het jonge paar leidde. 't Werd hem een bekommering. De zuinigheid van
Marius was streng, en dit woord had voor Jean Valjean een volstrekten
zin. Hij waagde een vraag.
"Waarom houdt ge geen eigen rijtuig? Een fraaie coupé zou u niet meer
dan vijfhonderd francs 's maands kosten. Gij zijt rijk."
"Ik weet het niet," antwoordde Cosette.
"Zoo ook met vrouw Toussaint;" hernam Jean Valjean, "zij is
vertrokken. Gij hebt geen andere dienstbode in haar plaats
genomen. Waarom?"
"Nicolette is voldoende."
"Maar gij moet een kamenier hebben."
"Heb ik Marius niet?"
"Ge zoudt een eigen huis, dienstboden, een rijtuig, een loge in den
schouwburg moeten hebben. Er is niets te goed voor u. Waarom zoudt
ge geen gebruik van uw rijkdom maken? Rijkdom past bij geluk."
Cosette antwoordde niet.
De bezoeken van Jean Valjean verkortten zich niet. Verre van daar. 't
Valt moeielijk tegen de uitstroomingen des harten een dam te stellen.
Wanneer Jean Valjean zijn bezoek wilde verlengen, en het uur doen
vergeten, hield hij een lofrede op Marius; hij vond hem schoon,
edel, moedig, geestig, welsprekend, goed. Cosette bekrachtigde en
versterkte die lofspraak. Jean Valjean begon opnieuw. Men kon niet
uitscheiden. Marius, dit woord was onuitputtelijk; deze zes letters
bevatten boekdeelen. Derwijze slaagde Jean Valjean er in, lang te
blijven. 't Was voor hem zoo zoet, Cosette te zien en bij haar te
vergeten! 't Was de verbinding zijner wond. 't Gebeurde meermalen,
dat Basque bij herhaling kwam zeggen: "Mijnheer Gillenormand zendt
mij om mevrouw de barones te herinneren dat de tafel gereed is."
Alsdan keerde Jean Valjean in diepe gedachten naar huis.
Was er dan iets waars in de vergelijking met de larve, welke Marius
in den geest was gekomen? Was Jean Valjean werkelijk een larve,
die met volharding haar vlinder kwam opzoeken?
Zekeren dag bleef hij langer dan gewoonlijk. Den volgenden dag merkte
hij op, dat er geen vuur in den schoorsteen was. "Zie!" dacht
hij. "Geen vuur." En hij gaf zich deze verklaring: "'t Is
natuurlijk. Wij zijn in April. 't Is niet koud meer."
"Mijn Hemel! hoe koud is 't hier!" riep Cosette binnenkomende.
"Och neen," zei Jean Valjean.
"Hebt gij dan aan Basque gezegd geen vuur aan te leggen?"
"Ja. Wij hebben aanstonds Mei."
"Maar men stookt tot Juni. In dezen kelder heeft men het geheele jaar
vuur noodig."
"Ik dacht, dat het vuur onnoodig was."
"Dit is weder een van uwe denkbeelden!" hernam Cosette.
Den volgenden dag was er vuur. Maar de twee armstoelen waren aan het
andere einde der kamer bij de deur geplaatst.
"Wat moet dit beteekenen?" dacht Jean Valjean.
Hij zette de stoelen op hun gewone plaats bij den schoorsteen.
Het weder aangelegde vuur bemoedigde hem echter.
Zijn bezoek duurde dezen keer nog langer dan gewoonlijk. Toen hij
opstond om heen te gaan zeide Cosette hem:
"Gisteren heeft mijn man mij iets raars gezegd?"
"Wat dan?"
"Hij zeide mij: Cosette, wij hebben dertig duizend francs
rente. Zeven-en-twintig welke gij bezit, en drie, welke mijn grootvader
mij schenkt. Ik antwoordde: Dat maakt dertig. Toen hernam hij:
Zoudt gij den moed hebben van drieduizend te leven? Ik antwoordde:
Ja, van niets, mits het slechts met u zij. Daarop vroeg ik: Waarom
zegt ge mij dat? Hij antwoordde: Om het te weten."
