mij verzocht aan mijnheer te zeggen, dat zijn gewonde hand hem pijn
deed en hij niet met mijnheer den baron en mevrouw de barones kon
dineeren. Dat hij zich daarom verschoonde en hij morgenochtend zou
komen. Hij is juist heengegaan."
Deze ledige armstoel temperde een oogenblik de vroolijkheid van het
bruiloftsmaal. Ofschoon de heer Fauchelevent ontbrak, was er echter
de heer Gillenormand, en de grootvader was opgewekt voor twee. Hij
verklaarde, dat mijnheer Fauchelevent gelijk had vroeg naar bed
te gaan, zoo hij pijn had, doch dat de wond overigens niet veel
beteekende. Deze verklaring was voldoende. Wat maakt overigens één
duister plekje bij zulk een overvloedige vreugde? Cosette en Marius
waren in een dier zalige zelfzuchtige oogenblikken, waarin men tot
niets bekwaam is, dan om geluk te smaken. Tevens schoot mijnheer
Gillenormand iets in den zin. "Drommels!" zeide hij, "deze stoel is
ledig. Ga gij er op zitten, Marius. Uw tante, schoon zij ook recht
op u heeft, zal 't u vergunnen. Deze stoel is voor u. Zoo zal 't
aardig zijn. Fortunatus naast Fortunata." De geheele tafel juichte
toe. Marius nam naast Cosette de plaats van Jean Valjean in; en alles
ging zoo goed, dat Cosette, die eerst treurig was over Jean Valjeans
afwezendheid, er zich ten laatste mede verzoende. Wanneer Marius de
plaatsvervanger was, zou Cosette niets hebben te betreuren. Zij zette
haar zacht, in wit satijn geschoeid voetje op den voet van Marius.
Zoodra de armstoel was bezet, was mijnheer Fauchelevent vergeten,
en er ontbrak niets meer. Vijf minuten later lachte men van het eene
tot het andere einde der tafel, zonder aan iets onaangenaams te denken.
Op het dessert dronk de heer Gillenormand staande, met een glas
Champagne in de hand, half gevuld, opdat de beving zijns twee en
negentigjarigen arms het niet deed storten, op de gezondheid van het
jonge paar.
"Ge komt er niet af zonder twee preeken," riep hij. "Van ochtend
hebt ge die van den pastoor gehad, van avond zult ge die van den
grootvader hebben. Hoort, ik wil u een raad geven: Bemint elkander. Ik
zal geen langen omhaal van woorden gebruiken, maar recht op het doel
afgaan: Weest gelukkig. In de schepping zijn geen andere wijzen dan
de tortelduiven. De wijsgeeren zeggen: Matigt uw vreugde. Ik zeg:
Viert uw vreugd den vollen teugel. Weest als duivels verliefd. Weest
razend. De wijsgeeren raaskallen. Ik zou hen in hun wijsbegeerte willen
doen verstikken. Kunnen er in het leven te veel geur, te veel ontloken
rozen, te veel zingende nachtegalen, te veel loof, te veel morgenrood
zijn? Kan men elkander te veel beminnen? Kan men te ingenomen met
elkander zijn? Wees voorzichtig, Estelle, ge zijt al te schoon! Wees
voorzichtig, Nemorin, ge zijt al te schoon. Welke domheid! Kan men
elkander te veel bekoren, te veel liefkoozen, te veel behagen? Kan men
te levend zijn? Kan men te gelukkig zijn? Matigt uw vreugd. Ja wel! Weg
met de wijsgeeren. Wijsheid is vroolijkheid. Laat ons juichen en
jubelen. Zijn wij gelukkig omdat wij goed zijn, of zijn wij goed omdat
wij gelukkig zijn? Laat ons gelukkig zijn zonder te kibbelen. Laat
ons blindelings aan de zon gehoorzamen. Wat is de zon? 't Is de
liefde. Wie liefde zegt, zegt vrouw. Ha, ha! Ziet, de vrouw is de
