Hij nam zich dus voor heel onderdanig te zijn jegens de Holl

PIONG PAN HO.

OORSPRONKELIJKE INDISCHE ROMAN

DOOR

J. DERMOUT.

AMERSFOORT,

G. J. SLOTHOUWER.

INHOUD VAN HET EERSTE DEEL.

Bladz.

I. TWEEËRLEI LUIDRUCHTIGE AANKOMST 1

II. HOE EEN CHINEES ZIJN CARRIÈRE BEGINT 23

III. HIJ EN ZIJ 57

IV. DE KUNST OM FORTUIN TE MAKEN 80

V. RELATIES AFGEBROKEN EN AANGEKNOOPT 99

VI. WAAROM JUIST DEZE? 125

VII. HANDEL EN ROUW 150

VIII. ZOU DIE OOIT TERECHT KOMEN? 174

IX. TROUWEN... GOED; MAAR GEËNGAGEERD...! 210

X. EEN CHINEESCHE LES IN STAATHUISHOUDKUNDE 231

XI. NOG EEN PAAR AANBIDDERS 249

XII. DE VOORAVOND VAN EEN FAILLISSEMENT 263

INHOUD VAN HET TWEEDE DEEL.

I. UN HOMME AVERTI... VAUT DEUX CHINOIS 1

II. TWEE DOZIJN MET DE ROTTAN 22

III. GOED INTRIGEEREN IS NIET IEDERS WERK 51

IV. MEN POUSSEERT ZICH 82

V. SINTERKLAAS-SURPRISES 98

VI. OOK EEN COMPAGNON 119

VII. EEN OORSPRONKELIJKE DECLARATIE EN EEN BLAUWTJE 160

VIII. ONVERBREEKBARE BANDEN 195

IX. OORLOG IN HUIS 223

X. VOOR AAN UED. GELEVERD: EEN MEISJE 252

XI. DE ZEELUCHT WERKT WONDEREN 277

I.

TWEEËRLEI LUIDRUCHTIGE AANKOMST.

Het was al laat in den morgen van een warmen Oost-moeson-dag. Ratelend

sjokte een toko-wagen over den gladden macadam-weg, die de schoone

Bodjong-wijk met Semarang's benedenstad verbindt; de kleine Javaansche

paarden zonder oogkleppen en een minimum tuig, in vollen galop. Want

een toko-wagen ratelt altijd, behalve als hij stilstaat en men er niet

tegen stoot; en als de paarden niet galoppeeren zou men de uitdrukking

"sjokken" door "kruipen" moeten vervangen.

In den wagen, van het soort dat door een grappenmaker eens beschreven

is als een langwerpig gat, met aan weerszijden een bank, zat een

Europeaan, diep in 't wit. Hoewel hij den weg reeds eenige honderden

malen had afgelegd, 's morgens naar het kantoor, 's middags naar

huis, gedurende minstens tien jaar, scheen het alsof heden alles

nieuw voor hem was. Met belangstelling keek hij uit naar de huizen,

de voorbijgangers, tot zelfs naar de honden, als zocht hij onder

dat alles naar iets bekends, om het datgene te kunnen toeroepen,

dat zijn geheele hart op dien morgen vervulde...

Een vertraging in den gang van den wagen, de brug, toen een versnelling

bij het afrijden, een draai, en de paarden stonden vanzelf stil voor

het kantoor van een der groote firma's. De Europeaan sprong eruit en

liep naar binnen. Eerst een magazijn, waar mandoers en koelies bezig

waren groote kisten en balen te ordenen, dan de trap met uitgeloopen

treden, die hem op de monsterkamer bracht.

Van een grooten zolder, omgeven door een muur met vensters en met

twee rijen houten pilaren, die het dak schraagden, was de helft

monsterkamer. Lange houten tafels droegen de monsters van alles waarin

het "huis" handelde: katoentjes, garens, klokken, patjols... neen,

daar is niet aan te beginnen! Althans niet wat betreft de artikelen van

import. Want een hoekje, ingenomen door een groot aantal stopfleschjes

met suiker en koffie, toonde aan dat men ook aan export deed. De

andere helft van den zolder had den vreemdeling licht op het denkbeeld

kunnen brengen, dat de firma op uitgebreide schaal handel dreef in

kraamschutten. Bij een nadere beschouwing bleek evenwel, dat men met

die dingen een indeeling beoogd had van de groote ruimte, in hokjes

en vakjes, voor de verschillende afdeelingen van administratie en

beheer. Het was het kantoor.

Op de monsterkamer was een jongmensch bezig een Arabier rond te leiden,

en hem eenige artikelen aan te toonen, die hij meende dat de Arabier

wel zou kunnen gebruiken.

"'Morgen, meneer Wije," riep hij den binnenkomende toe. "Hartelijk

gefeliciteerd."

"Dankje Terborg," antwoordde Wije hem de hand drukkende. En nu

kwamen zij allen te voorschijn van achter de kraamschutten, met groot

vertoon van belangstelling en vriendschap; de een vóór, de ander na,

hem gelukwenschende, naar gelang van hun positie "Wije" zeggende

of "meneer". Zelfs de beide chefs waren uit hun vak gekomen, hem

opwachtende, toen hij zich door de profusie van wenschende collega's

op de monsterkamer had heengewerkt, in het nauwe gangetje.

Wije was zichtbaar geroerd door het feit, dat de chefs voor hem van

hun stoel waren opgestaan; want hij was wel de "verkooper" en een

heele knappe verkooper bovendien, maar een chef staat toch oneindig

veel hooger.

"Geluk!" zeide de oudste chef. "'n Jongen hè?"

"Ja meneer, dank u," antwoordde Wije, zich verwonderende dat men dit

hier al wist. Nu, de chef wist het niet, maar raadde gelukkig. Zij

stonden allen om hem heen, de jongeren met groot respect, de getrouwden

een knipoogje wisselend, tot de chef zeide: "Kom!" en ieder zich weer

aan zijn werk begaf.

Wije was een sympathiek persoon. Van middelmatige grootte, met

iets dat naar corpulentie streefde, bruine, open oogen, blond haar

en baard, beiden kort geknipt en een blanke huidskleur, waarop

zelfs de Indische zon geen vat scheen te hebben, mocht hij onder

de door de natuur begunstigden gerekend worden. Doch meer dan dat,

wonnen zijn geest en hart dezulken die met hem omgingen. En in zijn

werk had hij zijns gelijke niet. Niemand kon zoo met Chineezen en

Arabieren overweg als hij; steeds met behoud van zijn prestige als

Europeaan. Geen der gekleurde klanten van de firma veroorloofde zich

ongepaste familiariteiten, en Wije had niet noodig zich met hen te

encanailleeren om de waren van zijn huis geplaatst te krijgen.