Jean Valjean vond geen woorden. Cosette verwachtte waarschijnlijk
eenige ophelderingen van hem; hij luisterde met somber zwijgen. Toen
hij in de straat de l'Homme-Armé terugkwam, was hij zoo verdiept in
zijn gedachten, dat hij een andere deur voor de zijne nam en het
naburige huis binnentrad. Niet eerder dan toen hij op de tweede
verdieping was, bespeurde hij zijn vergissing en ging de trap weder af.
Zijn geest was door verschillende vermoedens geschokt. 't Was
duidelijk, dat Marius twijfel voedde nopens de herkomst dezer zesmaal
honderdduizend francs; dat hij wellicht een onzuivere bron vreesde;
dat hij misschien zelfs ontdekt had, dat dit geld van hem, Jean
Valjean, afkomstig was, dat hij voor dien verdachten rijkdom aarzelde
en geen lust had hem aan te nemen, dat hij liever met Cosette arm
wilde blijven, dan rijk door een verdachten rijkdom.
Bovendien begon Jean Valjean schemerend te gevoelen, dat men hem
allengs trachtte te verwijderen.
Den volgenden dag, toen hij de benedenkamer binnentrad, ontroerde
hij. De armstoelen waren verdwenen. Er was zelfs geen stoel meer.
"O!" riep Cosette binnentredend, "geen armstoelen! Waar zijn toch
de stoelen?"
"Zij zijn er niet meer," antwoordde Jean Valjean.
"Dat is raar!"
Jean Valjean stamelde:
"Ik heb aan Basque gezegd, dat hij ze zou wegnemen."
"Waarom?"
"Ik blijf heden maar een enkel oogenblik."
"Hoe kort ge ook blijft, is dit echter geen reden om te staan."
"Ik geloof, dat Basque de armstoelen voor het salon noodig had."
"Waarom?"
"Ge krijgt ongetwijfeld bezoek van avond."
"Niemand."
Jean Valjean wist geen woord meer te zeggen.
Cosette haalde de schouders op.
"De stoelen te doen wegnemen! Den vorigen dag laat ge het vuur
uitdooven. Ge zijt zonderling!"
"Vaarwel," mompelde Jean Valjean.
Hij zeide niet: Vaarwel, Cosette. Maar hij had ook de kracht niet te
zeggen: Vaarwel, mevrouw.
Geheel terneergedrukt ging hij heen.
Thans had hij de zaak begrepen.
Den volgenden dag kwam hij niet. Dit merkte Cosette eerst des
avonds op.
"Zie," zeide zij, "mijnheer Jean is er vandaag niet geweest."
't Was, alsof haar hart eenigszins beklemd werd, maar zij lette
er nauwelijks op, wijl zij er dadelijk door een kus van Marius van
werd afgetrokken.
Den volgenden dag kwam hij niet.
Cosette sloeg er geen acht op, bracht den avond door en sliep des
nachts als gewoonlijk, en dacht er niet aan dan toen zij ontwaakte. Zij
was zoo gelukkig! Haastig zond zij Nicolette naar mijnheer Jean, om
te vernemen of hij ziek was en waarom hij den vorigen dag niet was
gekomen. Nicolette bracht het antwoord van mijnheer Jean. Hij was
niet ziek. Hij had bezigheden. Hij zou welhaast komen. Zoo spoedig
hij kon. Overigens ging hij een kleine reis doen. Mevrouw moest
zich herinneren, dat hij gewoon was nu en dan op reis te gaan. Men
behoefde niet ongerust te zijn, niet aan hem te denken. Toen Nicolette
bij mijnheer Jean was gekomen, had zij hem de eigen woorden harer
meesteres herhaald. Dat mevrouw haar zond om te vernemen "waarom
mijnheer Jean den vorigen dag niet gekomen was."
"Ik ben er in twee dagen niet geweest," zei Jean Valjean op zachten
toon.
Maar Nicolette sloeg geen acht op deze aanmerking en bracht ze niet
aan Cosette over.
VIERDE HOOFDSTUK.
AANTREKKING EN UITDOOVING.
