nauwkeurigheid,--op den 16den Vastenavond. Hier door ontstond een
aarzeling, gemoedsbezwaren, vooral bij tante Gillenormand.
"Vastenavond!" riep de grootvader, "des te beter. Er is een spreuk
die zegt:
Hij, die op Vastenavond trouwt.
Is wis dat hem zijn keus niet rouwt.
"Dus bepaald! 't Zal den 16den zijn. Zoudt gij 't willen uitstellen,
Marius?"
"Zeker niet," antwoordde de gelukkige.
"Trouwen wij dus!" hernam de grootvader.
Het huwelijk werd dus den 16den voltrokken, niettegenstaande de
openbare vermakelijkheden. Het regende dien dag, maar aan den hemel is
steeds een klein plekje blauw, voor het geluk, dat de gelieven zien,
zelfs wanneer de geheele overige wereld onder een parapluie zou gaan.
Den vorigen dag had Jean Valjean aan Marius, in tegenwoordigheid van
den heer Gillenormand, de vijfmaal honderd vier en tachtig duizend
francs ter hand gesteld.
Men trouwde in gemeenschap van goederen, zoodat de acten zeer
eenvoudig waren.
Vrouw Toussaint was voortaan voor Jean Valjean overbodig; Cosette
had haar overgenomen en haar tot den rang van kamenier verheven.
Jean Valjean had in het huis van Gillenormand een opzettelijk voor hem
gemeubelde fraaie kamer, en Cosette had zoo sterk bij hem aangedrongen,
dat hij haar beloofde, de kamer te zullen betrekken.
Eenige dagen vóór den bepaalden dag van het huwelijk, was Jean
Valjean een ongeluk overkomen; hij had zich den duim der rechterhand
geklemd. 't Was niet erg, en hij wilde niet dat iemand er zich mee
bemoeide, hem verbond of zijn kwetsuur zag, zelfs Cosette niet. Hij
had evenwel zijn hand omzwachteld en den arm in een doek, 't geen hem
belet had iets te teekenen. De heer Gillenormand was als toeziende
voogd in zijn plaats getreden.
Wij zullen den lezer noch naar het stadhuis, noch naar de kerk
voeren. Men volgt zelden twee gelieven tot zoo ver, en is gewoon het
drama den rug te keeren, zoodra het een bruidsbouquet in het koopsgat
steekt. Wij zullen enkel een voorval vermelden, dat, overigens door
den bruiloftsstoet niet opgemerkt, bij den tocht uit de straat des
Filles du Calvaire naar de kerk St. Paul plaats had.
Men was op dezen tijd juist bezig het noordeinde der straat Saint-Louis
opnieuw te plaveien en zij was van de straat du Parc-Royal afgesloten,
zoodat het voor de rijtuigen van een huwelijksstoet onmogelijk was,
rechtstreeks naar St. Paul te rijden. Men moest alzoo een anderen weg
nemen, en het eenvoudigste was langs den boulevard te rijden. Een der
genoodigden deed opmerken dat het Vastenavond was en er dus een drukte
van rijtuigen zou zijn. "Waarom?" vroeg Gillenormand.--"Uithoofde
der gemaskerden."--"Des te beter," zei de grootvader. "Nemen wij dien
weg. Deze jongelieden trouwen, zij treden het ernstige leven in. Het
gezicht van gemaskerden zal er een weinig toe voorbereiden."
Men reed langs den boulevard. Het eerste rijtuig bevatte Cosette en
tante Gillenormand, den heer Gillenormand en Jean Valjean. Marius,
die, volgens het gebruik, nog van zijn bruid was gescheiden, volgde
in het tweede. De bruidsstoet geraakte, bij het verlaten der straat
des Filles du Calvaire, in den langen stoet rijtuigen, die van de
Madeleine tot aan de Bastille en van de Bastille tot de Madeleine
een eindelooze keten vormden.
