"Ach!" riep hij inwendig (erbarmelijke kreten, die God alleen hoort),

"'t is gedaan. Ik zal haar niet meer zien. 't Is een glimlach, die

over mij is gegaan. Ik zal den nacht ingaan, zonder haar zelfs weder

te zien. Ach! een minuut, een oogenblik haar stem te hooren, haar

kleed aan te raken, haar te aanschouwen, de engel, en dan sterven! 't

Is niets te sterven; maar 't is vreeselijk, te sterven zonder haar

te zien. Zij zou mij toelachen, mij een woord zeggen. Zou dit iemand

leed doen? Neen, 't is gedaan, voor immer. Nu ben ik alleen. Mijn God,

mijn God! ik zal haar niet wederzien."

In dit oogenblik werd aan de deur geklopt.

VIERDE HOOFDSTUK.

ZWARTE INKT DIE WIT MAAKT.

Dienzelfden dag, of liever gezegd, dienzelfden avond, had Basque

aan Marius, toen hij van tafel was opgestaan en zich naar zijn

schrijfkabinet begaf, om er te werken, een brief ter hand gesteld en

gezegd: de persoon, die den brief geschreven heeft, is in de voorkamer.

Cosette had den arm van den grootvader genomen en wandelde met hem

in den tuin.

Een brief kan, evenals een mensch, een slecht voorkomen hebben. Van

grof papier en slordig dichtgevouwen, mishagen sommige brieven op

het eerste gezicht. De brief, dien Basque had gebracht, behoorde tot

die soort.

Marius nam hem. Hij rook naar tabak. Niets wekt beter een herinnering

dan een geur. Marius herkende dien tabak. Hij bezag het opschrift:

"Aan mijnheer, mijnheer den baron Pommerci. In zijn hôtel." Na den

tabak herkend te hebben, herkende hij het schrift. Men zou kunnen

zeggen, dat de verbazing bliksems heeft. Marius werd als door een

dier bliksems verlicht.

De reuk, dit geheimzinnig herinneringsmiddel, deed een geheele wereld

in hem herleven. 't Was wel hetzelfde papier, dezelfde wijze van

toevouwing, dezelfde bleeke inkt; 't was wel het bekende schrift,

bovenal was het de tabak. Het verblijf van Jondrette verscheen

voor hem.

Alzoo--zonderlinge gril van het toeval--kwam zich vanzelf een der

beide sporen aanbieden, die hij zoo lang gezocht had, voor welke hij

onlangs nog zoovele pogingen had gedaan, en die hij meende voor altijd

verloren te hebben.

Nieuwsgierig brak hij den brief open en las:

"Mijnheer de baron!

"Indien het Opperwezen mij het talent er voor gegeven had, zou

ik de baron Thénard kunnen geweest zijn, lid van het instituut

(academie der wetenschappen), maar ik ben het niet. Ik draag

slechts denzelfden naam als hij; en ik acht mij gelukkig zoo deze

herinnering mij aan uw uitstekende goedheid aanbeveelt. De weldaad,

waarmede gij mij zult vereeren, zal wederkeerig zijn. Ik ben in

het bezit van een geheim, iemand betreffende. Die persoon gaat u

aan. Ik houd het geheim te uwer beschikking, wenschende de eer

te hebben u nuttig te zijn. Ik zal u het eenvoudig middel aan

de hand doen, om uit uw zeer geachte familie dat individu weg te

jagen, dat er geen recht toe heeft, wijl mevrouw de barones van

hooge geboorte is. Het toonbeeld der deugd mag niet langer met

de misdaad samenwonen, zonder zich zelf te schaden.

"Ik wacht in uw voorkamer de bevelen van mijnheer den baron.

"Met eerbied."

De brief was onderteekend: "Thénard."

Deze handteekening was niet valsch. Zij was slechts een weinig verkort.

Overigens benamen de hoogdravende stijl en de foutieve spelling

allen twijfel.

Marius was diep getroffen. Na een gewaarwording van verrassing,

gevoelde hij een opwelling van vreugd. Vond hij nu den anderen man,

dien hij zocht, dengene die hem, Marius, had gered; dan bleef hem

niets meer te wenschen over.

