geen vreugdedag in te richten. Uw negentiende eeuw is flauw. Zij
heeft geen weelde. Zij verstaat het rijke, het edele niet. In alles
is zij kaal geschoren. Uw derde stand is flauw, kleur- en geurloos
en houterig. De droom uwer burgermeisjes, die gaan trouwen, is een
net gemeubeld vertrek, en katoen. Ruimte! ruimte! mijnheer Grigou
trouwt met mejuffrouw Grippesou. Pracht en heerlijkheid. Men heeft een
louisd'or aan een waskaars geplakt. Ziedaar de eeuw. Ik zou naar de
Sarmaten willen vluchten. O! reeds in 1787 voorspelde ik, dat alles
verloren was, den dag toen ik den hertog van Rohan, den prins van
Leon, den hertog van Chabot, den hertog van Monbazon, den markies van
Soubise, den vicomte van Thouars, pair van Frankrijk, in Longchamps
in een chais zag rijden. Dit heeft zijn vruchten voortgebracht. In
deze eeuw doet men zaken, men speelt op de Beurs, men wint geld
en is gierig. Men zorgt voor zijn uiterlijk en vernist het; men
is net gekleed, gewasschen, gezeept, gestreken, geschoren, gekamd,
gewast, gewreven, geschuierd, uitwendig schoongemaakt, onberispelijk
glad als een keisteen, ingetogen, zindelijk en terzelfdertijd, o
mijn liefde! heeft men in het geweten mesthoopen en modderpoelen,
waarvoor een koewachtster, die haar neus met de vingers snuit, zou
schrikken. Ik geef aan dezen tijd dit devies: Vuile zindelijkheid. Word
niet boos, Marius, vergun mij te spreken: ik zeg van het volk geen
kwaad, ge ziet dat ik den mond vol van uw volk heb, maar neem niet
kwalijk, dat ik den burgerstand een weinig hekele. Ik behoor er
toe. Die liefheeft kastijdt. En, ik zeg het onbewimpeld, men trouwt
tegenwoordig, maar men weet niet hoe men moet trouwen. Ach, ja, ik
betreur de bekoorlijkheid der oude zeden; alles betreur ik ervan:
die sierlijkheid, die ridderlijkheid, die innemende, hoffelijke
manieren, die vroolijke weelde, welke iedereen had, de muziek die
tot de bruiloft behoort, symphonie boven, tambourins beneden, dans,
vroolijke gezichten aan tafel, geestige puntdichten, gezang, vuurwerk,
hartelijk gelach, al den drommel, groote linten en strikken. Ik
betreur den kouseband der bruid. De kouseband der bruid is aan den
gordel van Venus verwant. Waarop draait de Trojaansche oorlog? Op
den kouseband van Helena. Waarom strijdt men, waarom verbrijzelt de
goddelijke Diomedus op het hoofd van Merionus den grooten stalen
helm met tien punten; waarom brengen Achilles en Hector elkander
geweldige lansstooten toe? Wijl Helena door Paris haar kouseband heeft
laten ontnemen. Van den kouseband van Cosette zou Homerus de Illiade
maken. In zijn heldendicht zou hij een ouden babbelaar als mij brengen,
en hem Nestor noemen. Mijn vrienden, eertijds, in het liefelijke
eertijds, trouwde men met verstand; men maakte een goed contract,
vervolgens was er een vroolijk feest. Zoodra Cujas vertrokken was,
kwam Gamacho. Te drommel! 't is, wijl de maag een prettig dier is, dat
vraagt wat het toekomt, en ook bruiloft wil houden. Men at heerlijk,
en zat naast een schoone buurvrouw, die niet al te preutsch was! O,
hoe wijd openden zich de lachende monden en hoe vroolijk was men in
dien tijd. De jeugd was een bloementuil; ieder jongeling gaf zijn
leven voor een sering of roos; ieder krijgsman was herder; en zoo men
toevallig ritmeester der dragonders was, vond men middel Florian te
heeten. Men wilde fraai zijn. Men tooide zich met kant en purper. Een
burger geleek een bloem, een markies een edelgesteente. Men droeg
geen souspieds noch laarzen. Men was keurig, glinsterend, verguld,
zwevend, lief, coquet, 't geen niet belette den degen op zijde te
hebben. De kolibri heeft een snavel en klauwen. Een van de zijden der