Gedurende de laatste maanden der lente en de eerste maanden van den
zomer van 1833, merkten de weinig talrijke voorbijgangers van den
Marais, de winkeliers, de nietsdoeners op hun stoepen, een net in 't
zwart gekleeden grijsaard op, die dagelijks op hetzelfde uur, tegen het
vallen van den avond, de straat de l'Homme-Armé verliet, aan de zijde
der straat Saint-Croix de la Bretonnerie, de Blancs-Manteaux voorbij,
de straat Culture-Sainte-Catherine inging en aan de Echarpe-straat
gekomen links de straat Saint-Louis insloeg.
Daar ging hij langzaam, met vooruitgestoken hoofd, niets ziende,
niets hoorende, het oog strak op hetzelfde punt gericht, dat een
ster voor hem scheen, en slechts de hoek der straat des Filles du
Calvaire was. Hoe nader hij bij dien hoek der straat kwam, des te
helderder werd zijn oog, een soort van vreugd blonk in zijn blik als
een inwendige dageraad; hij scheen als betooverd en verteederd; zijn
lippen bewogen zich alsof hij tot iemand sprak, dien hij niet zag; hij
glimlachte onwillekeurig en trad zoo langzaam hij kon voort. Men zou
gemeend hebben dat, hoewel hij wenschte aan te komen, hij echter het
oogenblik vreesde, dat hij er zijn zou. Toen nog slechts eenige huizen
tusschen hem en deze straat waren, welke hem scheen aan te trekken,
vertraagde hij zijn tred zoodanig, dat het op sommige oogenblikken
was, alsof hij in 't geheel niet ging. Het vooruitsteken van zijn
hoofd en de strakheid van zijn oogappels deden aan de kompasnaald
denken, die door de pool wordt aangetrokken. Hoe lang hij zijn
wandeling rekte, eindelijk moest hij toch aankomen, en de straat
des Filles du Calvaire bereiken; dan hield hij stil; hij beefde,
draaide zijn hoofd met een zweem van sombere beschroomdheid om den
hoek van het laatste huis en keek in die straat. In zijn treurigen
blik was iets, dat aan de verbijstering van het onmogelijke geleek
en de lichtweerkaatsing van een gesloten hemel. Dan rolde een traan,
die zich allengs in zijn oog vergaderd had, over zijn wang, en soms
tot aan zijn mond. De grijsaard proefde er den zilten smaak van. Zoo
bleef hij eenige oogenblikken als versteend staan; vervolgens keerde
hij langs denzelfden weg, met denzelfden tred terug, en naarmate hij
zich verwijderde werd zijn blik doffer.
Allengs hield deze grijsaard op tot aan den hoek der straat des Filles
du Calvaire te gaan, en ging slechts tot half in de straat Saint-Louis;
nu iets verder dan iets korter. Op zekeren dag bleef hij aan den hoek
der straat Culture-Sainte-Catherine en zag in de verte naar de straat
des Filles du Calvaire.
Toen schudde hij stil het hoofd, alsof hij zich zelven iets ontzegde,
en keerde denzelfden weg terug.
Spoedig ging hij zelfs niet meer tot aan de straat Saint-Louis. Hij
kwam tot aan de straat Pavée, schudde het hoofd en keerde terug;
vervolgens ging hij niet verder meer dan de straat des Trois-Pavillons;
toen niet meer voorbij de Blancs-Manteaux. Hij geleek een slinger,
welks bewegingen hoe langer hoe korter worden, tot zij geheel ophouden.
Dagelijks ging hij op hetzelfde uur uit, ondernam dezelfde wandeling,
maar bracht ze niet ten einde, en, zonder dat hij er misschien zelf
van bewust was, verkortte hij ze gestadig. Zijn geheel gelaat drukte
deze enkele gedachte uit: Waartoe dient het? Zijn oog was thans dof,
zonder glans. Ook de traan was opgedroogd en verzamelde zich niet
meer in zijn ooghoek; het peinzend oog was droog. Steeds was het
hoofd van den grijsaard vooruit gebogen; soms bewoog zich de kin;
de plooien van zijn mageren hals verwekten medelijden. Soms, wanneer
het slecht weder was, had hij een parapluie onder den arm, welke hij
niet opende. De moedertjes in de buurt zeiden: Hij is kindsch. De
kinderen liepen hem lachend na.