Hij opende een lade van zijn secretaire, nam er eenige bankbriefjes

uit, stak ze in zijn zak, sloot de secretaire weder en schelde. Basque

keek door de deur.

"Laat den man binnenkomen," zei Marius.

Basque diende aan:

"Mijnheer Thénard."

Een man trad binnen.

Nieuwe verrassing voor Marius. De man, die binnentrad, was hem

volkomen onbekend.

Deze, overigens oude man, had een dikken neus, de kin in de das,

een groene bril met groenzijden kleppen voor de oogen, glad, plat,

sluik neerhangend haar, gelijk de koetsierspruik van den engelschen

hoogen adel. Zijn haar was grijs. Van top tot teen was hij in 't

zwart gekleed, dat wel kaal, maar zindelijk was; een ketting met

zware cachetten, die uit zijn horlogezak te voorschijn kwam, deed er

een horloge in vermoeden. In zijn hand hield hij een ouden hoed. Hij

ging gebogen, en de kromming van zijn rug maakte zijn buiging bij

het binnentreden nog dieper. 't Viel bij den eersten blik in 't oog,

dat de rok van dit personage, hoewel zorgvuldig dichtgeknoopt, hem

veel te wijd was en niet voor hem gemaakt scheen. Hier is een enkel

woord ter opheldering noodig.

In dien tijd woonde te Parijs in een oud krot in de straat

Beautreillis, bij het Arsenaal, een schrandere jood, die het beroep

uitoefende, een schurk in een eerlijk man te herscheppen. Niet voor

langen tijd, want dit had voor den schurk gevaarlijk kunnen worden. De

verandering ontstond plotseling, voor een paar dagen, tegen dertig

sous per dag, door middel van een costuum, dat zooveel mogelijk de

eerlijkheid voor iedereen geleek. Deze costumen-verhuurder heette

"de Wisselaar"; de Parijsche gauwdieven hadden hem dien naam gegeven

en kenden hem onder geen anderen. Zijn verzameling kleedingstukken

was tamelijk volledig. De vodden, waarmede hij de lieden opschikte,

waren genoegzaam draagbaar. Hij had specialiteiten en categorieën;

