"Vader, mijn vader! gij zult leven. Gij moet leven. Ik wil dat ge

leeft, hoort ge!"

Jean Valjean richtte liefderijk het hoofd tot haar op:

"O ja, verbied mij te sterven. Wie weet? Ik zal misschien

gehoorzamen. Ik was bezig te sterven, toen ge kwaamt. Dat heeft mij

belet. 't Kwam mij voor, dat ik herleefde."

"Ge zijt vol kracht en leven," riep Marius. "Verbeeldt ge u, dat men

zóó sterft? Ge hebt verdriet gehad, ge zult het niet meer hebben. Ik

vraag u vergiffenis, en wel op mijn knieën. Ge zult leven, met ons

leven, lang leven. Wij nemen u mede. Wij beiden, Cosette en ik,

zullen voortaan slechts ééne gedachte hebben, uw geluk!"

"Ge hoort immers," hernam Cosette, in tranen wegsmeltende, "dat Marius

zegt, dat ge niet zult sterven."

"Zoo ge mij medenaamt, mijnheer Pontmercy, zou ik dan een andere zijn

dan ik ben? Neen. God heeft gedacht, zooals gij en ik, en verandert

niet van meening; 't is noodzakelijk dat ik heenga. De dood is een

goede schikking. God weet beter dan wij, wat wij behoeven. Dat gij

gelukkig zijt, dat mijnheer Pontmercy Cosette hebbe, dat de jeugd den

ochtend huwe, dat u, mijn kinderen, seringen en nachtegalen omgeven,

dat uw leven een schoon grasperk met zonneschijn zij, dat alle

verrukkingen des hemels uwe ziel vervullen en dat eindelijk ik, die

tot niets meer dien, sterve; dat alles is stellig goed. Ziet ge, laat

ons verstandig zijn, er is niets meer aan te doen, ik gevoel volkomen,

dat het met mij gedaan is. Een uur geleden viel ik in onmacht. En

dezen nacht heb ik deze kruik water geheel uitgedronken. Hoe goed is

uw echtgenoot, Cosette. Ge zijt beter bij hem, dan bij mij."

De deur kraakte. 't Was de dokter, die binnentrad.

"Goedendag en vaarwel, dokter," zei Jean Valjean. "Ziehier mijn

arme kinderen."

Marius naderde den dokter. Hij richtte tot hem alleen dit woord:

mijnheer?.. maar in de wijze, waarop hij het uitsprak, lag een

volledige vraag.

De geneesheer beantwoordde de vraag met een veelbeteekenenden blik.

"Omdat de dingen ons onaangenaam zijn," zei Jean Valjean, "is dit

geen reden om onbillijk jegens God te wezen."

Er ontstond stilte. Aller borsten waren bekneld. Jean Valjean wendde

zich tot Cosette. Hij aanschouwde haar, als wilde hij haar beeld

in de eeuwigheid medenemen. In de diepe schaduw, waarin hij reeds

verzonken was, was in de aanschouwing van Cosette voor hem nog

verrukking mogelijk.

De glans van haar zacht gelaat verhelderde zijn bleeke trekken. Het

graf kan ook zijn flikkering hebben.

De dokter voelde hem den pols.

"Ha, gij zijt het, welke hij behoefde!" mompelde hij, Cosette en

Marius aanziende.

En zich tot Marius' oor buigende, voegde hij er zeer zacht bij:

"Te laat."

Jean Valjean aanschouwde Marius en den geneesheer met blijmoedigen

blik, zonder echter op te houden Cosette aan te zien. Men hoorde uit

zijn mond deze nauwelijks verstaanbare woorden komen:

"'t Is niets te sterven, maar 't is vreeselijk, niet te leven."

Eensklaps richtte hij zich op. Zulk een terugkeer der krachten is

dikwerf een voorteeken van den doodsstrijd. Met vasten tred naderde hij

den wand, wees Marius en den dokter af, die hem wilden ondersteunen,

nam het koperen kruisbeeld van den wand, ging weder zitten met de

gemakkelijkheid van een volkomen gezonde, en sprak met luide stem,

het kruisbeeld op de tafel zettende:

"Ziedaar den grooten lijder!"

Toen zonk zijn borst ineen, zijn hoofd waggelde, als werd hij door

de bedwelming des doods bevangen en zijn beide handen, op zijn knieën

rustende, krabden krampachtig met de nagels op de stof van zijn broek.

Cosette hield hem bij de schouders vast, weende, en poogde

tot hem te spreken, zonder dit te vermogen. Men onderscheidde,

temidden der woorden, die onder haar snikken en schreien versmoorden:

"Vader! verlaat ons niet. Is 't mogelijk, dat wij u slechts wedervinden

om u te verliezen?"