BOEK IX.
ZWAARSTE SCHADUW, HELDERST MORGENROOD.
EERSTE HOOFDSTUK.
MEDELIJDEN MET DE ONGELUKKIGEN, MAAR TOEGEVENDHEID VOOR DE GELUKKIGEN.
't Is iets verschrikkelijks gelukkig te zijn! Hoe stelt men er zich
meê tevreden! Hoe vindt men, dat dit genoeg is! Hoe spoedig vergeet
men,--in het bezit zijnde van het valsche doel des levens,--het
eigenlijk geluk, het ware, den plicht.
Wij moeten evenwel zeggen, dat men Marius ten onrechte zou
beschuldigen.
Marius,--wij hebben het gezegd--had vóór zijn huwelijk tot den heer
Fauchelevent geen vragen gericht, en later huiverde hij er Jean
Valjean te doen. Hij had de belofte betreurd, tot welke hij zich
had laten verleiden. Hij had dikwerf tot zich zelf gezegd, dat hij
ongelijk had gehad deze concessie aan de wanhoop te doen. Hij had er
zich bij bepaald, allengs Jean Valjean uit zijn huis te verwijderen
en hem zooveel mogelijk uit Cosettes geest te wisschen. Hij had
zich altijd eenigszins tusschen Cosette en Jean Valjean geplaatst,
verzekerd, dat zij hem op die wijze niet opmerken en niet aan hem
denken zou. 't Was meer dan uitwissching, 't was verduistering.
Marius deed wat hij noodig en billijk achtte. Hij meende, dat hij
ernstige redenen had, om Jean Valjean zonder hardheid, maar ook zonder
zwakheid, te verwijderen, welke redenen men gedeeltelijk reeds kent,
en nog verder later zien zal. Het toeval had hem bij een proces,
dat hij bezorgd had, in betrekking gebracht met een voormaligen
kantoorklerk van het huis Laffitte, en ten gevolge hiervan waren hem
ongezocht geheime inlichtingen bekend geworden, welke hij echter
niet nader had kunnen onderzoeken, zonder de geheimhouding, welke
hij beloofd had, te schenden en Jean Valjeans toestand in gevaar te
brengen. Hij meende thans een ernstigen plicht te moeten vervullen:
namelijk de teruggave van de zesmaal honderdduizend francs aan iemand,
dien hij zoo behoedzaam mogelijk zocht. Inmiddels vermeed hij, dit
geld aan te raken.
Cosette was met geen dezer geheimen bekend; 't zou evenwel hard zijn
ook haar te veroordeelen.
Marius had op haar een machtigen, magnetischen invloed, die haar
instinctmatig en schier werktuiglijk alles deed doen wat Marius
wenschte. Zij gevoelde, ten aanzien van "mijnheer Jean", den wil
van Marius, en daarnaar richtte zij zich. Haar man had haar niets
behoeven te zeggen; zij erkende den flauwen, maar duidelijken druk
zijner zwijgende bedoelingen, en gehoorzaamde blindelings. Haar
gehoorzaamheid bestond in zich niet te herinneren wat Marius
vergat. Daartoe behoefde zij geen moeite te doen. Zonder dat zij
zelve wist waarom, en zonder dat men haar deswege moet beschuldigen,
had haar ziel zich zoozeer naar die van haar echtgenoot gevormd,
dat hetgeen Marius' geest beschaduwde, ook den haren verduisterde.
Gaan wij echter niet te ver; ten aanzien van Jean Valjean waren deze
vergetelheid en terzijdestelling slechts oppervlakkig. Zij was eer
onbedachtzaam, dan vergeetachtig. In den grond beminde zij dengene,
die zij zoo lang vader had genoemd. Maar zij beminde haar man nog
meer. Dit had de balans van haar hart een weinig valsch gemaakt,
zoodat die nu naar één zijde overhelde.