aan iederen spijker van zijn magazijn hing, versleten en opgelapt,

een maatschappelijke stand; hier de rok van een gerechtspersoon,

daar die van een pastoor, ginds de rok van een bankier, in een hoek

de uniform van een gepensionneerd militair, elders de rok van den

geletterde, iets verder de rok van den staatsman. Dit wezen was

de costumier van het groote drama, 't welk de schelmerij te Parijs

speelt. Zijn krot was de coulisse, waaruit de diefstal ging en de

afzetting binnentrad. Een havelooze schurk kwam in dat kleerenmagazijn,

gaf dertig sous en koos, voor de rol, welke hij dien dag wilde spelen,

de kleeding die hem voegde; en de trap afgaande, had de schurk het

voorkomen van een eerlijk man. Den volgenden dag werd de kleeding trouw

teruggebracht, en de wisselaar, die alles aan de dieven toevertrouwde,

werd nooit bestolen. Maar deze kleedingstukken hadden een ongerief,

zij pasten niet altijd, wijl zij niet voor hen waren gemaakt, die

ze droegen. Zij waren voor den een te nauw, voor den ander te wijd,

en pasten eigenlijk niemand juist. Iedere gauwdief, die kleiner of

grooter dan de middelbare lengte was, vond zich in de costumes van

den wisselaar niet op zijn gemak. Men moest noch te dik noch te dun

zijn. De wisselaar had slechts op gewone menschen gerekend. Hij had de

maat genomen op den eersten den besten schurk, die noch te dik noch te

dun, noch te groot noch te klein was. Vandaar dat de klanten van den

wisselaar moeite hadden iets van pas te vinden, en zij zich moesten

behelpen zoo goed zij konden. Des te erger voor de uitzonderingen. De

kleeding van den staatsman, bij voorbeeld, van top tot teen zwart

en dus deftig, zou te wijd voor Pitt en te nauw voor Castelcicala

zijn geweest. De kleeding van den staatsman was volgenderwijs

in den catalogus van den wisselaar aangeduid; wij copieeren: "Een

zwartlakensche rok, een pantalon van zwart cuir de laine, een zijden

vest, laarzen en linnengoed." Daarnaast stond: "oud ambassadeur," en

eene noot, welke wij insgelijks overschrijven: "In een afzonderlijke

doos, een net gekrulde pruik, groene bril, horlogeketting en twee

kleine penneschachten, een duim lang, met katoen omwikkeld." Dit alles

behoorde tot den staatsman, oud-ambassadeur. Dit geheele costuum was

om zoo te zeggen afgedragen; de naden waren wit, een klein gaatje was

aan een der ellebogen zichtbaar; bovendien ontbrak aan den rok een

knoop op de borst; maar dit was slechts een kleinigheid; daar een

staatsman zijn hand steeds in den rok en aan het hart moet houden,

kon hij op die wijze den ontbrekenden knoop verbergen.

Indien Marius bekend was geweest met de verborgen instellingen van

Parijs, zou hij dadelijk op den rug van den bezoeker, dien Basque

binnen had geleid, den rok van den staatsman hebben herkend, afkomstig

van den kapstok des wisselaars.

De teleurstelling van Marius, toen hij een ander zag dan dien hij

verwachtte, veranderde in een soort van onwil voor den aangekomene. Hij

beschouwde hem van het hoofd tot de voeten, terwijl die persoon zich

onmatig diep bewoog, en vroeg hem kortaf:

"Wat wilt gij?"

De man antwoordde met een liefelijken grijns, waarvan de vleiende

glimlach van een krokodil een denkbeeld had kunnen geven:

"'t Komt mij onmogelijk voor, dat ik niet reeds de eer zou gehad

hebben mijnheer den baron in de groote wereld te zien. Ik meen zeker

hem voor eenige jaren dikwijls bij mevrouw de prinses Bagration en

in de salons van mijnheer den vicomte Dambray, Pair van Frankrijk,

te hebben ontmoet."

't Is altijd een goede tactiek in de schelmerij, den schijn aan te

nemen van iemand te herkennen, dien men niet kent.

Marius lette nauwkeurig op de woorden van den man. Hij bespiedde

zijn tongval en zijn gebaren; maar zijn teleurstelling nam toe; hij

sprak door den neus, geheel verschillend van de scherpe en ruwe stem,

welke hij verwacht had. Hij was geheel uit het veld geslagen.

"Ik ken noch mevrouw Bagration noch mijnheer Dambray," zeide hij. "Ik

heb van mijn leven geen voet noch bij de eene noch bij den ander

gezet."

Het antwoord was norsch. Het personage hernam desniettemin beleefd:

"Dan zal het bij Chateaubriand zijn geweest, dat ik mijnheer gezien

heb. Ik ben zeer bekend met Chateaubriand. Hij is heel minzaam. Hij

zegt mij dikwijls: Thénard, mijn vriend,... laat ons samen een glas

wijn drinken!"

Marius zag hoe langer hoe strenger.

"Ik heb nooit de eer gehad bij den heer Chateaubriand te zijn. Zeg

zonder omwegen wat uw begeerte is?"

Voor deze nog barscher stem boog de man dieper.

"Mijnheer de baron, verwaardig u mij aan te hooren. In Amerika, in

een land aan de kust van Panama, is een dorp la Joya genoemd. Dat dorp

bestaat uit een enkel huis. Een groot vierkant huis, drie verdiepingen

hoog, van in de zon gebakken steen; iedere zijde van het vierkant

is vijfhonderd voet lang, iedere verdieping loopt twaalf voet in,

zoodat iedere verdieping een terras van twaalf voet breed rondom

't geheele gebouw heeft; in het midden is een binnenplaats voor den

voorraad en de ammunitie; er zijn geen vensters, geen schietgaten,

geen deur, maar ladders, ladders om van de straat naar het eerste

terras te stijgen, en van het eerste naar het tweede, en van het

tweede naar het derde; ladders om op de binnenplaats af te klimmen,

geen deuren aan de kamers; geen trappen naar de kamers; maar ladders;

des avonds sluit men de valluiken; men trekt de ladders in, men stelt

donderbussen en buksen in de schietgaten; geen middel om binnen te

komen; 't is des daags een huis, des nachts een citadel; achthonderd

inwoners; ziedaar het dorp. Waarom zoo veel voorzorg? Omdat het een

gevaarlijk land is, vol menscheneters. Waarom gaat men daarheen? Omdat

het een wonderbaar land is; men vindt er goud."