eeuw was kieschheid, de andere heerlijkheid, en, bij den hemel! men
vermaakte zich. Tegenwoordig is men ernstig. De burgerman is gierig,
de burgervrouw is preutsch; uw eeuw is ongelukkig. Men zou de gratiën
willen wegjagen, wijl zij te naakt zijn. Helaas! men verbergt de
schoonheid als iets leelijks. Sedert de revolutiën draagt alles
pantalons, zelfs de danseressen; zij moeten ernstig en doctrinair
zijn. Men moet majestueus wezen. Men zou zeer ontstemd zijn, zoo de
kin niet in de das stak. Het ideaal van een twintigjarigen knaap,
die trouwt, is, op mijnheer Royer-Collard te gelijken. En weet ge,
waartoe men komt met deze majesteit? Men wordt klein. Laat mij dit
zeggen: de vroolijkheid is niet alleen vroolijk, zij is grootsch. Weest
toch, voor den drommel, vroolijk verliefd. Trouwt toch, wanneer ge
trouwt, in de koorts der bedwelming en in het gewoel en gewemel van
het geluk. 't Is goed, dat men in de kerk ernstig zij. Maar na de mis
moet men de bruid als in een droom laten ronddraaien. Een huwelijk moet
koninklijk en tooverachtig zijn. Ik haat een boersche bruiloft. Men
moet ten minste dien dag op den Olympus zijn! Weest goden. Ach! men
zou sylphiden, gratiën, liefdegoodjes kunnen zijn, en men is een
kinkel! ieder pas getrouwde moet een prins Aldobrandini zijn. Maakt
gebruik van deze eenige minuut des levens om met de zwanen en adelaars
naar den hemel te vliegen, men moge dan den anderen dag weder tot het
burgerlijke der kikvorschen terugzinken. Spaart niets aan de bruiloft,
beknibbel haar glans niet; laat den dag van uw grootsten luister niets
deren. De bruiloft is de huishouding niet. O! zoo ik mijn zin had zou
't allerliefst zijn en in alle boomen zou men muziek hooren. Dit is
mijn programma: hemelsblauw en geld! Ik zou op het feest de veldgoden,
de bosch- en zeenimfen noodigen. 't Zou de bruiloft van Amphitrite
zijn, rozige wolken, sierlijk gekapte nimfen, een lid der academie
die de godin vierregelige verzen aanbiedt, een wagen door zeemonsters
getrokken:
Triton trottait devant, et tirait de sa conque
Des sons si ravissants, qu'il ravissait quiconque! [11]
Dit is een echt feestprogramma, of ik heb er geen verstand van."
Terwijl de grootvader in zijn lyrische vervoering naar zich zelven
luisterde, bedwelmden Cosette en Marius zich in hun wederzijdsche
aanschouwing.
Tante Gillenormand zag alles aan, met haar onveranderlijke
bedaardheid. Sedert vijf of zes maanden had zij een zekere hoeveelheid
aandoeningen opgedaan: Marius teruggekomen, Marius bloedend
teruggebracht, van een barricade teruggebracht, Marius dood, toen
levend, Marius verzoend, Marius verloofd, Marius met een arme deern
trouwende, Marius met een schatrijke jonge dame trouwende. De zesmaal
honderd duizend francs waren haar laatste verrassing geweest. Daarop
was haar onverschilligheid teruggekeerd. Zij ging geregeld naar de
kerk, liet de koralen van haar rozenkrans door haar vingers glijden,
las haar gebeden, prevelde in een hoek van het huis haar Ave, terwijl
men in een anderen hoek I love you lispte, en zag onduidelijk Marius
en Cosette als twee schaduwen, terwijl zij zelve een schaduw was.
Er bestaat een soort van werkelooze vroomheid, waarin de ziel, als
verdoofd, vreemd blijft aan 't geen men wereldsche zaken zou kunnen
noemen, en geen gevoel heeft van menschelijke gewaarwordingen, noch
van aangename noch van smartelijke, alleen aardbevingen en zondvloeden
misschien uitgezonderd. Deze vroomheid, zei vader Gillenormand tot
zijn dochter, staat gelijk met een verkoudheid in 't hoofd. Gij zijt
dof en ongevoelig; gij hebt geen slechten, maar ook geen goeden reuk.
