem verder aan te zien voegde

zij zich bij haar vriendinnetjes, nog diep ademend van woede.

Kees stond daar alsof hij een slag in 't gezicht ontvangen

had. Langzaam wendde hij zich om, zijn terugweg nemend over Pontjol,

denzelfden weg waarlangs hij ditmaal gekomen was; want de hoogere

burgerschool wilde hij nu niet voorbijgaan, om te zien hoe Anneke

zich vermaakte...

Hij was diepbedroefd; voor het eerst wilde het werk, waarin hij

anders altijd troost vond, niet vlotten. Telkens weer herinnerde hij

zich de gesprekken van die jongens, lummels van omstreeks vijftien

jaar, die zich gereed maakten om te toonen dat de opvoeding, die zij

van hun baboe ontvangen hadden in vuiligheid, niet aan hen verkwist

was. Kees huiverde, maar hoe hij ook pikirde, er wilde hem maar geen

goed denkbeeld invallen om het dreigend onheil af te weren.

Och, hij wist nog niet dat er tusschen het woord en de daad een groote

afstand is!

Toen de meisjes het erf van de school opliepen, hadden de jongens hem,

verlegen lachend onder elkaar, laten passeeren. Geruimen tijd wandelden

beide partijen geheel afzonderlijk, en het duurde lang eer er een

den moed had zelfs maar een woord tot de andere te richten. Eindelijk

wierp een jongen met een kluitje aarde naar de meisjes.

"Pas op; ik heb wel gezien wie het deed," riep een meisje.

"Wie dan?" vroeg de brutale jongen, en het gesprek was aangeknoopt.

"Zullen we krijgertje spelen?" stelde een voor, daarmee een schrede

verder doende.

Zij vonden het allen goed, er niet op lettend hoe bespottelijk en

kinderachtig het was op hun leeftijd, en dat terwijl zij zich hadden

voorgenomen zich aan te stellen als mannen!

Dat waarop zij gebluft hadden, bereikten zij niet; zelfs toen de

duisternis gevallen was, was hun spel niet minder onschuldig dan op

het meest gewone partijtje. Gelukkig! Maar hoe het op den duur zou

geworden zijn, toen men zich minder en minder begon te geneeren?

Wel was het erf van de hoogere burgerschool veilig terrein, maar het

telkens binnengaan daarvan door de jongens en meisjes, had alras de

aandacht getrokken van de familie die er juist tegenover woonde. Deze

waarschuwde de autoriteiten, en op zekeren avond stonden de kinderen

voor een gesloten hek; een maatregel, die zonder ophef genomen,

een eind maakte aan iets waar nauwelijks een begin van was.

De band tusschen Kees Duna en Anneke was echter verbroken; hij wilde

haar nu eens toonen dat hij zijn woord hield, en zij van haar kant

was te trotsch om een eersten stap tot toenadering te doen. Zij

wenden er eindelijk aan elkaar te ontmoeten als gewone kennissen,

en de vroegere hartelijkheid in hun omgang scheen geheel verdwenen.

Anneke's ouders hadden het wel gemerkt, doch hechtten er weinig waarde

aan. Iets anders boezemde hun meer ongerustheid in, althans Wije. Wat

toch was er geschied op het kantoor?

Op een morgen kwam de oudste chef later dan gewoonlijk binnen,

beantwoordde den groet van zijn jongeren collega met een gebrom

en zette zich, diepe rimpels in zijn voorhoofd trekkend, aan het

schiften van een pak brieven en stukken, die hij den vorigen avond

in zijn huis ontvangen had.

"Iets bijzonders in de mail?" vroeg de ander.

"Alsjeblieft; lees zelf," was het onvriendelijk antwoord, en een

dikke brief in zwaar blauw envelop, werd naar het ander eind van den

dubbelen lessenaar over het lage loket heen geworpen.

De jongste chef vouwde hem open, keek eerst het begeleidend schrijven

in, en daarop de rekening-courant, die het grootste en belangrijkste

deel van den inhoud uitmaakte.

