"Ge ziet wel, dat ik gelijk heb niet te zwijgen. Luister, wees

gelukkig, wees in den hemel, wees de engel van een engel, wees in

het licht en stel u tevreden; bekommer u niet over de wijze hoe een

arme veroordeelde zijn borst openrijt en zijn plicht doet; ge hebt

een ellendig mensch voor u, mijnheer."

Langzaam ging Marius door de kamer, en bij Jean Valjean gekomen reikte

hij hem de hand.

Maar Marius moest de hand nemen, die zich niet aanbood. Jean Valjean

liet het toe en 't scheen Marius, alsof hij een steenen hand omvatte.

"Mijn grootvader heeft vrienden," zei Marius; "ik zal uw gratie

verwerven."

"Dit is onnoodig," antwoordde Jean Valjean. "Men gelooft, dat ik dood

ben; dat is genoeg. De dooden zijn aan de justitie ontheven. Men laat

hen rustig vergaan. De dood is zoogoed als gratie."

En zijn hand, die Marius hield, losmakende, voegde hij er met een

onverbiddelijke waardigheid bij:

"Overigens tracht ik mijn plicht te doen, en dit is de vriend tot wien

ik mij wend; ik heb slechts ééne gratie noodig, die van mijn geweten."

Op dit oogenblik opende zich aan 't andere einde der kamer zacht de

deur en Cosette's hoofd verscheen er tusschen. Men zag alleen haar

lief gezicht; zij was bekoorlijk met haar nog ongekapt haar, en haar

oogleden waren nog gezwollen van den slaap; zij maakte de beweging

van een vogeltje, dat zijn kopje uit het nestje steekt, zag eerst

haar man, toen Jean Valjean aan en riep hun lachend toe--alsof men

een roosje zag glimlachen:

"Ik wil wedden, dat ge politiseert, in plaats van bij mij te komen. 't

Is onverschoonlijk!"

Jean Valjean ontroerde.

"Cosette...." stamelde Marius en hij zweeg. Zij geleken twee

misdadigers.

Cosette, van geluk schitterend, bleef beiden aanschouwen. In haar

oogen blonk iets als een hemelsche glans.

"Ik betrap u op heeter daad," zei Cosette. "Ik heb door de deur vader

Fauchelevent hooren zeggen: "Het geweten...zijn plicht doen..." Dat

is politiek. Ik duld dit niet. Men mag niet reeds den volgenden dag

over politiek spreken. Dat is niet recht."

"Ge vergist u, Cosette," antwoordde Marius. "Wij spreken over

zaken. Wij spreken over de beste wijze van belegging uwer zesmaal

honderd-duizend francs...."

"Dat is het niet," viel Cosette hem in de rede. "Ik kom. Wil men mij

hier dulden?"

En beraden trad zij door de deur de kamer binnen. Zij was gekleed in

een ruim wit ochtendkleed, met groote mouwen, dat van den hals tot de

voeten reikte. In de gouden hemelen der oude gothische schilderijen

ziet men zulke bekoorlijke zakken om een engel in te steken.

Zij beschouwde zich van het hoofd tot de voeten in een grooten spiegel,

en riep toen met een uitbarsting van een onuitsprekelijke verrukking:

"Er was eens een koning en een koningin. O, hoe verheugd ben ik."

Dit gezegd hebbende, boog zij voor Marius en Jean Valjean.

"Nu," zeide zij, "ga ik bij u op een stoel zitten; men ontbijt binnen

een half uur; gij moogt zeggen wat ge wilt; ik weet wel, dat de mannen

moeten spreken; ik zal stil zijn."

Marius nam haar arm en zeide teeder:

"Wij spreken over zaken."

"Apropos," antwoordde Cosette; "ik heb mijn raam geopend, in den tuin

zijn een menigte musschen. 't Is vandaag Aschwoensdag; maar niet voor

de vogels."

"Ik zeg u, dat wij over zaken spreken; ga Cosetje, laat ons een

oogenblik alleen. Wij spreken over cijfers. 't Zou u vervelen."