Op den boulevard wemelde het van gemaskerden. De Paillassen, de
Pantalons en de Gilles stoorden zich niet aan de regenbuien, die nu en
dan vielen. Bij den goeden luim van dien winter van 1833 had Parijs
zich in Venetië herschapen. Thans ziet men zulke vastenavondsfeesten
niet meer. Daar al wat bestaat thans een algemeen karnaval is,
bestaat er geen karnaval meer.
Het wemelde op de zijpaden van voorbijgangers en aan de vensters van
nieuwsgierigen. De balkons boven de galerijen der schouwburgen waren
vol toeschouwers. Behalve de gemaskerden, zag men dien optocht, zoowel
aan den Vastenavond als aan Longchamps eigen, van allerlei voertuigen,
die, zich in orde voortbewegende, volgens de politie-reglementen,
streng zich aan elkander sluiten, en als op rails loopen. Wie in
zulk een rijtuig zit is tevens toeschouwer en acteur. Stadssergeanten
hielden aan beide zijden van den boulevard deze twee eindelooze, zich
in tegenovergestelde richting bewegende rijen in orde, en zorgden,
dat niets hun dubbelen loop hinderde; deze twee rijen rijtuigen
rolde de een naar Chaussée d'Antin, de andere naar de voorstad
St. Antoine. De met wapenschilden prijkende rijtuigen der Fransche
pairs en der ambassadeurs reden ongehinderd heen en weder in het
midden van de straat. Sommige schitterende en vroolijke optochten,
onder andere die van den vetten os, hadden hetzelfde voorrecht. Bij
deze vroolijkheid van Parijs liet Engeland zijn zweep klappen; met
groot gerucht rolde de postchais van Lord Seymour, vervolgd door een
spotnaam van het gepeupel, voorbij.
In deze dubbele rij, langs welke de municipale garden als herdershonden
draafden, vertoonden oude familierijtuigen, vol oudtantes en
grootmoeders, aan hun portieren frissche gemaskerde kindergroepen,
zevenjarige Pierrots, zesjarige Colombines, bekoorlijke kleine
wezens, die gevoelden, dat zij officiëel aan de openbare vroolijkheid
deelnamen, doordrongen van hun harlekijnswaardigheid en deftig als
openbare ambtenaars.
Nu en dan ontstond hier of daar eenige belemmering in den voortgang
der rijtuigen; een der beide treinen stond stil tot de knoop was
ontward; een rijtuig was voldoende om de geheele reeks tot stilstand
te brengen. Daarna stelde men zich weder in beweging.
De huwelijkskoetsen waren in de rij, die zich aan de rechterzijde van
den boulevard in de richting van het Bastilleplein voortbewoog. Ter
hoogte van de straat Pont-aux-Choux was er een oogenblik
oponthoud. Schier terzelfder tijd hield ook aan de andere zijde van
den boulevard de andere rij, die naar de Madeleine reed, stil. Op
dit punt was een rijtuig met gemaskerden.
Deze rijtuigen, of beter gezegd, deze karren met gemaskerden, zijn bij
de Parijzenaars goed bekend. Zoo zij op Vastenavond of op Half-vasten
ontbraken, zou men er iets kwaads uit afleiden en zeggen: "daar
schuilt iets achter. Waarschijnlijk zal een verandering van ministerie
plaats hebben." Een hoop Cassandra's, Harlekijns en Colombines,
die op hun wagens gehotst boven de voorbijgangers uitstaken,
alle mogelijke groteske figuren, van den Turk tot den wildeman,
Herkulessen die markiezinnen droegen, vischwijven, die Rabelais de
ooren zouden hebben doen dichtstoppen, gelijk de Menaden Aristophanes
de oogen deden neerslaan, pruiken van vlas, rooskleurige spanbroeken,
driekante hoeden met vlinders, reusachtige brillen, geschreeuw tegen
de voetgangers, handen in de zijden, onbetamelijke houdingen, bloote
schouders, gemaskerde gezichten, teugellooze onbescheidenheid, een
chaos van onbeschaamdheden, door een met bloemen getooiden koetsier
gevoerd; ziedaar deze feestelijkheid.
Griekenland had den wagen van Thespis, Frankrijk heeft het huurrijtuig
van Vadé noodig.
Alles kan geparodiëerd worden, zelfs de parodie. De saturnaliën,
die grimas der antieke schoonheid, bereikten, steeds grooter en
grooter wordende, den Vastenavond; en het bacchusfeest, eertijds met
wijnranken bekroond en door de zon verguld, in een goddelijke halve
naaktheid marmeren borsten toonende, thans verwelkt onder de natte
lompen van het noorden, wordt ten laatste karnaval genoemd.
De overlevering der maskeradewagens dagteekent van den oudsten
tijd der Fransche monarchie. De rekenkamer van Lodewijk de XI
verleende aan den baljuw van het paleis twintig sous Tournooisch
voor drie maskerade-koetsen op de pleinen. In onze dagen laten
deze geruchtmakende benden zich gewoonlijk voortrollen door een oud
rijtuig, op welks verhemelte zij saamgedrongen zijn, of zitten in
woelige groepen van twintig personen in een rijtuig, dat voor zes
is bestemd. Men ziet er op den bok, op de treden, op de portieren,
op den dissel, zelfs op de lantaarns. Zij staan, liggen, zitten met
kruiselings onder zich gebogen of met hangende beenen. De vrouwen
zitten op de knieën der mannen. Men ziet in de verte boven het
hoofdgewemel hun stoute pyramieden. Deze rijtuigen vormen bergen van
vroolijkheid te midden van het gedrang. Collé, Panard en Piron laten
er hun dieventaal afstroomen. Van den top wordt de catechismus der
vischwijven op het volk gespogen. Dit huurrijtuig, door zijn lading
ontzaggelijk geworden, heeft een overwinnend aanzien; geraas is
in de voorhoede, gewoel in de achterhoede. Men schreeuwt, tiert,
brult, vloekt en dartelt van pleizier; de vroolijkheid ruischt,
de kwinkslagen vlammen, het vreugdgenot schittert als purper; twee
knollen voeren de klucht en het gelach op een triumfwagen.
Het gelach is te onbeschaamd om hartelijk te zijn. Het is inderdaad
verdacht. Dat gelach heeft een roeping. Het heeft de taak, den
Parijzenaars het karnaval te bewijzen.
Deze vischwijvenwagens, waarin men iets onaangenaams gevoelt, brengen
den wijsgeer tot nadenken. Daarin is iets gouvernementeels. Men
raakt er als met den vinger een geheimzinnige verwantschap tusschen
de publieke mannen en de publieke vrouwen.
Dat opeengestapelde schandelijkheden, vroolijkheid tot uitkomst
hebben, dat men, door de eerloosheid op de schande te verheffen,
het volk begeerig maakt; dat de bespieding, de prostitutie tot
cariatide dienende, de menigte vermaakt en ze tart; dat het volk
op de vier wielen van een huurrijtuig gaarne dien gedrochtelijken
levenden hoop ziet, een blinkend vod, half vuilnis, half helderheid,
die blaft en zingt; dat men in de handen klapt voor dezen luister uit
alle schandelijkheden samengesteld; dat er voor het volk geen feest
zij, zoo de politie niet te midden ervan die soort van twintighoofdige
hydra's der vreugd laat wandelen, dat alles voorwaar, is treurig! Maar
wat er aan te doen? Deze met linten omstrikte en gebloemde slijkkarren
worden door het gelach der menigte gehoond en uitgescholden. Het gelach
van allen is medeplichtig aan de algemeene verlaging. Zedenbedervende
feesten verlagen het volk en maken het tot gepeupel. Het volk heeft,
evenals de tyrannen, narren noodig. De koning heeft Roquelaure, het
volk heeft Paillas. Parijs is de groote dwaze stad, telkens wanneer
zij niet de groote verhevene stad is. Het karnaval is in de politiek
betrokken, Parijs, bekennen wij het, laat zich gaarne door eerloosheid
comedie vertoonen. Het vraagt aan zijn meesters,--wanneer het meesters
heeft--slechts dit: verguldt het slijk. Rome had denzelfden zin. Het
beminde Nero. Nero was een monsterachtige vergulder.
Het toeval wilde, dat, zooals wij gezegd hebben, eene dier woeste
groepen gemaskerde, in eene ruime kales gepakte vrouwen en mannen,
ter linkerzijde van den boulevard stilstond, terwijl de bruidsstoet
ter rechterzijde bleef stilstaan. Het rijtuig, waarin de gemaskerden
waren, zag dus tegenover zich het rijtuig, waarin de bruid was.
"Kijk!" zei een gemaskerde, "een bruiloft."
"Een valsche bruiloft," hernam een ander. "Wij zijn de echte."
En te ver af om den bruiloftsstoet te kunnen toeroepen, en bovendien
vreezende, door de stadssergeanten te worden terecht gewezen, zagen
de twee gemaskerden naar een andere zijde.
Een oogenblik daarna raakte dit gemaskerde rijtuig erg in 't nauw;
het volk hoonde en beschimpte het; 't geen de liefkoozing der menigte
jegens de maskerade is. De twee gemaskerden, die gesproken hadden,
moesten met hun kameraads aan de gansche menigte het hoofd bieden, en
hadden niet genoeg aan al de projectielen uit het arsenaal der Hallen,
om de geweldige schimpschoten des volks te beantwoorden. Tusschen
de gemaskerden en de menigte ontstond een vreeselijk gevecht van
scheldwoorden en uitjouwingen.
Ondertusschen hadden twee andere gemaskerden in hetzelfde rijtuig,
een Spanjaard met ontzaggelijken neus, oudachtig voorkomen en grooten
zwarten knevel, en een mager vischwijf, een nog zeer jong meisje, met
een half masker voor het gezicht, insgelijks de bruiloft opgemerkt,
en spraken met elkander, terwijl hun makkers en de voorbijgangers aan
't schelden waren.
Het gesprek werd door het rumoer gesmoord en verloor er zich in. De
regenvlagen hadden het opene rijtuig bevochtigd; de Februariwind is
niet warm; en terwijl het vischwijf met bloote schouders van de koude
bibberde, lachte en kuchte, antwoordde zij den Spanjaard.
Ziehier de samenspraak:
"Zeg eens."
"Wat, vader?"
"Ziet ge dien oude?"
"Welken oude?"
"Ginds, in het eerste rijtuig van den bruidsstoet, aan onze zijde."
"Wiens arm in een zwarten doek hangt."
"Ja."
"Nu?"
"Ik ben zeker, dat ik hem ken."
"Zoo!"
"Men moge mij den hals afsnijden, en ik wil zoo lang ik leef niet
meer spreken, indien ik dien Parijzenaar niet ken."
"Vandaag is Parijs Pantin."
"Kunt ge de bruid zien, als ge u bukt?"
"Neen."
"En den bruidegom?"
"Er is geen bruidegom in de koets."
"Och!"
"Of 't moest de andere oude zijn."
"Buk u en tracht de bruid te zien."
"Ik kan niet."
"Om 't even, den oude, die iets aan den poot heeft, ken ik, ik ben
er zeker van."
"Wat kan 't u schelen, of ge hem kent?"
"Men weet niet. Soms!"
"Ik, ik heb niets met den oude te maken."
"Ik ken hem."
"Ge moogt hem kennen."
"Hoe drommel is hij bij de bruiloft?"
"Wij zijn er immers ook bij."
"Vanwaar komt die bruiloft?"
"Weet ik het?"
"Luister."
"Wat?"
"Doe iets."
"Wat?"
"Stap uit het rijtuig en volg die bruiloft."
"Waarom?"
"Om te weten, waarheen zij gaat en wie het zijn. Stap schielijk uit,
meisje, ge zijt jong."
"Ik kan het rijtuig niet verlaten."
"Waarom?"
"Ik ben gehuurd."
"Te drommel!"
"De politie heeft mij vandaag als vischwijf gehuurd."
"'t Is waar."
"Indien ik het rijtuig verlaat, pakt mij de eerste inspecteur die
mij ziet. Ge weet."
"Ja, ik weet."
"Vandaag ben ik door de regeering gehuurd."
"Om 't even. Die oude verveelt mij."