De zesmaal honderd duizend francs hadden overigens aan de
besluiteloosheid der oude vrijster een einde gemaakt. Haar vader
was gewoon geworden haar zoo weinig te tellen, dat hij haar over
de toestemming voor het huwelijk van Marius niet geraadpleegd
had. Hij had met drift gehandeld, volgens zijn manier, en, als een
slaaf geworden despoot, geen andere gedachte dan Marius genoegen
te doen. Hij had er zelfs niet aan gedacht, dat er een tante was en
deze een meening kon hebben, en hoe schaapachtig zij ook was, had dit
haar gekrenkt. Inwendig eenigszins oproerig, doch uitwendig volkomen
kalm, had zij bij zich zelve gezegd: Mijn vader heeft buiten mij de
quaestie van het huwelijk opgelost, ik zal buiten hem de quaestie
der erfenis oplossen. Zij was werkelijk rijk, haar vader was het
niet. Zij had zich hieromtrent dus haar besluit voorbehouden. 't Is
waarschijnlijk, dat, indien het een arm huwelijk ware geweest, zij
het arm zou gelaten hebben. Des te erger voor mijnheer mijn neef. Hij
trouwt met een bedelares; dat hij bedelaar zij. Maar het half millioen
van Cosette behaagde de tante en veranderde haar inwendigen toestand,
ten aanzien van dit minnend paar. Men is aan zesmaal honderd duizend
francs eenige achting schuldig, en 't was duidelijk, dat zij niet
anders kon doen dan aan de jongelieden haar fortuin na te laten,
wijl zij dit niet meer behoefden.
Er werd overeengekomen, dat het paar bij den grootvader zou
wonen. Mijnheer Gillenormand wilde hun volstrekt zijn kamer, de
fraaiste van het huis, geven. "Dit zal mij verjongen," verklaarde
hij. "'t Is een oud plan. Ik ben altijd voornemens geweest, in mijn
kamer bruiloft te houden." Hij meubileerde deze kamer met een menigte
kostbaarheden van den ouden trant. Hij deed ze plafonneeren en met
een buitengewone stof behangen, waarvan hij een stuk bezat, en welks
gesatineerde gouden grond met fluweelen bloemen bezaaid was. Met deze
zelfde stof, zeide hij, was het ledikant behangen der hertogin van
Anville te Roche-Guyon.
De bibliotheek van den heer Gillenormand werd het schrijfkabinet,
dat Marius als advocaat noodig had; als zijnde zoodanig kabinet door
de orde voorgeschreven.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE UITWERKSELS VAN DEN DROOM OP HET GELUK.
De verliefden zagen elkander dagelijks. Cosette kwam met den heer
Fauchelevent. "'t Is de verkeerde wereld," zei juffer Gillenormand,
"dat de bruid bij den bruidegom komt, om zich het hof te laten
maken." Maar de langzame beterschap van Marius had tot die gewoonte
aanleiding gegeven, en de armstoelen in de straat des Filles du
Calvaire, die beter geschikt waren voor een onderhoud onder vier
oogen dan de matten stoelen in de straat de l'Homme-Armé, hadden
ze bestendigd. Marius en de heer Fauchelevent zagen elkander,
maar onderhielden zich niet met elkander. 't Scheen, alsof dit
afgesproken was. Ieder meisje heeft een geleider noodig. Cosette
zou niet zonder den heer Fauchelevent kunnen komen. Voor Marius was
de heer Fauchelevent de voorwaarde van Cosettes komst. Hij nam ze
aan. Wanneer toevallig en zonder opzet over politiek werd gesproken,
uit het gezichtspunt der verbetering van den maatschappelijken
toestand, kwamen zij er toe, elkander iets meer dan ja en neen te
zeggen. Eenmaal, toen er over het onderwijs werd gesproken, dat Marius
kosteloos en verplichtend wilde hebben, onder allerlei vormen, en aan
allen als lucht en zon geschonken, in één woord, voor het geheele volk
bereikbaar, waren zij het eens en weidden er schier met elkander over
uit. Bij deze gelegenheid maakte Marius de opmerking, dat mijnheer
Fauchelevent zeer goed sprak, ja zelfs met een zekere keurigheid van
taal. Er ontbrak hem echter iets, men weet zelf niet wat. Mijnheer
Fauchelevent bezat iets minder en iets meer, dan een man van de wereld.
Marius deed zich zelven allerlei vragen ten opzichte van den heer
Fauchelevent, die jegens hem eenvoudig beleefd en koel was. Soms
twijfelde hij aan zijn eigen herinneringen. Er was in zijn geheugen een
opening, een donkere plek, een afgrond ontstaan, door zijn doodelijke
ziekte van vier maanden. Veel was daarin verloren gegaan. Hij vroeg
zich zelfs of het wel waar was, dat hij den heer Fauchelevent, dien
ernstigen, bezadigden man, in de barricade had gezien.
Dit was overigens niet de eenige verbazing, welke de verschijningen en
verdwijningen van het verleden in zijn geest hadden achtergelaten. Men
meene niet, dat hij van al deze kwellingen van het geheugen vrij
was, welke ons, zelfs wanneer wij gelukkig en tevreden zijn, een
treurigen blik in 't verleden doen slaan. De geest, die zich niet
naar verdwenen gezichten wendt, bevat noch gedachte noch liefde. Nu
en dan bracht Marius zijn hand aan 't hoofd, en het woelige en
onduidelijke verleden drong door den nevel, die om zijn hersenen
lag. Hij zag Mabeuf weder vallen, hij hoorde Gavroche te midden van
het schrootvuur zingen, hij voelde het kille voorhoofd van Eponine op
zijn lippen; al zijn vrienden Enjolras, Courfeyrac, Jean Prouvaire,
Combeferre, Bossuet, Grantaire rezen voor zijn oogen op en verdwenen
weder. Waren al deze geliefde, smartelijke, dappere, vroolijke of
treurige wezens droomen? Hadden zij werkelijk bestaan? Alles had de
opstand in zijn rook gehuld. Zulke heftige koortsen hebben heftige
droomen. Hij onderzocht zich; hij betastte zich; al deze verdwenen
werkelijkheden deden hem duizelen. Waar waren zij toch allen? Was het
waar, dat allen dood waren? Een val in de duisternis had alles doen
verloren gaan, behalve hem. Alles scheen hem verdwenen, als achter
een tooneelgordijn. Er zijn zulke gordijnen, die in het leven worden
nedergelaten. God gaat over tot het volgende bedrijf.
En hij, was hij wel dezelfde mensch? Hij, de arme, was nu rijk;
hij, de verlatene, had een familie; hij, de hopelooze, trouwde met
Cosette. 't Scheen hem, of hij door een graf was gegaan, dat hij
er zwart ingegaan en wit weder uitgekomen was. En in dat graf waren
de anderen gebleven. In sommige oogenblikken omringden hem al deze
wezens van het verledene als schimmen, en maakten hem treurig; dan
dacht hij aan Cosette en werd weder kalm; er was echter niets minder
dan dit geluk noodig, om deze verschrikking uit te wisschen.
De heer Fauchelevent nam schier een plaats in bij deze verdwenen
wezens. Marius kon nauwelijks gelooven, dat de Fauchelevent der
barricade, dezelfde Fauchelevent van vleesch en bloed was, die zoo
ernstig bij Cosette zat. De eerste was waarschijnlijk een dier beelden,
welke zijn ontstelde hersenen voortgebracht en weder weggenomen
hadden. Overigens was, bij 't verschil van beider aard, geen vraag
van Marius tot Fauchelevent mogelijk. De gedachte hieraan kwam zelfs
niet bij hem op. Wij hebben reeds op deze omstandigheid gewezen.
Twee mannen, die een gemeenschappelijk geheim hebben, en ten gevolge
eener soort van zwijgende overeenkomst, geen woord daarover wisselen,
zijn minder zeldzaam dan men gelooft.
Eens echter wilde Marius een proef nemen. Hij mengde de
Chanvreriestraat in het gesprek, en zich tot Fauchelevent wendende,
zeide hij:
"Ge kent immers die straat?"
"Welke straat?"
"De Chanvreriestraat?"
"Ik heb volstrekt geen idée van den naam dier straat," antwoordde de
heer Fauchelevent, op den natuurlijksten toon ter wereld.
Het antwoord, dat op den naam der straat en niet op de straat zelve
doelde, kwam Marius beslissender voor dan het was.
"Ik heb stellig gedroomd," dacht hij, "'t is een zinsbegoocheling
geweest. 't Was iemand, die op hem geleek. De heer Fauchelevent was
er niet."
ACHTSTE HOOFDSTUK.
TWEE ONMOGELIJKE WEDER TE VINDEN MANNEN.
Het geluk, hoe groot het ook was, wischte evenwel geen andere gedachten
uit den geest van Marius.
Terwijl men de toebereidselen voor het huwelijk maakte, en het
bepaalde tijdstip afwachtte, liet hij omstandig en nauwkeurig het
gebeurde onderzoeken.
Hij was aan verschillende zijden dank schuldig; zoowel voor zijn
vader als voor zich zelven.
Er was Thénardier; er was de onbekende, die hem, Marius, bij den heer
Gillenormand gebracht had.
