verslagen, misschien verpletterd, helaas! onder de zwaarte van het lot,
met krampachtige handen, de armen recht uitgestrekt als een afgenomen
gekruisigde, dien men met het gezicht ter aarde heeft gelegd. Zoo bleef
hij twaalf uren, de twaalf uren van een langen winternacht, verstijfd
van koude, zonder het hoofd op te richten, zonder te spreken. Hij
was onbewegelijk als een lijk, terwijl zijn geest langs de aarde
kroop en opvloog, nu als de hydra dan als de arend. Als men hem
zoo bewegingloos gezien had, zou men hem voor dood hebben gehouden;
maar eensklaps trilde hij stuiptrekkend, en zijn mond op Cosettes
kleederen drukkende, kuste hij ze;--toen zag men dat hij leefde.
Wie, Men? Jean Valjean was immers alleen en niemand was dààr?
De Men, die in de duisternis is.
BOEK VII.
DE LAATSTE TEUG UIT DEN BEKER.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE ZEVENDE CIRKEL EN DE ACHTSTE HEMEL.
De dag na de bruiloft is stil. Men eerbiedigt de overwegingen der
gelukkigen; ook een weinig hun laten slaap. Het rumoer der bezoeken
en gelukwenschen begint eerst later weder. Het was op den ochtend
van den 17 Februari een weinig over het middaguur, toen Basque, die
met een doek en den stoffer onder den arm, bezig was "de voorkamer
te doen", zacht aan de deur hoorde tikken. Men had niet gescheld,
't geen op zulk een dag fatsoenlijk is. Basque opende en zag mijnheer
Fauchelevent. Hij voerde hem in het salon, waarin nog alles overhoop
lag en die het slagveld der vreugden van den vorigen dag geleek.
"Drommels! mijnheer," merkte Basque op, "wij zijn laat opgestaan."
"Is uw meester bij de hand?" vroeg Jean Valjean.
"Hoe gaat het met den arm van mijnheer?" antwoordde Basque.
"Beter. Is uw meester bij de hand?"
"Welke? de oude of de nieuwe?"
"Mijnheer Pontmercy."
"Mijnheer de baron?" verbeterde Basque het hoofd oprichtende. Men is
vooral voor zijn dienstboden baron. Daar komt hun iets van toe; zij
bezitten hetgeen een philosoof de bespotting van den titel zou noemen,
en dat streelt hen. Marius, dit moet in 't voorbijgaan gezegd worden,
een heftig republikein, zooals hij bewezen had, was nu tegen wil en
dank baron. Door dien titel was in de familie een kleine revolutie
ontstaan. Thans was het de heer Gillenormand die er aan hechtte,
en Marius die er onverschillig voor was. Maar kolonel Pontmercy had
geschreven: "Mijn zoon zal mijn titel voeren." Marius gehoorzaamde. En
Cosette, in wie de vrouw begon te voorschijn te komen, was gestreeld
barones te zijn.
"Mijnheer de baron?" herhaalde Basque. "Ik zal eens zien. Ik zal hem
zeggen, dat mijnheer Fauchelevent er is."
"Neen, zeg hem niet, dat ik het ben. Zeg hem, dat iemand hem eens
afzonderlijk wenscht te spreken, maar noem geen naam."
"Zoo," zei Basque.
"Ik wil hem een verrassing bezorgen."
"Zoo!" hernam Basque, zich zelven door zijn tweede "zoo" zijn eerste
verklarende.
En hij verwijderde zich.
Jean Valjean bleef alleen.
Het salon was, gelijk wij gezegd hebben, geheel in wanorde. Het
scheen, dat men er noch flauw het gerucht der bruiloft hoorde. Op
den vloer lagen allerlei bloemen, die uit de kransen en de kapsels
gevallen waren. De geheel afgebrande waskaarsen vormden een soort
van druipsteen aan het kristal der lichtkronen. Geen meubel stond
op zijn plaats. Drie of vier stoelen in een hoek dicht bijeenstaande
schenen een gesprek voort te zetten. Het was een aangenaam geheel. Er
is nog iets bevalligs in een afgeloopen feest. 't Is zoo gelukkig
geweest. Op deze verspreide stoelen, onder deze verlepte bloemen,
onder deze uitgebrande lichten heeft men blijdschap genoten. De zon
volgde de lichtkroon op en trad vroolijk het salon binnen.