Tien jaar lang was hij verkooper geweest van deze firma. In rang was

hij dus niet vooruitgegaan, doch wel in tractement, dat nu zelfs

hooger was dan dat van den procuratiehouder. In den loop van het

tweede jaar, na de eerste verhooging van salaris, trouwde hij met

de dochter van den toenmaligen militairen Commandant, een der vele

"rozen van Semarang." Deze stad toch is sedert onheuglijke tijden,

en met recht, beroemd om haar groot getal mooie meisjes, groot in

verhouding tot andere plaatsen in Indië, en de mooiste draagt als

eeretitel den naam van de koningin der bloemen. O zeker, men noemt ook

elders het mooiste meisje zoo, men spreekt van de roos van Makassar,

Padang... maar dat is namaak, usurpatie, diefstal; de echte roos is

alleen die van Semarang. En mevrouw Wije was in haar tijd de roos. Nu

was zij eenvoudig het mooiste vrouwtje van de stad. Het diminutief

was ten volle op haar toepasselijk; klein was zij, maar heerlijk

geëvenredigd, tenzij men misschien een uitzondering mocht willen

maken voor het blauwzwarte haar, te veel om anders dan in een vlecht

te worden gedragen. Al spoedig na hun huwelijk was er een dochtertje

gekomen, de "kleinste" Anna, zooals Wije zeide; want de "kleine"

Anna was zijn vrouw, en die kon hij met den besten wil, zelfs in

tegenstelling van haar dochtertje, niet de "groote" Anna noemen.

Maar toen gingen de jaren voorbij zonder dat zij meer van dien "zegen"

deelachtig werden, die zoo raadselachtig het eene huis voorbijgaat en

het andere in overdaad vult. Wije en zijn vrouwtje berustten er in,

hoe gaarne zij ook een stamhouder gehad zouden hebben; hij voor zich,

zij voor hem. Eindelijk--de "kleinste" Anna ging reeds naar de lagere

school en de "kleine" Anna begon zich zoo alleenig te gevoelen, den

ganschen dag, als haar beide lievelingen uit huis waren--daar kon zij

op zekeren dag haar man toejuichen: "Willem, het is zoo!" En Wije vroeg

niet wat er "zoo" was, maar begreep het onmiddellijk en antwoordde:

"Ik hoop, Anna, dat "het" een "hij" is." Welk zonderling Hollandsch

alweer geen vraag uitlokte; alleen een langen kus.

Hun hoop werd vervuld. Het was een jongen.

Wat wonder dat Wije dien morgen zoo opgewekt naar het kantoor

reed, hoewel hij het grootste gedeelte van den nacht wakende had

doorgebracht! Hij had zich kunnen verontschuldigen, doch hij kende den

chef en wist dat deze uiterst gevoelig was voor vertoon van ijver. De

belooning bleef niet uit. Nauwelijks was hij gereed met den Arabier,

dien hij van Terborg had overgenomen, of hij werd binnengeroepen.

"Nog iets te doen in het Chineesche kamp vandaag?" vroeg de chef.

"Neen meneer," zeide Wije. "Kan Liong Tjoe zal morgen zelf hier komen

om bericht te brengen of hij die factuur Cambrics neemt. Alleen moet

ik vanmiddag nog even naar de ijsfabriek; ik hoor dat zij gebrek aan

brandhout hebben en wil eens probeeren hen de steenkolen aan te praten,

waar de suikerfabriek ons mee heeft laten zitten van 't jaar."

"Dat is goed. Rijd dan een eindje verder, naar den kleinen Boom,

en kijk meteen of de prauwen met ijzerwerk voor de suikerfabriek er

al zijn. Geef den koetsier het bericht maar mee; want je zult wel

verlangen om thuis te komen, hè?"

"Alsublieft meneer," zeide Wije, aangenaam verrast.

"Dan ging ik nu maar," opperde de chef.

Wije stapte in den toko-wagen met een gevoel alsof de geheele wereld

zich om zijnentwille verheugde. Daar was nu de oudste chef, die anders

waarachtig niet scheutig was met verlof en het hem ditmaal uit eigen

beweging gaf! En dat de ijsfabrikant dadelijk beet in zijn steenkolen,

was enkel om hem plezier te doen; niet omdat hij anders dure kolen

bij de Spoorwegmaatschappij moest koopen ... "enkel om mij plezier

te doen." Hij had het hardop gezegd, en lachte er toen zelf om.

De prauwen waren er nog niet, toen hij aan de landingsplaats kwam bij

den kleinen Boom, maar in het douane-lokaal was een opstootje. Ten

minste er werd verschrikkelijk geschreeuwd. Wije liep er in en zag een

Chinees, die groot misbaar maakte, te midden van een troepje inlanders,

boom-beambten en koelies, die hem schenen te willen verwijderen. Het

was een jonge Singkeh, dat is een in China geboren Chinees, gekleed in

wijde broek en buis van grove blauwe stof; onder den eenen arm hield

hij een koffertje van geperst papier, in den vorm van een boomstam,

met den anderen gesticuleerde en verdedigde hij zich onder heftig

gepraat in zijn eigen taal.

"Wat heeft die man?" vroeg Wije aan den wachthebbenden verificateur.

"Ik weet het niet," zeide deze. "Hij is van de "Angelic," uit

Singapore, gekomen en staat iedereen te vervelen. Misschien is hij

in een verkeerde haven geland, maar niemand kan hem verstaan. Ik heb

er hem al tweemaal uit laten zetten, maar hij komt telkens weer terug."

"Een prettige manier om iemand terecht te helpen," merkte Wije op. "Is

hier geen andere Chinees in de buurt?" En hij zag den weg af, doch

bespeurde niets.

Of hij onder andere omstandigheden zich met den armen Singkeh zou

bemoeid hebben, was een vraag die hij zich had kunnen stellen; maar

voorzeker, wat hij verder deed, was meer dan hij bijvoorbeeld een

maand geleden zou gedaan hebben. Hij ging op het twistende troepje af,

duwde de inlanders op zij en trok den Singkeh aan een zijner wijde

mouwen mee, den toko-wagen in. De man begreep blijkbaar dat Wije hem

wilde helpen, en nam gewillig plaats op het voorbankje. Daar gezeten,

begon hij een verhaal te doen van zijn wederwaardigheden, altijd op

denzelfden schellen toon, een woordenvloed dien Wije onmachtig was te

stuiten, zelfs niet met het veelzeggend gebaar van zijn ooren eenige

oogenblikken dicht te stoppen. Eindelijk amuseerde het hem, vooral om

de verbazing te zien op de gezichten der voorbijkomende inlanders,

die zich schenen te verbeelden dat er in dien toko-wagen minstens

moord en doodslag voorviel.

In de straat genaamd "het Zeestrand," ofschoon heinde en ver geen

strand te bekennen is, liep een Chinees. Wije liet ophouden en riep

hem aan. De Singkeh gaf ondubbelzinnige bewijzen van vreugde toen hij

een landgenoot zag, maar weldra bleek dat ook deze twee elkaar niet

verstonden. Want een op Java geboren Chinees, een Babah, kent niet meer

Chineesche woorden dan voldoende zijn om, in het Maleisch gemengd,

dit te veranderen in een argot dat noch de echte Chinees, noch de

Europeaan begrijpt. Wije begon ongeduldig te worden, toen ten slotte

de Singkeh een papiertje voor den dag haalde en het den Babah toonde.