"Ge hebt van morgen een fraaie das om, Marius. Ge zijt zeer coquet,

mijnheer. Neen, 't zal mij niet vervelen."

"Ik verzeker u, dat 't u vervelen zal."

"Neen, ge zijt er immers. Ik zal u niet begrijpen, maar naar u

luisteren. Wanneer men geliefde stemmen hoort, behoeft men de woorden

niet te begrijpen, welke zij spreken. Hier bij u te zijn, is al wat

ik wil. Ik blijf bij u!"

"Ge zijt mijn zeer geliefde Cosette! Onmogelijk."

"Onmogelijk!"

"Ja."

"Goed," hernam Cosette. "Ik zou u wat nieuws hebben verhaald. Ik zou

u gezegd hebben, dat grootvader nog slaapt, dat uw tante naar de mis

is, dat de schoorsteen in de kamer van vader Fauchelevent rookt, dat

Nicolette den schoorsteenveger heeft laten komen, dat vrouw Toussaint

en Nicolette reeds gekibbeld hebben, dat Nicolette om het stotteren

van Toussaint lacht. Nu zult ge niets weten. Ha! 't is onmogelijk? Ook

ik op mijn beurt, mijnheer, zal zeggen: 't is onmogelijk. Wie zal 't

meest verliezen? Ik bid u, Marius, laat mij hier bij u beiden blijven."

"Ik verzeker u, dat wij alleen moeten zijn."

"Nu, ben ik iemand?"

Jean Valjean sprak geen woord, Cosette wendde zich tot hem.

"Vooreerst wil ik, vadertje, dat ge mij komt omhelzen. Hoe is 't? gij

zegt niets, in plaats van mijn partij te trekken? Wie heeft mij zulk

een vader gegeven? Ge ziet immers wel, dat ik heel slecht gehuwd

ben. Mijn man slaat mij. Kom, omhels mij dadelijk."

Jean Valjean naderde.

Cosette wendde zich tot Marius:

"U keer ik den rug toe."

Toen bood zij Jean Valjean haar voorhoofd.

Jean Valjean naderde haar een schrede.

Cosette trad achteruit.

"Ge zijt bleek, vader. Hebt ge pijn aan den arm?"

"Hij is genezen," zei Jean Valjean.

"Hebt ge slecht geslapen?"

"Neen."

"Zijt ge treurig?"

"Neen."

"Kus mij. Zoo ge wel zijt, zoo ge goed geslapen hebt, zoo ge tevreden

zijt, zal ik u niet beknorren."

En opnieuw bood zij hem haar voorhoofd.

Jean Valjean drukte een kus op dat voorhoofd, 't welk een hemelschen

glans had.

"Glimlach."

Jean Valjean gehoorzaamde. 't Was de glimlach van een spook.

"Verdedig mij nu tegen mijn man."

"Cosette!..." zei Marius.

"Maak u boos, vader. Zeg hem, dat ik blijven moet. Men mag in mijn

tegenwoordigheid wel spreken. Gij vindt mij dus zoo dom. 't Is dan

iets zeer gewichtigs wat ge zegt; zaken, geldbelegging in een bank,

't heeft wat te beteekenen! De mannen zijn geheimzinnig om niets. Ik

wil blijven. Ik ben van ochtend zoo mooi; zie mij toch aan Marius."

En met een bekoorlijk schouderophalen en liefelijke spijtigheid zag

zij Marius aan. Iets als een weerlicht schoot tusschen beide wezens. 't

Was hun onverschillig of er iemand tegenwoordig was.

"Ik bemin u!" zei Marius.

"Ik aanbid u," zei Cosette.

En onweerstaanbaar vielen zij in elkanders armen.

"Nu," hernam Cosette, met een klein zegevierend gebaar, een vouw van

haar morgengewaad glad strijkende, "ik blijf."

"Dat niet," antwoordde Marius op smeekenden toon, "wij hebben hier

iets te bespreken."

"Wederom neen?"

Marius nam een ernstigen toon aan:

"Ik verzeker u, Cosette, dat het onmogelijk is."