"Vervelen u de ouden. Ge zijt toch geen meisje."
"Hij zit in het eerste rijtuig."
"Nu?"
"In de koets der bruid."
"Verder?"
"Hij is dus de vader."
"Wat raakt het mij?"
"Ik zeg u, dat hij de vader is."
"De vader moet er immers bij zijn."
"Luister."
"Wat?"
"Ik kan niet anders dan gemaskerd uitgaan. Hier ben ik verborgen; men
weet niet, dat ik er ben. Morgen zijn er geen gemaskerden meer. 't
Is Asch-Woensdag. Ik waag gepakt te worden. Ik moet weder in mijn
hol kruipen. Gij, gij zijt vrij."
"Niet te veel"
"Altijd meer dan ik."
"Nu, verder."
"Ge moet zien te vernemen waarheen deze bruiloft gegaan is."
"Waarheen zij gaat?"
"Ja."
"Ik weet het."
"Waarheen dan?"
"Naar de Cadran Bleu."
"Zij gaat niet in die richting."
"Nu, dan naar la Rapée."
"Of elders."
"Zij heeft er de vrijheid toe. De bruiloften zijn vrij."
"Dat is 't allemaal niet. Ik zeg u, dat ge moet vernemen, welke
bruiloft dit is, waarbij de oude behoort, en waar zij gevierd wordt."
"Nog meer! 't Zal grappig wezen. 't Is even gemakkelijk om een bruiloft
weder te vinden, acht dagen nadat zij op Vastenavond door Parijs is
gereden, als een speld in een hooiberg. Is dat mogelijk?"
"Om 't even, ge moet het beproeven. Hoort ge, Azelma?"
De twee rijen voertuigen stelden zich weder aan beide zijden van den
boulevard in tegenovergestelde richting in beweging, en het rijtuig
met de maskers verloor de koets der bruid uit het oog.
TWEEDE HOOFDSTUK.
JEAN VALJEAN DRAAGT STEEDS DEN ARM IN EEN LICHTER.
Zijn droom verwezenlijkt te zien? Wien is dit gegeven? Daarvoor moeten
in den hemel verkiezingen plaats hebben; allen zijn wij, zonder dat
wij het weten, candidaten; de engelen stemmen. Cosette en Marius
waren gekozen.
Cosette was op het stadhuis en in de kerk fraai en treffend. Vrouw
Toussaint, door Nicolette geholpen, had haar gekleed.
Cosette droeg haar kanten kleed, over een wit zijden rok; een
sluier van Engelsche kant, een snoer fijne paarlen, een krans van
oranjebloemen, dit alles was wit, en in die witheid schitterde zij. Zij
was een uitstekende bescheidenheid, die in helderheid straalde en er
zich in oploste. Zij scheen een maagd, die in godin herschapen werd.
Het fraaie haar van Marius was net gekapt; men zag hier en daar onder
de zware lokken bleeke strepen; de litteekens der barricade.
De grootvader, trotsch, met opgericht hoofd, in zijn kleeding en
manieren al het elegante uit den tijd van Barras mengende, geleidde
Cosette. Hij trad in de plaats van Jean Valjean, die uithoofde van zijn
arm, welken hij in een doek droeg, de hand niet aan de bruid kon geven.
Jean Valjean, in het zwart gekleed, volgde glimlachend.
"'t Is heden een schoone dag, mijnheer Fauchelevent," zei de
grootvader. "Ik stem er voor, dat alle droefheid en verdriet een einde
nemen. Voortaan mag er nergens verdriet meer zijn. Voor den drommel! ik
beveel algemeene vreugde. Het kwade mag niet bestaan. Voorwaar, 't
is schande voor het azuur des hemels, dat er ongelukkige menschen
zijn. Het kwaad komt niet van den mensch, die in den grond goed
is. Alle menschelijke ellenden hebben tot hoofdplaats en tot centraal
gouvernement de hel, anders gezegd, de duivelsche Tuilerieën. Fraai! nu
begin ik demagogische woorden te spreken, maar ik heb geen politieke
meening meer. Mogen alle menschen rijk, dat is vroolijk zijn, dat is
al wat ik wensch."
