Marius gaf zich deze antwoorden, en verklaarde zich zelven, dat zij

goed waren. Op al de punten, welke wij hebben aangewezen, had hij bij

Jean Valjean niet durven aandringen, zonder zich zelven te bekennen,

dat hij niet durfde. Hij beminde Cosette, hij bezat Cosette, Cosette

was glanzend zuiver. Dat was hem genoeg. Welke ophelderingen had

hij noodig? Cosette was een licht. Behoeft het licht verhelderd te

worden? Hij had alles; wat kon hij nog meer wenschen? Alles, is dat

niet genoeg? De persoonlijke zaken van Jean Valjean gingen hem niet

aan. Terwijl hij zich over de noodlottige schaduw van dien man boog,

klemde hij zich vast aan deze plechtige verklaring van den ellendeling:

"Ik ben volstrekt geen familie van Cosette. Tien jaren geleden wist

ik niet, dat zij bestond."

Jean Valjean was een voorbijganger. Hij zelf had het gezegd. Welnu,

hij ging voorbij. Wie hij zijn mocht, zijn rol was ten einde. Voortaan

was het aan Marius, om de functiën der Voorzienigheid bij Cosette

te vervullen. Cosette was tot hooger kring teruggekeerd, en had zich

weder bij haarsgelijke, haar geliefde, haar echtgenoot gevoegd. In 't

opstijgen liet Cosette, gevleugeld en herschapen, omlaag haar ledig,

leelijk hulsel, Jean Valjean, achter.

In welken gedachtenkring Marius zich draaide, immer kwam hij tot

een zekeren afschuw voor Jean Valjean terug. Een misschien heiligen

afschuw; wij hebben het immers aangewezen, dat hij in dien man

een zeker quid divinum, iets goddelijks, gevoelde. Maar wat hij

deed, en welke verlichting hij er in zocht, steeds moest hij hierop

terugkomen: Jean Valjean was een galeiboef; dat wil zeggen het wezen,

't welk op de maatschappelijke ladder zelfs geen plaats heeft, wijl

het beneden den laagsten sport staat. Na den laatsten der menschen

komt de galeiboef. De galeiboef behoort om zoo te spreken niet meer

tot het menschelijk geslacht. De wet heeft hem al de menschelijkheid

ontnomen, welke zij een mensch kan ontnemen. Marius hield zich, ten

aanzien der strafwet, hoewel hij democraat was, nog aan het vaste

stelsel, en nopens degenen, welke de wet straft, had hij al de ideeën

der wet. Hij was, wij moeten 't zeggen, nog niet geheel op de hoogte

van den vooruitgang. Hij was zoo ver nog niet gekomen, onderscheid te

zien tusschen 't geen de mensch geschreven en wat God geschreven heeft,

tusschen de wet en het recht. Hij had het recht nog niet gewikt en

gewogen, 't welk de mensch zich toeëigent om over het onherroepelijke

en onherstelbare te beschikken. Het woord vindicte (rechterlijke

wraak) had hem nog niet gebelgd. Hij vond het natuurlijk, dat sommige

overtredingen der wet door eeuwigdurende straffen werden gevolgd,

en hij nam het maatschappelijke doemvonnis als een beschavingsmiddel

aan. Hij stond nog op dat punt, trouwens om later volkomen vooruit

te gaan, daar zijn aard goed en in den grond voor den vooruitgang was.

Te midden dezer denkbeelden, verscheen Jean Valjean hem wanstaltig

en afkeerwekkend. Hij was een veroordeelde, een galeiboef. Dit woord

was hem als het bazuingeschal van den jongsten dag, en na lang Jean

Valjean aanschouwd te hebben, was zijn laatste beweging het hoofd om

te wenden. Vade retro. (Ga weg van mij!)