Men zou kunnen zeggen, dat de doodsstrijd zich kronkelt. Hij komt en

gaat, nadert het graf en keert tot het leven terug. In het sterven

ligt een zekere rondtasting.

Na deze halve bezwijming, herstelde zich Jean Valjean weder, schudde

zijn hoofd als om de duisternis te verdrijven, en kwam schier geheel

bij. Hij nam een strook van Cosettes mouw en kuste ze.

"Hij komt weder bij, dokter, hij komt weder bij!" riep Marius.

"Ge zijt beiden goed," zei Jean Valjean. "Ik zal u zeggen, wat mij

smartelijk is geweest. Het heeft mij gesmart, mijnheer Pontmercy,

dat ge dat geld niet hebt willen aanraken. Dat geld behoort wel

deugdelijk uw vrouw. Ik zal 't u verklaren, mijn kinderen, en juist

daarom doet het mij genoegen u te zien. Het zwarte git komt uit

Engeland, het witte git komt uit Noorwegen. Dat alles staat hier, op

dit papier, dat ge lezen zult. Voor de armbanden heb ik in plaats der

blikken gesoldeerde slootjes, slootjes van één stuk uitgevonden. 't

Is fraaier, beter en goedkooper. Nu begrijpt gij, hoeveel geld men

daarmeê verdienen kan. Cosettes vermogen behoort haar alzoo. Ik deel

u deze bijzonderheden mede, opdat uw geweten gerust zij."

De portierster was naar boven gekomen en zag door de half openstaande

deur. De dokter zond haar weg, maar kon niet beletten, dat de goede

vrouw, vóór ze ging, in haar godsdienstijver, den stervende toeriep:

"Wilt ge een priester?"

"Ik heb er een," antwoordde Jean Valjean.

En met den vinger scheen hij naar een punt boven zijn hoofd te wijzen,

waar men zou gezegd hebben, dat hij iets zag.

't Is waarschijnlijk, dat de bisschop werkelijk bij dit sterven

tegenwoordig was.

Zacht schoof Cosette een oorkussen onder zijn lendenen.

Jean Valjean hernam:

"Ik bezweer u, mijnheer Pontmercy, heb geen bezwaar. De zesmaal

honderd duizend francs behooren deugdelijk aan Cosette. Mijn leven zou

verloren zijn, zoo gij ze niet aannaamt. Wij waren er in geslaagd dat

glaswerk zeer goed te vervaardigen. Wij wedijverden met hetgeen men de

zoogenaamde Berlijnsche juweelen noemt. Maar men kan, bij voorbeeld,

het zwarte Duitsche glas niet evenaren. Een gros van twaalfhonderd

zeer goed geslepen kralen kost slechts drie francs."

Wanneer een wezen, dat ons dierbaar is, sterft, staart men het met

een blik aan, die zich aan hem vastklemt en hem zou willen tegenhouden.

Beiden, sprakeloos van angst, niet wetende wat tegen den dood te

zeggen, wanhopend en bevend, stonden Cosette en Marius voor hem,

elkander de hand gevende.

Jean Valjean nam ziender oogen af. Hij daalde; hij naderde den donkeren

horizont. Zijn adem stokte bij tusschenpoozen, en werd door gereutel

afgebroken. Met moeite kon hij zijn voorarm verplaatsen, zijn beenen

waren stijf geworden, doch terzelfder tijd dat zijn lichaam afnam,

vertoonde en ontvouwde zich op zijn voorhoofd de geheele majesteit der

ziel. Het licht der onbekende wereld was reeds in zijn oogen zichtbaar.

Zijn gelaat verbleekte en glimlachte tegelijk. Het leven was er niet

meer, er was iets anders. Zijn ademhaling werd korter, zijn blik werd

grooter. 't Was een lijk, waaraan men vleugels vermoedde.

Hij wenkte Cosette om te naderen, daarna Marius. 't Was blijkbaar

de laatste minuut van het laatste uur; en hij sprak tot hen met zulk

een flauwe stem, dat zij van verren afstand scheen te komen, en men

zou gezegd hebben, dat nu reeds een muur tusschen hen en hem bestond.