almacht. Vraagt het dien demagoog Marius, of hij niet de slaaf is
dier kleine tirannes Cosette. En met vollen wil, de lafaard. De vrouw,
geen Robespierre kan haar wederstand bieden; de vrouw regeert. Alleen
voor dat koningschap ben ik nog koningsgezind. Wat is Adam? 't Is het
koningschap van Eva. Er is geen 89 voor Eva. Er was een koninklijke
schepter met een lelie er op; er was een keizerlijke schepter met een
wereldkloot er op; er was een schepter van Karel den Groote van ijzer;
er was een schepter van Lodewijk den Groote van goud, de revolutie
heeft ze alle tusschen haar duim en vinger, als stroohalmen gebroken;
't is gedaan, 't is verbrijzeld, 't ligt ter aarde, er is geen schepter
meer; maar maakt eens een revolutie tegen dien kleinen, welriekenden,
geborduurden zakdoek? Ik zou 't wel eens willen zien! Beproeft
het. Waarom is hij hecht? Omdat 't een lap is. Ha! gij zijt de
negentiende eeuw. Welnu? Wij, wij waren de achttiende eeuw, en even
dom als gij. Verbeeldt u niet, dat ge de wereld veel veranderd hebt,
wijl uw epidemie Cholera en uw dans Cachucha heet; hoe 't ook zij,
men zal wel altijd de vrouwen moeten beminnen. Ik tart u, er aan te
ontkomen. Deze duivelinnetjes zijn onze engeltjes. Ja, de liefde der
vrouw, de kus, is een tooverkring, waar ge onmogelijk kunt uitkomen;
wat mij betreft, ik zou er wel in willen terugkeeren. Wie uwer heeft
in het onmetelijk ruim Venus zien opgaan en alles onder haar tot rust
brengen, Venus, de groote coquette van het heelal, de Celimene van
den oceaan? De oceaan is, voorwaar een ruwe Alcestus. Nu, hij moge
razen, maar zoodra Venus verschijnt, is hij bedaard. Het wilde dier
onderwerpt zich. Wij zijn allen even zóó. Toorn, orkaan, donderslagen,
schuim tot den hemel. Een vrouw komt op het tooneel, een star gaat op;
op de knieën! Marius vocht zes maanden geleden, nu trouwt hij. Goed
gedaan. Ja, Marius, ja Cosette, gij hebt gelijk. Leeft moedig voor
elkander; bemint elkander; laat ons van woede bersten, dat wij
't niet insgelijks kunnen. Verzamelt al de halmpjes van geluk,
die op aarde zijn, en maakt er u een nestje voor het leven van. Nu,
't is geen groot mirakel te beminnen en bemind te worden, als men
jong is. Verbeeldt u niet, dat gij 't uitgevonden hebt. Ook ik heb
gedroomd, gemijmerd, gezucht; ook ik heb deze maanziekte gehad. De
liefde is een kind van zesduizend jaar. De liefde heeft recht op
een langen, witten baard. Methuzalem is bij Cupido een kind. Sedert
zestig eeuwen helpen man en vrouw elkander door de liefde. De duivel,
die slim is, haat den mensch; de man, die nog slimmer is, bemint de
vrouw. Hierdoor heeft hij zich zelven meer goed gedaan, dan de duivel
hem kwaad heeft gebrouwd. Deze slimheid was reeds tijdens het aardsche
paradijs ontdekt. Mijn vrienden, de uitvinding is oud, maar zij is
splinternieuw. Maakt er gebruik van. Weest Daphnis en Chloé, totdat ge
Philemon en Baucis zult zijn. Doet zoo, dat wanneer gij bij elkander
zijt, u niets ontbreke, en dat Cosette voor Marius de zon en Marius
voor Cosette de wereld zij. Cosette, dat de glimlach van uw echtgenoot
het fraaie weder voor u zij; Marius, dat de tranen uwer vrouw regen
voor u zijn. Moge het in uw huis nimmer regenen. Ge hebt het goede