"Ha, ge neemt een mannenstem aan, mijnheer. Goed, men zal gaan. Gij,

vader, gij hebt mij niet geholpen. Mijnheer mijn echtgenoot, mijnheer

papa, gij zijt tirannen. Ik zal 't grootvader gaan zeggen. Zoo ge meent

dat ik zal terugkomen, vergist gij u. Ik ben trotsch. Thans verwacht ik

u. Ge zult zien dat gij u zonder mij zult vervelen. Ik ga, 't is goed!"

Zij ging heen.

Twee seconden later werd de deur weder geopend, haar frisch kopje

vertoonde zich weder tusschen de twee slagdeuren en zij riep hen toe:

"Ik ben heel kwaad!"

De deur ging weder dicht en opnieuw werd het donker.

't Was als een verdwaalde zonnestraal, die toevallig plotseling door

den nacht was geschoten.

Marius vergewiste zich, dat de deur goed gesloten was.

"Arme Cosette!" mompelde hij, "wanneer zij verneemt dat..."

Bij deze woorden beefde Jean Valjean over al zijn leden. Hij richtte

een verwilderden blik op Marius.

"Cosette! ach ja, 't is waar, ge zult het Cosette zeggen. 't Is

billijk. Zie, ik had er niet aan gedacht. Men heeft kracht tot het

eene, maar niet tot het andere. Ik bezweer u, mijnheer, geef mij uw

heiligst woord. Zeg het haar niet. Is 't niet genoeg, dat gij het

weet? Ik heb het met vrijen wil, zonder er toe gedwongen te zijn,

gezegd; ik zou 't aan de wereld, aan iedereen gezegd hebben; 't was

mij onverschillig. Maar zij, zij weet niet wat het is; 't zou haar

ontstellen. Een galeiboef, wat! men zou het haar moeten verklaren,

haar zeggen: 't is iemand die in het bagno is geweest. Eenmaal zag

zij een transport galeiboeven. Ach, mijn God!"

Hij zonk op een stoel en bedekte zijn gezicht met beide handen. Men

hoorde hem niet, maar aan het trekken zijner schouders zag men dat

hij snikte, stille tranen, vreeselijke tranen.

In het schreien ligt verstikking. Hij werd door een soort van

stuiptrekking bevangen, hij wierp zich achterover in den stoel als

om te ademen, liet zijn armen hangen en liet Marius zijn met tranen

besproeid gelaat zien, en Marius hoorde hem zoo zacht fluisteren,

als ware zijn stem in een grondelooze diepte geweest:

"Ach! hoe wenschte ik dood te zijn!"

"Wees bedaard," zeide Marius, "ik zal uw geheim voor mij alleen

behouden."

En minder verteederd dan hij misschien had moeten zijn, maar sedert

een uur gedwongen zich met iets verschrikkelijks en onverwachts

gemeenzaam te maken, allengskens den galeiboef voor zijn oogen uit den

heer Fauchelevent te voorschijn ziende komen, allengskens beheerscht

door deze heillooze wezenlijkheid, en door den natuurlijken loop van

zaken er toe geleid de klove te erkennen, die zich tusschen dezen

man en hem gevormd had, voegde Marius er bij:

"'t Is onmogelijk, u niet een woord te zeggen omtrent de gelden, welke

gij zoo trouw en eerlijk hebt overgeleverd. 't Is een daad van goede

trouw. 't Is billijk, dat u een vergoeding worde gegeven. Bepaal zelf

de som, zij zal u toegeteld worden. Vrees niet, ze te hoog te stellen."

"Ik dank u, mijnheer," antwoordde Jean Valjean met zachtheid.

Hij bleef een oogenblik in gepeins, wreef werktuiglijk zijn voorvinger

over den nagel van zijn duim, en zeide toen met verheffing van stem:

"Alles is genoegzaam volbracht. Slechts één ding blijft nog over..."

"Wat?"

Jean Valjean scheen aan een laatste weifeling ter prooi, en schier

toonloos, buiten adem, hijgde hij meer dan hij sprak:

"Thans nu ge alles weet, mijnheer, dunkt u, want gij zijt de meester,

dat ik Cosette niet mag wederzien?"