Marius, men moet het erkennen, en wij wijzen er zelfs op, had,

terwijl hij Jean Valjean ondervroeg, en wel in dier voege dat Jean

Valjean hem gezegd had: ge neemt mij in 't verhoor, hem geen twee of

drie beslissende vragen gedaan. Niet omdat zij niet bij hem waren

opgekomen, maar omdat zij hem beangstigd hadden. Het verblijf van

Jondrette? De barricade? Javert? Wie weet waar de openbaringen een

einde hadden genomen? Jean Valjean scheen de man niet om achteruit

te treden, en wie weet of Marius, na hem te hebben voortgedrongen,

niet gewenscht zou hebben, hem tegen te houden! Is 't ons allen wel

niet in sommige gewichtige omstandigheden gebeurd, dat, als wij een

vraag hebben gedaan, wij onze ooren stoppen om het antwoord niet te

hooren? 't Is vooral wanneer men bemint, dat men zoo lafhartig is. 't

Is niet verstandig, hardnekkig in heillooze omstandigheden te willen

doordringen, vooral wanneer noodlottigerwijs de onoplosbare zijde

van ons eigen leven er in gemengd is. Welk een vreeselijk licht kon

uit Jean Valjeans wanhopige verklaringen opkomen, en wie weet of

dit afschuwelijk licht niet op Cosette zou zijn teruggekaatst? Wie

weet of er niet een soort van helschen weerschijn op 't voorhoofd

van dien engel zou zijn overgebleven? De van een bliksem spattende

vonken zijn ook bliksems. Het noodlot wil soms, dat de onschuld

zelve het merkteeken der misdaad verkrijgt, door de sombere wet der

lichtweerkaatsing. De zuiverste gedaanten kunnen voor altijd den

weerschijn van een vreeselijke nabuurschap behouden. Terecht of ten

onrechte, Marius was bevreesd geweest. Hij wist reeds te veel. Hij

poogde zich meer te bedwelmen dan in te lichten. Radeloos droeg

hij Cosette in zijn armen weg, terwijl hij voor Jean Valjean de

oogen sloot.

Deze man behoorde tot den nacht, tot den levenden, vreeselijken

nacht. Hoe zou men er den bodem van durven zoeken? 't Is ontzettend,

de duisternis te ondervragen. Wie weet wat zij zal antwoorden? De

dageraad zou er voor altijd verdonkerd door kunnen worden.

In dien gemoedstoestand, was het voor Marius een pijnlijke verlegenheid

te denken, dat deze man voortaan in eenige aanraking met Cosette zou

zijn. Hij verweet zich thans schier, deze vreeselijke vragen niet

gedaan te hebben, voor welke hij was teruggedeinsd en waaruit een

onveranderlijke en bepaalde zekerheid had kunnen ontstaan. Hij gevoelde

zich te goed, te zacht, laat het ons zeggen, te zwak. Deze zwakheid

had hem tot een onvoorzichtige toegevendheid verleid. Hij had zich

laten bewegen. Hij had ongelijk gehad. Hij had eenvoudig Jean Valjean

moeten verwerpen. Jean Valjean behoorde tot het vuur; hij had hem er

aan moeten wedergeven en zijn huis van dien man bevrijden. Hij was op

zich zelven vertoornd, vertoornd op dien maalstroom van aandoeningen,

welke hem verdoofd, verblind en medegesleept had. Hij was over zich

zelven ontevreden.

Wat nu te doen? Van de bezoeken van Jean Valjean was hij diep

afkeerig. Waartoe diende die man in zijn huis? Wat te doen? Hier

bedwelmde hij zich, hij wilde niet dieper graven, niet doorgronden;

hij wilde zich zelven niet peilen. Hij had beloofd, hij had zich tot

beloven laten verleiden; Jean Valjean had zijn belofte; zelfs jegens

een galeiboef, vooral jegens een galeiboef, moet men woord houden. Zijn

eerste plicht evenwel gold Cosette. Kortom, een allesbeheerschende

afkeer bracht hem in beroering.

Al deze gedachten woelden verward in den geest van Marius, die,

van de eene na de andere, door alle bewogen werd. Vandaar een

groote verwarring, welke hem niet gemakkelijk viel voor Cosette te

verbergen. Maar de liefde is een talent, en 't gelukte Marius.

Overigens deed hij, zonder schijnbaar doel, vragen aan Cosette, die

even onschuldig was als een duif, en niets vermoedde; hij sprak haar

van haar kindsheid en jeugd; en meer en meer overtuigde hij zich,

dat deze galeiboef zoo goed, vaderlijk en eerbiedwaardig voor Cosette

was geweest als een mensch zijn kan. Al wat Marius verondersteld en

vermoed had, was waar. Deze heillooze distel had deze lelie bemind

en beschermd.

BOEK VIII.

DE AFNEMING DER DUISTERNIS.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE BENEDENKAMER.