lot in de loterij getroffen, de liefde in het huwelijk; ge hebt het
hoogste lot, houdt het in waarde, bergt het achter slot, verspilt
het niet, bemint elkander, en lacht om al het overige. Gelooft wat ik
zeg. 't Is gezond verstand. Gezond verstand kan niet liegen. Vereert
elkander. Ieder vereert op zijn wijze God. Welnu, de beste wijze om
God te vereeren, is zijne vrouw te beminnen. Ik bemin u, dat is mijn
catechismus. Wie bemint is orthodox. Het vloekwoord van Hendrik IV
plaatst de heiligheid tusschen de losbandigheid en de dronkenschap. Dit
verwondert mij van Hendrik IV. Vrienden, leve de vrouw! Men zegt,
dat ik oud ben; 't is wonderbaar, zoo jong ik mij gevoel. Ik zou in
het bosch naar het gekweel der verliefden willen gaan luisteren. Deze
kinderen, die het geluk hebben, schoon en tevreden te zijn, maken mij
dronken. Ik zou waarlijk nog trouwen, zoo iemand mij wilde hebben. 't
Is onmogelijk, zich te verbeelden, dat God ons voor iets anders heeft
geschapen, dan voor dit: te aanbidden, te kirren, duif, haan te zijn,
van den ochtend tot den avond zijn liefjen te streelen, zich in zijn
vrouw te spiegelen, fier, trotsch te zijn, de borst vooruit te steken;
dat is het doel des levens. Ziedaar, met uw verlof, wat wij in onzen
tijd dachten, toen wij jongelieden waren. O! hoe veel bekoorlijke
vrouwen, lieve gezichtjes en teedere oogjes waren er in dien tijd! O,
ik heb er verwoesting onder gebracht. Bemint elkander dus. Zoo er geen
liefde was, zou ik waarlijk niet weten waarom er een lente is; en wat
mij betreft, ik zou den goeden God bidden, dat hij al de goede dingen
wegsloot, welke hij ons toont, en ze ons ontnam, en de bloemen, de
vogels en de mooie meisjes weder in hun doos legde. Kinderen! ontvangt
den zegen van den ouden man."
De avond was levendig, vroolijk, bekoorlijk. De goede, alles
beheerschende luim van den grootvader, gaf den toon aan het feest en
ieder stemde zich naar deze schier honderdjarige hartelijkheid. Men
danste een weinig, men lachte veel, 't was een prettige bruiloft;
men had er den goeden man Voorheen op kunnen noodigen. Hij was er
trouwens in den persoon van vader Gillenormand.
Eerst was er rumoer, toen stilte.
Het huwelijkspaar verdween.
Een weinig na middernacht werd het huis van Gillenormand een tempel.
Hier zwijgen wij. Op den drempel van een bruiloftsnacht staat een
glimlachende engel met den vinger op den mond.
De ziel verzinkt in eerbied voor het heiligdom, waar de liefde
gevierd wordt.
Boven die huizen moet een glans zweven. De vreugd, welke zij bevatten,
moet als helderheid door de steenen der muren dringen en de duisternis
min of meer verdrijven. 't Kan niet anders, of dit heilig feest
moet een hemelschen straal naar het oneindige schieten. De liefde
is de verheven smeltkroes, waarin de man en de vrouw samensmelten;
daaruit ontstaat het een, drievoudig, volkomen wezen, de menschelijke
drieëenheid.
De liefde is de ware zaligheid. Geen geluk boven dit geluk. De liefde
is de eenige verrukking. Al het overige is er treurig bij.
Beminnen of bemind te hebben is voor het leven genoeg. Vraag niets
meer. Er is geen andere parel in de donkere vormen des levens te
vinden. Beminnen is een voleindiging.
DERDE HOOFDSTUK.
DE ONAFSCHEIDBARE.
Wat was er van Jean Valjean geworden?