Vaak gebeurde het, dat Cosette van Jean Valjean sprak en zich
verwonderde. Dan stelde Marius haar gerust: Hij is van huis, geloof
ik. Heeft hij niet gezegd, dat hij op reis ging?--'t Is waar,
dacht Cosette. Zulke afwezigheden waren bij hem gewoon. Maar niet
zoo lang. Twee of drie keeren zond zij Nicolette naar de straat de
l'Homme-Armé, om te vernemen of mijnheer Jean van zijn reis terug
was. Jean Valjean liet "neen" antwoorden.
Cosette vroeg niet verder, daar zij op de wereld slechts één behoefte
had: Marius.
Voegen wij hierbij, dat Marius en Cosette insgelijks afwezig waren
geweest. Zij waren naar Vernon gegaan, waar Marius Cosette naar het
graf van zijn vader had gevoerd.
Allengs had Marius Cosette aan Jean Valjean onttrokken. Cosette had
zich laten leiden.
't Geen men overigens, in sommige gevallen al te hard, de
ondankbaarheid der kinderen noemt, is niet altijd zulk een berispelijke
zaak, als men meent. 't Is de ondankbaarheid der natuur. De natuur,
wij hebben het elders gezegd, "ziet vooruit". De natuur verdeelt de
levende wezens in komenden en gaanden. De gaanden zijn naar de schaduw
gewend, de komenden naar het licht. Vandaar een verwijdering, die ten
opzichte der ouden ongelukkig, ten opzichte der jongen onwillekeurig
is. Deze verwijdering, eerst ongevoelig, neemt allengskens toe,
gelijk iedere scheiding van takken. De takken, zonder zich van den
stam los te maken, verwijderen er zich van. 't Is hun schuld niet. De
jeugd gaat naar den kant der vreugde, naar feesten, naar glans, naar
liefde. De ouderdom gaat naar het einde. Men verliest elkander niet
uit het oog, maar de gehechtheid vermindert. De jongelieden gevoelen
de verkoeling des levens; de grijsaards die van het graf. Beschuldigen
wij die arme kinderen niet.
TWEEDE HOOFDSTUK.
LAATSTE FLIKKERING DER LAMP ZONDER OLIE.
Op zekeren dag ging Jean Valjean zijn trap af, deed drie schreden op
de straat, zette zich op een straatpaal, op denzelfden straatpaal,
waar Gavroche hem in den nacht van 5 op 6 Juni peinzend had gevonden;
hij bleef er eenige minuten en ging toen weder naar boven. Dit was
de laatste beweging van den slinger. Den volgenden dag ging hij niet
uit. Den daarop volgenden dag verliet hij zijn bed niet.
Zijn portierster, die hem zijn sober maal bereidde, kool of eenige
aardappelen met een stukje spek, zag in den bruinaarden schotel
en riep:
"Maar, arme goede man, gij hebt gisteren niet gegeten."
"Jawel," antwoordde Jean Valjean.
"De schotel is nog vol."
"Bezie deze waterkruik. Zij is ledig."
"Dit bewijst, dat ge gedronken, maar niet, dat ge gegeten hebt."
"Nu," hernam Jean Valjean, "zoo ik alleen maar honger naar water
heb gehad?"
"Dit heet dorst, en wanneer men niet tevens eet, heet het koorts."
"Ik zal morgen eten."
"Wie weet! Waarom niet heden? Is dat een zeggen: Ik zal morgen
eten! Mijn schotel te laten staan zonder ze aan te raken! Het was
zoo lekker."
Jean Valjean nam de hand der oude vrouw.
"Ik beloof u het te eten," zeide hij met zijn goedmoedige stem.
"Ik ben ontevreden op u," antwoordde de portierster.
Jean Valjean zag nauwelijks een ander menschelijk wezen dan deze
goede vrouw. In Parijs zijn straten, waar niemand doorgaat, en huizen,
waarin niemand komt. Hij was in een dier straten en in een dier huizen.
In den tijd toen hij nog uitging, had hij voor eenige sous van een
koperslager een klein koperen kruisbeeldje gekocht, dat hij tegenover
zijn bed aan een spijker had gehangen. 't Is altijd goed, zulk een
teeken voor zijn oogen te hebben.