Eenige minuten verstreken. Jean Valjean stond bewegingloos op de plek
waar Basque hem verlaten had. Hij was zeer bleek.
Zijn oogen waren dof en zoo hol, ten gevolge der slapeloosheid, dat
zij schier in hun kassen verdwenen. Zijn zwarte rok had de scherpe
kreuken van een kleedingstuk, dat des nachts niet van het lijf is
geweest. De ellebogen waren donsachtig wit, door de wrijving van het
linnen met het laken. Jean Valjean zag aan zijn voeten het venster,
door de zon op den vloer afgeteekend.
Een gerucht ontstond aan de deur, hij sloeg de oogen op.
Marius trad binnen met opgericht hoofd, glimlachenden mond, met een
onbeschrijfelijken glans op het gelaat, en zegevierenden blik. Ook
hij had niet geslapen.
"Gij hier, vader!" riep hij, Jean Valjean ziende; "die domme Basque zag
zoo geheimzinnig! Maar ge komt te vroeg. 't Is eerst half een. Cosette
slaapt nog."
Het woord "vader", waarmede Marius Fauchelevent noemde, beteekende:
Hoogste zaligheid. Tusschen beiden, gelijk men weet, had steeds
stijfheid, koelheid en dwang bestaan; het ijs moest gebroken worden of
smelten. Thans was Marius in die soort van bedwelming, dat de strakheid
buigzamer werd, dat het ijs smolt, en dat de heer Fauchelevent voor
hem evenals voor Cosette een vader was.
Hij ging voort; de woorden vloeiden hem uit den mond, 't geen aan de
hemelsche opgetogenheid der vreugd eigen is.
"Hoe verblijd ben ik u te zien! Zoo ge wist, hoe gij hier gisteren
ontbroken hebt. Goeden dag, vader; hoe gaat het met uw hand? Beter,
niet waar?"
En voldaan met het gunstig antwoord dat hij zich zelven gaf,
vervolgde hij:
"Wij hebben veel over u gesproken, Cosette en ik. Cosette bemint u
zoozeer! Vergeet niet, dat ge hier uw kamer hebt. Wij willen niets
meer van de straat de l'Homme-Armé weten. Hoe kondt ge toch in die
straat gaan wonen, die ongezond, somber, koud, leelijk is, en die
geen uitgang heeft? Gij moet hier uw intrek komen nemen. En wel van
heden af. Of ge zult met Cosette te doen hebben. Zij stelt zich voor,
ons allen onder den duim te krijgen; dit zeg ik u vooraf. Ge hebt
uw kamer gezien, zij is dicht bij de onze en ziet op den tuin uit;
men heeft het slot doen herstellen; het bed is gespreid en gereed,
ge behoeft slechts te komen. Cosette heeft bij uw bed een groote
oude bergère geplaatst en tot haar gezegd: Steek hem uw armen toe. In
het acaciaboschje voor uw venster komt elke lente een nachtegaal. Ge
zult hem binnen twee maanden zien. Zijn nestje zal aan uw linkerhand,
het onze aan uw rechterhand, zijn. Des nachts zal hij zingen en over
dag zal Cosette praten. Uw kamer ligt op het zuiden. Cosette zal er
uw boeken plaatsen, uw reis van kapitein Cook en de andere, die van
Vancouver, al uw zaken. Ik geloof, dat ge een klein koffertje hebt,
waaraan ge veel waarde hecht; daarvoor heb ik een eereplaats gereed
gemaakt. Ge hebt mijn grootvader geheel voor u gewonnen; hij houdt van
u. Wij zullen te zamen wonen. Kunt ge whisten? Gij zult mijn grootvader
geheel innemen, zoo ge whisten kunt. Ge zult met Cosette gaan wandelen,
op de dagen dat ik in het Paleis van Justitie moet zijn, ge zult haar
den arm geven, evenals vroeger in het Luxembourg, ge weet nog wel. Wij
hebben vast besloten heel gelukkig te zijn. En gij zult in ons geluk
deelen, hoort ge, vader. Nu, heden ontbijt ge met ons, niet waar?"
"Mijnheer," zei Jean Valjean, "ik moet u iets zeggen. Ik ben een
oude galeiboef."