"Kan Liong Tjoe," spelde deze. "Daar moet hij zijn, meneer."

"Kampong-Tjina!" beval Wije den koetsier, en voort ging het, tot zij

stilhielden voor een der grootste Chineesche toko's.

"Dag sobat," zeide Wije, de toko binnengaand met den Singkeh achter

zich, en knikte het hoofd der zaak toe. Aan handjes geven deed hij

weinig. "Hier heb ik een zwerveling, ingeklaard aan den kleinen Boom."

Kan Liong Tjoe vroeg den Singkeh iets, waarop deze hem een brief

overhandigde en onmiddellijk weer op zijn gewone luide manier aan

het praten ging. Hoewel Kan Liong Tjoe wat meer van zijn landstaal

kende dan de Chinees van het Zeestrand, was dit hem toch te machtig.

"Geen leven maken!" beval hij. De uitdrukking: wees stil, zwijg,

bestaat niet in 't Chineesch. En hij wenkte een der bedienden om

den nieuweling naar achter te brengen. "Hoe heet je?" riep hij hem

nog achterna.

"Piong Pan Ho," was het antwoord, en eer hij er veel had kunnen

bijvoegen, had de bediende hem de achterdeur van de toko ingeduwd.

"Singkeh's praten altijd zoo hard, omdat zij bang zijn dat men hen niet

verstaat," verklaarde de toko-houder. "De man was voor mij bestemd,

maar ik verwachtte hem eerst later; anders zou ik wel iemand gezonden

hebben om hem af te halen. Ik ben meneer intusschen zeer dankbaar

voor de moeite."

Dankbaar is alweer een woord dat in de Oostersche talen slechts door

omschrijving kan worden uitgedrukt, maar de deugd zelve bestaat toch,

daar over de zee, hoewel... nu ja, juist als in Europa. Kan Liong

Tjoe was van plan geweest den volgenden morgen nog een gulden af te

dingen op de Cambrics; nu gaf hij de order zonder meer.

Toen Wije eindelijk in zijn huis op Bodjong was gearriveerd, en den

koetsier met een briefje aan Terborg had teruggezonden, spoedde hij

zich naar de kraamkamer.

Er is ter wereld niets dat de drie begrippen: ruimte, kalmte en

behagelijkheid zoo in zich vereenigt als een kraamkamer in een mooi

Indisch huis. Het weinige rumoer dat men op den grooten weg hoort,

dringt in geen geval door tot het huis, dat midden op een groot

erf staat. In de kamer zelf zijn de ramen open, doch de jaloezieën

gesloten, warmte en fel zonlicht uitsluitende, dit temperende tot een

aangenaam halfduister. De witte muren, gestoffeerd met een schilderij

hier, Japansche kunst daar, het stroogeel van de rottan-mat en de

iets donkerder tint der meubelen, doen door hun harmonische zachte

kleuren het oog weldadig aan. Geen stuk dat te dicht bij een ander

staat of gedrongen.

Het kinderbedje, gekroond door een smetteloos witte klamboe, met

blauwe strikjes opgenomen, en daarin vaders zaligheid en moeders

nieuwe liefde, stond schuin tegenover het groote ijzeren ledikant,

even breed als lang. En hierin, het hoofd en de ronde blanke

schouders--nachtjaponnen, die het geloof aan spoken deden ontstaan,

kent men in Indië niet--in het zachte kussen, lag "kleine" Anna,

een slapende fee gelijk.

Doch slapen deed zij niet meer; zij had alleen gewacht met de oogen

op te slaan tot Wije, die op zijn teenen was binnengekomen, vlak voor

het bed stond.

"Ondeugd," fluisterde hij, haar kussende. "Gaat het goed? Neen ... niet

te veel praten; ik kom bij je zitten." Hij haalde een stoel uit 't

andere eind van de kamer, om in het voorbijgaan een blik te kunnen

werpen op zijn zoon, die onder de vliegenwerende zorg der baboe lag

te slapen met de vuist voor den mond.

Wije was niet altijd zoo attent voor zijn vrouw geweest en zoo geduldig

om langen tijd met haar te kunnen zitten praten. Toen de eerste weken

van hun getrouwd-zijn voorbij waren, had hij het voorbeeld gevolgd van

de meeste gehuwde mannen in Indië. Thuisgekomen van het kantoor, baadde

hij zich, kleedde zich dan op zijn gemak aan en was tegen zeven uur

gereed om in de voorgaanderij de courant te gaan zitten spellen. Zijn

vrouw had gedurende dit gewichtige werk verlof zooveel mogelijk te

zwijgen, een handwerkje te doen en hem een nieuw bittertje in te

schenken als zijn glaasje leeg was. Na den eten wandelde of toerde

hij wel eens met haar, maar ook heel dikwerf ging hij naar sociëteit.

De eens zoo gevierde "roos van Semarang" was bitter teleurgesteld,

doch zij gaf het zoo spoedig niet op. Zij begreep dat ze hem moest

heroveren, en vatte de zaak flink aan. Zonder dat hij er erg in had,

begon hij van zijn couranten-lectuur tijd over te houden en ging

later naar de sociëteit, ja langzamerhand bleef hij heele avonden

thuis. Hoe zij dat wonder bewerkt had? Door een aaneenschakeling van

kleinigheden. Vooreerst deed zij, terwijl hij baadde, de knoopjes

in zijn overhemd en legde alles klaar, zoodat hij het zoo maar aan

te schieten had en niet kon treuzelen; voorts ... maar waartoe die

opsomming? Anna bewees eenvoudig de oude waarheid, dat de vrouw het

huis maakt; zij die dat wil, kan het, en die het niet wil, neemt een

wenk toch niet aan.

Het einde was aldus. Op een Zaterdag was er Vauxhall in de sociëteit;

zij wilde er graag heen, hij niet, en zij hadden er een beetje over

gekibbeld. 's Avonds kleedde zij zich in haar beste japon, en hij

die meende dat zij hem dwingen wilde, was knorrig. Het eten was

bijzonder lekker; dat deed zijn humeur weer in evenwicht komen. Na

tafel verveelde hij zich, omdat zij weinig sprak; hij had wel trek

toch maar te gaan, en eindigde met het voor te stellen.

"Lieve man," zeide zij met een betooverend lachje. "Vindt je het

heusch niet naar?"

"Volstrekt niet. Ik had van middag wat hoofdpijn, weet je," jokte hij.

"Laat dan inspannen! Ik ben in een wip klaar."

Wije had gelegenheid om uit te maken dat de opgegeven tijdsbepaling

overeenkwam met wat men in het dagelijksch leven een kwartier pleegt

te noemen; doch toen het rijtuig vóórreed, was zij er ook. Eerst bij

het instappen bemerkte hij dat zij haar japon verwisseld had.

"Ik dacht dat we thuis bleven," antwoordde zij op zijn vraag. "Voor

het Vauxhall is deze goed genoeg."