"Hm, verduiveld onaangenaam!" was zijn opmerking, en hij richtte zich

op, starende over het houten scheidsmuurtje naar zijn medebeheerder,

die met zijn gladgeschoren gezicht en witte das wel iets had van

een rechter.

"Ja, dàt is het," klonk het terug. "Heel onaangenaam! En ik zou wel

willen vragen waar dat heen moet; altijd wordt er verloren op den

export, terwijl een ander zich afslooft om een beetje winst te maken

met den import; dat gaat zoo niet op den duur."

De jongste chef had even geglimlacht om de uitdrukking "afsloven",

maar dadelijk daarop bedwong hij zijn trekken. Het verwijt hem naar

het hoofd geslingerd, was te scherp dan dat hij mocht zwijgen. Hij

toch was de man die de exportzaken deed.

"Een verliespost komt overal voor," zeide hij. "Als een Chinees

failleert..."

"Dat staat niet gelijk," viel hem de ander in de rede. "Dáár wordt

op gerekend, en door de bank geeft het nooit verlies; maar wel de

export, die eigenlijk dien naam niet dragen mag; want meer dan een

speculatie zie ik er niet in; een onberedeneerd, onbekookt dobbelen,

dat ons ten langen leste op de flesch helpt."

Hij had zijn stem uitgezet, zoodat het gesprokene krakend weergalmde

over de kraamschutten. De employés hoorden het en rekten hun halzen

om te verstaan. "Ze hebben standjes!" fluisterde een.

Zij konden niet alles opvangen; doch het weinige dat zij verstonden

in onderling verband brengende, kwamen zij tot het resultaat dat

de firma een "klap" gekregen had, die raak moest zijn, te oordeelen

naar den duur van het "standje." Men nam zich voor op zijn hoede te

zijn, en zoo mogelijk uit te vorschen hoe erg het was. Zij praatten

er over onder elkaar met ernstige gezichten, middelen beramende om

den hoofd-boekhouder die in een apart hokje zat tot mededeelingen

te bewegen; want hij was de eenige die het weten kon, daar de rest

der boekhouding zoodanig in onderdeelen gesplitst was, dat winst of

verlies voor alle anderen een onoplosbaar geheim bleef.

De chefs waren intusschen voortgegaan met hun voor beide partijen

onplezierig discours; de jongere nu ook warm geworden, viel op zijn

beurt aan, den ander zijn drijven op bestaande relaties, zijn weinige

activiteit voor de voeten werpende. Maar plotseling zwegen zij, hun

boosheid maakte plaats voor een uitdrukking van de hoogste verbazing,

met groote oogen en geopenden mond zagen zij elkaar aan, vragend,

verontwaardigd....

Het was stil in de afdeeling der chefs.

Doch daarbuiten, bij de employés, was een ongewoon rumoer

ontstaan. Stoelen werden verschoven, inktkokers opgenomen en met een

harden slag weer nedergezet; men liep heen en weer, pratend, lachend,

allerlei onzin uitvoerende.

Rood van ergernis vloog de oudste chef op van zijn stoel en opende het

deurtje van hun vak. Maar slechts een oogenblik stak hij het hoofd

naar buiten, om met een verlegen lachje en licht schouderophalen

weer te retireeren naar zijn lessenaar. Hij had gezien hoe Terborg

een dikken Chinees verwelkomde, en de woorden opgevangen waarmee hij

dezen rekenschap gaf van het zonderling geraas: "We hebben allen een

maand tractement extra ontvangen!"

Veel tijd om over het grappige der tegenstelling--de chefs luid

kijvende over een verlies dat de firma geleden had, de employé's hen

voor de buitenwereld sauveerende door het uitvloeisel van groote

winsten voor te wenden--na te denken, had hij niet, daar Terborg

aanklopte en het bezoek van "Kan Liong Tjoe met nog een Chinees"

aanmeldde.

"Zoo sobat, gaat het goed? En wie is deze sobat? Dien ken ik nog niet."

"Piong Pan Ho."

De oudste chef schudde beiden de hand en wees hun een stoel aan.

"En wat is er te doen?"

Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman · 第 3 / 20 段