"De eerste is: hij heeft den heer Madeleine niet bestolen, aangezien
hij zelf, Jean Valjean, de heer Madeleine is."
"Wat vertelt ge mij toch?"
"De tweede is: hij heeft Javert niet vermoord, aangezien hij, die
Javert heeft gedood, Javert zelf is."
"Wat bedoelt ge?"
"Dat Javert een zelfmoord heeft gepleegd."
"Bewijs! bewijs!" riep Marius buiten zich zelven.
Thénardier hernam, op de lettergrepen drukkende, alsof hij een oud
Alexandrijnsch vers opzeide:
"De
politie-agent-Ja-vert-is-onder-een-schuit-bij-de-Pont-au-Change-verdronken-gevonden."
"Maar bewijs dit!"
Thénardier nam uit zijn zak een grooten grijzen omslag, waarin papieren
van verschillende grootte schenen bewaard te worden.
"Ik heb mijn aktestukken," zeide hij bedaard.
En hij voegde er bij:
"In uw belang, mijnheer de baron, heb ik Jean Valjean grondig willen
kennen. Ik zeg, dat Jean Valjean en Madeleine een en dezelfde persoon
zijn; en ik zeg, dat Javert geen anderen moordenaar heeft gehad
dan Javert, en 't geen ik zeg zal ik bewijzen. Geen schriftelijke
bewijzen, het geschrevene is verdacht, de pen is beleefd; maar
gedrukte bewijzen."
Dus sprekende nam Thénardier uit den omslag twee nummers van geel
geworden, gehavende en sterk naar tabak riekende dagbladen. Het eene
dezer bladen, versleten op de vouwen en in vierkante stukken vallende,
scheen veel ouder dan het andere.
"Twee feiten, twee bewijzen," zei Thénardier en reikte Marius de twee
opengeslagen bladen.
De lezer kent deze twee dagbladen. Het eene, het oudste, een nummer
van le Drapeau blanc van 25 Juli 1823, van 't welk men in het derde
deel van dit werk den tekst heeft gezien, bevestigde de identiteit
van den heer Madeleine en Jean Valjean. Het andere, een Moniteur van
15 juni 1832, bewees den zelfmoord van Javert, met de bijvoeging, dat
het uit een mondeling rapport van Javert aan den prefect van politie
bleek, dat, toen hij in de barricade van de Chanvreriestraat gevangen
was genomen, hij aan de edelmoedigheid van een opstandeling het leven
te danken had gehad, daar deze, toen hij hem onder zijn pistool had,
het in de lucht afschoot, in plaats van er hem mede door het hoofd
te schieten.
Marius las. 't Was iets stelligs, een bepaalde datum, een onwraakbaar
bewijs; beide dagbladen waren niet opzettelijk gedrukt om Thénardiers
gezegde te bevestigen: het in den Moniteur geplaatste bericht was
door de prefectuur van politie officiëel medegedeeld. Marius kon niet
twijfelen. De mededeelingen van den kassiers-klerk waren valsch, en
deze had zich zelf vergist. Jean Valjean, eensklaps groot geworden,
scheen als uit een wolk te komen. Marius kon een vreugdekreet niet
bedwingen:
"Welnu, dan is deze ongelukkige een bewonderenswaardig mensch! dat
geheele vermogen behoorde hem werkelijk! hij is Madeleine, de
voorzienigheid van een geheel gewest! hij is Jean Valjean, de redder
van Javert! hij is een held, een heilige!"
"Hij is noch een heilige noch een held," zei Thénardier. "Hij is een
moordenaar en dief."
En hij voegde er bij, op den toon van iemand, die gevoelt, dat hij
gezag begon te verkrijgen: "Laat ons bedaard zijn!"
Dief, moordenaar, deze woorden, welke Marius meende dat verdwenen
waren en nu terugkwamen, vielen als een stortbad van ijs op hem.
"Nog?" zeide hij.
"Altijd," hernam Thénardier. "Jean Valjean heeft Madeleine niet
bestolen, maar is toch een dief. Hij heeft Javert niet gedood, maar
is toch een moordenaar."
"Wilt ge," hernam Marius, "van dien ellendigen diefstal, van voor
veertig jaren spreken, die, zooals uit uw dagbladen zelve blijkt, door
een geheel leven van berouw, zelfverloochening en deugd geboet werd?"