De grens der hoorbare scherpe klanken kan misschien evenzeer voor
den geest als voor het oor overschreden worden. Deze woorden:
"Ik ben een oude galeiboef" die uit den mond van Fauchelevent in
't oor van Marius drongen, overtroffen het mogelijke. Marius hoorde
niet. 't Scheen dat hem iets gezegd was, maar hij wist niet wat. Hij
bleef met open mond staan.
Toen bespeurde hij, dat de man, die tot hem sprak, er verschrikkelijk
uitzag. Tot op dezen oogenblik had hij, in de bedwelming zijner vreugd,
deze vreeselijke bleekheid niet opgemerkt.
Jean Valjean maakte den zwarten doek, waarin zijn rechterarm lag,
open, nam het linnen, dat om zijn hand was gewikkeld, weg, en liet
zijn blooten duim aan Marius zien.
"Mijn hand deert niets," zeide hij.
Marius bezag den duim.
"Ik heb er nooit iets aan gehad," hernam Jean Valjean.
Er was inderdaad geen spoor van eenige wonde te zien.
Jean Valjean hernam:
"Ik mocht niet bij uw huwelijk tegenwoordig zijn. Ik heb mij zooveel
afwezig gehouden als mij mogelijk was. Ik heb deze wond voorgewend,
om geen valschheid te verrichten, om de trouw-acte niet van nul en
geener waarde te doen zijn, om niet te behoeven te onderteekenen."
Marius stamelde:
"Wat wilt ge zeggen?"
"Ik wil zeggen," antwoordde Jean Valjean, "dat ik op de galeien
ben geweest."
"Gij maakt mij krankzinnig!" riep Marius verschrikt.
"Mijnheer Pontmercy," zei Jean Valjean, "ik ben negentien jaren op de
galeien geweest. Wegens diefstal. Vervolgens ben ik tot altoosdurende
galeistraf veroordeeld. Wegens diefstal. Wegens herhaling van
misdaad. Op dit oogenblik ben ik een wederspannige aan de wet, iemand,
die zijn ban verbroken heeft."
Wat Marius deed om voor de werkelijkheid terug te deinzen, het feit
niet aan te nemen, zich tegen de waarheid te verzetten, hij moest
er zich aan onderwerpen. Hij begon te begrijpen, en zooals 't in
dergelijke gevallen meestal gebeurt, hij ging hierin te ver. Hij
rilde als voor een schrikkelijken inwendigen bliksem; een denkbeeld,
dat hem deed sidderen, schoot door zijn geest. Hij zag zijn eigen
lot in de toekomst verwoest.
"Spreek, zeg alles!" riep hij, "gij zijt Cosettes vader."
En met een onbeschrijfelijke beweging van afschuw trad hij twee
schreden achteruit.
Jean Valjean richtte het hoofd op, met zulk een majestueuse houding,
dat hij aan de zoldering scheen te reiken.
"'t Is noodzakelijk, dat ge mij hierin gelooft, mijnheer; hoewel
de eed, dien ik en mijnsgelijken doen, bij de justitie niet van
kracht is."
Hier hield hij een oogenblik stil; toen vervolgde hij op een
gebiedenden, somberen toon, langzaam op ieder woord drukkende:
"Gij moet mij gelooven. Ik de vader van Cosette! bij God, neen. Ik ben
een boer van Faverolles, mijnheer de baron Pontmercy! Ik verdiende
den kost met boomsnoeien. Ik heet niet Fauchelevent, ik heet Jean
Valjean. Ik ben volstrekt geen familie van Cosette. Wees gerust."
Marius stamelde:
"Wat bewijst mij?..."
"Ik; wijl ik 't u zeg."
Marius staarde den man aan! Hij was somber en kalm. Geen logen kon uit
zulk een kalmte komen. Het koele is oprecht. Men voelde de waarheid
in deze kilheid des grafs.
"Ik geloof u," zei Marius.