Een week verstreek, zonder dat Jean Valjean een tred in zijn kamer
deed. Hij bleef steeds te bed. De portierster zeide tot haar man:
"De oude man van boven staat niet meer op, hij eet niet meer; hij zal
't niet lang meer maken. Die man heeft verdriet. Men kan 't mij niet
uit het hoofd praten, dat zijn dochter ongelukkig getrouwd is."
De portier antwoordde op den toon der echtelijke souvereiniteit:
"Zoo hij rijk is, laat hij dan een dokter nemen. Is hij niet rijk,
dan kan hij 't niet doen. Zoo hij geen dokter neemt, zal hij sterven."
"En zoo hij er een neemt?"
"Zal hij ook sterven," zei de portier.
De portierster begon, met een oud mes het gras van tusschen de steenen
"harer straat" te krabben, terwijl zij mompelde:
"'t Is jammer. Zulk een net oud man. Hij is zoo blank als een hoen."
Aan het einde van de straat zag zij een dokter uit de buurt
voorbijgaan. Zij nam 't op zich, hem te verzoeken eens naar den zieke
te zien.
"'t Is op de tweede verdieping," zeide zij. "Ga maar binnen, want,
wijl de goede man niet meer van zijn bed komt, steekt de sleutel
altijd in de deur."
De geneesheer zag Jean Valjean en sprak hem. Toen hij weder naar
beneden ging, vroeg de portierster hem:
"Nu, dokter?"
"Uw zieke is zeer ziek."
"Wat deert hem?"
"Alles en niets. 't Is iemand, die, zoo 't schijnt, een zeer geliefd
persoon heeft verloren. Men kan daarvan sterven."
"Wat heeft hij u gezegd?"
"Hij heeft mij gezegd, dat hij welvarend was."
"Komt ge terug, dokter?"
"Ja," antwoordde de geneesheer; "maar 't ware beter, zoo een ander
dan ik terugkwam."
DERDE HOOFDSTUK.
EEN PEN IS ZWAAR VOOR DENGENE DIE DE KAR VAN FAUCHELEVENT OPLICHTTE.
Op zekeren avond had Jean Valjean moeite zich op den elleboog op te
richten; hij nam zijn hand, maar voelde geen pols; zijn ademhaling
was kort en afgebroken; hij erkende, dat hij zwakker was geworden, dan
hij ooit geweest was. Toen, ongetwijfeld door een of andere gewichtige
gedachte aangespoord, deed hij een poging op zich zelven, richtte zich
overeind en kleedde zich. Hij trok zijn oud arbeiderspak aan. Daar hij
niet meer uitging, had hij het weer in gebruik genomen en gaf het de
voorkeur. Hij moest onder 't kleeden eenige keeren rusten: alleen door
't aantrekken van het buis, kwam het zweet hem op 't gezicht.
Sinds hij alleen was, had hij zijn bed in de voorkamer geplaatst,
om zoo min mogelijk in het verlaten vertrek te zijn.
Hij opende het koffertje en nam er Cosettes kleederen uit.
Hij spreidde ze uit op zijn bed.
De kandelaars van den bisschop stonden op hun plaats, op den
schoorsteen. Hij nam uit een lade twee waskaarsen, en zette ze op de
kandelaars. Toen ontstak hij ze, hoewel 't nog helderlichte dag in den
zomer was. Dus ziet men soms op den dag brandende kaarsen in kamers,
waar dooden zijn. Iedere stap, dien hij van het eene naar het andere
meubelstuk deed, vermoeide hem, en hij was gedwongen te gaan zitten. 't
Was niet de gewone vermoeidheid, die de kracht verteert om haar te
hernieuwen; 't was het overblijfsel der nog mogelijke bewegingen,
't was het uitgeputte leven, dat verteert door zware inspanningen,
welke men niet weder kan beginnen.