"Nader, nadert beiden. Ik bemin u zeer. O, 't is zoet zóó te

sterven. Ook gij, Cosette, bemint mij. Ik wist wel, dat gij steeds

vriendschap voor den ouden goeden man hadt. Hoe lief zijt gij,

mij een kussen onder de lendenen te hebben gelegd! Ge zult mij

een weinig betreuren, niet waar? Niet te veel; ik wil niet, dat ge

werkelijk verdriet hebt. Ge moet uw geluk genieten, mijn kinderen. Ik

heb vergeten u te zeggen, dat men op de gespen zonder tongen meer

verdiende dan op al het overige. Het gros, de twaalf dozijn, kwam op

tien francs en werd voor zestig verkocht. 't Was voorwaar een goede

handel. Gij moet u dus over de zesmaal honderdduizend francs niet

verwonderen, mijnheer de Pontmercy. 't Is eerlijk gewonnen geld. Ge

moogt gerust rijk zijn. Ge moet rijtuig houden, nu en dan een loge

in den schouwburg, fraaie kleederen hebben, mijn Cosette, en uw

vrienden diners geven; ge moet zeer gelukkig zijn. Straks schreef

ik aan Cosette. Zij zal mijn brief vinden. Aan haar vermaak ik de

twee kandelaars, die op den schoorsteen staan. Zij zijn van zilver;