Jean Valjean boog het hoofd als om hiervan acte te nemen, en hernam:
"Wat ben ik voor Cosette? Iemand, die haar toevallig ontmoette. Tien
jaren geleden, wist ik niet, dat zij bestond. Ik bemin haar, 't is
waar. Men bemint een kind, dat men klein heeft gezien, terwijl men
zelf reeds oud was. Als men oud is, gevoelt men zich een grootvader van
alle kleine kinderen. Mij dunkt, dat ge wel zult gelooven, dat ik zoo
iets als een hart heb. Zij was een weeze. Zonder ouders. Zij had mij
noodig. Dat is de reden, waarom ik haar begon te beminnen. Kinderen
zijn zoo zwak, dat de eerste de beste, zelfs een man als ik, hun
beschermer kan zijn. Ik heb dien plicht jegens Cosette vervuld. Ik
geloof niet, dat men iets zoo gerings inderdaad een goede daad kan
noemen; zoo het echter een goede daad is, reken dan dat ik ze verricht
heb. Breng deze verzachtende omstandigheid in rekening. Thans verlaat
Cosette mijn leven, onze twee wegen scheiden. Voortaan kan ik niets
meer voor haar zijn. Zij is mevrouw Pontmercy. Haar bestemming is
veranderd. En Cosette wint bij deze verandering. Alles is goed. Gij
spreekt niet van de zesmaal honderd duizend francs, maar ik zal uw
gedachte hierin voorkomen; 't zijn in bewaring gegeven gelden. 't Is
onverschillig hoe zij in mijn bezit zijn gekomen! Ik geef ze terug. Men
heeft niets meer van mij te vorderen. Ik maak de teruggave volledig,
door mijn waren naam te zeggen. Ook dit is mijn zaak. Ik ben er op
gesteld, dat ge weet, wie ik ben."
En Jean Valjean zag Marius strak in het gezicht.
Al wat Marius gevoelde, was verward en onsamenhangend. Sommige vlagen
van het lot veroorzaken zulke verbijsteringen in onze ziel.
Wij allen hebben zulke oogenblikken van verbijstering gehad, die
ons in verwarring brengen; wij zeggen, wat het eerst in ons opkomt,
't geen juist niet altijd datgene is, wat wij wilden zeggen. Er zijn
plotselinge openbaringen, die men niet bedwingen kan en die bedwelmen
als een heillooze wijn. Marius was zoodanig verstomd door den nieuwen
toestand, die voor hem verrees, dat hij tot dien man sprak alsof hij
schier boos over deze bekentenis was.
"Maar," riep hij, "waarom zegt ge mij dit alles toch? Wat dwingt er u
toe? Ge kondt uw geheim voor u zelven behouden. Ge zijt noch verraden,
noch wordt vervolgd, noch is er u om gevraagd. Ge moet een reden
hebben om uit vrijen lust zulk een openbaring te doen. Spreek. Er
schuilt iets achter. Waarom doet ge deze bekentenis? Om welke reden?"
"Om welke reden?" antwoordde Jean Valjean, met zulk een zachte,
gesmoorde stem, dat het veeleer was, alsof hij tot zich zelven, dan
tot Marius sprak. "Inderdaad, om welke reden zegt deze tuchteling:
ik ben een galeiboef? Ja, voorwaar de reden is zonderling. 't Is uit
eerlijkheid. Zie, 't is ongelukkig, dat ik in mijn hart een draad
heb, die mij bindt. 't Is vooral wanneer men oud is, dat deze draden
sterk zijn. Het geheele leven om zich heen lost zich op; alleen die
draden blijven. Indien ik dien draad had kunnen uitrukken, breken,
den knoop losmaken of hem doorhakken, ver van hier gaan, ik ware gered
geweest, ik behoefde slechts te vertrekken; in de straat du Bouloy zijn
diligences; nu gij gelukkig zijt, ga ik heen. Ik heb gepoogd dien draad
te breken; ik heb er aan getrokken, maar hij wilde niet breken, en ik
rukte er mijn hart mede uit. Toen zeide ik: Ik kan niet elders leven
dan hier. Ik moet blijven. Nu ja, gij hebt gelijk, ik ben een dwaas,
waarom ben ik niet eenvoudig gebleven zooals ik was? Gij biedt mij een
kamer in het huis aan; mevrouw Pontmercy bemint mij. Zij zegt tot dien
armstoel: steek hem uw armen toe; uw grootvader wenscht niets liever,
dan mij bij zich te hebben; ik pas voor hem; wij zullen samen wonen,
gemeenschappelijk eten, ik zal aan Cosette den arm geven--aan mevrouw
Pontmercy, verschoon mij, 't is de gewoonte.--Wij zullen slechts één
dak, één tafel, één vuur hebben; hetzelfde hoekje van den haard des
winters, dezelfde wandeling des zomers; dat is vreugd, dat is geluk,
dat is alles. Wij zullen één familie uitmaken. Samen leven!"