Hij was stupéfait. Den geheelen avond hield hij zijn opmerkzaamheid op

haar gevestigd en vond bij het naar huis rijden, dat zijn vrouwtje alle

andere dames ver overtrof. De menschen met wie zij aan een tafeltje

hadden gezeten, vonden dat het wel leek of Wije nog altijd verliefd

was op zijn vrouw. Hij was het weer, en ditmaal voor goed.

"Je moest meer uitgaan," zeide hij, toen ze thuis waren.

"Och Wim, ik houd er zooveel niet van, en .... binnenkort kan het

niet meer." Het gebeurde namelijk vóór hare eerste bevalling.

"Dan," zeide hij, "moet ik maar thuisblijven." En dit deed hij sedert.

Naast het bed gezeten, verhaalde hij haar van de vriendelijkheid der

chefs en zijn avontuur met den Singkeh, een beetje verlegen nu, dat hij

zich zooveel moeite gegeven had voor een individu van minder ras. Toen

hij dit ten einde gebracht had, hoorden zij kleine dribbelpasjes

in de binnengalerij, ophoudende voor de deur der slaapkamer, en een

kinderstemmetje vroeg: "Mag ik nu moesje zien en broertje?"

Wije deed de deur open en een nieuwsgierig gezichtje, met groote zwarte

oogen, keek naar binnen; voorzichtig in 't eerst, als vertrouwde

zij den toestand niet; maar toen zij haar moeder zag, die het hoofd

naar haar toe wendde, sprong zij met uitgestrekte armpjes vooruit,

zóó vlug dat Wije nauwelijks den tijd had haar vaart te stuiten.

"Kalm wat, Anneke," zeide hij, haar van den grond tillende om haar

de moeder toe te reiken.

"Is moesje ziek?" vroeg zij.

"Ja, maar niet erg; moesje wordt gauw weer beter," onderrichtte

hij. "En nu hierheen." Hij zette haar neder voor het kinderbedje,

dat met een hekje was voorzien tegen ontijdige verplaatsing van

zwaartepunt. De kleine meid stond vol belangstelling toe te zien naar

het vreemde wezentje vóór haar. "Niet aanraken!" had papa gewaarschuwd,

toen zij een armpje door de tralies stak, en zij bracht haar handjes

onmiddellijk achterwaarts.

"Kan dat kind praten?" informeerde zij.

"Beloem," zei de baboe.

Doch op hetzelfde oogenblik maakte de jonge wereldburger een onrustige

beweging en... toonde dat, zoo hij zich nog niet in woorden kon

uitdrukken, hij dan toch een geduchte stem in het kapittel had.

"Broertje is stout!" besliste Anneke, een stap terugwijkende.

"Hij heeft honger," zeide Wije; "en wij ook. Kom, laat ons gaan eten."

II.

HOE EEN CHINEES ZIJN CARRIÈRE BEGINT.

Piong Pan Ho had dus eindelijk zijn bestemming, de toko van Kan Liong

Tjoe, bereikt. Door de gangetjes en vertrekken van het achterhuis

geleid, schoot hem het hart vol. Een Europeaan zou waarschijnlijk

gevloekt hebben tegen het Labyrinth, wanhopende er ooit den weg in te

zullen vinden; niet zoo de Singkeh, die er zich onmiddellijk thuis

gevoelde. Hij gaf zijn vreugde lucht door nog luider te praten dan

anders. De bediende die hem den weg wees, maande hem aan tot stilte,

doch tevergeefs. Zij bereikten ten laatste een magazijn, waar te

midden der grootst mogelijke wanorde van kisten en waren, een zoon

van den toko-houder met twee koelies aan het werk was. Hij gelastte

den nieuweling mee te helpen. Aan uitrusten van de vermoeienis der

reis scheen niemand te denken; trouwens die kon moeielijk bestaan,

daar Piong Pan Ho de dagen, die hij aan boord had doorgebracht,

liggende op zijn rug met opgetrokken broekspijpen voor de koelte,

zich geen andere inspanning veroorloofd had, dan driemaal daags op

te staan om zijn bakje met rijst te halen in de kombuis.

Hij ging dadelijk aan den gang, doende wat hij de koelies zag

uitvoeren, doch zonder zijn mond een oogenblik stil te laten staan. De

beide andere Chineezen, die te samen iets bespraken, konden door het

lawaai dat hij maakte, elkaar nauwelijks verstaan.

"Geen leven maken!" riep de zoon des huizes ten derden male, en toen

dit niet hielp, gaf hij Piong Pan Ho een flinken ribbestoot. Maar deze

wendde zich plotseling om, met voor uitgestoken wijs- en middelvinger,

en deed een uitval in de richting van de maagstreek van hem die

den klap had uitgedeeld. Hij werd gepareerd met een spijkertrekker,

harder dan een Chineesche hand; in 't volgende oogenblik voelde hij

zich door de twee jongelui tegen een kist aangedrukt en ontving een

geregeld pak slaag, waarbij de een zijn handen gebruikte, de ander

het ijzeren instrument, om meer indruk te maken.

En het hielp; na eenige seconden zweeg de Singkeh; de argumenten der

anderen waren hem op den duur te machtig.

Dit was zijn eerste les; de tweede kreeg hij dien avond in de

Maleische benamingen der getallen en muntstukken, en tevens om op

alles wat men hem vroeg en hij niet verstond, met het enkele woord:

ada! te antwoorden en daarbij een artikel van zijn koopwaar uit den

meegedragen voorraad te nemen, onverschillig welk. Want Piong Pan Ho

zou zijn carrière beginnen als klontong.

De toko had er meer, die elken morgen uitgingen om de waren langs

de huizen te venten en het Maleisch volkomen machtig waren; doch Kan

Liong Tjoe wist best wat hij deed met den Singkeh te engageeren. Hij

had opgemerkt dat dezulken meer sleten dan Babah's; het publiek en

vooral de Europeesche dames, koopen liever van een Singkeh, die onder

meer de reputatie heeft, dat hij minder overvraagt dan zijn op Java

geboren rasgenoot, hoewel zij hem niet verstaan en dikwijls de moeite

moeten nemen datgene wat zij wenschen te koopen, zelf uit te zoeken. Of

Kan Liong Tjoe deze eigenaardigheid der dames kende daargelaten,

maar wel wist hij dat een Singkeh voordeelig was voor de negotie.

Overdag bleef Piong Pan Ho voorloopig in toko of bergplaatsen werken,

want in een Chineesch huis werkt iedereen, en men kon hem toch niet

voor niets den kost geven! Maar 's avonds kreeg hij onderricht voor

de betrekking die hij zou gaan vervullen, en in beleefdheid. Dit

laatste vooral had hij noodig, daar het hem geheel onbekend was

dat de Europeanen op Java, de Hollanders, zich als van een hooger

ras beschouwen dan al wat een getinte huid heeft, en niet als de

Engelschen den Chinees die rijk is of groote zaken doet "Mr" noemen

en zich door hem van het trottoir laten dringen. Opstootjes te maken,

zooals in Singapore, zou hun hier slecht bekomen. Eens, het was nu

ongeveer honderd jaar geleden, had een streng Gouverneur-Generaal

last gegeven dat alle Chineezen moesten gedood worden, omdat zij te

brutaal werden, en het was vreeselijk geweest, zóó veel als er waren

omgekomen! Piong Pan Ho rilde van angst; want hoewel een Singkeh

zich zonder lang nadenken van kant maakt als het hem tegenloopt,

wanneer hij het goed heeft, is hij zeer aan het leven gehecht.