Toen, bij den afloop van al de plechtigheden, na voor den maire en voor
den priester alle mogelijke "ja's" te hebben uitgesproken, na op de
registers van den burgerlijken stand en in de kerk geteekend, na hun
ringen gewisseld, na arm tegen arm onder den witten moiré doek in den
walm van het wierookvat geknield te hebben,--zij aan elkanders arm,
door ieder bewonderd en benijd, Marius in het zwart, zij in het wit,
voorgegaan door den kerkeopzichter met colonelsepauletten, die met zijn
hellebaard op de vloersteenen stampte, tusschen twee rijen verrukte
toeschouwers, in het wijd geopende portaal der kerk verschenen, gereed
om in het rijtuig te stijgen, waarmede alles gedaan was, kon Cosette
het nog niet gelooven. Zij zag Marius, de menigte, den hemel aan;
't scheen of zij bevreesd was te ontwaken. Haar verbaasde, schuchtere
houding gaf haar iets onuitsprekelijk bekoorlijks. Bij het terugkeeren
namen beiden in het eerste rijtuig plaats, Marius bij Cosette; de heer
Gillenormand en Jean Valjean zaten tegenover hen. Tante Gillenormand
was achteruitgezet en zat nu in het tweede rijtuig. "Kinderen," zei
de grootvader, "nu zijt gij mijnheer de baron en mevrouw de barones,
met dertig duizend francs inkomen." En Cosette drong zich dicht tegen
Marius en verrukte hem door dit hemelsch gefluister: "'t Is dan waar,
ik heet Marius! Ik ben uwe vrouw!"
Deze twee wezens waren opgetogen. Zij waren in de eenige en niet
wederkeerende minuut, op het verblindend snijpunt van alle jeugd en
van alle blijdschap. Zij verwezenlijkten Prouvaires lied; te zamen
waren zij geen veertig jaren oud. 't Was een verhemeld huwelijk;
deze twee kinderen waren twee leliën. Cosette zag Marius in een
stralenkrans; Marius zag Cosette op een altaar. En op dat altaar en
in dezen stralenkrans, terwijl deze twee gloriën samensmolten, scheen
op den achtergrond, achter een wolk voor Cosette, in een vlammenlicht
voor Marius, het ideale en het wenzenlijke, de bijeenkomst van den
kus en den droom, het bruidsbed.
Al de foltering, welke zij hadden doorgestaan, keerde tot hen terug
in bedwelming. Het kwam hun voor, dat het verdriet, de slapeloosheid,
de tranen, de angsten, de schrik, de wanhoop, nu in liefkoozingen
en lichtstralen veranderd, het bekoorlijke uur dat naderde nog
bekoorlijker maakten; en dat de droefenissen zooveel dienstboden
waren, die het toilet der vreugd bereidden. Hoe goed is het, geleden
te hebben! Hun ongeluk was als een stralenkrans om hun geluk. De
lange doodsstrijd hunner liefde liep uit op een hemelvaart.
In beider zielen was dezelfde verrukking; bij Marius met weelde, bij
Cosette met bescheidenheid gepaard. Zij fluisterden elkander toe: Wij
zullen onzen kleinen tuin in de straat Plumet eens gaan wederzien. De
vouwen van Cosettes kleed lagen over Marius.
Zulk een dag is een onbeschrijfelijk mengsel van droomen en
werkelijkheid. Men bezit en verwacht. Men heeft nog den tijd voor zich,
om te raden. 't Is op dien dag een onuitsprekelijke gewaarwording,
op den middag te zijn en aan middernacht te denken. De vreugd dezer
beide harten stroomde over op de menigte, en deelde zich aan de
voorbijgangers mede.
Men bleef in de straat St. Antoine voor de St. Paul kerk staan,
om door het portier de oranjebloemen op Cosettes hoofd te zien trillen.
Vervolgens kwamen zij te huis in de straat des Filles du
Calvaire. Marius ging zegevierend en schitterend aan Cosettes zijde
de trap op, langs welke men hem stervend naar boven had gedragen. De
armen, die voor de deur in groepen stonden en hun giften deelden,
zegenden hen. Overal waren bloemen. Het huis was niet minder geurig
dan de kerk. Na den wierook de rozen. Zij meenden stemmen in het
oneindige te hooren zingen; God was in hun harten; het lot verscheen
hun als een gesternd heelal. Boven hun hoofden zagen zij een glans
der opgaande zon. Eensklaps sloeg de klok. Marius zag Cosettes
bekoorlijken blooten arm en het rozige, dat men onduidelijk door de
kanten van haar keursje heen zag; en Cosette, Marius blik ziende,
werd rood tot in het wit harer oogen.
Vele oude vrienden der familie Gillenormand waren genoodigd. Men
verdrong zich om Cosette, en allen beijverden zich haar mevrouw de
barones te noemen.
De officier Theodule Gillenormand, thans ritmeester, was van Chartres
gekomen, waar hij in garnizoen lag, om de bruiloft van zijn neef
Pontmercy bij te wonen. Cosette herkende hem niet.
Hij, die zijnerzijds gewoon was door de vrouwen voor schoon te worden
gehouden, herinnerde zich evenmin Cosette als ieder andere.
"Wat had ik gelijk, aan die praatjes van den lansier niet te gelooven,"
zeide vader Gillenormand bij zich zelven.
Nooit was Cosette teederder voor Jean Valjean geweest. Zij was
geheel in harmonie met vader Gillenormand; terwijl hij de vreugd in
zinspreuken en grondregels aantoonde, verspreidde zij de goedheid en
liefde als in geuren. Het geluk wil dat iedereen gelukkig zij.
Zij vond, als zij tot Jean Valjean sprak, den toon harer stem terug
van toen zij een klein meisje was. Zij liefkoosde hem met lachjes.
In de eetzaal was de tafel gedekt.
Een illuminatie a giorno behoort noodzakelijk bij een groote
vreugd. Nevel en duisternis worden bij gelukkigen niet geduld. Zij
willen niet zwart zijn. Zij willen den nacht wel, maar geen
duisternis. Zoo er geen zon is, moet men er een maken.
De eetzaal was een stookplaats van vroolijkheid. In het midden,
boven de schitterend witte tafel hing een Venetiaansche kristallen
lichtkroon, met allerlei gekleurde, blauwe, violette, roode en
groene vogels, die tusschen de waskaarsen zaten; om de lichtkroon
waren kransen, aan den wand hingen spiegels met armluchters; alles,
spiegels, kristal, glas, vaatwerk, porselein, plateel, goud, zilver,
blonk en schitterde en stemde tot vroolijkheid. De ruimten tusschen
de armluchters waren met bloemen gevuld, zoo dat langs de wanden
licht en bloemen elkander afwisselden.
In de voorkamer speelden drie violen en een fluit met zachte tonen
kwartetten van Haydn.
Jean Valjean had in het salon op een stoel plaats genomen, achter
de deur, wier vleugel hem schier verborg. Eenige oogenblikken vóór
men zich aan tafel zette, kwam Cosette, als viel haar iets in,
eensklaps tot hem, maakte eene diepe buiging hield met beide handen
haar bruidsgewaad uit, en vroeg hem met een teederen, schalkschen blik:
"Zijt gij tevreden, vader?"
"Ja," zei Jean Valjean, "ik ben tevreden."
"Welnu, lach dan."
Jean Valjean lachte.
Weinige oogenblikken later kondigde Basque aan, dat de tafel gereed
was.
De gasten, voorgegaan door den heer Gillenormand, die Cosette den
arm gaf, traden de eetzaal binnen en plaatsten zich naar bepaalde
orde aan tafel.
Twee groote armstoelen stonden aan de rechter- en de linkerzijde
van de bruid, de een voor den heer Gillenormand, de andere voor Jean
Valjean. Gillenormand nam plaats. De andere armstoel bleef ledig.
Men zocht met den blik "mijnheer Fauchelevent".
Hij was er niet meer.
De heer Gillenormand riep tot Basque:
"Weet gij, waar mijnheer Fauchelevent is?"