Een der stoelen, waarop hij nederzeeg, stond voor den spiegel, die
zoo noodlottig voor hem, zoo gezegend voor Marius was geweest, waarin
hij het omgekeerde schrift op het vloeipapier van Cosette gelezen
had. Hij zag zich in dien spiegel, maar herkende zich niet. Hij scheen
tachtig jaar oud: vóór het huwelijk van Marius zou men hem niet ouder
dan vijftig jaar geschat hebben; dit jaar had voor dertig geteld. Wat
hij op het voorhoofd had, was niet meer de rimpel van den tijd, maar
het geheimzinnige merk des doods. Men gevoelde daar de groeve van
den onmeedoogenden nagel. Zijn wangen hingen slap; zijn gelaat had de
kleur, alsof er reeds aarde op ligt; de mondhoeken waren neergetrokken,
als bij die maskers, welke de ouden op hun grafsteenen beitelden;
met een zweem van verwijt staarde hij in het ledige. Men had hem voor
een dier groote tragische wezens kunnen houden, die zich over iemand
te beklagen hebben. Hij was in dien toestand, de laatste periode der
neerslachtigheid, wanneer de smart niet meer vloeit, waarin zij, om
zoo te spreken, verstijfd is; de ziel is dan door de wanhoop versteend.
De nacht was gedaald. Met moeite sleepte hij een tafel en den ouden
armstoel voor den schoorsteen, en legde op de tafel een pen, inkt
en papier.
Na dit gedaan te hebben, viel hij in onmacht. Toen hij zijn bewustzijn
herkreeg, had hij dorst. De waterkruik niet kunnende optillen, boog
hij ze met moeite naar zijn mond en dronk een teug.
Toen wendde hij zich naar het bed, en steeds zittend, want hij kon
niet staan, aanschouwde hij het zwarte jurkje en al deze dierbare
voorwerpen.
Dergelijke overpeinzingen duren uren, die minuten schijnen. Eensklaps
doorliep hem een huivering; hij voelde, dat de koude hem overweldigde;
hij leunde op de tafel, die door de kandelaars van den bisschop
verlicht werd, en nam de pen.
Wijl de pen en de inkt sinds lang niet gebruikt werden, waren de punten
der pen opgetrokken, en was de inkt verdroogd; hij moest opstaan om
eenige droppels water bij den inkt te doen, bij welke verrichting hij
twee of drie keeren moest rusten en gaan zitten; hij was verplicht
de pen 't achterste voor te houden om te schrijven. Nu en dan veegde
hij het zweet van zijn voorhoofd.
Zijn hand beefde. Hij schreef langzaam deze regels:
"Cosette, ik zegen u. Ik zal u eene verklaring geven. Uw echtgenoot
heeft gelijk gehad, mij te doen begrijpen, dat ik heen moest gaan;
hij heeft zich echter eenigszins in zijn meening vergist, maar hij
heeft gelijk gehad. Hij is een uitmuntend mensch. Bemin hem steeds,
wanneer ik dood zal zijn. Mijnheer Pontmercy, bemin steeds mijn
teergeliefd kind. Cosette, men zal dit papier vinden; dit wilde
ik u zeggen; ge zult cijfers zien; zoo ik de kracht heb ze mij te
herinneren. Luister, dit geld behoort u met alle recht. Ziehier de
zaak: Het witte git komt uit Noorwegen, het zwarte git komt uit
Engeland; de zwarte glaskralen komen uit Duitschland. Het git is
lichter, kostbaarder en duurder. Men kan 't in Frankrijk evengoed
als in Duitschland namaken. Men heeft er een aanbeeldje van twee
vierkante duimen toe noodig en een spirituslamp om het verniswerk
te maken. Eertijds werd het vernis gemaakt van hars en lampezwart,
en kostte vier francs het pond. Ik heb uitgevonden het van gomlak
en terpentijn te maken. Het kost dan slechts dertig sous en is veel
beter. De oorringen worden gemaakt van een violetkleurig glaasje,
dat men met dat vernis op een klein ijzeren plaatje hecht. Het glas
moet violetkleurig voor ijzeren, en zwart voor gouden kleinoodiën
zijn! Spanje koopt er veel. 't Is het land van git..."
Hier brak hij af met schrijven, de pen viel uit zijn vingers, hem
overviel een wanhopig gesnik, zooals nu en dan uit de diepte zijner
ziel oprees. De arme man nam zijn hoofd in beide handen en peinsde.