Hij nam zich dus voor heel onderdanig te zijn jegens de Hollanders,

die voorzoover hij reeds had opgemerkt, hun zaakjes best in orde

hielden. Moord, doodslag en diefstallen schenen hier geen dagelijks

voorkomende zaken te zijn; ook zag hij niets van executies, en toen

hij er naar vroeg, lachten hem de anderen uit. Waarlijk, hij gevoelde

zich ongekend veilig. Maar toen men hem meedeelde dat een Chinees in

dit wonderland zelfs failliet mocht gaan zonder gestraft te worden,

ja mits hij slechts zorg droeg dat niemand uit zijn boeken wijs werd,

daarenboven mocht knoeien zooveel hij wilde, sloeg hij een gat in de

lucht en kreeg een aanval van zijn spreekmanie. Zijn respect voor de

Hollanders daalde een weinig, en hij vatte niet hoe die menschen zoo

verstandig en zoo dom te gelijk konden zijn.

Een paar maal mocht hij met een der bedienden mee uit, om in de toko

bestelde artikelen aan de huizen te bezorgen en zoodoende den weg in

Semarang eenigszins te leeren kennen. Nu, dat was niet moeielijk,

ofschoon de betrekkelijke regelmaat waarin die stad gebouwd is,

hem den eersten keer dat hij alleen uitging, in de war bracht.

Dat geschiedde ongeveer twee weken na zijn aankomst. In de frissche

morgenkoelte stak hij van wal. Aan de eene zijde van zijn pikoelan

hing een groot pak, een stapel keper, katoen, chits, mousseline en

dergelijken, ieder stuk afzonderlijk in Chineesch papier of in het

oorspronkelijke gele uit Manchester; van onderen werd het gesteund door

een platte mand hangende aan twee rottan-lussen, van boven dekte een

stuk gedroogde koeienhuid het tegen plotselinge regenbuien. Aan het

andere uiteinde hing een glazen kastje en daarop nog eenige stukken

goed. In het kastje zelf bevonden zich alle benoodigdheden om te

naaien. Garen, band, scharen, naalden, mesjes, knoopen en zelfs

eenige luxe-artikelen en preciosa's, in verguld koper of nog minder

metaal. Een toko in 't klein.

Rammelend met een instrumentje, bestaande uit een hol blikje aan

een steel, met twee beenen kogeltjes aan touwtjes, die door het

heen-en-weer bewegen van den pols tegen het blik aanklepperden, begaf

zich Piong Pan Ho op marsch. In enkele huizen werd hij binnengeroepen;

hier en daar betrad hij uit eigen beweging het erf, soms om

onmiddellijk weer verjaagd te worden, doch ook dikwijls met succès.

Tusschen twee Europeesche erven in zag hij een bamboe-poort, niet

ongelijk aan een eereboog in zijn meest primitieven vorm. Wat daar

achter lag wist Piong Pan Ho niet, doch een goede klontong laat niets

onderzocht, dus ging hij er in. Aan weerszijden van een aarden weg

stonden bamboe-huisjes, voor 't meerendeel met pannen gedekt; een enkel

geheel uit steen opgetrokken, met rood en groen beschilderde luiken,

pronkte er als een pauw tusschen boerenkippen. De bevolking was op dit

uur van den dag slechts door vrouwen en kinderen vertegenwoordigd,

vooral door de laatsten, vrijelijk ronddwalende in het costuum

dat moeder natuur niemand onthoudt. En ook het andere deel deed bij

Piong Pan Ho een sterken twijfel rijzen of hij hier wel iets van zijn

koopwaar zou kunnen plaatsen; sarongs toch verkocht hij niet.

In de schaduw, op den rand van een galerijtje, zette hij zich neer,

al was het dan ook slechts om even uit te rusten en te bekomen van de

hitte, die daarbuiten de luchtlagen in gestadige golving bracht. Een

vrouw vroeg hem iets en hij antwoordde met zijn stereotiep "ada",

dat hij uitsprak als stond er een scherpe t in plaats van een d.

"Oeah, Singkeh!" riep de vrouw uit, die hem eenvoudig gevraagd had of

hij moe was. Zij bleef intusschen bij hem staan, kijkende naar zijn

voorraad, dien hij begon te ontpakken. In een oogenblik concentreerde

zich de geheele kampong om Piong Pan Ho heen, zoowel nieuwsgierigen als

serieuse koopsters, en hij verwonderde zich hoeveel hij nog kwijtraakte

aan kleine inkoopen, in kopergeld voldaan. Loven en bieden deed men

niet veel; de menschen kenden blijkbaar de prijzen, en Piong Pan

Ho merkte op dat de kampong aan koopkracht de Europeesche gemeente

overtrof, doch dat het voor zijn bijzondere belangen voordeeliger was

aan de Europeesche huizen te verkoopen, waar hij meer kon bedingen

boven de hem door zijn toko gestelde prijzen.

In het begin, toen er zich zoovelen om zijn uitgepakte waren

verdrongen, had hij eenige vrees gekoesterd, doch weldra zag hij dat

men hier aan oneerlijkheid niet scheen te denken. Wie iets opnam,

legde het weer op zijn plaats terug, langs en over hem heenreikende,

tot hij het benauwd kreeg door de gedurige aanraking dier haast niet

gekleede vrouwen en meisjes, die zich om hem niet meer schenen te

bekommeren, dan om het stuk brandhout, dat eenige passen van hem af

onder het afdak lag.

Oef! Hij was blij toen hij weer op den grooten weg terugkwam. Al zijn

wilskracht en liefde tot de negotie had hij noodig gehad, om zich niet

voorgoed in de kampong onmogelijk te maken; maar het was hard geweest

voor een jongen Singkeh, die als hij geen opium gebruikt, slechts

twee hartstochten kent: vrouwen en geld. Reeds in de toko had hij een

ondervinding opgedaan, die bijna geleid had tot een afstraffing zooals

op den eersten dag van zijn komst. In het achterhuis toch bevonden

zich een paar Javaansche meisjes, waarvan de een vooral het hart van

Piong Pan Ho in gloed had gezet. Maar toen hij haar dit op zekeren

avond aan 't verstand wilde brengen, schoten twee der mannelijke

huisgenooten op hem af en voorkwamen zijn vurige declaratie. Deze

meisjes, verklaarden zij hem, zijn pandelingen uit een dessa; hun

ouders hebben een belangrijke schuld aan Kan Liong Tjoe, waarvoor zij

rente betalen en de meisjes hier laten; deze werken en leeren hier

tot de ouders hun schuld hebben afgelost of, daar dit nooit voorkomt

en zij langzamerhand geheel gelijk worden aan chineesche meisjes,

tot een Chinees een hunner huwt en de schuld overneemt. Piong Pan Ho

begreep deze en dergelijke uitleggingen nog wel niet geheel, daar hij

voorloopig nog te weinig van de taal verstond, doch het voornaamste,

in casu: handen thuis houden, drong voldoende tot hem door.