maar voor mij zijn zij van goud, van diamant; zij veranderen de

waskaarsen, die men er op zet, in gewijde kaarsen. Ik weet niet of

hij, die ze mij gegeven heeft, hierboven over mij tevreden is. Ik

heb gedaan wat ik kon. Mijn kinderen, vergeet niet, dat ik een arm

mensch ben; laat mij in een afgelegen hoekje begraven, onder een

steen om de plaats aan te duiden. Dat is mijn wil. Geen naam op den

steen. Zoo Cosette nu en dan daarheen wil gaan, zal 't mij genoegen

doen. Ook gij, mijnheer Pontmercy. Ik moet u bekennen, dat ik u

niet altijd bemind heb; ik vraag er u vergiffenis voor. Thans zijt

gij en zij slechts één voor mij. Ik ben u zeer dankbaar. Ik gevoel

dat gij Cosette gelukkig maakt. Zoo ge wist, mijnheer Pontmercy,

hoe haar schoone rozenwangen mij verheugden; wanneer ik haar bleek

zag, was ik treurig. In de tafel ligt een bankbiljet van vijfhonderd

francs. Ik heb er niet aangeraakt. 't Is voor de armen. Cosette, ziet

ge uw jurkje, dáár, op het bed? herkent ge het? 't Is echter niet

langer dan tien jaren geleden. Hoe snel verloopt de tijd. Wij zijn

zeer gelukkig geweest. 't Is nu gedaan. Weent niet, mijn kinderen,

ik ga niet ver, ik zal u van dààr zien. Ge behoeft slechts des nachts

op te zien, en ge zult mij zien glimlachen. Cosette, herinnert ge u

Montfermeil? Ge waart in het bosch en zeer bevreesd; herinnert ge u,

dat ik het hengsel van den emmer nam? 't Was de eerste keer, dat ik uw

arm klein handje raakte. 't Was zoo koud. O, destijds waren uw handjes

zeer rood, thans zijn zij zeer blank. En de groote pop! herinnert ge

u haar? Ge noemdet haar Kaatje. Het speet u ze niet naar het klooster

te hebben medegenomen! Hoe dikwijls hebt gij mij doen lachen, mijn

lieve engel! Wanneer het geregend had, liet ge in de goten stroohalmen

drijven en oogdet ze na. Op een dag gaf ik u een raket en een bal

met gele, blauwe en groene veeren. Ge zijt het zeker vergeten. Gij

waart zulk een aardig meisje, toen ge jong waart. Ge speeldet. Ge

deedt kersen in de ooren. Dat zijn herinneringen uit het verledene. De

bosschen, welke men met zijn kind is doorgegaan, het geboomte waaronder

men gewandeld, de kloosters waarin men zich verborgen heeft, de

spelen, het vroolijk kindergelach, dat alles is schaduw. Ik heb mij

verbeeld, dat mij dit alleen behoorde. Zoo dom was ik. De Thénardiers

waren zeer ondeugend. Men moet hun vergeven. Cosette, thans is 't

oogenblik gekomen om u den naam uwer moeder te zeggen. Zij heette

Fantine. Onthoud dien naam: Fantine. Kniel, telkens wanneer ge hem

uitspreekt. Zij heeft veel geleden. Zij heeft u innig bemind. Zij

heeft evenveel rampen gehad, als gij geluk gehad hebt. Dit zijn de

beschikkingen Gods. Hij is hierboven. Hij ziet ons allen en weet

wat Hij temidden zijner oneindige wereldbollen doet. Ik ga heen,

mijn kinderen. Bemint elkander steeds. Op de wereld is niets van

meer belang dan dit: elkander te beminnen. Ge zult somwijlen aan

den armen, ouden man denken, die hier gestorven is. O, mijn Cosette,

't is mijn schuld niet, ik verzeker 't u, dat ik u in al deze dagen

niet gezien heb; 't verscheurde mijn hart; ik ging tot aan den hoek

der straat, en moest een vreemde vertooning maken voor de menschen,

die mij voorbij zagen gaan; ik was als zinneloos; eenmaal ging ik

zonder hoed uit. Mijn kinderen, nu zie ik niet helder meer; ik had

u nog een en ander te zeggen, maar het zij zoo. Denk nu en dan aan

mij. Gij zijt gezegende wezens. Ik weet niet, wat het is; maar ik zie

licht. Nadert nog dichter. Ik sterf gelukkig. Geef mij uw veelgeliefde

hoofden, dat ik er mijn handen oplegge."

Cosette en Marius knielden hevig bewogen, in hun tranen stikkend,

en bogen zich elk op een hand van Jean Valjean. Zijn handen bewogen

zich niet meer.

Hij lag achterover, beschenen door het licht der twee waskaarsen;

zijn bleek gezicht aanschouwde den hemel, hij liet Cosette en Marius

zijn handen met kussen bedekken; hij was dood.

De nacht was zonder sterren, en stikdonker. Ongetwijfeld stond in

de schaduw een groote engel met uitgebreide vleugelen, die de ziel

wachtte.

ZESDE HOOFDSTUK.

HET GRAS VERBERGT EN DE REGEN WISCHT UIT.

Op het kerkhof van Père-Lachaise, nabij de algemeene begraafplaats,

ver van de sierlijke wijk dezer doodenstad, ver van al die weidsche

grafgestichten, welke in 't gezicht der eeuwigheid de stuitende modes

van den dood ten toon spreiden, in een eenzamen hoek, bezijden een

ouden muur, onder een grooten ijpeboom, om welken zich het klimop

slingert, onder hondsgras en mos, ligt een steen. Deze steen is evenmin

als andere steenen tegen den tand des tijds, schimmel, mos en vogeldrek

beveiligd. Het vocht maakt hem groen, de lucht zwart. Hij ligt niet in

de nabijheid van eenig pad, en men gaat niet gaarne in deze richting,

wijl het gras er hoog is en men dadelijk natte voeten heeft. Wanneer

de zon even schijnt, komen er hagedissen. In de geheele omgeving

heerscht een geritsel van wilde haverhalmen. In de lente zingen de

vogels er in de boomen.

De steen is geheel glad. Toen men hem beitelde, heeft men slechts aan

de volstrekte behoefte van het graf gedacht, en voor niets anders

gezorgd dan om dien steen lang en smal genoeg te maken om een lijk

te dekken.

Men leest er geen naam op.

Maar reeds vele jaren geleden, schreef een hand met een potlood deze

vier regels er op, welke allengs door den regen en het stof onleesbaar

zijn geworden en waarschijnlijk thans uitgewischt zijn.

Il dort. Quoique le sort fût pour lui bien étrange,

Il vivait. Il mourut quand il n'eut plus son ange,

La chose simplement d'elle-même arriva,

Comme la nuit se fait lorsque le jour s'en va. [12]

EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE DEEL.

INHOUD.

Boek I.

De oorlog tusschen vier muren.

Bladz.

I. De Charybdis der voorstad St. Antoine en de Scylla

der voorstad van den Tempel 7

II. Wat kan men anders in den afgrond doen dan praten 14

III. Verlichting en verduistering 17

IV. Vijf minder, een meer 19

V. Welken horizont men van de kruin der barricade ziet 25

VI. Marius verwilderd, Javert laconisch 29

VII. De toestand wordt erger 30

VIII. De artilleristen nemen het ernstig op 34

IX. Aanwending van het oude wildstrooperstalent en van het

onfeilbaar schot, dat op de veroordeeling van 1796 van

invloed is geweest 37

X. De dageraad 38

XI. Het geweerschot dat niets mist en niemand doodt 41

XII. De wanorde als handlanger der orde 43

XIII. Voorbijgaande flikkeringen 46

XIV. Waarin men den naam van Enjolras' geliefde lezen zal 47

XV. Gavroche buiten 49

XVI. Hoe men van broeder vader wordt 53

XVII. De doode vader wacht den stervenden zoon 60

XVIII. De gier prooi geworden 62

XIX. Jean Valjean wreekt zich 66

XX. De dooden hebben gelijk en de levenden geen ongelijk 68

XXI. De helden 77

XXII. Voet voor voet 80

XXIII. Orestes nuchter en Pylades dronken 83

XXIV. Gevangene 86

Boek II.