Bij deze woorden werd Jean Valjean woest. Hij kruiste zijn armen
op de borst, zag naar den vloer aan zijn voeten, als had hij er een
afgrond in willen boren, en zijn stem werd eensklaps heftig:
"Een familie! neen. Ik behoor tot geen familie. Ik behoor niet
tot de uwe. Ik behoor niet tot die der menschen. In de huizen,
waar men in familie is, ben ik te veel. Er zijn familiën, maar niet
voor mij. Ik ben de ongelukkige, ik ben er buiten. Heb ik een vader,
een moeder gehad? Ik twijfel er schier aan. Den dag, dat ik dit kind
uithuwelijkte, was alles uit; ik heb haar gelukkig gezien met den
man, dien zij bemint, en dat in dit huis een goede grijsaard, een
gezin van twee engelen was, met allerlei geluk, en ik zeide tot mij:
Ga niet binnen, gij. Ik kon liegen, 't is waar, u allen bedriegen,
mijnheer Fauchelevent blijven. Zoo lang het haar gold, kon ik liegen,
maar nu zou het mij gelden, en ik mag niet. 't Is waar, dat ik slechts
behoefde te zwijgen, om alles hetzelfde te doen blijven. Ge vraagt mij
wat mij tot spreken dwingt? Iets wonderbaars; mijn geweten. Zwijgen
was mij echter zeer gemakkelijk. Ik heb den nacht doorgebracht met er
mij toe over te halen; gij neemt mij in verhoor, en 't geen ik zeg,
komt u zoo buitengewoon voor, dat ge er het recht toe hebt; nu, ja, ik
heb den nacht doorgebracht met mij te overreden; ik heb zeer krachtige
redenen aangewend, ik heb gedaan wat ik kon; ik verzeker 't u. Maar
er zijn twee zaken, waarin ik niet geslaagd ben; noch den draad te
breken die mij vast aan 't hart zit; noch iets tot zwijgen te brengen,
dat zacht tot mij spreekt, wanneer ik alleen ben. Daarom ben ik van
ochtend u dit alles komen bekennen. Alles of genoegzaam alles. 't
Is noodeloos u te zeggen, wat mij alleen betreft; ik behoud dit voor
mij. Het voornaamste weet ge. Ik heb dus mijn geheim genomen en het u
gebracht. Voor uwe oogen heb ik mijn geheim geopend. Dat besluit was
niet gemakkelijk te nemen. Den ganschen nacht heb ik geworsteld. O,
meent gij, dat ik niet tot mij zelven gezegd heb, dat dit niet de
zaak Champmathieu was, dat ik door mijn naam te verbergen niemand
benadeelde, dat mij de naam Fauchelevent door Fauchelevent zelven
was gegeven, uit dankbaarheid wegens een bewezen dienst, en dat ik
hem behouden kon; dat ik gelukkig zou zijn in deze kamer welke ge
mij aanbiedt, dat ik niemand zou hinderen in mijn hoekje, en dat,
terwijl gij Cosette bezat, ik mij zou verheugen in 't zelfde huis
met haar te zijn. Ieder zou in het geluk gedeeld hebben. Door steeds
mijnheer Fauchelevent te blijven, was alles terecht gekomen. Ja,
behalve mijne ziel. Overal in mij was vreugd, maar de bodem mijner
ziel bleef donker. 't Is niet genoeg, gelukkig te zijn; men moet
tevreden wezen. Dus zou ik mijnheer Fauchelevent zijn gebleven, ik
zou mijn waar gezicht verborgen hebben, tegenover uw geluk zou ik een
raadsel zijn geweest, te midden van uw licht zou ik duisternis hebben
geworpen; zonder u te waarschuwen, zou ik het bagno in uw huis hebben
gebracht; ik zou aan uw disch hebben plaats genomen, met de gedachte:
dat zoo ge wist wie ik was, gij mij wegjagen zoudt; ik zou mij door
dienstboden hebben laten bedienen, die, zoo zij 't geweten hadden,
gezegd zouden hebben: Welk een schandaal! Ik zou u onwillekeurig
hebben aangeraakt, ik zou uwe handdrukken gestolen hebben! In uw
huis zouden eerwaardige witte haren en geschandvlekte witte haren
gelijkelijk vereerd zijn; in de vertrouwelijkste oogenblikken,
wanneer men meent de harten tot in de diepste schuilhoeken voor
elkander te hebben opengelegd, wanneer wij met ons vieren te zamen