Men had hem in de toko gezegd om op den middag thuis te komen. Na één

uur sliepen de meeste menschen toch en kon hij zich verdienstelijk

maken in het magazijn, om dan tegen vier uur weer uit te gaan. Dus

wandelde hij huiswaarts, althans naar hij meende. De erven werden

schaarscher en toen de weg een bocht maakte, hielden zij aan den

rechterkant geheel op; nog een eindje, en Piong Pan Ho stond voor

een hoogte, die hij niet kende. Aan weerszijden van den weg zag hij

sawah's, droog en afgeoogst, hoogerop struikgewas, en daartusschen

verrezen ronde heuveltjes met gewitte baksteenen en marmer gesierd...

Piong Pan Ho kende ze en schrok er van; het waren Chineesche

graven! Neen, daar moest hij niet zijn; nog lang niet! Hij bespeurde

nu ook dat hij verkeerd geloopen had. Dien ganschen langen weg weer

terug te gaan, in de brandende hitte van na-den-middag, lachte hem

niet toe; reeds nu droop het hem langs den rug; in de verte zag

hij een inlandsche warong, waar licht iets te krijgen zou zijn om

den honger die hem begon te plagen, te stillen; hij telde zijn geld

na. Voor een eersten keer niet onvoordeelig; meer dan anderhalven

gulden had hij voor zichzelf oververdiend. 't Was toch eigenlijk

zonde er iets van af te te nemen! Honger? Nu ja, die kwam toch weer,

tegen den avond. Hij zette zijn vracht neer onder een boom en liet er

zich naast vallen, zóó dat hij noch de grafplaatsen, noch de warong

zag. Toen kauwde hij op de wortels van het gras dat hij uittrok;

een half uur later lag hij gerust te slapen.

Om vijf uur dien middag zat mevrouw Wije op een gemakkelijken

rottan-stoel in haar achtergalerij; aan de tafel Anneke, bezig met

haar schoolwerk; op een matje de naaister, die het in dezen tijd

erg druk had. De zeilen waren hoog opgetrokken, behalve aan het

westelijk uiteinde der galerij, en vergunden een vrij uitzicht over

het achtererf. Tuin was daar niet, slechts het voorerf vertoonde

eenigen aanleg van rozenperken en heesters, achter had men enkel een

grasveld, dor na de langdurige droogte, nu met lange schaduwplekken

van de klapperboomen der buren, evenals bij dezen lagen zonnestand die

van Wije's erf zich op het gras van het huis daarnaast afteekenden,

een bespotting van den bekenden metafoor. Dicht op het huis twee

korte rijen bijgebouwen.

"Djahit, wat is dat voor een kind?" riep plotseling mevrouw Wije,

haar blik vestigende op het smalle galerijtje vóór de bediendenkamers.

De naaister keek in dezelfde richting.

"Het kind van de kokkie," zeide zij, en toen met verheffing van stem:

"Kokkie! Je kind! Meneer komt thuis."

Een man kwam uit het kamertje te voorschijn, nam het kind op en

vertrok er mee, beleefd groetend bij het passeeren der achtergalerij.

"Je moet het ze nog eens zeggen, djahit," zei mevrouw; "anders geef

ik in 't geheel geen verlof meer."

"Saja 'nja," antwoordde de meid. En voor de zooveelste maal waarschuwde

zij dien avond de andere bedienden om toch te zorgen dat hun kinderen

verdwenen waren tegen dat meneer thuis kwam.

Het was een zwak van Wije, dat hij geen kinderen van bedienden, op

het erf duldde. Van zijn eigen Anneke had hij nagenoeg geen last;

waarom zou hij zich dien van andermans schreeuwende spruiten op

den hals halen? Het was een inlander nu eenmaal niet te leeren zijn

kinderen behoorlijk op te voeden. Zijn zij, de vader zoowel als de

moeder, zelf in een goede bui, dan laten zij de kleinen alles toe,

tot zelfs de grofste ondeugendheid; doch zoo hun humeur in de war is,

slaan en trappen en knijpen zij hen op de wreedaardigste wijze, om de

nietigste redenen. Dat spektakel wilde hij niet, en de ondeugendheid

nog minder, die zoo licht door zijn kind kon worden overgenomen.

Liefst had hij op Hollandsche manier enkel ongetrouwde bedienden

gehad, doch dat stuitte af op het vele eigenaardige der Indische en

inlandsche samenleving, in de eerste plaats door het verblijf houden

van beide sexen in de bijgebouwen. De aan groote vrijheid gewende

inlander zou zich op dat punt niets laten voorschrijven, en men zou

hoogstens een nog ongewenschter toestand scheppen dan de bestaande.

Mevrouw Wije daarentegen was te veel Indisch, om niet in

deze lijnrecht tegenover haar man te staan. Haar ideaal was een

collectie gepensionneerden, ouden en jongeren op het achtererf, veel

kinderen, bij voorkeur in huis geboren, de jonge meisjes later uit te

huwelijken--in één woord een patriarchale toestand, zooals men dien

nog wel bij heel oude Indische families aantreft. Daar dit echter

niet te bereiken was, bepaalde zij er zich toe om aan de verwanten

der bedienden verlof tot bezoeken te geven, mits haar man uit was.

Nauwelijks was het kind verwijderd of Wije kwam thuis.

"Slaapt het jonge mensch?" vroeg hij rondziende.

"Ja, al sinds vier uur."

"Dan ga ik me maar dadelijk uitkleeden; foei, wat was het warm

vandaag!"

Terwijl hij aan zijn voornemen gevolg gaf en weldra een geplas in

de badkamer zich deed hooren, annonceerde de naaister dat de beenen

knoopen op waren, en zij dus niet verder kon.

"Waarschuw dan toch bijtijds," berispte mevrouw. "Altijd wacht je

tot iets heelemaal op is, eer je spreekt. Vanmorgen zijn er wel drie

klontongs voorbij gekomen."

Klik klik... klonk het van den weg af.

"Na itoe?" plaagde de naaister, en opstaande liep zij het huis om

naar voren, roepende: "éh, Tjina-klontong! Heb je beenen knoopen?"

"Ada," antwoordde Piong Pan Ho, ditmaal juist; en hij kwam met lange

stappen en kraken van zijn pikoelan, het erf op, naar achter.

Hij had het benoodigde, doch de naaister moest het zelf uit zijn

kastje nemen. Voor een kaartje knoopen vroeg hij vijfentwintig gulden,

zich versprekende, tot algemeen vermaak van de aanwezigen. Ook Anneke

had haar werk in den steek gelaten, met veel plezier in den Chinees,

die volgens haar niet praten kon, net als broertje daarbinnen. Het

gekochte eindelijk betaald zijnde, terwijl men nog nalachte, bergde

Piong Pan Ho het overtollig uitgepakte weer op, en zich bukkende zocht

hij met zijn schouder het evenwichtspunt, toen hij plotseling weer

onder den pikoelan uitdook en met groote radheid twee drie volzinnen

uitte, wijzende in de richting van de badkamer, waaruit Wije juist

te voorschijn kwam.