"Waar wilt ge eigenlijk op neerkomen?" viel Marius hem in de rede,

wiens teleurstelling tot ongeduld overging.

"Hierop, mijnheer de baron. Ik ben een oud diplomaat, wien deze

betrekking verveelt. De oude beschaving heeft mij tot het uiterste

gebracht. Ik wil 't eens met de wilden beproeven."

"Verder?"

"Mijnheer de baron, de zelfzucht beheerscht de wereld. De arme boerin,

die als dagloonster werkt, keert zich om als de diligence voorbijrijdt;

de boerin-landbezitster, die op haar veld werkt, keert zich niet om. De

hond van den arme blaft tegen den rijke, de hond van den rijke blaft

tegen den arme. Ieder voor zich. Eigenbelang is 's menschen doel. Goud

is de magneet!"

"Verder? maak een einde."

"Ik zou mij te la Joya willen vestigen. Wij zijn met ons drieën. Ik

heb mijn echtgenoot en mijn dochter; een zeer schoon meisje. De reis

is lang en kostbaar. Ik heb een weinig geld noodig."

"Wat gaat mij dit aan?" zei Marius.

De onbekende stak de kin uit zijn das, een eigenaardige beweging van

den gier, en hernam met verdubbelden glimlach:

"Mijnheer de baron heeft dus mijn brief niet gelezen?"

Dat was eenigszins waarheid. De inhoud van den brief was op Marius

afgegleden. Hij had meer het geschrift gezien dan den brief

gelezen. Hij herinnerde zich den inhoud nauwelijks. Sedert een

oogenblik was hij door een nieuwen wenk oplettend geworden. Hij had

deze woorden opgemerkt: mijn echtgenoot en mijn dochter. Hij sloeg een

vorschenden blik op den onbekende. Een rechter van instructie zou niet

scherper gezien hebben. Hij bespiedde hem schier. Hij antwoordde enkel:

"Spreek duidelijk."

De onbekende stak zijn beide handen in zijn broekzakken, richtte het

hoofd op, zonder zijn ruggestreng recht te buigen, maar op zijn beurt

Marius met den groenen blik van zijn bril bespiedende.

"Goed, mijnheer de baron, ik zal duidelijk spreken. Ik wil u een

geheim verkoopen."

"Een geheim?"

"Een geheim."

"Dat mij betreft?"

"Eenigszins."

"Welk geheim?"

Terwijl hij luisterde, nam Marius den man meer en meer op.

"Ik begin voor niets," zei de onbekende. "Gij zult zien, dat ik

belangrijk word."

"Spreek."

"Mijnheer de baron, ge hebt in uw huis een dief en moordenaar."

Marius ontroerde.

"In mijn huis, neen," zeide hij.

De onbekende wreef bedaard zijn hoed met den elleboog en hernam:

"Moordenaar en dief. Wees zoo goed op te merken, mijnheer de baron,

dat ik hier niet van lang geleden, vergeten zaken spreek, die door

verjaring voor de wet en door berouw voor God uitgewischt kunnen

zijn. Ik spreek van nieuwe zaken, van onlangs gebeurde zaken, van

zaken waarmede de justitie tot hiertoe nog niet bekend is. Ik ga

verder. Deze man heeft zich in uw vertrouwen, schier in uw familie

gedrongen onder een valschen naam. Ik zal u zijn waren naam zeggen. Ik

zal hem u voor niets zeggen."

"Ik luister."

"Hij heet Jean Valjean."

"Ik weet het."

"Ik zal u, eveneens voor niets, zeggen, wat hij is."

"Spreek."

"Een voormalig galeiboef."

"Ik weet het."

"Gij weet het sedert ik de eer heb gehad 't u te zeggen."

"Neen, ik wist het vroeger."

De koele toon van Marius, dit dubbel antwoord, "ik weet het", zijn

kortheid, die het gesprek belemmerde, wekte bij den onbekende een

verborgen toorn. Hij sloeg van ter zijde op Marius een woedenden

blik, die echter dadelijk was verdoofd. Hoe snel deze blik was,

ontsnapte hij aan Marius niet. 't Was een derzulke, die men herkent

wanneer men ze eenmaal gezien heeft. Zekere vlammen kunnen slechts in

zekere zielen ontstaan; het oog, dat venster der ziel, brandt er door;

een bril verbergt niets;--zet eens een glasruit voor de hel!

De onbekende hernam glimlachend:

"Ik veroorloof mij niet, mijnheer den baron tegen te spreken. In

allen geval moet ge zien, dat ik goed onderricht ben. Wat ik u nu heb

mede te deelen, is alleen aan mij bekend. Het betreft het fortuin van

mevrouw de barones. 't Is een buitengewoon geheim. 't Is te koop. Ik

bied het u in de eerste plaats aan. Goedkoop. Twintig duizend francs."

"Ik ken dat geheim evenals de andere," zei Marius.

Het personage gevoelde de noodzakelijkheid om zijn prijs een weinig

af te slaan.

"Mijnheer de baron, zeg tien duizend francs en ik spreek."

"Ik herhaal, dat ge mij niets kunt berichten. Ik weet al wat ge mij

zeggen wilt."

In het oog van den man scheen een nieuwe vlam. Hij riep:

"Ik moet vandaag toch eten. 't Is een buitengewoon geheim, zeg ik u. Ik

zal spreken, mijnheer de baron. Ik spreek. Geef mij twintig francs."

Marius zag hem strak in het gezicht:

"Ik ken uw buitengewoon geheim, evengoed als ik den naam van Jean

Valjean kende, evengoed als ik uw naam ken."

"Mijn naam?"

"Ja."

"'t Is niet moeilijk, mijnheer de baron. Ik heb de eer gehad hem u

te schrijven en te zeggen. Thénard."

"Dier."

"Wat?"

"Thénardier."

"Wie? Hoe?"

In het gevaar verheft het stekelvarken zijn pennen, de kever houdt

zich dood, de oude garde vormt zich in carré; deze man lachte.

Vervolgens knipte hij een stofje van de mouw van zijn rok.

Marius hernam:

"Ge zijt ook de arbeider Jondrette, de comediant Fabantou, de dichter

Genflot, de Spanjaard don Alvarès, en vrouw Balizard."

"Vrouw? welke?"

"En ge hebt te Montfermeil een kroeg gehouden."

"Een kroeg! Nooit!"

"En ik zeg u, dat ge Thénardier zijt."

"Ik loochen het."

"En dat ge een schoft zijt. Ziedaar."

En Marius nam uit zijn zak een bankbriefje en wierp 't hem in

't gezicht.

"'k Dank u! Vergeef mij! Vijfhonderd francs! mijnheer de baron!"

En verward buigende, greep de man het biljet en beschouwde het.

"Vijfhonderd francs!" hernam hij verstomd. En halfluid stamelde hij:

"Een echt bankje!"

Toen riep hij plotseling:

"Nu, het zij zoo. Laten we 't ons gemakkelijk maken."

En met apengezwindheid zijn haar achteruit werpend, zijn bril

afrukkend, de beide penneschachten uit zijn neus halend, van welke

we straks en reeds vroeger gesproken hebben, en ze wegmoffelend,

nam hij zijn gezicht af, gelijk men zijn hoed afneemt.

Zijn oogen vlamden; zijn gerimpeld, hobbelig, leelijk voorhoofd streek

zich glad, zijn neus werd weder scherp als een snavel; het wreed en

sluw profiel van den roofmensch kwam weder te voorschijn.

"Mijnheer de baron is onfeilbaar," zeide hij, met een duidelijke stem,

waaruit alle neusklank was verdwenen, "ik ben Thénardier."

En hij richtte zijn gebogen rug op.

Thénardier, want hij was het werkelijk, was zonderling verrast;

hij zou verward zijn geweest, zoo dit bij hem mogelijk ware. Hij

had verbazing willen veroorzaken en werd zelf verbaasd. Voor deze

deemoediging werd hem vijfhonderd francs betaald, en, alles wel

beschouwd, nam hij ze aan; maar desniettemin was hij zeer verstomd.

Voor den eersten keer zag hij dezen baron Pontmercy, en in weerwil van

zijn vermomming, herkende deze baron Pontmercy hem in den grond. Niet

alleen wist deze baron alles van Thénardier, maar hij scheen ook alles

van Jean Valjean te weten. Wie was deze schier baardelooze jonge man,

die zoo koel, zoo edelmoedig was, die den naam der lieden, al hun

namen, kende en voor hen zijn beurs opende; die de schurken als een

rechter oordeelde en hen als een bedrogene betaalde?

Men herinnere zich, dat Thénardier, hoewel naast Marius gewoond

hebbende, dezen nooit gezien had, 't geen te Parijs niets zeldzaams is;

vroeger had hij terloops zijn dochters hooren spreken van een zeer arm

jongeling, Marius genaamd, die in het huis woonde. Hij had, zonder hem

te kennen, hem den bekenden brief geschreven. Volgens zijn gedachte

was er volstrekt geen betrekking tusschen dien Marius en mijnheer den

baron Pontmercy mogelijk. Overigens was hij door zijn dochter Azelma,

welke hij ter opsporing van het bruidspaar op den 16 Februari had

uitgezonden, en door zijn eigen navorschingen er in geslaagd veel te

vernemen, en uit de diepte zijner duisternis was het hem gelukt meer

dan één geheimzinnigen draad te vatten. Door allerlei sluwe praktijken,

of ten minste door gissingen, had hij òf ontdekt òf geraden, wie de man

was, dien hij op zekeren dag in het Groote Riool ontmoet had. Van den

man was hij gemakkelijk tot den naam gekomen. Hij wist, dat mevrouw

de barones Pontmercy Cosette was. Maar te haren aanzien wilde hij

geheimhoudend zijn. Wie was Cosette? Hij wist het zelf niet juist. Hij

vermoedde wel iets van onechtheid, want Fantines geschiedenis was

hem altijd verdacht voorgekomen; maar waartoe diende het ervan te

spreken? Om zich voor zijn geheimhouding te doen betalen? Hij had of

meende iets beter te hebben om te verkoopen. En waarschijnlijk zou

deze verklaring, zonder eenig bewijs, aan den baron Pontmercy gedaan:

"Uw vrouw is een onecht kind", geen andere uitkomst hebben gehad,

dan een schop van den echtgenoot voor den berichtgever.

Volgens Thénardiers meening was de onderhandeling met Marius nog

niet begonnen. Hij had zijn strategie moeten wijzigen, zijn stelling

verlaten, van front veranderen; maar niets gewichtigs was nog in

gevaar, en hij had vijfhonderd francs in zijn zak. Bovendien had hij

iets beslissends te zeggen, en zelfs tegenover dien baron Pontmercy,

die zoo goed ingelicht en zoo goed gewapend was, gevoelde hij zich

sterk. Voor lieden als Thénardier is ieder gesprek een gevecht. Hoe

was zijn toestand in dat, 't welk gevoerd zou worden? Hij wist

niet tot wien hij sprak, maar wel waarvan hij sprak. Schielijk nam

hij heimelijk zijn wapens in oogenschouw, en na gezegd te hebben:

"Ik ben Thénardier", wachtte hij.

Marius was in gedachten gebleven. Eindelijk had hij dan Thénardier voor

zich. De man, dien hij zoo vurig gewenscht had weder te vinden, was

er. Eindelijk kon hij de aanbeveling van den kolonel Pontmercy gevolg

geven. 't Was voor hem een verootmoediging, dat deze held iets aan

dezen schurk verschuldigd was, en dat de wisselbrief, dien zijn vader

uit zijn graf op hem, Marius, had getrokken, tot heden geprotesteerd

was. Ook meende hij in den zonderlingen toestand, waarin zijn geest

zich ten opzichte van Thénardier bevond, dat de kolonel gewroken moest

worden over het ongeluk, van door zulk een schurk gered te zijn. Hoe

het ook zij, hij was tevreden. Eindelijk zou hij de schim van den

kolonel van dezen schandelijken schuldeischer verlossen, en 't was hem

alsof hij de gedachtenis zijns vaders uit de gijzeling ging bevrijden.

Behalve dezen plicht rustte een andere op hem, namelijk, zoo mogelijk,

de bron des fortuins van Cosette op te sporen. Daartoe scheen zich

de gelegenheid aan te bieden. Misschien wist Thénardier iets. 't Kon

nuttig zijn, dien man te doorgronden. Daarmede begon hij.

Thénardier had het "echte bankbriefje" in zijn zak doen verdwijnen

en aanschouwde Marius met schier teedere zachtheid.

Marius verbrak de stilte.

"Thénardier, ik heb u uw naam gezegd. Wilt ge nu, dat ik u het

geheim zegge, 't welk ge mij kwaamt mededeelen? Ook ik heb mijn

inlichtingen. Ge zult zien, dat ik meer weet dan gij. Jean Valjean

is, zooals ge gezegd hebt, een moordenaar en dief. Een dief, wijl hij

een rijk fabrikant heeft bestolen, wiens val hij heeft veroorzaakt,

den heer Madeleine. Een moordenaar, wijl hij den politieagent Javert

heeft vermoord."

"Ik begrijp u niet, mijnheer de baron," zei Thénardier.

"Ik zal mij begrijpelijk maken. Luister. In een arrondissement van

Pas-de-Calais was omstreeks het jaar 1822 een man, die vroeger

in aanraking met de justitie was geweest, en onder den naam van

Madeleine zich weer opgericht en gerehabiliteerd had. Deze man was

in de volle beteekenis van het woord een deugdzaam man geworden. Met

een industrie, de vervaardiging van zwart glaswerk, had hij een

geheele stad tot welvaart gebracht. Ook had hij zijn eigen fortuin

gemaakt, doch slechts in de tweede plaats en als toevallig. Hij

was de verzorger der armen. Hij stichtte hospitalen, opende scholen,

bezocht de kranken, gaf huwelijksgiften aan arme meisjes, ondersteunde

de weduwen, nam weezen aan; hij was als de voogd van het oord. Hij

had het ridderkruis geweigerd, men had hem tot maire benoemd. Een

in vrijheid gestelde galeiboef kende het geheim van een door dien

man vroeger ondergane straf; hij verklaagde hem, deed hem gevangen

nemen en maakte van deze gevangenneming gebruik om naar Parijs te

gaan en zich door den bankier Laffitte--ik heb dit van den kassier

zelven vernomen--door middel van een valsche handteekening, een som

van meer dan een half millioen, die aan den heer Madeleine behoorde,

te laten uitbetalen. Deze galeiboef, die den heer Madeleine heeft

bestolen, is Jean Valjean. Nopens het andere feit kunt ge mij evenmin

iets nieuws mededeelen. Jean Valjean heeft den agent Javert gedood;

hem met een pistoolschot gedood. Ik zelf was er bij tegenwoordig."

Thénardier sloeg op Marius een zegevierenden blik van een geslagen

man, die de hand weder op de overwinning legt en in één minuut het

terrein herwint, dat hij verloren had. Maar de glimlach keerde dadelijk

terug; de mindere moet tegenover den meerdere heimelijk zegevieren,

en Thénardier zeide niets anders tot Marius dan:

"Mijnheer de baron, wij zijn op een verkeerden weg."

En op deze woorden legde hij klem door aan zijn horlogeketting

veelbeteekenend te rammelen.

"Wat!" hernam Marius, "spreekt ge dit tegen? Het zijn feiten."

"'t Zijn hersenschimmen. Het vertrouwen, waarmede mijnheer de baron mij

vereert, maakt het mij tot plicht, hem dit te zeggen. Bovenal waarheid

en rechtvaardigheid. Ik zie niet gaarne, dat de lieden onrechtvaardig

beschuldigd worden. Mijnheer de baron, Jean Valjean heeft den heer

Madeleine niet bestolen, en Jean Valjean heeft Javert niet gedood."

"Dat is sterk! Hoe weet ge dit?"

"Om twee redenen."

De Ellendigen (Deel 5 van 5) · 第 23 / 25 段