waren, uw grootvader, gij met uw beiden, en ik, zou er een onbekende
zijn geweest! Ik zou aan uw zijde uw leven hebben gedeeld, steeds
bezorgd het deksel van dien vreeselijken put op te lichten; ik, een
doode, zou mij aan u, levenden, hebben opgedrongen. Ik zou haar voor
altijd aan mijn lot gedoemd hebben. Gij, Cosette en ik zouden drie
hoofden onder een groene tuchtelingenmuts zijn geweest! Huivert gij
niet? Ik, die slechts de meest gebogen mensch ter wereld ben, zou
de afschuwelijkste zijn geworden. En deze misdaad zou ik elken dag
bedreven, dezen logen zou ik elken dag herhaald hebben! elken dag,
jegens u, mijn teedergeliefden; jegens u, mijn kinderen; jegens u,
onschuldigen! Is 't niet eenvoudig, het stilzwijgen te bewaren? Neen,
't is niet eenvoudig. Er is een stilzwijgen dat liegt. En mijn leugen,
en mijn bedrog, en mijn schandelijkheid, en mijn laagheid, en mijn
verraad, en mijn misdaad, zou ik droppel voor droppel gedronken,
uitgespogen, weder gedronken hebben; ik zou te middernacht geëindigd,
des middags weder begonnen zijn, en mijn goeden avond zou gelogen,
mijn goeden morgen zou gelogen hebben; ik zou daarop geslapen, daarbij
mijn brood gegeten hebben; ik zou Cosette in het gezicht gezien en
den glimlach des engels met den glimlach van den doemeling beantwoord
hebben; ik zou een afschuwelijke bedrieger zijn geweest. Waarom? Om
gelukkig te zijn? Ik gelukkig zijn! Heb ik het recht gelukkig te
zijn? Ik ben buiten het leven, mijnheer!"
Jean Valjean zweeg. Marius luisterde, zulk een schakel van gedachten en
angsten kan niet afgebroken worden. Jean Valjean sprak nu nog zachter,
maar 't was nu geen doffe, maar een akelige stem.
"Gij vraagt, waarom ik spreek? gij zegt dat ik noch verraden, noch
vervolgd, noch tot spreken verplicht word. Ja, ik ben verraden;
ik ben vervolgd; ik ben tot spreken gedwongen! Door wien? door mij
zelven. Ik zelf sluit mij den weg, ik sleep, ik drijf mij voort,
ik sta stil en lever mij over en wanneer men zich zelven bestuurt,
wordt men goed bestuurd."
En zijn eigen rok met volle vuist vattende en naar Marius uitstekende,
hernam hij:
"Zie deze vuist. Vindt ge niet, dat zij dezen kraag houdt als om hem
niet weder los te laten? Welnu, het geweten is nog een andere vuist. Om
gelukkig te zijn, mijnheer, moet men den plicht niet begrijpen, want
zoodra men hem begrepen heeft, is hij onverbiddelijk. Men zou zeggen
dat hij dengene straft die hem begrijpt; maar neen; hij beloont hem
er voor; want hij brengt hem in een hel, waar men God naast zich
voelt. Men heeft zijn hart niet zoodra verbrijzeld, of men is in
vrede met zich zelven."
En op onuitsprekelijken toon voegde hij er bij: "Mijnheer Pontmercy,
dit alles is dwaasheid, ik ben een eerlijk man. Door mij voor uw oogen
te vernederen, verhef ik mij in de mijne. 't Is mij reeds eens gebeurd,
maar het was minder smartelijk; 't was niets. Ja, een eerlijk man. Ik
zou het niet zijn, zoo gij, door mijn schuld, mij verder geacht hadt,
thans, nu ge mij veracht, ben ik het. Deze noodlottigheid rust op mij,
dat ik geene andere dan gestolen achting kan genieten, en deze achting
mij inwendig vernedert en drukt, en men mij moet verachten, opdat
ik mij zelven kunne achten. Dan verhef ik mij. Ik ben een galeiboef,
die zijn geweten gehoorzaamt. Ik weet dat dit niet bij elkander past,
maar wat kan ik er aan doen? 't Is zóó. Ik heb verbintenissen met mij
zelven aangegaan, en houd ze. Er zijn toestanden, die ons binden,
er zijn omstandigheden die plichten vorderen. Ik heb in mijn leven
veel ondervonden, mijnheer Pontmercy."