"Ik zeg moord en diefstal, mijnheer de baron. En ik herhaal, dat ik
van werkelijke feiten spreek. Wat ik u te openbaren heb, is geheel en
al onbekend. 't Is niet gedrukt. En daar zult gij misschien de bron in
vinden van het fortuin, dat Jean Valjean zoo behendig aan mevrouw de
barones heeft geschonken. Ik zeg behendig, want door een dergelijke
gift in een achtenswaardig huis te sluipen, welks welvaart men zal
deelen, terwijl men tegelijkertijd zijn misdaad verbergt, genot van
zijn diefstal heeft, zijn naam begraaft en zich een familie schept,
dit is inderdaad niet dom."
"Ik zou u hierop iets kunnen antwoorden," merkte Marius aan, "maar
ga voort."
"Mijnheer de baron, ik zal alles zeggen en de belooning aan uw
edelmoedigheid overlaten. Dit geheim is goud waard. Ge zult tot mij
zeggen: Waarom hebt ge u niet tot Jean Valjean gewend? Om een zeer
eenvoudige reden: ik weet, dat hij het geld heeft afgestaan, en wel te
uwen gunste; de berekening is zeer schrander; maar hij bezit nu geen
centime meer, hij zou mij zijn ledige handen toonen, en wijl ik eenig
geld behoef voor mijn reis naar Joya, geef ik u, die alles bezit,
de voorkeur boven hem, die niets bezit. Ik ben eenigszins vermoeid,
veroorloof mij een stoel te nemen."
Marius zette zich en wenkte hem plaats te nemen.
Thénardier ging op een kussenstoel zitten, nam de beide dagbladen,
stak ze weder in den omslag, en mompelde, terwijl hij met de
nagels op de Drapeau blanc sloeg: "'t heeft mij moeite gekost dit te
krijgen." Toen sloeg hij de beenen over elkander en leunde met den rug
in den armstoel, welke houding te kennen geeft, dat men zeker is van
't geen men zegt; vervolgens ging hij tot de zaak over, ernstig en
op zijn woorden drukkende:
"Mijnheer de baron, den 6 Juni 1832, thans bijna een jaar geleden, op
den dag van het oproer, was een man in het Groote Riool van Parijs,
ter plaatse waar dat riool in de Seine uitloopt, tusschen de brug
der Invaliden en de brug van Jena."
Marius schoof eensklaps zijn stoel dicht bij dien van
Thénardier. Thénardier merkte deze beweging op, en sprak voort met
de langzaamheid van een redenaar, die zijn hoorder boeit, en de
hartklopping van zijn tegenstander onder zijn woorden voelt:
"Deze man, die gedwongen was zich te verbergen, om redenen, die
overigens aan de politiek vreemd zijn, had het riool tot verblijf
gekozen en bezat er een sleutel van. Ik herhaal, dat het op den 6 Juni
was; 't kon acht uren 's avonds zijn. De man hoorde gerucht in het
riool. Hoogst verwonderd drong hij zich in een hoek en loerde. 't Was
't gerucht van voetstappen, men ging in de duisternis, en men kwam
naar zijn kant. Een vreemd verschijnsel, dat in het riool nog een
ander man was dan hij. Het uitgangshek van het riool was niet ver. Een
weinig licht, dat er door viel, veroorloofde hem den nieuw gekomene
te herkennen en te zien, dat die man iets op den rug droeg. Hij ging
gebukt. De man, die gebukt ging, was een oude galeiboef, en wat hij
op den rug droeg was een lijk. Kan er een tastbaarder bewijs van
moord zijn dan dit. Wat den diefstal betreft, dit spreekt vanzelf,
men vermoordt niet iemand voor niets. Deze galeiboef ging het lijk in
de rivier werpen. Het verdient opmerking, dat deze galeiboef, vóór hij
aan het uitgangshek kwam, reeds zeer verre door het riool was gegaan,
en noodwendig een schrikkelijken modderpoel had ontmoet, waar hij
het lijk had kunnen achterlaten; doch dan zouden de rioolruimers
bij 't schoonmaken den volgenden dag terstond den vermoorden man
hebben gevonden, 't geen de moordenaar niet wilde. Hij torste zijn
last liever door den modderpoel heen, en dit moet hem vreeselijke
inspanning gekost hebben, want 't is onmogelijk grooter levensgevaar
te trotseeren; ik begrijp niet, hoe hij 't er levend heeft afgebracht."