De ingewanden van den Leviathan.

I. De aarde door de zee verarmd 91

II. De oude geschiedenis der riolen 94

III. Bruneseau 97

IV. Onbekende bijzonderheden 99

V. Tegenwoordige vooruitgang 102

VI. Toekomstige vooruitgang 103

Boek III.

Slijk, echter ziel.

I. Het riool en zijn verrassingen 109

II. Verklaring 114

III. De vervolgde man 116

IV. Ook hij draagt zijn kruis 120

V. Zoowel voor het zand als voor de vrouw is er een

verraderlijke fijnheid 123

VI. De modderwel 126

VII. De uiterste nood 128

VIII. Het afgescheurde rokspand 130

IX. Marius schijnt dood voor iemand die er verstand van

heeft 135

X. Terugkeer van den verloren zoon tot het leven 139

XI. Verbazing 140

XII. De grootvader 142

Boek IV.

Javert uit het spoor.

Javert uit het spoor 151

Boek V.

De kleinzoon en de grootvader.

I. Men ziet den boom weder met den zinkpleister 165

II. Marius uit den burgeroorlog gekomen, bereidt zich tot

den huiselijken oorlog 168

III. Marius' aanval 173

IV. Mejuffrouw Gillenormand vindt het eindelijk niet kwaad

meer, dat mijnheer Fauchelevent iets onder den arm

medebracht 175

V. Men belegge zijn geld liever in een bosch dan bij een

notaris 180

VI. De beide oude lieden doen, ieder op zijn wijze, alles

om Cosette gelukkig te maken 181

VII. De uitwerksels van den droom op het geluk 189

VIII. Twee onmogelijk weder te vinden mannen 191

Boek VI.

De slapelooze nacht.

I. De 16 Februari 1833 197

II. Jean Valjean draagt steeds den arm in een lichter 205

III. De onafscheidbare 213

IV. Immortale jecur 215

Boek VII.

De laatste teug uit den beker.

I. De zevende cirkel en de achtste hemel 223

II. De duisterheden, welke een openbaring kan bevatten 238

Boek VIII.

De afneming der duisternis.

I. De benedenkamer 249

II. Andere schreden achterwaarts 253

III. Zij herinneren zich den tuin in de straat Plumet 256

IV. Aantrekking en uitdooving 260

Boek IX.

Zwaarste schaduw, helderst morgenrood.

I. Medelijden met de ongelukkigen, maar toegevendheid voor

de gelukkigen 265

II. Laatste flikkeringen der lamp zonder olie 267

III. Een pen is zwaar voor dengene, die de kar van

Fauchelevent oplichtte 269

IV. Zwarte inkt die wit maakt 271

V. Nacht, waarachter de dag is 288

VI. Het gras verbergt en de regen wischt uit 297

AANTEEKENINGEN

[1] Te Nanterre is men leelijk, dat is de schuld van Voltaire, te

Palaiseau is men dom, dat is de schuld van Rousseau.

[2] Ik ben geen notaris, dat is de schuld van Voltaire, ik ben een

klein vogeltje, dat is de schuld van Rousseau.

[3] Ik ben vroolijk van aard, dat is de schuld van Voltaire, armoede

is mijn geboortegift, dat is de schuld van Rousseau.

[4] Ik viel ter aarde, dat is de schuld van Voltaire; met den neus

in de goot, dit is de schuld van....

[5] Zij vonden het kind in doeken gewikkeld.

[6] Wie zou de zon verkeerd durven noemen?

[7] Mortuus pater filium moriturum expectat.

[8] Jeannette is geboren te Fougère, 't geen een echt herderinnennest

is; ik aanbid haar schalksch rokje. Gij leeft in haar, o liefde; want

in haar oogen ligt uw pijlenkoker, gij schalk. Ik bezing haar en bemin

meer dan Diana zelve, Jeannette en haar frissche Bretonsche borsten.

[9] 't Is dus waar, Alcippus, dat gij een einde aan uw droomerijen

wilt maken, en binnenkort gaat trouwen.

[10] In 't Fransch: "mémoire antique."

[11] Triton reed vooraan en lokte uit zijn zeeschulp zulke bekoorlijke

klanken, dat hij iedereen verrukte!

[12] Hoe vreemd het lot hem was, hij leefde.

Deez' steen dekt thans zijn asch. Hij sneefde,

Toen hij zijn Engel niet meer zag.

De dood kwam zachtkens hem bevrijden,

En volgde op zijn maatloos lijden,

Zooals de nacht wijkt voor den dag.

End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 5 van 5), by Victor Hugo

De Ellendigen (Deel 5 van 5) · 第 25 / 25 段