Den volgenden dag, bij 't vallen van den avond, klopte Jean Valjean

aan de koetspoort van het huis des heeren Gillenormand. Basque ontving

hem. Basque bevond zich op dat oogenblik juist op de plaats, als ware

't hem bevolen. 't Gebeurt soms, dat men tot een knecht zegt: Wees

bij de hand, als mijnheer, die of die komt.

Basque, zonder te wachten dat Jean Valjean hem toesprak zeide tot hem:

"Mijnheer de baron heeft mij gelast u te vragen, of mijnheer naar

boven gaan of beneden wil blijven?"

"Beneden blijven," antwoordde Jean Valjean.

Basque, overigens volkomen eerbiedig, opende de deur van het

benedenvertrek en zeide: "Ik zal mevrouw verwittigen."

't Was een verwelfd, vochtig vertrek, waar Jean Valjean was

binnengegaan; het diende bij gelegenheid tot wijnkelder, het kwam

aan de straat uit, was met roode tegels bevloerd en flauw verlicht

door een van ijzeren spijlen voorzien venster.

Deze kamer behoorde niet tot degene, welke door stoffer, schuier en

bezem geplaagd worden. Het stof was er in rust. De spinnen werden er

niet geregeld vervolgd. Een spinneweb, groot, vuil, met doode vliegen

bezaaid, prijkte op een der glasruiten van het venster. Het kleine,

lage vertrek was gemeubeld met een hoop ledige, in een hoek gestapelde

flesschen. Van den met gele oker bestreken muur schilferden groote

stukken. Achter in het vertrek was een schoorsteen van zwart geverfd

hout, met smallen mantel, er brandde een vuur in, 't geen aanduidde,

dat men op Jean Valjeans antwoord: "dat hij beneden wilde blijven,"

gerekend had.

Twee armstoelen stonden aan beide kanten van den schoorsteen. Tusschen

deze stoelen lag, als een tapijt, een oud, zeer versleten beddekleedje.

De kamer werd door het vuur in den schoorsteen en de schemering van

het venster verlicht.

Jean Valjean was vermoeid. Sedert verscheidene dagen had hij noch

gegeten noch geslapen. Hij zonk op een der stoelen neer.

Basque kwam terug, zette op den schoorsteen een brandende waskaars

en verwijderde zich. Jean Valjean, met gebogen hoofd en de kin op de

borst, zag noch Basque noch de waskaars.

Eensklaps sprong hij als verschrikt overeind. Cosette stond achter hem.

Hij had haar niet zien binnenkomen.

Hij keerde zich om en beschouwde haar. Zij was aanbiddelijk

schoon. Maar wat hij met dien diepen blik aanschouwde, was niet de

schoonheid, 't was de ziel.

"Waarlijk, vader," riep Cosette, "ik wist dat ge zonderling waart,

maar nooit had ik iets dergelijks verwacht. Welk een gedachte! Marius

zegt, dat gij wilt, dat ik u hier ontvange."

"Ja, zoo is het."

"Ik verwachtte dat antwoord. Goed. Ik zeg u, dat ik u den mantel zal

uitvegen. Maar beginnen wij met het begin. Kus mij, vader."

En zij bood hem haar wang aan.

Jean Valjean bewoog zich niet.

"Ge verroert u niet. Ik ben thans overtuigd. 't Is de houding van een

schuldige. Om 't even, ik vergeef 't u. Jezus Christus heeft gezegd:

Biedt de andere wang aan. Ziedaar."

En zij hield hem de andere wang toe.

Jean Valjean verroerde zich niet. 't Was, of zijn voeten aan den

grond waren gekleefd.

"'t Wordt ernstig," zei Cosette. "Wat heb ik u misdaan? Ik verklaar,

dat ik verstoord ben. Ge zijt mij verzoening schuldig. Gij eet

met ons."

"Ik heb gegeten."

"'t Is niet waar. Ik zal u door mijnheer Gillenormand laten

beknorren. De grootvaders zijn er voor, om de vaders de les te

lezen. Kom. Ga met mij naar het salon. Dadelijk."

"Onmogelijk."

Nu wist Cosette niet meer wat te denken. Zij hield op met bevelen en

begon te vragen.

"Waarom? en ge kiest, om mij te zien, de leelijkste kamer van het

huis. 't Is hier afschuwelijk."

"Ge weet..."