Wederom zweeg Jean Valjean, zijn keel bevochtigende met een inspanning
als hadden zijn woorden een bitteren nasmaak, en hij hernam:
"Wanneer zulk een afschuw op ons rust, heeft men het recht niet dien
aan anderen, zonder hun weten, mede te deelen; men heeft het recht
niet, hen met zijn pest te besmetten; men heeft het recht niet, hen
in zijn afgrond mede te sleepen, zonder dat zij 't weten; men heeft
het recht niet, hen zijn rood boevenbuis te laten dragen; men heeft
het recht niet, listig het geluk van anderen door zijn verworpenheid
te storen. Hen, die gezond zijn, te naderen, hen in de duisternis met
zijn ontzichtbare kwaal te besmetten, is afschuwelijk. Fauchelevent
moge mij zijn naam geleend hebben, ik heb het recht niet, er mij
van te bedienen; hij moge hem mij gegeven hebben, ik mag hem niet
aannemen. Een naam is een ik. Weet ge, mijnheer, ik heb een weinig
gedacht, een weinig gelezen, hoewel ik een gering mensch ben; en ge
ziet dat ik mij betamelijk weet uit te drukken. Ik geef mij rekenschap
van de dingen. Ik heb mij zelven opgevoed. Welnu, ja, 't is oneerlijk
zich van een naam meester te maken en er zich onder te verschuilen. De
letters van het alphabet kunnen evenzeer gestolen worden als een
geldbeurs of horloge. Een valsche handteekening in vleesch en been te
zijn, een levende valsche sleutel te zijn, om daarmede het slot van
eerlijke lieden te openen en alzoo bij hen binnen te sluipen, niet
recht voor zich uit te durven zien, maar steeds gluipend; inwendig
eerloos te zijn; neen! neen! neen! neen! Liever lijden, bloeden,
weenen, zich met de nagels het vel van het vleesch scheuren, de nachten
in foltering doorbrengen zich lichaam en ziel doorknagen. Daarom kom
ik u dit alles verhalen. Uit lust des harten, zooals gij zegt."
Hij ademde moeielijk en voegde er nog bij:
"Vroeger stal ik om in 't leven te blijven een brood; maar thans wil
ik niet om te leven een naam stelen."
"Om te leven!" viel Marius hem in de rede. "Gij hebt dien naam niet
noodig om te leven?"
"O, ik weet wat ik zeg," antwoordde Jean Valjean, langzaam het hoofd
opheffende en buigende.
Er ontstond een pauze. Beiden zwegen, ieder verdiept in een afgrond
van gedachten. Marius had zich aan een tafel gezet en liet den hoek van
zijn mond op een zijner gebogen vingers rusten. Jean Valjean ging heen
en weder. Hij stond stil voor een spiegel en bleef bewegingloos. Toen,
als antwoordde hij op een inwendige redeneering, zeide hij, dien
spiegel beschouwende, waarin hij zich niet zag:
"Terwijl ik nu verlicht ben!"
Hij hervatte zijn wandeling en ging naar het andere einde der
kamer. Toen hij zich omkeerde, zag hij, dat Marius hem naoogde. Hij
zeide hem op een onuitsprekelijken toon:
"Ik sleep een weinig met den voet. Gij begrijpt nu waarom."
Toen, zich geheel tot Marius wendende:
"Verbeeld u nu dit, mijnheer: Ik heb niets gezegd, ik ben mijnheer
Fauchelevent gebleven, ik heb bij u mijn intrek genomen, ik behoor
tot uw gezin, ik ben in mijn kamer, des ochtends kom ik in pantoffels
om te ontbijten, des avonds gaan wij alle drie naar den schouwburg;
ik vergezel mevrouw de Pontmercy naar de Tuilerieën en naar het
Koningsplein; wij zijn te zamen; gij meent dat ik uwsgelijke ben;
maar op een goeden ochtend ben ik er, gij zijt er, wij praten, lachen;
gij hoort een stem dezen naam roepen: Jean Valjean! en daar komt deze
vreeselijke hand, de politie, uit de schaduw en rukt mij eensklaps
mijn masker af."
Wederom zweeg hij; Marius had zich bevend opgericht. Jean Valjean
hernam:
"Wat zegt ge ervan?"
De stilte van Marius antwoordde.
Jean Valjean voer voort: