hadden dit jaar de geheele kentering uitgemaakt en toen was het
gaan regenen, dagen achtereen, of het nooit zou ophouden. De droge
aarde had in 't eerst begeerig het vallende water ingezogen, maar
was eindelijk voldaan, goten en waterleidingen voerden af zooveel
zij konden bevatten, langs de wegen klotste het in steeds breeder
wordende stroomen, in kalie en bandjir-kanaal joeg het voort in wilde
vaart en tallooze wielingen, ten slotte liepen de laaggelegen kampongs
onder en vormde zich een diepe plas vlak voor de brug en het "groote
huis", Semarang's residentiekantoor. 's Nachts weerklonk af en toe
het bandjir-signaal op de tong-tong, en dan vloekten de ambtenaren
van den Waterstaat, die hun bed uit moesten, om... toe te zien;
alsof zij er iets aan konden doen!
De natuur haalde haar schade in, die zij in den afgeloopen drogen
moeson geleden had; eenmaal zoover, keerde de normale toestand terug
en zij, die hadden voorspeld wat er wel zou gebeuren als dàt nog een
dag of wat aanhield, behoefden niet langer bezorgd te zijn voor hun
reputatie als profeten, want niemand kon hun nawijzen dat het niet
precies zoo uitgekomen zou zijn.
Nu echter was het weer een doodgewone Westmoeson, met geregelde
afwisseling van warmte en frissche buien, tevens het seizoen der
bals en avondjes, voorstellingen en concerten. Seizoen bij wijze van
spreken, want dien term gebruikt men in Indië niet, evenmin als men
zich oorspronkelijk stoorde aan den tijd van het jaar voor het geven
van amusementen. Eerst langzamerhand hebben zich die min of meer
beperkt tot den regentijd; vroeger was er iedere week "wat te doen";
daarop volgde de verzadiging en... de slechte tijden, die altijd heeten
te komen als grootere weelde de menschen in overdaad behoefte doet
zien en datgene verachten, waarmee zij vroeger meer dan tevreden waren.
Ook bij de familie Duna was een avondje. Eigenlijk een kinderpartij,
ter eere van Kees, die jarig was, maar men had ook de ouders
meegevraagd, om een kaartje te leggen, en eenige jonge dames, om de
kinderen bezig te houden.
De Duna's konden het goed doen. Meneer was chef van een
crediet-instelling en had tweeduizend gulden in de maand, behalve zijn
aandeel in de winst. Hun huis was daarmee in overeenstemming en ook
het toilet van mevrouw, waarover het oordeel der oudere dames luidde:
te jeugdig, en dat bij de jongere den stillen wensch deed opgaan:
van ook eens zoo'n hoog tractement te mogen trouwen. Zij had zich
dien avond niet willen binden aan een serieus partijtje, en speelde
dus met mevrouw Wije, die vroeg naar huis moest, en een paar heeren,
die geen groote liefhebbers waren en het volstrekt niet kwalijk namen
als zij nu en dan even naar achter ging om voor iets te zorgen.
"Zoo'n soesah met die kinderen," betoogde zij; "veel meer dan voor
groote menschen. Als je niet oppast, zouden de bedienden aan hen
brandy-soda geven, en de limonade bij de heeren brengen."
Nu, daarvoor was geen gevaar; de jonge dames hielden flink toezicht;
maar wel waren de bedienden dikwijls geneigd met gebak en lekkers--ja,
ook dranken--in een verkeerde richting te loopen, tegenovergesteld
aan die welke naar de voorgalerij leidde; dàt vereischte mevrouw's
tegenwoordigheid. De anderen wisten dit, ook dat zij flesch voor
flesch uitgaf, de ledige terugvorderend, en na afloop inspectie hield
in de bediendenkamers; maar dat was enkel zuinigheid en goede orde,
overigens was de receptie zoo royaal mogelijk. Men lachte dus.
"Wie geeft?"
"Altijd die 't vraagt, mevrouw," zeide haar buurman.
"Wat 'n ouwe ui!" vond de andere heer.
"Doch bleibet sie immer neu," citeerde mevrouw Wije.
Juist waren de kaarten rondgegeven, toen een doffe slag gehoord werd,
op het achtererf.
"Neem me niet kwalijk," zeide de gastvrouw voor de zooveelste maal;
"ik hoor een klapper vallen."
Men nam het ditmaal wel kwalijk; dat was toch al te bar, om voor een
gevallen klapper zijn gasten in den steek te laten! Een ding van een
paar centen.
"Tweeduizend gulden in de maand!" fluisterde mevrouw Wije.
"En vijf centen, voor de waarde van een klapper," voegde de man van
de oude ui er aan toe.
Mevrouw Duna was intusschen door de achtergalerij het erf opgesneld,
haar prachtige japon hoog opgenomen tegen den modder.
"Spen!" riep ze, "klappa djatoeh!"
"Saja 'nja," klonk het van tusschen de klapperboomen; maar wat hij
er nog bij mompelde, hoorde zij gelukkig niet.
Daar was ze toch weer juist bijtijds naar achter gekomen! Teruggaande
met minder haast, passeerde zij de kamer van Kees en hoorde daarbinnen
praten. Zij gluurde door de reet van de deur, die aanstond.
Op de rustbank zat Anneke, een boek op haar schoot en naast haar stond
Kees met twee andere boeken in zijn hand, die hij haar één voor één
liet zien.
"Dit is Aardrijkskunde," legde hij haar uit. "Kijk hier ligt Europa,
en dáár wonen wij. En als ik dat nu allemaal ken, dan laat pa mij
examen doen voor de hoogere burgerschool. Ik krijg les van meneer
Mulder. En dan word ik heel knap, weetje."
"Ga je dan van onze school weg, Kees?"
"Ja," zeide hij, met iets als minachting in zijn stem.
"Hè Kees..." zeurde zij.
"Natuurlijk.... dat is te zeggen.... niet gaan huilen, Anneke! Ben je
mal? Geef hier dat boek; we gaan weer dansen, zooals daareven. Jij
blijft natuurlijk mijn meisje en als ik controleur ben, dan trouwen
we samen. Is dat goed, zeg?"
"O ja," zeide zij, en legde haar arm op groote-menschen-manier in
den zijnen.
Toen zij bij de deur kwamen, ging deze als vanzelf verder open.
"Mama!" riep Kees, kleurend.
"Waar zit je toch!" zeide zij scherp. "Je mag je gasten niet zoolang
alleen laten, en je ook niet den heelen avond met één meisje bemoeien;
dat past niet."
"We zijn pas hier," jokte Kees; "ik wou Anneke mijn nieuwe boeken
laten zien."
"Anneke Wije, niet?" vroeg zij, en het meisje nauwkeurig opnemende:
"Gut, wat 'n mooi kind!" Zij bukte zich en kuste Anneke op beide
wangen; doch toen zij zich omwendde, veegde deze zich het gelaat af;
ze scheen op de moeder van Kees niet bijzonder gesteld.
Kees zag het niet; trotsch dat zijn keus zoo in den smaak viel,
wandelde hij met Anneke terug naar de anderen en waren zij weldra
verdiept in de geheimen van het pandverbeuren.
"Zoo, Wije, hoe gaat het?" begroette de heer Duna dezen, toen hij
hem eenige dagen later in het Chineesche kamp tegenkwam. "Jongens,
ik zal eerstdaags officieel bij je moeten aankloppen."
"Hoe dat zoo, meneer?"
"Om de hand van je dochter voor mijn zoon."
"Dat heb ik gehoord," lachte Wije.
"Watblief; van wien?"
"Van de jonge dame zelf. Al een maand of wat geleden."
"Hm," deed Duna met licht samentrekken der wenkbrauwen. Bijna had
hij gezegd: "Dat had je mij wel mogen meedeelen."
"Het is een wonder dat het zoolang duurt," vond Wije.
"Och," antwoordde Duna beschermend, "Kees is een goede jongen, en
ik zie het liever zóó, dan dat het zich op een andere manier uit. Is
de schooltijd om, dan vergeten ze elkaar gauw genoeg.--Ik moet hier
zijn; bonjour!"
Wije zag hem na toen hij de deur van een Bank binnenliep, ten zeerste
geërgerd. Minder nog door de woorden die de heer Duna gesproken had,
dan door den toon waarop zij geuit waren. Het was alsof hij had
moeten verstaan: Voor tijdelijk amusement van Kees is je dochtertje
goed genoeg, kinderen kennen het onderscheid van stand zoo niet. En
een gevoel dat jaren lang bij hem had geslapen, dat hij eigenlijk
reeds lang dood waande, brak plotseling weer door en verbitterde zijn
hart. Het was jaloezie.
Toen Wije zijn carrière begon, sprak het vanzelf dat hij, de jongste
geëmployeerde, zich den mindere gevoelde van iederen chef van een huis;
maar zooals de jongste tweede luitenant opziet tegen een hoofdofficier,
wiens rang hij eenmaal ook hoopt te bereiken. Later, toen hij als
verkooper wel promotie maakte in salaris, doch niet in positie, begreep
hij op een weg te zijn die doodliep; dat hij dien eenmaal ingeslagen
zijnde, zou moeten doen als de onderofficier, wiens eenige kans om
hoogerop te komen lag op het slagveld. Hij moest zich onderscheiden,
ten eerste door bekwaamheid in zijn vak, ten tweede door algemeene
ontwikkeling, en dan den grooten dag afwachten die hem ineens, met een
sprong, zou brengen op de plaats waar hij wezen wilde. Was daartoe een
crisis noodig, welnu die zou ook wel eens komen. Het eerste gevolg van
zijn streven was zijn reputatie als de knapste verkooper van de stad,
die zijn positie steeds sterker maakte; voorts werd hij de vraagbaak
van het dilettanten-tooneelgezelschap, schreef gewaardeerde artikelen
in de locale bladen, en zoetjesaan veroverde hij zich een plaats in
den familie-omgang dergenen, die hij op zijde wenschte te komen: de
chefs. Toen ten slotte de resident en de generaal op zijn avondjes
verschenen, vergat hij zijn inférieure positie geheel.
Hoewel voortgaande zich de vraagstukken van zijn vak en den handel in
't algemeen voor te leggen ter oplossing, was hij langzamerhand in
den dommel geraakt wat betreft zijn streven naar een verandering van
positie. Men behandelde hem immers nu op een voet van gelijkheid?
Plotseling schrikt hij wakker door één woord van Duna. En met
ontnuchterden blik ziet hij weer het groote verschil; hij bedenkt dat
de meesten hem tutoyeeren waar hij "meneer" zegt, en dat degenen die
dat niet doen, stijf zijn in hun beleefdheid; allerlei kleinigheden
en nietige gezegden doemen op in zijn herinnering en geven hem den
totaalindruk, dat men hem van alle kanten te kort doet, hem als een
mindere blijft beschouwen.
Diep ongelukkig dwaalt hij dien ganschen dag rond, van 't kantoor naar
het Chineesche kamp en terug, zonder succès in zijn aanbiedingen,
wat hem nog wreveliger maakt, daar hij niet inziet dat het aan hem
en zijn humeur ligt.
Eindelijk komt hij thuis en stort zijn hart uit voor zijn vrouw.
Naast hem gezeten op de rustbank, haar arm om zijn hals, luistert
zij toe met een glimlach.
"Maar Wim," zegt zij dan, "ik begrijp niet wat het je schelen kan. Heb
ik er je ooit op aangekeken?"
"Jij?" vraagt hij verwonderd.
"Nu, ben ik dan minder waard, dan al je chefs?"
"Neen waarachtig niet!" roept hij uit. En dan weer somber: "Maar als
ik jou ook niet had..."
"Dan zag het er treurig met je uit," lachte zij, hem kussende. "Kom,
laat ik je eens troosten. De meeste chefs zijn immers veel ouder dan
jij, dus heb je den tijd nog. En intusschen houden we telkens meer
over. Zoodra wij genoeg bespaard hebben gaan we naar Holland, en lachen
de chefs uit, die hier tot hun dood ploeteren en dan nog niets hebben.
"Bespaard!" herhaalde hij. "We hebben in al die jaren nog maar even
tienduizend gulden overgelegd. Hoeveel denk je wel dat er noodig is
om in Holland te kunnen leven?"
"Dàt weet ik niet," zeide zij; "maar ik ken een geldbelegging die
heele groote rente afwerpt."
"Jij?" vroeg hij ten tweeden male, maar nu lachend. Wat wist een
vrouw van zaken!
"Ja," zeide zij, "ik! Wil je het ook weten?"
"Graag."
"Kom dan mee."
Zij nam hem bij de hand en leidde hem door de binnengalerij, waar
zij gezeten hadden, naar hun slaapkamer, stil houdende voor het
kinderledikantje.
"Kijk, hier," zeide zij, wijzende op het slapende kind. "Of heb je
het vergeten, domme man, wat je mij indertijd zelf gezegd hebt; dat
alles wat men aan de opvoeding zijner kinderen besteedt, honderdvoud
terugkeert?"
De baboe kwam op dit oogenblik binnen en haar tegenwoordigheid
verhinderde iedere demonstratie. Maar Wije's booze bui was over.
"Je hebt gelijk," zeide hij, met haar teruggaande; "Duna mag van zijn
zoon een controleur maken, ik laat den mijnen studeeren!"
Het werd Mei, en op de gezichten van een zeker deel van Semarang's
ingezetenen vertoonde zich een trek van onrust en spanning, die
er vóór dien tijd niet op geweest was. En ook de karakters schenen
een verandering te ondergaan. De hooghartigen en stuurschen werden
beleefd, de anders deftigen waagden zich aan een kwinkslag. Als men
elkaar tegenkwam, was het als wilde de een voor den ander iets geheim
houden; iets dat echter iedereen wist, dat even natuurlijk en in
't oogvallend was als een bui regen of mooi weer.
Binnenshuis genoten knapen van twaalf tot veertien jaar een meer
dan gewone belangstelling van de zijde hunner ouders. Beurtelings
vertroeteld en gedreigd, werden zij zenuwachtig gemaakt tegen den
dag waarop zij de grootst mogelijke bedaardheid en kalmte van geest
moesten bezitten: den examen-dag voor de hoogere burgerschool.
Hoe meer de tijd naderde, hoe erger het werd. Onderwijzers, tegen
wie men anders niet zoo hoog opzag, werden als bronnen der grootste
wijsheid vereerd en ter elfder ure in den arm genomen om de jongens
in een of ander zwak vak nog een weinig "bij te werken". En vooral de
leeraren, de gevreesde examinatoren, wisten nauwelijks hoe zij het
hadden; op straat of in de sociëteit werden zij met nederbuigende
vriendelijkheid aangesproken door personen, die zij zich niet
herinnerden ooit te hebben ontmoet. Iedereen verlangde naar den
grooten dag en was er tevens bang voor.
Bij de Duna's toonde alleen meneer zich zenuwachtig. Mevrouw kon
het niet schelen; zij had in de eerste plaats niet veel op met de
loopbaan, die haar echtgenoot voor Kees gekozen had; de handel trok
haar veel meer aan. En voorts, wat kwam het er op aan of de jongen
een jaar vroeger of later klaar was! Wat het financieele betreft,
hadden zij niet de minste haast; zóó erg spande het gelukkig niet;
en dan had zij altijd gehoord dat jongens, die te vroeg met wijsheid
werden volgestopt, op den duur de grootste stommeriken uitleverden;
men moest ook den geest zijn tijd gunnen om te ontwikkelen, evengoed
als het lichaam. Als Kees zelf groot verlangen getoond had om spoedig
te slagen, zou zij het hem niet misgund hebben; maar vooral in den
laatsten tijd, had de jongen niet onduidelijk doen blijken, dat hij
gaarne nog wat op de lagere school wilde blijven.
"Ken je je Fransch, Kees?"
"Ja pa."
"Zou je het nog niet eens inkijken?"
"Neen pa, dat hoeft niet."
"Maar je aardrijkskunde en je geschiedenis?"
"Heusch pa...."
"Plaag het kind toch zoo niet," viel mevrouw in. "Je zult hem nog
heelemaal in de war brengen. Kom Kees, ga naar bed."
Kees hield anders wel van iets later opblijven, maar nu was hij
eigenlijk blij dat het tijd was. Papa deed zoo vervelend! Toch
ging de zaak niet geheel buiten hem om. In den beginne had hem het
denkbeeld van op de hoogere burgerschool te komen zeer aangelokt,
doch later toen hij had ingezien dat hij dan de welbekende lokalen,
de vrienden en bovenal het thuisbrengen van Anneke Wije zou moeten
opgeven, was er een conservatieve tegenstroom in hem ontstaan. Zijn
ijdelheid spoorde hem aan om zijn best te doen; zijn hart hoopte dat
hij niet mocht slagen.
Wat een examen was, daarvan kon hij zich geen juiste voorstelling
maken. Hij kende het woord, meer niet. Den volgenden morgen begaf
hij zich naar het gebouw. Op het ruime voorerf liepen jongens,
evenals hij in hun stijfste pak gestoken. Hij kende er enkelen, en
sprak met hen; maar de toon waarop zij antwoordden was afgemeten,
en zoodra zij in de nabijheid kwamen van een jeugdig individu, met
een pet op waar omheen een goud biesje pronkte, zwegen zij geheel,
of fluisterden waarschuwend: "'n ouweling!"
Kees vernam dat dit in het eigenaardig idioom der Indische jongens
het tegenovergestelde was van "nieuweling," en deze uitdrukking den
staat aanduidde waarnaar zij allen streefden, dien van leerling der
eerste klasse. De "ouwelingen" hadden het voorrecht den stormband van
hun pet in de hoogte te mogen schuiven, zoodat het vergulde randje
zichtbaar werd, en ook om de aspirant-nieuwelingen te plagen en zoodra
zij geslaagd waren, te ontgroenen.
Gaarne zou hij uitlegging van dit laatste gevraagd hebben, doch de bel
ging, en als een kudde lammeren drongen de jongens tegen de trap op,
het massieve gebouw binnen.
Het vreemde drukte Kees wel, doch zoodra hij zijn werk had, verdween
dit gevoel. Het examen viel hem mee; en toen hij thuis verslag moest
doen, vatte hij zijn totaal indruk samen in de woorden: "Ze vroegen
mij alleen dingen, die ik op school geleerd had, of van meneer Mulder."
Tegen het uur waarop de uitslag bekend gemaakt zou worden, verzamelde
zich een collectie rijtuigen en dos-à-dos op den grooten weg vóór
het schoolgebouw. Enkele groote heeren lieten hun équipage het erf
oprijden, en onder de laatsten ook de heer Duna. Vóór de trap stonden
de bekende "ouwelingen."
Het duurde wat lang, maar eindelijk kwam er een klein ventje uit,
langzaam en bedroefd; hij was gezakt. De jongens namen geen notitie
van hem, alleen toen een heer met gefronste wenkbrauwen op het kereltje
toetrad en dit in tranen uitbarstte, lachten zij.
"Lamme jongens!" mompelde Duna, die uitkeek van onder den kap van zijn
rijtuig en het heele tooneeltje met een beklemd gevoel had aangezien.
Nummer twee verscheen, lachend. Een hoeratje ging op; en toen hij
de trap afkwam, stormde men naar hem toe, niet eer den doorgang vrij
latend, voor hij van iederen "ouweling" een tik had gekregen.
Zoo duurde het eenigen tijd voort, tot eindelijk Kees te voorschijn
kwam. Bedaard daalde hij af, de jongens nauwelijks aanziende. Duna's
adem stokte. Maar de jongens lieten zich niet misleiden.
"Ben je er door?" vroeg een, Kees bij den arm grijpende.
"Ja."
Dat bezorgde hem een dubbele dosis! En Duna het ziende, sprong uit
zijn rijtuig, ondanks zich zelven roepende: "slaat er op!"
"Kees, mijn jongen," liefkoosde hij, toen zij in het rijtuig zaten,
"dat heb je ferm gedaan. Kom, koetsier, lakas!"
Tusschen licht en donker, dat is in Indië altijd om en bij half zeven,
stond Anneke dien avond aan den ingang van het erf te wachten op de
baboe, die haar geleiden zou naar een vriendinnetje dat haar had
uitgenoodigd. En terwijl zij nog omkeek naar binnen, naderde haar
Kees. Met een tikje op haar schouder meldde hij zich aan.
"Ik kon even weg," sprak hij haastig, "en kwam je vertellen dat ik
er door ben. Zeg, Anneke, nu kan ik je niet meer thuisbrengen, maar
ik zal zoo dikwijls komen als ik kan. Het volgend jaar is er partij
op de school, en dan mag ik ook inviteeren; ik zal jou vragen."
"O dat is heerlijk," juichte het meisje.
"En," ging hij voort, "papa heeft mij een boel geld gegeven, waar
ik mee mocht doen wat ik wou; toen heb ik dit gekocht voor jou." Hij
maakte een papiertje open en toonde haar een drietal zilveren armringen
zooals de meisjes op Java veelal dragen.
"Dankje wel Kees!" zeide zij en stak haar hand uit. Doch Kees schoof
er de ringen zelf aan en hield haar hand vast.
"Anneke," zeide hij, eenigszins aarzelend, "zal je nu met geen anderen
jongen gaan loopen?"
"Neen zeker niet," beloofde zij.
"Dan is het goed," zeide hij; en even omziende of er niemand
aankwam, nam hij haar gezichtje tusschen zijn handen en gaf haar een
zoen. "Dag!" riep hij, wegsnellende.
Anneke bezag het geschenk en onwillekeurig hield zij haar beide
armen tegen elkaar; om den eenen de ringen van Kees, om de anderen
het roode snoertje van Piong Pan Ho.
IV.
DE KUNST OM FORTUIN TE MAKEN.
De Singkeh had het in betrekkelijk korten tijd ver gebracht. Zoodra het
getal zijner vaste afnemers grooter was geworden dan hij op zijn gemak
af kon, nam hij voor eigen rekening en risico een koelie aan, die een
tweede vracht droeg, en maakte hij meer werk van de kampongs. Instede
van zelf vooruit te draven en den koelie op verren afstand te laten
volgen, zooals zijn collega's gewoon waren, dwong hij den inlander
òf vlak achter hem te blijven òf voor hem uit te gaan, steeds zoo
goed en zoo kwaad als het ging een gesprek voerende. Toen de koelie,
ongewoon aan het zware werk bij de lichte voeding der Javanen,
na eenige weken, mager en dor, zijn last niet meer kon torsen, nam
Piong Pan Ho een ander; en toen hij zijn vijfden koelie versleten had,
sprak hij Maleisch. Wel wat ruw in 't eerst, doch spoedig beschaafde
hij zijn taal, 's avonds in de toko.
Ruim twee en een half jaar na zijn aankomst had hij iets bereikt,
dat een inlander nimmer gelukt: zijn schuld bij Kan Liong Tjoe was
aangezuiverd. Toen had hij een lang onderhoud met den baas zelf. Deze,
die gezien had dat er in Piong Pan Ho meer stak dan in een gewonen
Singkeh, al was het slechts op grond van zijn vlugge aanleeren van
het Maleisch, wilde hem niet den weg der andere klontongs laten
volgen, die wanneer zij zich vrijgewerkt en wat overgegaard hebben,
een klein tokotje openen, om de rest van hun leven in door te brengen,
doch bedacht een middel om hem nog eenigen tijd aan zich te verbinden.
Op zekeren dag ging Piong Pan Ho op reis, in een karretje, volgeladen
met goederen, die de kosten moesten goedmaken en... het eigenlijk doel
van den tocht verbergen. In een der zakken van zijn blauwe buis had
hij een lijstje van namen; zijn verdere instructies waren mondeling.
Bij de woning van den resident draaide het karretje waarin Piong Pan
Ho zat, rechts den hoek om, in de richting van Boeloeh.
Hijzelf keek achteruit, naar den anderen weg, waarop hij dien eersten
dag van zijn klontong-schap verdwaald was. Toen hij zich weer recht
gezet had, gemakkelijk steunende op de pakken katoentjes, lag er een
waas van genoegen over zijn gele tronie.
Het karretje vorderde intusschen snel. Na den eersten bocht opende zich
een zeer schoon landschap. De rechterkant van den postweg vertoonde
een uitkapping en daarboven op stond bosch, wild en ongecultiveerd,
allerlei boomsoorten door elkaar, doch frisch nu de regens het stof
van de bladeren hadden weggespoeld, met zachte overgangen van groen
tusschen oud en jong blad, de onderste lagen nog uitdampend door het
felle trekken der zonnewarmte. Links stroomde de rivier, gezwollen
en bruin, op den achtergrond het blauw der bergen, in lichter tint
verschietend naarmate zij verder af waren, de toppen door witte wolken
omkransd; ver weg de Prahoe en de Sindoro, dichterbij de Oengaran en
tegen een der laatste uitloopers van dezen steeg de weg vlak vooruit.
Piong Pan Ho genoot; gedeeltelijk ook van de omgeving, ofschoon
hij zich daarvan geen rekenschap gaf, doch meer van de gelegenheid
tot lui-zijn, tot nietsdoen, tot het zich laten voortbewegen zonder
moeite, door inspanning van krachten, die buiten hem lagen. Na een
langen tijd van arbeid, voortgejaagd van den ochtend tot den avond,
met nauwelijks tijd om voldoende uit te slapen, eens een enkelen dag
zoo lui te mogen wezen als men wil, ziedaar een genot dat ook een
Chinees op zijn waarde weet te stellen.
"Kèh, uitstappen!"
Wie stoorde hem daar in zijn rust, wie uitte dien dissonant? Van onder
zijn voor twee derden gesloten oogleden wierp Piong Pan Ho een blik
naar buiten, te gelijk dienende om den toestand even op te nemen en
den koetsier die de woorden gesproken had, te kennen te geven dat
hij niet van plan was aan het verzoek te voldoen.
Het voertuig stond stil, halverwege de steilte, in het mulle grint,
dat voor de nederdalende wagens een uitmuntende rem was, maar waardoor
het Javaansche paardje geen kans zag zijn zware vracht tegen de hoogte
op te trekken. De koetsier was uitgestegen om den last te verlichten en
een beter--of liever wreeder--gebruik van zijn zweep te kunnen maken,
doch het hielp niet.
"Stap even uit," herhaalde hij, "het paard kan zoo niet verder."
"Trek dan zelf mee," zeide Piong Pan Ho.
Met een spijtig tonggeluid begon de inlander aan dezen raad te voldoen,
duwende tegen het slikbord en wrikkende aan een der wielen, tevens
zijn paard opjagende. Doch het hielp niet, want zoodra hij zelf zijn
handen en krachten gebruikte, bleef het dier volkomen lijdelijk; en
omgekeerd, als dit onder herhaalde zweepslagen zich in het tuig wierp
en rukkend trachtte vooruit te komen, bleef de koetsier in gebreke.
"Houd dan ten minste de leidsels vast," riep hij uit, en Piong Pan
Ho verwaardigde zich dit met twee vingers te doen.
Het paard bij het hoofd nemende, gaf de voerder het een geweldig pak
slaag vooruit; toen de spaken vattende riep hij: hrrr, hrrr! en met
vereenigde krachten nu kwam men over de moeielijke plek heen. Boven op
de helling gekomen, stapte de koetsier weer in, en joeg zijn dier met
de andere helft van het pak slaag in vollen ren vallei-waarts. Dit
was de laatste stuiptrekking van snelheid; van nu af ging het op
een sukkeldraf, afgewisseld met stilstaan en weigeren van het door
slechte voermanskunst koppig gemaakte paard.