"Waar heb jelui zoo'n pret over?" vroeg deze naderend. "Hé, de Singkeh

dien ik toen den weg gewezen heb!"

Piong Pan Ho werd met belangstelling aangekeken. Hijzelf stond

met de smalle lippen weggetrokken, te grinniken van genoegen over

de herkenning. Opeens hurkt hij en grijpt met de rechterhand

Anneke's mollig armpje. Het kind trekt een weinig terug van de

vreemde aanraking, doch hij, met de linker zoekende in zijn kastje,

neemt daaruit een bloedkoralen kettinkje, 't mooiste wat hij had,

en bevestigt het met een vlugge beweging om haar pols.

"Kassian!" zeide mevrouw. "Zal ik er hem wat voor geven, Wim?"

Wije knikte van ja, doch de Singkeh, ziende dat zij naar haar beurs

reikte, raadde de bedoeling.

"Ada, ada, ada," riep hij, bij gebrek aan andere woorden; en zijn

vracht opbeurende, haastte hij zich weg.

Anneke bekeek het geschenk om haar arm. Het duurde eenige oogenblikken

eer zij zich heen kon zetten over de vreemdigheid van iets te hebben

gekregen, niet van papa of mama afkomstig. Maar ze vond het toch mooi,

en zeide het.

"Mag ik het morgen meenemen naar school?" vroeg ze, doch kreeg niet

dadelijk antwoord.

Wije stond daar in één verbazing, zijn zeepbakje van de linker in de

rechter nemende en omgekeerd.

"Zonderling!" zei hij ten slotte.

"Een Chinees!" vulde zijn vrouw aan.

"Mag ik dan, moesje?" bleef het kind aandringen.

"Wat liefje? Mee naar school nemen? Jawel. Maar is je werk af?"

"Bijna." En ze wipte weer op haar stoel.

Haar vader slofte intusschen naar zijn kamer, en onder het aankleeden

overdacht hij de merkwaardige gebeurtenis. Hij verschilde hierin

niet van de meeste Europeanen in Indië, die den Chinees zoowel als

den inlander theoretisch en practisch ieder begrip van hoogere deugden

ontzeggen. Het leven dier lieden was uitsluitend materialistisch; zagen

ze ergens voordeel in of kans hun lusten te bevredigen, dan deden zij

het, voorzoover het hen niet in botsing bracht met de geschreven wet

of de onderlinge adat. Godsdienst, die hun iets beters kon leeren,

hadden zij niet; de een verbeeldde zich Boeddhist te zijn, de ander

Mohamedaan, doch in waarheid zijn zij niets en bepaalt hun godsdienst

zich tot eenige weinige ritueele handelingen, zonder zich met moraal

en levenswandel te bemoeien dan in zaken van hygiëne.

Hoe kwam nu zoo'n domme Singkeh tot een daad, waarvan dankbaarheid

en fijne kieschheid de onmiskenbare grondslagen waren? Wije kwam tot

de conclusie, dat er in den mensch als zoodanig alle deugden waren

gelegd, doch deze door omgeving en opvoeding verstikt werden; bij

sommigen meer, bij anderen minder, en de laatsten waren de gelukkigen

die de wereld "goede menschen" noemt. Hij wist wel dat dit precies

het omgekeerde was van de leer, die ons allen in zonde doet worden

geboren om later tot brave zielen te ontwikkelen, maar die stelling

werd door de practijk te veel gelogenstraft, om bij Wije ingang te

vinden, en daarenboven: deze was van hem zelf.

Hij haastte zich met aankleeden, om zijn nieuwe vinding zoo spoedig

mogelijk te verkondigen. In de achtergalerij komende vond hij echter

zijn vrouw bezig met den jonggeborene te "helpen", iets dat op zichzelf

philosophisch genoeg was. Dus wachtte hij ermee, en zag voorloopig

Anneke's schoolwerk na.

"Papa," zei plotseling het kind, "ik geloof dat die Tjina-klontong

verliefd op mij is."

"Wat zeg je daar?" riep Wije uit, terwijl zijn vrouw een bezorgden

blik op het meisje wierp, en iets mompelde van "die scholen!"

"Ja, want Kees Duna heeft mij ook een suikertje gegeven," betoogde

Anneke, "en toen bracht hij mij thuis, en nu alle dagen, en Marietje

mag niet naast mij loopen."

"Wel zoo," zei Wije, haar uithoorende. "En doet Kees dat al lang?"

"O ja, al...." doch zich plotseling bedenkende, zweeg zij.

"Al zoo lang, dat je het vergeten hebt?"

"Neen.... zal pa dan de baboe niet wegjagen?"

"Waarom?"

"Als ik het vertel. Baboe zegt dat papa haar dan zal wegjagen, en

dan vertel ik het niet."

Ze was vastbesloten, en klemde haar lippen stijf opeen. Wije lachte.

"Kom hier," zeide hij. "Zoo, op papa's schoot. En luister nu

eens goed. Als baboe geen kwaad gedaan heeft, zal papa haar niet

wegjagen. Begrijp je dat?"

Anneke knikte.

"Maar jij mag voor papa en voor moesje geen geheimen hebben, wel? Nu,

vertel me eens, brengt Kees je al lang thuis?"

"Al vijf dagen," bekende zij, en eenmaal over het doode punt heen,

ging ze voort: "Hij was eerst verliefd op Gretha Lauwerse, maar die

heeft hem uitgelachen, omdat zij al in de hoogste klas zit en Kees

nog in op één na de laagste."

"En toen?"

"Toen zei Kees: Lekker, nu krijg je ook het suikertje niet! En toen

zij het hem af wou pakken is hij weggeloopen. En toen is Kees bij

mij gekomen en heeft gezegd: Anneke, mag ik verliefd op je zijn,

dan krijg je een suikertje."

"Wat deed je toen?"

"Ik heb het opgegeten."

Mevrouw Wije, sedert eenige oogenblikken gereed met haar jongste,

had aandachtig zitten luisteren; in 't eerst bezorgd, maar daarna

met toenemende vroolijkheid. Na het laatste antwoord zagen zij en

haar man elkaar aan en schoten in den lach, waar Anneke mee instemde.

Zij werden het er over eens, dien avond, dat het niet zoo erg

was. Zoolang Anneke niets te verzwijgen had moest men dergelijke zaken

op hun beloop laten; te verhinderen waren zij toch niet. Een school

is nu eenmaal een broeinest van ongerechtigheid; die voor jongens

of meisjes afzonderlijk het ergst, omdat daar alle terughouding

in het spreken zelfs verloren gaat: we zijn immers onder ons! Wije

maakte zich warm toen hij deze stellingen verkondigde, sprekend uit

ondervinding en uit hetgeen zijn vrouw hem had verteld; hij bracht

in verband hiermee zijn philosophie van den vooravond op het tapijt,

zich verliezende in een dier boeiende improvisaties, waarvan men niet

anders kon zeggen, dan dat het jammer was dat zij gehouden werden in

een Indische achtergalerij, met slechts een enkele toehoorderes.

In het publiek zou Wije echter niet hebben kunnen spreken; de minste

stoornis deed hem afbreken. Zij wist het, en zat bij zulke gelegenheden

muisjesstil. Ook nu; doch een nijdige muskiet, zich nederzettende op

een harer handen, maakte dat zij zichzelf een klap gaf, veel harder dan

noodig was om het beestje te dooden, wat haar trouwens niet gelukte.

".... die heerlijke tijd, waarin de ouders zelf hun kinderen zullen

onderwijzen.... Hé, waar heb je dat goed gekocht?"

Het goed lag op haar schoot, onder de handen die de muskiet in beweging

had weten te brengen, en was de stof voor een kinderjurkje.

"Een lief bloempje, niet waar?" antwoordde zij. "En zoo goedkoop! Ik

heb het bij een klontong gekocht, voor zestien cent de el."

"Zestien centen?" herhaalde hij, na een vlugge becijfering uit het

hoofd. "Dat kan niet. Dat goed is van ons afkomstig en ik heb het

aan Kan Liong Tjoe verkocht. Weet je het zeker?"

"O, vast!"

"Daar steekt wat achter. Heb je een lapje over? Ha, daar staat het

merk op, uitstekend!"

Den volgenden dag kwam Wije met het bewuste lapje bij zijn chefs

binnen.

"Meneer," zeide hij, "Kan Liong Tjoe laat dit bloempje onder de markt

uitventen. Ik heb het nagezien, en hij verliest twee cent de el,

ongerekend zijn eigen kosten."

"Wat zou dat?" vroeg de chef droog.

"Maar het is geen oud goed, meneer. Hij heeft het nauwelijks zes

weken in zijn toko."

"En dan nog. Wij kunnen toch Kan Liong niet voorschrijven welke

prijzen hij stellen moet?"

"Dàt niet," vond Wije, "maar ik houd het voor een vaag teeken,

als een handelaar zijn goed beneden inkoopsprijs van de hand zet,

en wilde u dus waarschuwen."

"Geen nood," zeide de chef. "Alle Chineezen doen dat."

"Insolide firma's," hield Wije aan; "als ze failliet denken te gaan,

om dan nog gauw wat contant geld te slaan..."

"Zooals je ziet, ook de solide. Ik dacht dat je slimmer was; het is

eenvoudig... een rente-quaestie." En de chef liet zijn stoel draaien

tot recht voor zijn lessenaar, om voort te gaan met zijn werk.

Wije begreep dat hij heen kon gaan. Toen het deurtje achter hem was

dichtgevallen, zag de oudste chef even op van zijn brief.

"Weet jij het," vroeg hij zijn collega, "hoe dat eigenlijk in elkaar

zit?"

"Niet precies; maar je hebt gelijk: het is een rente-quaestie."

Waren de chefs met deze oplossing tevreden, niet Wije. Hij sprak er

over met de andere employé's, die er ook al niet van op de hoogte

waren, doch in zooverre den chef gelijk gaven, dat nagenoeg alle

Chineezen het deden. De procuratiehouder meende een verklaring te

vinden in de omstandigheid dat de Chinees alles op crediet koopt; voor

het bedrag geeft hij een accept af, dat meestal nog eens geprolongeerd

wordt; intusschen verkoopt hij het gekochte tegen contant geld, en

daarmee werkt hij, meer verdienende dan de rente der prolongatie. Hoe

hij daarmee werkte.... ja, dàt wist ook de procuratiehouder niet.

"Maar dan zijn wij feitelijk niet meer dan geldschieters van de

Chineezen," merkte Wije op, "en konden wij de katoentjes en al dien

rommel er best bij overslaan."

"Ik weet niet," zeide de procuratiehouder, "of de Chinees de katoentjes

zou kunnen missen. Trouwens, in zijn toko verkoopt hij niet onder de

markt. Maar als we hem eenvoudig geld leenden, zouden we toch nooit

zulk een hooge rente kunnen vorderen, als we nu winst maken op onzen

verkoop; en die kunnen we toch niet missen om gedekt te zijn tegen

faillissementen."

Hierbij bleef het dien morgen. Wije moest weg, naar het Chineesche

kamp; de anderen hadden anders tijd in overvloed gedurende de

ochtend-uren; het werk werd gewoonlijk tot den middag uitgesteld,

die anders zoo vervelend lang was; maar men moest nu eenmaal tot vijf

uur kantoor houden. Onderweg dacht hij nog lang na over de netelige

quaestie van het Chineesche crediet, en het laatste woord van den

procuratiehouder kleefde in zijn geheugen.

Faillissementen! Hoe was het toch mogelijk, dat een Chinees periodiek

over den kop ging, zonder daarbij eenig nadeel te ondervinden? Als een

Europeesche firma failleerde, was de eigenaar geregeld geruïneerd,

en hoogst zelden, maar dan met groote moeite en inspanning, zag men

hem er zich weer bovenop werken. In de meeste gevallen waagde hij zich

niet voor een tweede maal aan eigen zaken, doch werd òf ondergeschikte

òf makelaar. Een Chinees daarentegen werd er beter van. Wije herinnerde

zich nog hoe een paar jaar geleden een der beste Chineezen een accoord

had getroffen van twintig procent en hijzelf, toen huiverig zijnde

om dien man aanbiedingen te doen, door den chef vermaand werd zich

nu eerst recht in te spannen: "want de vent is weer puik, hij heeft

met zijn laag accoord immers geheel schoonschip gemaakt!"

Daar moest geknoei onder schuilen. Weliswaar verklaarden steeds de

tolken voor de Chineesche taal, dat de boekhouding perfect in orde was,

maar Wije verdacht die heeren van gewoon weg zelf bij een Chineesche

boekhouding in den blinde te tasten. Anders was het niet te verklaren

dat Chineezen, die meer Maleisch kenden dan hun landstaal en ook

gemakkelijker schreven, zoo halsstarrig bleven vasthouden aan het

gebruik van Chineesche karakters in hun boeken, waarmede zij zelfs

verscheiden dingen maar hoogst gebrekkig konden spellen.

Soedah! Als hij ooit chef werd, zou hij ten minste zorgen van dit

alles op de hoogte te zijn. Mocht de handel zóó opgevat, moeielijk

te leeren zijn, dan kon hij allicht voor hem die er de finesses van

wist, ook grooter en althans zekerder voordeelen opleveren dan thans

het geval was.

Twee, driemaal was hij in den loop van dien morgen op het punt een

Chinees rondweg inlichtingen te vragen, doch hij hield zich in,

beseffende dat het hem als verkooper geen goed zou doen, als hij

blijken gaf te weten hoe en waar de door hem verkochte artikelen van

de hand gedaan werden. Men zou zich geneeren van hem te koopen. Het

geval stond gelijk met dat van een kleermaker die zijn klanten nakijkt;

men bestelt bij zulk een man niet meer.

III.

HIJ EN ZIJ.

Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman · 第 1 / 20 段