Na op de vriendelijke vermaning van Cosette gelachen te hebben, sloeg
niemand meer acht op Jean Valjean, en was hij opgestaan en ongemerkt
naar de voorkamer gegaan. 't Was dezelfde kamer, die hij, acht maanden
geleden, vuil van slijk, van bloed en buskruit, was binnengegaan, toen
hij den kleinzoon aan den grootvader terugbracht. Het oude houtwerk
was met festons en bloemen behangen; de muzikanten zaten op de canapé,
waarop men Marius had gelegd. Basque, in zwarten rok, korte broek,
witte kousen en handschoenen, was bezig om al de schotels, die zouden
worden opgebracht, met rozenkransen te versieren. Jean Valjean had
hem op zijn verbonden arm gewezen en hem opgedragen zijn vertrek te
verontschuldigen, waarop hij was heengegaan.
De vensters der eetzaal zagen op de straat uit. Onder deze schitterende
vensters bleef Jean Valjean eenige oogenblikken in de duisternis
staan. Hij luisterde. Het verward feestgerucht drong tot hem door. Hij
hoorde de luide stem van den grootvader, de muziek, het gerammel
en gerinkel van borden en glazen, het gelach, en te midden van dit
vroolijk rumoer onderscheidde hij de zachte vroolijke stem van Cosette.
Hij verliet de straat des Filles du Calvaire en keerde terug naar
de straat de l'Homme-Armé, langs de straat Saint Louis, de straat
Culture-Sainte-Catherine en Blancs-Manteaux; 't was een omweg, maar
sedert drie maanden was hij gewoon, ten einde de belemmeringen en het
slijk der straat Vieille du Temple te vermijden, dezen weg dagelijks
te nemen als hij met Cosette uit de straat de l'Homme-Armé naar de
straat des Filles du Calvaire ging.
Daar Cosette dezen weg was gegaan, koos hij dien boven alle andere.
Jean Valjean kwam te huis, stak zijn kaars aan, en ging naar boven. De
kamers waren ledig. Zelfs vrouw Toussaint was er niet meer. De treden
van Jean Valjean maakten in de kamers meer gerucht dan gewoonlijk. Al
de kasten waren open. Hij trad Cosettes kamer binnen. Er waren geen
lakens op het bed. Het hoofdkussen, van sloop met kanten ontdaan,
lag op de gevouwen dekens aan het voeteneinde der matrassen, welker
tijken men zag en waarop niemand meer zou slapen. Al de vrouwelijke
voorwerpen, waaraan Cosette gehecht was, waren medegenomen; er bleven
slechts de groote meubels en de vier muren over. Ook het bed van
vrouw Toussaint was afgehaald. Een enkel bed was opgemaakt, dat van
Jean Valjean.
Jean Valjean zag de muren aan, sloot eenige kastdeuren en ging van
de eene kamer naar de andere. Hij kwam in zijn kamer terug en zette
de kaars op een tafel.
Hij had den doek van zijn arm genomen en gebruikte zijn rechterhand
alsof er hem niets aan deerde.
Hij naderde zijn bed en zijn oogen vestigden zich--was het toevallig
of opzettelijk?--op de "onafscheidbare," waarop Cosette zoo jaloersch
was geweest, op het koffertje dat hem nimmer verliet. Toen hij den
4 Juni in de straat de l'Homme-Armé was gekomen, had hij het op een
kastje bij zijn bed geplaatst. Hij trad eenigszins levendig op dit
kastje toe, nam een sleutel uit zijn zak en opende het koffertje.
Hij nam er langzaam de kleedingstukken uit, waarin Cosette, tien
jaren geleden, Montfermeil had verlaten; in de eerste plaats het
kleine zwarte kleedje, daarop het zwarte halsdoekje, de lompe
kinderschoentjes, welke Cosette schier nog had kunnen dragen,
zoo klein was haar voet, toen het dikke wollen borstrokje, den
gebreiden onderrok, het boezelaartje met zakjes en eindelijk de wollen
kousjes. Deze kousjes, die nog den bevalligen vorm aanduidden van het
fraaie been, waren niet veel langer dan de hand van Jean Valjean. Dat
alles was zwart. Hij had deze kleedingstukken voor haar te Montfermeil
gebracht. Naar gelang hij ze uit het valies nam, legde hij ze op het
bed. Hij peinsde. Hij herinnerde zich, dat het des winters en op een
zeer kouden Decemberdag was geweest; zij bibberde half naakt in haar
armoedige plunje, met haar arme roode voetjes in klompen. Hij, Jean
Valjean, had haar deze ellendige kleederen laten afleggen, om haar
dit rouwgewaad te geven. De moeder moest in haar graf tevreden zijn
geweest, haar dochtertje rouw te zien dragen, en bovenal dat zij goed
en warm gekleed was. Hij dacht aan het bosch van Montfermeil. Cosette
en hij waren 't met elkander doorgegaan; hij dacht aan het toenmalige
gure weder, aan de bladerlooze boomen, aan het bosch zonder vogels,
aan den betrokken hemel; om 't even, het was bekoorlijk. Hij legde
de kleedingstukjes op het bed, het halsdoekje bij het kleedje, de
kousjes naast de schoentjes, het borstrokje naast het onderrokje,
en aanschouwde het een na het ander. Zij was niet grooter dan dat,
had haar groote pop in den arm, en haar louisd'or in het zakje van
dat boezelaartje gestoken; zij lachte; elkander bij de hand houdende
wandelden zij voort; zij had in de wereld niets dan hem.
Toen zonk zijn eerwaardig grijs hoofd op het bed, zijn oud stoïcijns
hart brak, zijn gezicht was, om zoo te spreken, in Cosettes kleederen
verzonken, en zoo iemand op dit oogenblik de kamer was voorbijgegaan,
zou hij een heftig gesnik gehoord hebben.
VIERDE HOOFDSTUK.
IMMORTALE JECUR.
De oude, vreeselijke strijd, dien wij reeds onder verschillende
gedaanten hebben aanschouwd, begon opnieuw. Jakob worstelde slechts
één nacht met den engel. Helaas! hoe dikwerf hebben wij Jean Valjean
in de duisternis in strijd gezien met zijn geweten, en wanhopig er
mede worstelend.
Ongehoorde strijd. Nu eens glijdt de voet uit; dan weder stort de
bodem in. Hoe dikwerf had dit geweten, in het goede volhardend,
hem gegrepen en ternedergedrukt! Hoe dikwerf had de onverbiddelijke
waarheid hem de knie op de borst gezet! Hoe dikwerf had hij, door
het licht ternedergeworpen, genade geroepen! Hoe dikwerf had dit
onverbiddelijke licht, in en boven hem, door den bisschop ontstoken,
hem met geweld verlicht, wanneer hij blind wenschte te zijn. Hoe
dikwerf had hij zich in den strijd weder opgericht, aan de harde rots
zich vasthoudende, op valsche redeneeringen steunende, in het stof
gesleept, nu eens zijn geweten ten onder brengende, dan er door ten
onder gebracht wordende. Hoe dikwerf had hij na een dubbelzinnigheid,
na een valsche, oppervlakkige redeneering der zelfzucht, zijn vertoornd
geweten zich in 't oor hooren toeroepen: Ellendige drogredenaar! Hoe
dikwerf had zijn weerbarstige gedachte krampachtig onder het bewustzijn
van den plicht gereuteld! God weerstand te bieden: Welk een vreeselijke
doodsstrijd. Hoevele geheime wonden voelde hij in zich bloeden! hoe
dikwerf had hij zich opgericht, bloedend, gekwetst, gebroken, verlicht,
met de wanhoop in het hart, de kalmte in de ziel, en verwonnen, zich
overwinnaar voelende! En na hem verlamd, gewond, gebroken te hebben,
zeide hem zijn geweten, vreeselijk, lichtend, kalm boven hem staande:
Ga nu in vrede!
Maar helaas! welk een treurige vrede na zulk een akeligen strijd!
Dezen nacht evenwel gevoelde Jean Valjean, dat hij zijn laatsten
strijd streed.