"Ik geloof, dat dit het best ware," antwoordde Marius koel.

"Ik zal haar niet meer zien," mompelde Jean Valjean.

En hij trad naar de deur.

Hij sloeg de hand aan den knop, de deur opende zich ten halve, Jean

Valjean kon er doorgaan, maar stond een oogenblik stil, sloot ze

weder en keerde tot Marius terug.

Hij was niet meer bleek, maar lijkkleurig. Er waren geen tranen meer

in zijn oogen, maar er brandde een sombere vlam in. Zijn stem was

weder wonderbaar kalm geworden.

"Luister, mijnheer," zeide hij, "zoo gij wilt, zal ik haar komen

bezoeken. Ik verzeker u, dat ik 't vurig wensch. Zoo ik Cosette niet

gaarne had willen wederzien, zou ik u de bekentenis niet hebben gedaan,

welke gij gehoord hebt; ik zou vertrokken zijn; maar daar ik in het

oord wilde blijven, waar Cosette is en haar voortdurend zien wilde,

heb ik u alles eerlijk moeten zeggen. Ge volgt mijn redeneering, niet

waar? De zaak is wel te begrijpen. Hoor, langer dan negen jaren heb ik

haar bij mij gehad. Eerst hebben wij in het oude huis op den boulevard

gewoond, toen in het klooster, vervolgens bij het Luxembourg. Dáár

hebt gij haar voor het eerst gezien. Gij herinnert u haar blauw pluchen

hoed? Vervolgens zijn wij naar de wijk der Invaliden gegaan, waar een

hek en een tuin was. In de straat Plumet. Ik woonde op een kleine

achterplaats, waar ik haar piano hoorde. Dat was mijn leven. Wij

verlieten elkander nooit. Dit heeft negen jaar en eenige maanden

geduurd. Ik was als haar vader, en zij was mijn kind. Ik weet niet,

of ge mij begrijpt, mijnheer Pontmercy, maar nu heen te gaan, haar niet

meer te zien, haar niet meer te spreken, niets meer te hebben, dit zou

moeielijk zijn. Zoo gij er niets tegen hebt, zal ik Cosette nu en dan

bezoeken. Ik zal niet dikwijls komen. Ik zal niet lang blijven. Gij

kondt zeggen, dat men mij in de kleine benedenkamer late. Ik zou

wel door de achterdeur willen komen, die voor de dienstboden is,

maar dit zou misschien verwondering wekken. 't Is misschien beter,

geloof ik, dat ik door de voordeur ga, zooals iedereen. Waarlijk,

mijnheer, ik zou Cosette nog wel eens willen zien. Zoo zelden als 't

u zal behagen. Stel u in mijne plaats, ik heb niets meer dan dat. En

men moet ook voorzichtig zijn. Indien ik volstrekt niet meer kwam, zou

't een vreemden indruk maken; men zou het zonderling vinden. Wat ik bij

voorbeeld zou kunnen doen, is, 's avonds komen als het donker wordt."

"Kom alle avonden," zei Marius, "en Cosette zal u wachten."

"Gij zijt zeer goed, mijnheer," zei Jean Valjean.

Marius groette Jean Valjean, het geluk deed de wanhoop uitgeleide

tot aan de deur en beide mannen scheidden.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE DUISTERHEDEN WELKE EEN OPENBARING KAN BEVATTEN.

Marius was geheel geschokt.

Thans was hem de soort van afkeer verklaard, dien hij steeds voor den

man had gevoeld, naast wien hij Cosette zag. In dien persoon was iets

raadselachtigs, waartegen zijn instinct hem waarschuwde. Dat raadsel

was de afschuwelijkste aller schanden, het bagno. Deze mijnheer

Fauchelevent was de galeiboef Jean Valjean.

Plotseling zulk een geheim te midden van zijn geluk te vinden,

gelijkt de ontdekking van een scorpioen in een tortelduivennest.

Was voortaan het geluk van Marius en Cosette tot deze nabijheid

gedoemd? Was 't een uitgemaakte zaak. Sloot de voltrekking van het

huwelijk de aanneming van dien man in? Was er niets meer tegen te doen?

Was Marius ook met den tuchteling getrouwd?

Men moge met licht en vreugd omkranst zijn, men moge het groote

purperen oogenblik des levens smaken, de gelukkige liefde, zulke

schokken zouden zelfs den aartsengel in zijn verrukking, den halfgod

in zijn glorie doen sidderen.

Gelijk het immer bij dergelijke plotselinge veranderingen gebeurt,

vroeg Marius zich af, of hij zich zelven niets te verwijten had? Had

het hem aan doorzicht ontbroken? Was hij onvoorzichtig geweest? Had

hij zich vrijwillig bedwelmd? Een weinig, misschien. Was hij,

zonder zich genoegzaam omtrent de omstandigheden in te lichten,

deze liefdesbetrekking aangegaan, welke zijn huwelijk met Cosette

ten gevolge had? Hij erkende--en 't is ten gevolge van een menigte

dergelijke zelfbekentenissen, dat ons leven trapswijze gelouterd

wordt--hij erkende het hersenschimmige en dwepende van zijn karakter,

een soort van inwendige wolk, die aan veler natuur eigen is, en die

bij den hoogsten graad van hartstochtelijkheid en smart zich uitzet,

de temperatuur der ziel verandert en den mensch zoo geheel beheerscht,

dat zij zijn zelfbewustzijn in een nevel hult. Wij hebben meer dan

eens op dezen karaktertrek van Marius gewezen. Hij herinnerde zich,

dat hij, in de dronkenschap zijner liefde, in de straat Plumet,

gedurende deze zes of zeven verrukkelijke weken, zelfs Cosette van het

drama in het oude huis Gorbeau niet gesproken had, waarbij het offer

zulk een zonderlinge rol had gespeeld, door gedurende den strijd te

zwijgen en later te vluchten. Hoe kwam het, dat hij er Cosette niet

van had gesproken? 't Lag echter zoo voor de hand en was zelfs zoo

merkwaardig! Waarom had hij zelfs het gezin Thénardier niet genoemd,

inzonderheid den dag toen hij Eponine had ontmoet? Hij had moeite zich

thans zijn stilzwijgen van toen te verklaren. Evenwel gaf hij er zich

rekenschap van. Hij herinnerde zich zijn bedwelming, zijn dronkenschap

van Cosette, de liefde die alles verzwolg, deze opvoering van het

een door het ander in het ideaal, en misschien ook--als de geringe

mate van verstand in dien geweldigen en bekoorlijken zielstoestand

vermengd--een onduidelijk, dof instinct om dit vreeselijk avontuur

in zijn geheugen te verstikken, waarin hij niet gemengd wenschte te

zijn, dewijl hij noch als verhaler noch als getuige kon optreden,

zonder tevens beschuldiger te moeten worden. Overigens waren deze

weinige weken als een weerlicht geweest; men had voor niets anders

den tijd gehad dan om elkander te beminnen. Kortom, alles gewikt en

gewogen, zou, indien hij aan Cosette de hinderlaag in het huis Gorbeau

verhaald, haar de Thénardiers genoemd had, welke ook de gevolgen ervan

waren geweest, zelfs indien hij ontdekt had dat Jean Valjean een

tuchteling was, zou dit hem zelven, Marius, zou dit haar, Cosette,

veranderd hebben? Zou hij teruggetreden zijn? Zou hij haar minder

hebben bemind? Zou hij daarom met haar niet getrouwd zijn? Neen. Zou

het iets veranderd hebben aan 't geen gebeurd was? Neen. Hij had dus

niets te betreuren, zich niets te verwijten. Alles was zoo goed. Er

is een God voor die dronkaards, welke men verliefden noemt. Blind had

Marius den weg betreden, dien hij ziende zou gekozen hebben. De liefde

had hem geblinddoekt, om hem, waarheen? te voeren. Naar het Paradijs.

Maar dit paradijs grensde nu aan een hel.

De vroegere afkeer van Marius voor dezen man, voor dezen Fauchelevent,

nu Jean Valjean geworden, was thans met afschuw gemengd.

Wij moeten evenwel zeggen, dat in dezen afschuw eenig medelijden,

ja een zekere verwondering lag.

Deze dief, deze dief bij herhaling, had hem toevertrouwd geld

teruggegeven. En hoeveel geld? Zesmaal honderd duizend francs. Het

geheim hiervan was hem alleen bekend. Hij had alles kunnen behouden,

maar had alles overgegeven.

Bovendien had hij uit zich zelven zijn toestand geopenbaard. Niets

verplichtte er hem toe. Zoo men wist wie hij was, was 't door hem

zelven. In deze bekentenis lag meer dan de aanneming van deemoediging,

er lag de onderwerping aan gevaar in. Voor een veroordeelde is

een masker geen masker, 't is een schuilplaats. Hij had van die

schuilplaats afstand gedaan. Een valsche naam is een veiligheid; hij

had dien valschen naam weggeworpen. Hij, galeiboef, kon zich voor

altijd in een achtenswaardige familie verbergen; hij had aan deze

verzoeking weerstand geboden. Om welke reden? Uit gewetensbezwaar. Hij

had dit zelf verklaard, op den onwraakbaren toon der waarheid. Kortom,

wie Valjean zijn mocht, 't was onbetwistbaar een ontwakend geweten. 't

Was het begin eener geheime bekeering, en naar alle waarschijnlijkheid

had het geweten zich reeds lang bij dezen man doen gelden. Zulke

overgangen tot het goede en deugdzame zijn niet aan gewone naturen

eigen. De ontwaking van het geweten is grootheid van ziel.

Jean Valjean was oprecht. Deze onzichtbare, tastbare, onwederlegbare,

en zelfs door de smart, welke zij hem veroorzaakte, bewezen

oprechtheid, maakte alle navorsching overbodig en gaf gezag aan al wat

deze man zeide. Voor Marius ontstond hieruit een zonderlinge omkeer

van beschouwing. Wat boezemde de heer Fauchelevent in? Wantrouwen. Wat

verwekte Jean Valjean? Vertrouwen. In de geheimzinnige balans van dien

Jean Valjean, welke Marius in zijn geest opmaakte, erkende hij het

actief en het passief, en trachtte het saldo op te maken. Maar 't was

alles als in een storm. Marius poogde zich een juist denkbeeld van dien

man te vormen en, om zoo te spreken, Jean Valjean in zijn gedachten

vervolgende, verloor en hervond hij hem in een noodlottigen nevel.

Het eerlijk wedergegeven bewaarde geld, de trouwhartige bekentenis--dat

was goed. Dit veroorzaakte als een lichtopening in een wolk, maar

dadelijk werd de wolk weder donker.

Hoe verward zijn herinneringen waren, Marius zag er eenige schaduw van.

Wat was eigenlijk het avontuur in het verblijf van Jondrette? Waarom

was deze man, Jean Valjean, bij de komst van de politie gevlucht,

in plaats van zich te beklagen? Marius vond hierop het antwoord. Wijl

deze man een tuchteling was, die zijn ban verbroken had.

Een andere vraag: Waarom was deze man in de barricade gekomen? Want

nu vond Marius deze herinnering duidelijk weder, welke in zijn

aandoeningen was te voorschijn gekomen als de sympathetische inkt

bij het vuur. Deze man was in de barricade. Hij streed er niet. Wat

was hij er komen doen? Voor deze vraag rees een spookbeeld op en

beantwoordde ze. Marius herinnerde zich op dit oogenblik volkomen

de sombere verschijning van Jean Valjean, die Javert gekneveld

uit de barricade sleepte, en nog hoorde hij achter den hoek der

kleine straat Mondétour het vreeselijk pistoolschot. Er bestond

waarschijnlijk haat tusschen dien spion en dezen galeiboef. De een

hinderde den ander. Jean Valjean was naar de barricade gegaan om zich

te wreken. Hij was er laat gekomen, en wist vermoedelijk dat Javert er

gevangen was. De corsicaansche vendette is tot sommige lage kringen

doorgedrongen en geldt er als wet; zij is zoo natuurlijk voor die

zielen, welke ten halve tot het goede zijn teruggekeerd; en deze

zielen zijn zoodanig gestemd, dat een misdadiger, die op den weg

van berouw is, gemoedsbezwaar kan hebben ten aanzien van diefstal,

maar niet ten aanzien van wraak. Jean Valjean had Javert gedood. Dit

scheen ten minste duidelijk.

Eindelijk de laatste vraag; maar op deze was niet te antwoorden. Marius

voelde deze vraag als een nijptang. Hoe kwam het, dat Jean Valjeans

leven zoo lang met dat van Cosette verbonden was geweest? Wat

beteekende dit duister spel der Voorzienigheid, die dit kind

met dien man in aanraking had gebracht? Zijn er dan ook hierboven

tweemans-ketenen, en heeft God er behagen in, een engel en een duivel

samen te koppelen? De misdaad en de onschuld kunnen dus slaapgenooten

zijn in het geheimzinnig bagno der ellende? Kunnen in dien hollen weg,

welke het menschelijk lot wordt genoemd, twee hoofden naast elkander

gaan, het eene onschuldig, het andere vreeselijk, het eene blinkend

van hemelsch morgenlicht, het andere voor immer bleek door het

schijnsel van een eeuwigen bliksem? Wie had zulk een onverklaarbare

samenkoppeling kunnen beschikken? Op welke wijze, ten gevolge van

welk wonder, had dit gemeenschappelijk leven tusschen dit hemelsche

meisje en dezen ouden doemeling kunnen ontstaan? Wie had het lam met

den wolf kunnen vereenigen, en, wat onbegrijpelijker is, den wolf met

het lam? Want de wolf beminde het lam, want het wreede wezen aanbad

het zwakke wezen, want sedert negen jaren had de engel tot steun en

beschermer het monster gehad. De kindsheid en de jeugd van Cosette,

haar intrede in het leven, haar maagdelijke wasdom naar leven en

licht, waren door deze monsterachtige vereeniging beschermd. Hier

losten zich de vragen in tallooze raadsels op, afgronden openden zich

in afgronden, en Marius kon zich niet meer tot Jean Valjean buigen

zonder te duizelen. Wie was toch deze ondoorgrondelijke man?

De oude Scheppings-symbolen zijn eeuwig; in de menschelijke

maatschappij, zooals zij thans bestaat, tot een grootere helderheid

haar zal veranderen, zijn er altijd twee menschen, de eene verheven,

de andere laag; de goede is Abel, de kwade is Kaïn. Wie was nu deze

teedere Kaïn? Wie was deze bandiet, in heilige vereering eener maagd,

over welke hij waakte, welke hij opvoedde, bewaarde, achtte en welke

hij, onreine, in reinheid hulde. Wat was deze modderpoel, die deze

onschuld zoodanig vereerde, dat er zelfs geen smet op kleefde? Wie

was deze Jean Valjean die Cosette had opgevoed? Wat was deze gestalte

uit de duisternis, die geen andere zorg had, dan eene opgaande star

voor schaduw en wolken te behoeden?

Dit was Jean Valjeans geheim; dit was ook Gods geheim.

Voor dat dubbel geheim deinsde Marius terug. Het eene stelde hem

eenigerwijs aangaande het andere gerust. God was in dit avontuur

evenzeer zichtbaar als Jean Valjean. God heeft zijn werktuigen. Hij

bedient zich van 't geen hij wil. Hij is jegens den mensch niet

verantwoordelijk. Kennen wij Gods wegen? Jean Valjean had aan

Cosette gearbeid. Hij had haar ziel een weinig gevormd. 't Was

onbetwistbaar. En verder? 't Was een leelijke werkman, maar

het werk was bewonderenswaardig. God werkt zijn wonderen naar

goedvinden. Hij had de bekoorlijke Cosette gevormd en daartoe Jean

Valjean gebruikt. Het had hem behaagd den zonderlingen medewerker

te kiezen. Welke rekenschap hebben wij van hem te vorderen? Is het

de eerste keer, dat de mesthoop de lente helpt om een roos voort

te brengen?

De Ellendigen (Deel 5 van 5) · 第 20 / 25 段