Marius schoof zijn stoel nog dichter bij. Thénardier maakte er gebruik
van om in den adem te schieten. Daarna voer hij voort:
"Mijnheer de baron, een riool is niet het veld van Mars. Alles
ontbreekt er, zelfs ruimte. Wanneer er twee menschen in zijn,
moeten zij elkander ontmoeten. Dit gebeurde. De verblijfhouder en de
doorganger waren gedwongen elkander goedendag te zeggen, tot groot
leedwezen zoowel van den een als van den ander. De doorganger zei
tot den verblijfhouder: "Gij ziet, wat ik op mijn rug heb; ik moet
hieruit gaan, gij hebt den sleutel, geef hem mij." Deze galeiboef
was een vreeselijk sterk man; men durfde hem niets weigeren. Evenwel
onderhandelde de eigenaar van den sleutel een wijl, eeniglijk om tijd
te winnen. Hij beschouwde den doode, maar kon niets anders zien dan
dat hij jong en goed gekleed was, het voorkomen van een rijk man had
en geheel door bloed misvormd was. Onder 't gesprek vond hij middel
om een stuk van den rok des vermoorden af te scheuren, zonder dat
de moordenaar dat bemerkte. Gij begrijpt, 't was een bewijsstuk;
een middel om weder op 't spoor der zaak te komen en den schuldige
van de misdaad te overtuigen. Hij stak het bewijsstuk in zijn zak,
waarna hij het hek opende, den man met zijn last op den rug liet
uitgaan, het hek weder sloot en zich uit de voeten maakte, daar hij
volstrekt geen lust had verder in het avontuur gemengd te worden,
en vooral er niet bij tegenwoordig wilde zijn, wanneer de moordenaar
den vermoorde in het water wierp. Gij begrijpt dit licht? Degeen nu,
die het lijk droeg, was Jean Valjean; degeen die den sleutel had,
spreekt op dit oogenblik tot u, en het stuk van den rok..."
Thénardier voleindde zijn zin met uit zijn zak een stuk zwart laken
te halen, dat gescheurd en met leelijke vlekken bedekt was; hij hield
het tusschen zijn duimen en wijsvingers voor zijn oogen.
Marius, bleek, nauwelijks ademend, met het oog op het stuk zwart
laken gericht, was opgestaan, en zonder een woord te spreken, zonder
zijn blik van die lap te wenden, trad hij achteruit naar den muur,
en zijn rechterhand achter zich uitstekende, zocht hij tastend naar
den sleutel, die in het slot van een wandkast bij den schoorsteen
stak. Hij vond dien sleutel, opende de kast, en zonder er naar te zien,
zonder dat zijn verbaasd oog zich van de lap wendde, die Thénardier
hem voorhield, stak hij zijn arm in de kast.
Ondertusschen voer Thénardier voort:
"Mijnheer de baron, ik heb de grootste redenen om te gelooven dat de
vermoorde jonge man een rijke vreemdeling was, dien Jean Valjean in
een valstrik had gelokt, en dat hij een aanzienlijke som bij zich had."
"Deze jonge man was ik, en ziehier den rok!" riep Marius, terwijl
hij een ouden zwarten, geheel bebloeden rok op den grond wierp.
Daarop rukte hij de lap uit Thénardiers handen, knielde bij den rok,
en hield de afgescheurde lap bij het pand van den rok, waar het
ontbrak. De lap paste volkomen en bracht den rok weder in zijn geheel.
Thénardier was als versteend. Hij dacht: ik ben er in geloopen.
Bevend, buiten zich zelven, met gloeiende oogen richtte Marius zich
op. Hij tastte in zijn zak, trad woedend op Thénardier toe, en drukte
hem schier zijn met bankbriefjes van vijfhonderd en duizend francs
gevulde vuist op 't gezicht.
"Ge zijt een eerlooze, ge zijt een leugenaar, een lasteraar, een
schurk. Ge kwaamt dien man beschuldigen, ge hebt hem gerechtvaardigd;
ge wildet hem in 't verderf storten, en gij hebt hem verheerlijkt. Maar
gij zijt een dief. Gij zijt een moordenaar! Ik heb u gezien, Thénardier
Jondrette, in het vervallen huis op den boulevard de l'Hopital. Ik
weet genoeg van u om u naar het bagno te zenden, en zelfs verder,
zoo ik wilde. Ziedaar hebt ge duizend francs, spitsboef die ge zijt."
En hij wierp Thénardier een bankbiljet van duizend francs toe.
"Ha! Jondrette Thénardier, lage schurk, dat u dit tot les strekke,
verkooper van geheimen, zwendelaar in verborgenheden, ellendeling,
die in de duisternissen wroet. Neem deze vijfhonderd francs en scheer
u weg! Waterloo beschermt u."
"Waterloo!" mompelde Thénardier, terwijl hij de vijfhonderd francs
met de duizend in zijn zak stak.
"Ja, moordenaar! ge hebt er het leven van een kolonel gered...."
"Van een generaal," zei Thénardier het hoofd opheffend.
"Van een kolonel!" hernam Marius driftig. "Ik zou geen cent voor een
generaal geven. En ge kwaamt hier schandelijkheden uitvoeren! Ik zeg
u, dat ge allerlei misdaden hebt gepleegd. Vertrek! verdwijn! 't Ga u
wel, dat is al wat ik u wensch. Ha! monster! Ziedaar nog drieduizend
francs. Neem ze! Vertrek morgen met uw dochter naar Amerika; want
uw vrouw is dood, schandelijke leugenaar. Ik zal 't oog houden over
uw vertrek, bandiet, en ik zal u alsdan nog twintigduizend francs
geven. Laat u elders hangen!"
"Mijnheer de baron," antwoordde Thénardier tot den grond buigend,
"eeuwige dankbaarheid."
Thénardier ging, niets ervan begrijpende, en verrukt over die zachte
verplettering onder zakken met goud en dien schitterenden bliksem
van bankbiljetten boven zijn hoofd.
Hij was verbaasd, maar tevens verheugd; en 't zou hem zeer gespeten
hebben, een afleider tegen dien bliksem te hebben.
Laat ons aanstonds met dezen man eindigen. Twee dagen na de
gebeurtenissen, welke wij op dit oogenblik verhalen, vertrok hij, door
Marius' bemoeiing, naar Amerika, onder een valschen naam en voorzien
van een wissel van twintigduizend francs op New-York, met zijn dochter
Azelma. De zedelijke ellende van Thénardier, den mislukten burger,
was onherstelbaar; hij was in Amerika dezelfde als in Europa. De
aanraking van een slecht mensch is soms voldoende om een goede daad
te bederven en er iets slechts uit te doen voortkomen. Met het geld
van Marius werd Thénardier slavenhandelaar.
Zoodra Thénardier vertrokken was, ijlde Marius naar den tuin waar
Cosette nog wandelde:
"Cosette! Cosette!" riep hij "kom, kom gauw. Laat ons gaan! Basque,
een rijtuig! Cosette, kom. Ach, mijn God! Hij heeft mij het leven
gered. Verliezen wij geen minuut. Doe uw shawl om!"
Cosette meende, dat hij zinneloos was geworden en gehoorzaamde.
Hij kon nauwelijks ademen en legde de hand aan zijn hart om de klopping
ervan te bedwingen. Hij liep met groote stappen heen en weder, hij
omhelsde Cosette, zeggende: "Ach, Cosette, ik ben een ongelukkige!"
Marius was in de uiterste verwarring. In dien Jean Valjean begon
hij een edel, verheven wezen te vermoeden. Een ongehoorde groote,
stille deugd, die nederig in haar grootheid was, verscheen voor
hem. De galeiboef veranderde zich in een Christus. Marius werd als
verblind door dit wonder. Hij wist niet juist wat hij zag, maar
't was iets grootsch.
In een oogenblik stond een huurrijtuig voor de deur.
Marius hielp Cosette instijgen en sprong er zelf in.
"Koetsier," zeide hij, "naar de straat de l'Homme-Armé No. 7."
Het rijtuig vertrok.
"Ha! welk een geluk!" riep Cosette, "naar de straat de l'Homme-Armé. Ik
durfde er u niet meer van spreken. Wij gaan mijnheer Jean bezoeken."
"Uw vader! Cosette, meer dan ooit uw vader. Cosette, ik begrijp het
thans. Ge hebt mij gezegd, dat ge nooit den brief had ontvangen,
dien ik u door Gavroche gezonden had. Hij zal in zijn handen
zijn gevallen. Cosette, hij is naar de barricade gegaan om mij te
redden. Wijl het een behoefte voor hem is een engel te zijn, heeft
hij terloops ook nog anderen gered; hij heeft Javert gered. Hij
heeft mij uit dien poel getrokken om mij aan u te geven. In dat
schrikkelijk riool heeft hij mij op zijn rug gedragen. Ach! ik ben
een gedrochtelijke ondankbare. Cosette, na uwe voorzienigheid te zijn
geweest, is hij de mijne geworden. Verbeeld u een schrikkelijken
modderpoel, waarin men honderd malen kon verdrinken, in het slijk
verdrinken. Cosette, hij heeft er mij doorgeworsteld. Ik was buiten
kennis; ik zag, hoorde niets, ik kon niets van mijn eigen lot
bevroeden. Wij zullen hem terughalen, medenemen; hij moge willen of
niet, hij zal ons niet meer verlaten. Zoo hij maar te huis is! zoo wij
hem maar vinden! Mijn geheele leven zal ik hem vereeren en dankbaar
zijn. Ja, zoo zal 't geweest zijn, Cosette. Gavroche zal mijn brief
hem hebben overhandigd. Alles verklaart zich. Gij begrijpt 't nu."
Cosette begreep niets.
"Gij hebt gelijk," zeide zij.
Ondertusschen reed het rijtuig voort.
VIJFDE HOOFDSTUK.
NACHT, WAARACHTER DE DAG IS.
Toen Jean Valjean aan zijn deur hoorde kloppen, wendde hij zich om.
"Binnen," riep hij zwak.
De deur opende zich. Cosette en Marius verschenen.
Cosette vloog de kamer binnen. Marius bleef op den drempel tegen den
deurpost staan.
"Cosette!" zei Jean Valjean, en hij richtte zich in zijn stoel op, met
open, bevende armen, verwilderd, bleek, akelig, en met een oneindige
blijdschap in de oogen.
Cosette, van aandoening stikkend, zonk aan de borst van Jean Valjean.
"Vader!" zeide zij.
Geheel ontroerd stamelde Jean Valjean:
"Cosette! Zijt gij 't, mevrouw! Zijt gij 't. O, mijn God!"
En in Cosettes armen geklemd, riep hij:
"Gij! gij zijt hier! gij vergeeft mij dus!"
Marius, die de oogleden sloot, om niet te weenen, naderde een schrede
en mompelde tusschen zijn krampachtig saamgedrukte lippen om zijn
gesnik te bedekken:
"Mijn vader!"
"En ook gij vergeeft mij!" zei Jean Valjean.
Marius kon geen woorden vinden en Jean Valjean voegde er bij:
"Heb dank."
Cosette sloeg haar shawl af en wierp haar hoed op het bed.
"Dit hindert mij," zeide zij.
Toen zette zij zich op de knieën van den grijsaard, streek met een
bekoorlijke beweging zijn wit haar weg en kuste zijn voorhoofd.
Ontroerd liet Jean Valjean alles geschieden.
Cosette, die slechts onduidelijk begreep, verdubbelde haar liefkoozen,
alsof zij de schuld van Marius wilde voldoen.
Jean Valjean mompelde:
"Hoe dom is men! Ik dacht dat ik haar niet weer zou zien. Verbeeld
u, mijnheer Pontmercy, dat, juist toen gij binnenkwaamt, ik bij mij
zelven zeide: 't Is gedaan. Ziedaar haar jurkje; ik ben een ellendig
mensch; ik zal Cosette niet wederzien; dit zeide ik op het oogenblik,
dat gij de trap opgingt.
Hoe dwaas was ik! Zoo dwaas kan men zijn! maar men rekent niet op
den goeden God. De goede God zegt: "Gij verbeeldt u, dat men u zal
verlaten! Neen. Neen, zoo zal 't niet gebeuren. Kom, er is daar een arm
oud man, die een engel noodig heeft." En de engel komt; en men ziet
zijn Cosette weder! en men ziet zijn kleine Cosetje weder. Ach! ik
was zeer ongelukkig."
Hij was een oogenblik zonder te kunnen spreken; toen hernam hij:
"Ik had waarlijk behoefte, Cosette nu en dan even weder te zien. Een
hart wil toch wel iets ter bevrediging. Evenwel gevoelde ik, dat ik
er te veel was. Ik gaf mij deze redenen: Zij hebben u niet noodig,
blijf in uw hoek; men heeft geen recht zich altijd op te dringen. Ha,
Goddank, ik zie haar weder! Weet ge, Cosette, dat uw man zeer schoon
is? Ha, goed, ge hebt een fraai geborduurd kraagje om. Ik houd van
dat patroon. Uw man heeft het gekozen, niet waar? Maar ge moet nog
shawls hebben. Mijnheer Pontmercy, laat mij als vroeger tot haar
spreken. 't Zal niet lang meer duren."
En Cosette zeide, hem berispend:
"Hoe ondeugend van u, zoo lang van ons afwezend te zijn. Waar zijt ge
toch geweest? Waarom zoo lang weg te zijn? Uw reizen duurden vroeger
niet langer dan drie of vier dagen. Ik heb Nicolette gezonden; men
antwoordde altijd: Hij is afwezend. Sinds wanneer zijt ge terug? Waarom
hebt ge 't ons niet laten weten? Weet ge wel, dat ge zeer veranderd
zijt. O, ondeugende vader. Gij zijt ziek geweest en wij hebben er
niets van geweten! Zie, Marius, voel zijn hand, hoe koud zij is!"
"Gij zijt dus ook hier! mijnheer Pontmercy? Gij vergeeft
mij!" herhaalde Jean Valjean.
Bij deze woorden, welke Jean Valjean herhaald had, kon Marius zijn
gevoel niet langer bedwingen, en zijn opgekropt hart lucht gevende,
barstte hij uit:
"Cosette, hoort ge wat hij zegt? Hij vraagt mij vergeving! En weet
gij, wat hij voor mij gedaan heeft, Cosette? Hij heeft mij het leven
gered. Hij heeft meer gedaan. Hij heeft u aan mij geschonken. En na mij
gered en na mij u geschonken te hebben, Cosette, wat heeft hij voor
zich zelven gedaan? Hij heeft zich opgeofferd. Ziedaar den man. En
mij, ondankbare, onmeedoogende, schuldige, zegt hij dank! Cosette,
mijn geheel leven aan de voeten van dien man doorgebracht, zou te
weinig zijn. Deze barricade, dat riool, dezen gloeienden oven, dien
modderpoel, alles heeft hij voor mij, voor u, Cosette, doorgestaan! Hij
heeft mij door allerlei doodsgevaren heen gedragen, welke hij van
mij wendde en zelf op zich nam. Hij bezit allen moed, alle deugden,
allen heldenzin, alle heiligheid. Cosette, deze man is een engel!"
"Stil, stil!" zei Jean Valjean zacht. "Waarom van dat alles te
spreken?"
"Maar gij!" riep Marius met een verstoordheid, waarin vereering lag,
"waarom hebt gij het niet gezegd? 't Is ook uw schuld. Gij redt
den menschen het leven en verbergt het hun! Gij doet meer, onder
voorwendsel u te ontmaskeren, lastert ge u zelven. 't Is ongehoord!"
"Ik heb de waarheid gezegd," antwoordde Jean Valjean.
"Neen," hernam Marius, "waarheid is de geheele waarheid, en die
hebt gij niet gezegd. Gij waart de heer Madeleine; waarom het niet
gezegd? Gij hadt Javert gered; waarom het niet gezegd? Ik had u het
leven te danken, waarom het niet gezegd?"
"Wijl ik even als gij dacht. Ik vond dat gij gelijk hadt. Ik moest
heengaan. Zoo u de zaak van het riool bekend was geweest, zoudt ge mij
bij u hebben doen blijven. Ik moest dus zwijgen. Indien ik gesproken
had, zou ik u maar hinderlijk zijn geweest."
"Hinderlijk! wat! wie, hinderlijk!" hernam Marius. "Denkt ge dan, dat
ge hier zult blijven? Wij nemen u mede. Ach, mijn God! als ik denk,
dat ik dit alles toevallig heb vernomen! Wij nemen u mede. Gij zijt
een deel van ons zelven. Gij zijt haar vader en de mijne. Geen dag
langer zult ge in dit akelig huis blijven. Verbeeld u niet, dat ge
morgen nog hier zijt."
"Morgen," zei Jean Valjean, "zal ik niet hier zijn, maar ook niet
bij u."
"Wat bedoelt ge?" vroeg Marius. "O, wij geven u geen verlof tot
reizen meer. Gij verlaat ons niet meer. Gij behoort ons. Wij laten
u niet los."
"Ditmaal is het ernst," voegde Cosette er bij. "We hebben beneden
een rijtuig. Ik schaak u. Zoo het noodig is, zal ik geweld gebruiken."
En glimlachend maakte zij een beweging, als wilde zij den grijsaard
in haar armen optillen.
"In ons huis is nog altijd uw kamer," vervolgde zij. "Ge moest eens
weten hoe fraai onze tuin op dit oogenblik is. De azaleën komen
goed uit. De paden zijn met wit zand bestrooid, met kleine schulpjes
vermengd. Ge zult mijn aardbeziën proeven. Ik begiet ze zelf. En geen
mevrouw, geen mijnheer Jean meer; wij leven in een republiek, niet
waar, Marius? Het programma is veranderd. Zoo ge wist, vader, welk een
verdriet ik heb gehad; een roodborstje had in een gat van den muur
zijn nestje gebouwd, en een leelijke kat heeft het opgegeten. Mijn
arm klein roodborstje, dat zijn kopje uit zijn venstertje stak
en mij aankeek! Ik heb er om geweend. Ik zou de kat hebben kunnen
vermoorden. Maar nu weent niemand meer. Iedereen lacht, allen zijn
gelukkig. Ge gaat met ons mede. Hoe tevreden zal grootvader zijn! Ge
zult uw aardbeziënbed in den tuin hebben om het te beplanten, en wij
zullen zien of uw vruchten even schoon als de mijne zijn. Vervolgens
zal ik alles doen wat ge wilt, en gij zult mij wel gehoorzamen."
Jean Valjean luisterde zonder haar te begrijpen. Hij hoorde veeleer de
muziek harer stem dan den zin harer woorden; een dier groote tranen,
welke de treurige paarlen der ziel zijn, welde langzaam in zijn oog
op. Hij prevelde:
"Haar komst hier is het bewijs, dat God goed is."
"Mijn vader," zei Cosette.
Jean Valjean hernam:
"'t Is waar, 't zou aangenaam zijn samen te leven. Zij hebben boomen
vol vogels. Ik zou met Cosette wandelen. 't Is zoet tot levende wezens
te behooren, die elkander goedendag zeggen, die elkander in den
tuin roepen. Men ziet elkander van 's morgens af. Wij zouden ieder
een hoekje gronds verzorgen. Zij zou mij haar aardbeziën doen eten,
ik zou haar mijn rozen doen plukken. 't Zou bekoorlijk zijn. Maar..."
Hij brak zijn woorden af en zeide zacht:
"'t Is jammer."
De traan viel niet, hij trok zich terug, en Jean Valjean verving hem
door een glimlach.
Cosette nam beide handen van den grijsaard in de hare.
"Mijn God," zeide zij, "uw handen zijn nog kouder. Zijt gij ziek? Deert
u iets?"
"Ik? neen," antwoordde Jean Valjean, "ik ben zeer wèl, maar..."
Hij zweeg.
"Maar, wat?"
"Ik zal spoedig sterven."
Cosette en Marius huiverden.
"Sterven!" riep Marius.
"Ja, maar dat is niets," zei Jean Valjean.
Hij haalde adem, glimlachte en hernam:
"Gij spraakt tot mij, Cosette, ga voort. Spreek nog, uw roodborstje
is dan dood; spreek, laat mij uw stem hooren."
Marius staarde als versteend den grijsaard aan. Cosette slaakte een
hartverscheurenden kreet.