Een pijnlijke vraag deed zich aan hem voor. De voorbestemming is niet
altijd rechtstreeksch en vertoont zich niet als een rechte weg voor den
gepredestineerde; zij heeft zijwegen, kronkelpaden, donkere bochten,
onrustbarende viersprongen, die verschillende wegen aanbieden. Jean
Valjean stond in dit oogenblik stil op een der gevaarlijkste dezer
viersprongen.
Hij was gekomen aan het laatste punt, waar het goede en het kwade
elkander kruisen. Hij had deze donkere snijding voor oogen. Ditmaal,
zooals hem reeds in andere smartelijke toestanden gebeurd was,
openden zich twee wegen voor hem; de eene aanlokkend, de andere
afschrikkend. Welken te kiezen?
De afschrikkende werd door den geheimzinnigen vinger aangewezen,
dien wij telkens zien, wanneer wij onze oogen op de duisternis richten.
Wederom had Jean Valjean de keus tusschen de vreeselijke haven en de
aanlokkende hinderlaag.
't Is dan waar? de ziel kan genezen worden; het lot niet. 't Is iets
schrikkelijks, een ongeneeslijk lot.
De vraag, welke zich voordeed, was deze:
Op welke wijze zou Jean Valjean zich gedragen tegenover het geluk van
Cosette en Marius? Hij had dit geluk gewild, hij had het bewerkt;
hij had er zich mee doordrongen, en thans, nu hij het beschouwde,
kon hij de voldoening smaken, van een zwaardveger, die het merk zijner
fabriek op den dolk zag, welken hij rookend uit zijn borst trok.
Cosette had Marius; Marius bezat Cosette. Zij hadden alles, zelfs
rijkdom. En dit was zijn werk.
Maar wat zou hij, Jean Valjean, met dit geluk doen, nu het er was,
nu het bestond? Zou hij zich bij dit geluk indringen? het behandelen,
alsof het hem behoorde? Cosette behoorde ontwijfelbaar aan een ander;
maar zou hij, Jean Valjean, van Cosette behouden al wat hij ervan
behouden kon? Zou hij de soort van vader blijven, zooals hij tot
hiertoe schemerachtig betoond, en dien men geëerbiedigd had? Zou
hij gerust bij Cosette gaan wonen? Zou hij, zonder een woord te
zeggen, zijn verleden aan deze toekomst brengen? Zou hij zich daar
vertoonen als rechthebbende, en zich, gesluierd, aan dien lichten
haard zetten? Zou hij glimlachend de handen dezer onschuldigen in
zijn treurige handen nemen? Zou hij zijn voeten, die de onteerende
schaduw der wet achter zich sleepten, in het eerwaardig huis van
den heer Gillenormand zetten. Zou hij dezelfde kansen met Cosette en
Marius deelen? Zou hij de duisternis boven zijn hoofd verdikken en de
wolk boven het hunne? Zou hij zijn ongeluk bij hun geluk voegen? Zou
hij blijven zwijgen? Met één woord, zou hij, bij deze twee gelukkige
wezens, de akelige stomme van hun lot zijn?
Men moet aan het noodlot en zijn ontmoetingen gewoon zijn, om de oogen
te durven opslaan, wanneer sommige vragen ons in haar afschuwelijke
naaktheid verschijnen. Het goede of het kwade bevinden zich achter
dit streng vraagteeken. Wat wilt ge doen? vraagt de sphinx.
Jean Valjean was aan dergelijke beproevingen gewoon. Hij zag den
sphinx strak in de oogen.
Hij onderzocht het onverbiddelijk probleem van alle zijden.
Cosette, dit bekoorlijk wezen, was het reddingsvlot van dezen
schipbreukeling. Wat te doen? Zou hij er zich aan vastklemmen, of
het loslaten?
Zoo hij er zich aan vastklemde, verliet hij het onheil, steeg weder
op naar de zon, liet het zilte water uit zijn kleederen en zijn haar
druipen--hij was gered, hij leefde!
Zoo hij losliet?
Dan de afgrond!
Dus raadpleegde hij smartelijk met zijn gedachte. Of liever gezegd:
hij streed; met woede viel hij in zijn binnenste nu eens zijn wil,
dan zijn overtuiging aan.
't Was een geluk voor Jean Valjean, dat hij had kunnen weenen. Dit
verlichtte hem misschien. Het begin was echter stormachtig. Er brak
een orkaan in hem los, woedender dan die hem eertijds naar Arras
dreef. Het verledene keerde in hem terug tegenover het tegenwoordige;
hij vergeleek en weende. Toen eenmaal de sluis der tranen geopend was,
wrong hij in vertwijfeling de handen.
Hij voelde zich tegengehouden.
Helaas! wanneer wij in deze uiterste worsteling van onze zelfzucht
en onzen plicht, stap voor stap voor ons onveranderlijk ideaal
terugwijken, woest, hardnekkig, toornig het terrein betwistende, in de
hoop op een mogelijke vlucht en een uitgang zoekend, hoe schrikkelijk
is dan de muur, die eensklaps achter ons verrijst?
Een heilige duisternis te voelen, die ons tegenhoudt?
Het onzichtbare onverbiddelijke! welk een angst!
Met het geweten heeft men dus nooit gedaan. Onderwerp er u aan,
Brutus; onderwerp er u aan, Cato. Het is grondeloos, wijl het God
is. Men werpt in dien put den arbeid zijns geheelen levens, men werpt
er zijn fortuin, zijn rijkdom, zijn voorspoed, zijn vrijheid of zijn
vaderland, zijn welstand, zijn rust, zijn vreugd in. Nog meer, nog
meer! Men moet er eindelijk zijn geheele hart in werpen.
Is het onvergeeflijk, dat men eindelijk weigert?
Kan het onuitputtelijke een recht hebben? Zijn eindelooze ketens
niet boven de menschelijke macht? Wie zou Sysiphus en Valjean laken,
dat zij zeiden: 't is genoeg!
De gehoorzaamheid van het stoffelijke wordt door de wrijving
beperkt; is er voor de gehoorzaamheid der ziel geen grens? Indien de
eeuwigdurende beweging onmogelijk is, zou dan eeuwigdurende opoffering
geëischt kunnen worden?
De eerste stap is niets; de laatste is moeielijk. Wat was de zaak
Champmathieu bij het huwelijk van Cosette en de gevolgen ervan? Wat
is dit: naar het bagno wederkeeren, bij dit: in het niet nederdalen?
O, eerste stap naar beneden, hoe treurig zijt gij! O tweede stap,
hoe somber!
Waarom zou men dezen keer het hoofd niet omwenden?
Het martelaarschap is een zuivering, een gloeiende zuivering. 't Is een
heiligmakende foltering. Men kan er in 't eerste uur in toestemmen;
men zet zich op den gloeienden ijzeren troon, men plaatst op zijn
hoofd de gloeiende ijzeren kroon; men neemt den gloeienden ijzeren
kloot, maar men moet zich nog met den vlammenden mantel bekleeden,
is er niet een oogenblik, dat het ellendige vleesch oproerig wordt
en men van de foltering afziet?
Eindelijk kwam Jean Valjean tot de kalmte der verslagenheid.
Hij overwoog, dacht, hij sloeg de rijzing en de daling der
geheimzinnige balans van het licht en de duisternis gade.
Zou hij deze twee van geluk schitterende kinderen met zijn bagno
bezwaren, of zelf zijn onherstelbare verzinking voltooien? Eenerzijds
Cosette opofferen, anderzijds zich zelven.
Tot welke oplossing zou hij overgaan? Welk besluit nam hij? Wat was,
in zijn binnenste, het eind-antwoord, dat hij aan het onomkoopbaar
verhoor van het noodlot gaf? Welke deur besloot hij te openen? Welke
zijde van zijn leven nam hij voor, te sluiten? Welke keus deed hij
tusschen al deze onpeilbare diepten, die hem omgaven? Tot welk uiterste
ging hij over? Welken van deze afgronden knikte hij toe?
Zijn bedwelmende mijmering duurde den geheelen nacht.