Jean Valjean viel zich zelven in de rede:

"Gij weet, mevrouw, dat ik wonderlijk ben, dat ik grillen heb."

Cosette sloeg haar kleine handjes tegen elkander.

"Mevrouw!... gij weet!... wederom iets nieuws. Wat moet dat

beteekenen?"

Jean Valjean aanschouwde haar met dien treurigen glimlach, welke

dikwijls op zijn gelaat verscheen.

"Gij hebt mevrouw willen zijn. Gij zijt het."

"Niet voor u, vader."

"Noem mij niet langer vader."

"Waarom?"

"Noem mij mijnheer Jean. Jean als ge wilt."

"Zijt ge niet langer vader? Ben ik niet langer Cosette? Mijnheer

Jean? Wat beteekent dat? Maar 't is een revolutie. Wat is er toch

gebeurd? Zie mij toch in 't gezicht. En ge wilt niet bij ons wonen? En

ge wilt mijn kamer niet. Wat heb ik u misdaan? Wat heb ik u misdaan? Is

er dan iets gebeurd?"

"Niets."

"Welnu dan?"

"Alles is als gewoonlijk."

"Waarom verandert ge van naam?"

"Gij, gij hebt hem immers ook veranderd."

Hij glimlachte weder op dezelfde wijze en voegde er bij:

"Wijl gij mevrouw Pontmercy zijt, kan ik wel mijnheer Jean zijn."

"Ik begrijp er niets van. 't Is alles dom. Ik zal mijn man verlof

vragen, of ge mijnheer Jean moogt zijn. Ik hoop, dat hij er in zal

bewilligen. Ge doet mij veel verdriet. Men moge grillen hebben, maar

men doet zijn kleine Cosette geen verdriet aan. 't Is slecht. Ge hebt

het recht niet ondeugend te zijn, gij, die zoo goed zijt."

Hij antwoordde niet.

Levendig nam zij zijn handen, en met een onweerstaanbare beweging hief

zij ze tot haar gezicht op, drukte ze tegen haar hals, onder haar kin,

't geen een groot bewijs van teederheid is.

"Ach," zeide zij, "wees goed!"

En zij voer voort:

"Wat ik goed noem is, dat ge lief zijt en hier komt wonen; er zijn

hier vogels evenals in de straat Plumet; dat ge met ons woont, de

spelonk in de straat de l'Homme-Armé verlaat, ons geen raadsels ter

oplossing geeft, zijt als iedereen, dat ge met ons dineert, ontbijt

en mijn vader zijt."

Hij maakte zijn handen los.

"Gij hebt geen vader meer noodig, gij hebt een echtgenoot."

Cosette werd driftig.

"Heb ik geen vader meer noodig! Men weet waarlijk niet, wat men op

zulke ongerijmde taal antwoorden zal."

"Indien vrouw Toussaint hier was," hernam Jean Valjean, als iemand, die

iets ter bevestiging wil aanvoeren en zich aan alle takken vastklemt,

"zou zij dadelijk bekennen, dat het waar is en ik mijn bijzondere

manieren heb. 't Is geen nieuws. Ik heb altijd mijn donkeren hoek

bemind."

"Maar 't is hier koud. Men kan hier nauwelijks zien. 't Is schandelijk

mijnheer Jean te willen zijn. Ik wil niet, dat ge mij mevrouw noemt."

"Straks toen ik hierheen ging," antwoordde Jean Valjean, "heb ik in de

straat Saint-Louis bij een schrijnwerker een meubelstuk gezien. Ware ik

een mooie vrouw, ik zou het mij aanschaffen. 't Is een fraai toilet,

naar den laatsten smaak, van rozenhout, zooals gij het noemt, geloof

ik. 't Is ingelegd. Met een grooten spiegel. Er zijn laden in. 't

Is lief."

"Bah, de leelijke beer!" antwoordde Cosette.

En met de uiterste lieftalligheid, de tanden op elkander drukkende en

de lippen openende, blies zij tegen Jean Valjean. 't Was een bevallige

nabootsing eener kat.

"Ik ben verwoed," zeide zij. "Sedert gisteren maakt gij allen mij

razend. Ik ben zeer verstoord. Ik begrijp het niet. Gij verdedigt mij

niet tegen Marius, Marius verdedigt mij niet tegen u; ik sta geheel

alleen. Ik heb een kamer fraai in orde gebracht. Zoo ik er onzen

Lieven Heer in had kunnen plaatsen, had ik het gedaan. Men laat mij

met mijn kamer zitten. Mijn huurder laat mij in den steek. Ik gelast

Nicolette een goed diner gereed te maken. Men wil uw diner niet,

mevrouw. En mijn vader Fauchelevent wil, dat ik hem mijnheer Jean

noeme, en hem in een ouden, leelijken, beschimmelden kelder ontvange,

welks muren een baard dragen, en waar in plaats van kristal ledige

flesschen, en in plaats van gordijnen spinnewebben zijn. 't Is waar,

ge zijt zonderling. 't Is uw manier. Maar men houdt zich een weinig

in, ter liefde voor jonggetrouwden. Ge moest niet terstond weder

zonderling zijn. Ge zoudt dan zoo tevreden in uw leelijke straat

l'Homme-Armé zijn! Ik, ik ben er wanhopig geweest. Wat hebt ge toch

tegen mij? Gij veroorzaakt mij veel verdriet. Foei!"

En eensklaps ernstig wordende, zag zij Jean Valjean strak in 't

gezicht en voegde er bij:

"Ge zijt dus boos op mij, omdat ik gelukkig ben?"

De onnoozelheid dringt soms, zonder het te weten, zeer diep door. Deze

eenvoudige vraag van Cosette was diep voor Jean Valjean.

Cosette wilde krabben, zij verscheurde.

Jean Valjean verbleekte. Hij bleef een oogenblik zonder te antwoorden,

toen tot zich zelven sprekende, mompelde hij op een onbeschrijfelijken

toon:

"Haar geluk was het doel mijns levens. Nu kan God mij vergunnen af

te treden. Ge zijt gelukkig, Cosette; mijn tijd is er geweest."

"Ha, nu zegt ge weder Cosette!" riep de jonge vrouw. En zij viel hem

om den hals.

Ontroerd en hartstochtelijk drukte Jean Valjean haar aan zijn hart. 't

Was hem schier, alsof hij haar opnieuw aannam.

"Ik dank u, vader!" zei Cosette.

Deze vervoering begon voor Jean Valjean smartelijk te worden. Zacht

trok hij zich uit Cosettes armen en nam zijn hoed.

"Nu?" zei Cosette.

Jean Valjean antwoordde:

"Ik verlaat u, mevrouw; men wacht u."

En op den drempel der deur voegde hij er bij:

"Ik heb u Cosette genoemd; zeg aan uw echtgenoot, dat mij dit niet

weder zal gebeuren. Vergeef mij."

Jean Valjean verwijderde zich en liet Cosette verbaasd over dit

raadselachtige vaarwel achter.

TWEEDE HOOFDSTUK.

ANDERE SCHREDEN ACHTERWAARTS.

Den volgenden dag kwam Jean Valjean op hetzelfde uur terug.

Cosette deed hem geen vragen, verwonderde zich niet, zeide niet

meer dat het koud was, sprak niet meer van het salon; zij vermeed

evenzeer vader als mijnheer Jean te zeggen. Zij liet zich mevrouw

noemen. Maar zij was minder verheugd. Zij zou treurig zijn geweest,

zoo dit bij haar mogelijk ware.

't Is waarschijnlijk, dat zij met Marius een dier gesprekken had gehad,

in welke de beminde man alles zegt wat hij wil, van niets verklaring

geeft, en de geliefde vrouw tevreden is. De nieuwsgierigheid van

minnenden gaat niet veel verder dan hun liefde.

De benedenkamer had zich een weinig opgeschikt. Basque had de flesschen

en Nicolette de spinnewebben weggeruimd.

Al de volgende dagen brachten Jean Valjean op hetzelfde uur terug. Hij

kwam dagelijks, de kracht niet hebbende, Marius' woorden anders dan

letterlijk op te vatten.

Marius schikte het zoo, dat hij afwezend was, wanneer Jean Valjean

kwam. Het gezin gewende zich aan de nieuwe handelwijze van Jean

Valjean. Vrouw Toussaint hielp daarbij, zij zeide: "Mijnheer is altijd

zóó geweest." De grootvader besloot: "'t Is een zonderling." Daarmede

was alles gezegd. Bovendien is er op negentigjarigen leeftijd geen

nieuwe betrekking meer mogelijk; alles is uitwendige aanraking;

een nieuwe persoon is lastig. Er is geen plaats meer; alle gewoonten

zijn aangenomen. Mijnheer Fauchelevent, mijnheer Tranchelevent,--vader

Gillenormand wenschte niets liever, dan van "dien mijnheer" verschoond

te blijven. Hij zeide: "Niets is gewoner dan deze zonderlingen. Zij

doen allerlei vreemdigheden, zonder reden. De markies van Canaples was

nog erger. Hij kocht een paleis om er den zolder van te bewonen. Die

lieden hebben allerlei phantastische grillen."

Niemand vermoedde het treurige, dat er onder verborgen lag. Wie

trouwens had zoo iets kunnen raden? In de Indiën zijn dergelijke

moerassen; het water schijnt buitengewoon, onverklaarbaar, golvend

zonder dat er wind is, bewogen waar het stil moest zijn. Men aanschouwt

de oppervlakte van deze wieling zonder oorzaak; men ziet de hydra niet,

die op den bodem kruipt.

Vele menschen hebben zulk een geheim monster in zich, een kwaal welke

zij voeden, een draak die hen verslindt, een wanhoop, die hun nachten

inneemt. Zoodanig mensch gelijkt op ieder ander, hij komt en gaat. Men

weet niet, dat in hem een vreeselijke duizendtandige, knagende smart

leeft, die hem doodt. Men weet niet, dat deze man een afgrond is. Een

stilstaand, maar diep water. Nu en dan ontstaat op zijn oppervlakte

een onrustige beweging, waarvan men niets begrijpt. Een geheimzinnige

rimpel plooit zich, verdwijnt en komt weder te voorschijn; een luchtbel

stijgt op en berst. 't Is weinig, maar vreeselijk. 't Is de ademhaling

van het onbekende dier.

Sommige zonderlinge gewoonten, zooals te komen wanneer anderen

heengaan, ter zijde te gaan, wanneer anderen zich vertoonen, in alle

omstandigheden te behouden, wat men den muurkleurigen mantel zou kunnen

noemen, eenzame lanen te zoeken, de doodsche straat te verkiezen, zich

niet in 't verkeer te mengen, de menigte en de feesten te vermijden,

het uiterlijk van welgesteldheid te hebben en armoedig te leven, hoe

rijk men zij, zijn sleutel in den zak en zijn kaars bij den portier

te hebben, de zijdeur binnen te gaan, de kleine trap op te gaan--al

deze nietige zonderlingheden, rimpelingen, luchtbellen, vluchtige

kringels op de oppervlakte, komen soms uit een vreeselijke diepte.

Dus verliepen verscheidene weken. Een nieuw leven nam allengs Cosette

in; de betrekkingen, welke door het huwelijk ontstaan, de bezoeken,

het huiselijk bestuur, de vermaken, al deze gewichtige zaken. Cosettes

vermaken waren niet kostbaar: zij bestonden eenvoudig in: bij Marius

te zijn. Met hem uit te gaan, met hem te huis te zijn, dat was de

grootste bezigheid van haar leven. 't Was voor hen steeds een nieuwe

blijdschap arm in arm, in het volle daglicht, op de openbare straat,

zonder zich te verbergen, voor 't oog der wereld, beiden alleen uit

te gaan. Cosette had één verdriet. Vrouw Toussaint kon zich niet met

Nicolette verstaan;--de harmonie tusschen deze twee oude vrijsters

was onmogelijk;--zij ging dus weg. De grootvader was gezond; Marius

had nu en dan een pleidooi; tante Gillenormand leidde in deze nieuwe

huishouding rustig het bescheiden leven, dat haar genoegen was. Jean

Valjean kwam dagelijks.

Toen de gemeenzaamheid in 't gesprek verdwenen was, en "mevrouw,"

en "mijnheer Jean" er voor waren in plaats gekomen, kwam hij Cosette

geheel anders voor. De zorg, welke hij genomen had om haar van zich

los te maken, gelukte hem. Zij werd langzamerhand meer vroolijk,

en allengs minder teeder. Zij beminde hem evenwel nog altijd,

en hij gevoelde dit. Op zekeren dag zeide zij eensklaps tot hem:

"Gij waart mijn vader, gij zijt mijn vader niet meer, gij waart mijn

oom, gij zijt mijn oom niet meer, gij waart mijnheer Fauchelevent,

gij zijt Jean. Wie zijt gij toch? Ik houd van dat alles niet. Zoo ik

niet wist, dat ge goed waart, zou ik bang voor u zijn."

Hij woonde nog altijd in de straat de l'Homme-Armé, er niet toe

kunnende besluiten zich van de wijk te verwijderen waar Cosette woonde.

In den eersten tijd bleef hij slechts eenige minuten bij Cosette en

verwijderde zich dan.

Allengs nam hij de gewoonte aan, zijn bezoeken minder kort te

maken. Het was alsof hij gebruik maakte van de vergunning der langer

wordende dagen, hij kwam vroeger en ging later heen.

Op zekeren dag ontglipte Cosette het woord "vader."

Een straal van blijdschap schoot over 't oude somber gezicht van Jean

Valjean. Hij berispte haar:

"Zeg Jean."

"Ha! 't is waar," antwoordde zij luid lachend, "mijnheer Jean."

"Goed zoo!" zeide hij, en wendde zich om, opdat zij niet zou zien,

dat hij zijn oogen afwischte.

DERDE HOOFDSTUK.

ZIJ HERINNEREN ZICH DEN TUIN IN DE STRAAT PLUMET.

Het was de laatste maal. Na deze laatste flikkering was de verdooving

volkomen. Geen gemeenzaamheid, geen "goeden dag" met een kus meer,

nooit meer dit zoo innig zacht woord: "mijn vader!" hij was op zijn

verzoek en door zijn eigen toedoen achtereenvolgens uit al zijn

geluk verdreven; en hij had de ramp, dat, na Cosette in éénen dag

geheel te hebben verloren, hij haar vervolgens nog eens in gedeelten

moest verliezen.

Het oog gewent zich eindelijk aan het kelderlicht. Kortom, het was

voor hem voldoende dagelijks Cosette eens te zien. Zijn geheel leven

was in dat uur samengevat. Hij zette zich naast haar neer, aanschouwde

haar zwijgend, of sprak haar van vroegere jaren, van haar kindsheid,

van het klooster, van haar vriendinnetjes uit dien tijd.

Op een namiddag van een der eerste Aprildagen, die reeds warm,

maar nog frisch zijn, en waarin de zon haar grootste vroolijkheid

verspreidt, ontwaakten de tuinen, die de vensters van Marius en

van Cosette omringden, uit den winterslaap; de hagedoorn ontlook,

de violieren prijkten als juweelen op de oude muren, de rooskleurige

bloempjes staken hun kopjes uit de spleten der steenen, in het gras

zag men de knoppen van madeliefjes en goudsbloemen, de witte vlinders

vertoonden zich, de wind, deze speelman der eeuwige bruiloft, beproefde

in de boomen de eerste noten der groote dageraads symphonie, welke de

oude dichters de wedergeboorte noemden,--toen zeide Marius tot Cosette:

"Wij hebben gezegd, dat wij onzen tuin in de straat Plumet eens wilden

wederzien. Laat ons thans gaan. Men mag niet ondankbaar zijn."

Zij vlogen heen als twee zwaluwen naar de lente. Deze tuin in de

straat Plumet maakte een indruk op hen als de dageraad. Achter hen

in hun leven was reeds iets als de lente hunner liefde. Cosette had

nog huur aan het huis in de straat Plumet. Zij gingen naar dien tuin

en dat huis. Zij herinnerden zich alles en vergaten er alles.

Des avonds kwam Jean Valjean op het gewone uur in de straat des Filles

du Calvaire.

"Mevrouw is met mijnheer uitgegaan, en nog niet te huis gekomen,"

zei Basque. Hij zette zich zwijgend en wachtte een uur. Cosette kwam

niet. Hij boog het hoofd en ging heen.

Cosette was zoo verrukt over haar wandeling naar "hun tuin" en zoo

verblijd, een ganschen dag in haar verleden te hebben geleefd, dat

zij den volgenden dag van niets anders sprak. Zij dacht er niet aan,

dat zij Jean Valjean in 't geheel niet gezien had.

"Hoe zijt ge er heen gegaan?" vroeg Jean Valjean haar.

"Te voet."

"En hoe teruggekomen?"

"In huurrijtuig."

De Ellendigen (Deel 5 van 5) · 第 21 / 25 段