Marius stelde er veel belang in, beide mannen weder te vinden, wijl hij
meende, niet te mogen trouwen en gelukkig te zijn, zoo hij hen vergat,
en vreezende dat een onbetaalde schuld een schaduw op zijn thans zoo
helder leven zou werpen. 't Was hem onmogelijk al die oude schuld in
het vergeetboek te laten, en eer hij de gelukkige toekomst inging,
wilde hij een kwijtbrief van het verledene hebben.
Dat Thénardier een schurk was, ontnam niets aan het feit, dat hij den
kolonel Pontmercy had gered. Thénardier was voor iedereen een bandiet,
behalve voor Marius.
En Marius, onbekend als hij was met de juiste toedracht der zaak op het
slagveld van Waterloo, wist niet, dat zijn vader tegenover Thénardier
in den zonderlingen toestand was, van hem het leven verschuldigd te
zijn, zonder hem dankbaarheid schuldig te wezen.
Aan geen der verschillende agenten, welke Marius gebruikte, gelukte
het Thénardiers spoor te vinden. De verdwijning van dezen persoon
scheen volkomen. Vrouw Thénardier was, gedurende het onderzoek van het
proces, in de gevangenis overleden. Thénardier en zijn dochter Azelma,
de twee eenige overgeblevenen van deze erbarmelijke groep, waren
weder in de duisternis verzonken. De afgrond van het maatschappelijke
onbekende had zich stil boven deze wezens gesloten. Men zag zelfs
niet meer op de oppervlakte die rimpels, die beving, die donkere,
zich samentrekkende kringen, welke aankondigen, dat er iets in is
gevallen en men er de dreg in moet werpen.
Vrouw Thénardier was dood, Boulatruelle was buiten beschuldiging
gesteld, Claquesous was verdwenen, de hoofdbeschuldigden waren uit de
gevangenis gevlucht, het proces wegens den moordaanslag in het huis
Gorbeau was op schier niets uitgeloopen. De zaak was tamelijk duister
gebleven. Het hof van Assises had zich met twee ondergeschikten moeten
tevreden stellen, met Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille,
en met Demi-Liard bijgenaamd Deux-Milliards, die tot tien jaren
galeistraf waren veroordeeld. Tegen hun ontsnapte en voortvluchtige
medeplichtigen was eeuwigdurende galeistraf uitgesproken. Thénardier,
het hoofd en de aanvoerder was, bij verstek, ter dood veroordeeld. Dit
vonnis was het eenige, dat van Thénardier overbleef, en het wierp
op den begraven naam zijn akelig schijnsel, als een kaars naast
een doodkist.
Deze veroordeeling vermeerderde overigens de dikke duisternis, welke
Thénardier omgaf, doordien zij hem in de laagste diepten drong,
uit vrees van weder gevat te worden.
Wat den anderen, den onbekenden man betreft, die Marius had gered,
de navorschingen naar hem hadden aanvankelijk eenige uitkomst, doch
bleven eensklaps staken. Men slaagde er in den huurkoetsier te vinden,
die Marius in den avond van den 7 Juni naar de straat des Filles du
Calvaire had gevoerd. De koetsier verklaarde, dat hij den 6 Juni op
bevel van een politieagent van 3 uren des namiddags tot des avonds op
de kade der Champs-Elysées, voorbij den uitgang van het groote riool
"gestationneerd" had; dat tegen negen uren des avonds het hek van
het riool, dat aan den waterkant uitkomt, zich geopend had; dat een
man er was uitgekomen, die een ander, schijnbaar dooden man op de
schouders droeg; dat de agent, die dat punt bewaakte, den levenden
man aangehouden en den dooden man opgenomen had; dat hij, koetsier,
op bevel van den agent, al die lieden in zijn rijtuig had genomen;
dat men vooreerst naar de straat des Filles du Calvaire was gereden;
dat men er den dooden man gelaten had; dat de doode man mijnheer
Marius was en dat hij, koetsier, hem goed herkende, hoewel hij
"dezen keer" levend was; dat men vervolgens weder in zijn rijtuig
had plaats genomen, dat hij zijn paarden voortgezweept had, dat men
hem op eenige schreden van de deur der Archiven had toegeroepen,
dat hij moest stilhouden; dat men hem dáár, in de straat, betaald
en verlaten had, en dat de agent den anderen man had medegenomen,
en hij verder niets wist; dat 't een donkere avond was geweest.
Marius, zooals gezegd is, wist daar niets van. Alleen herinnerde
hij zich, dat hij van achteren door een forsche hand was gegrepen,
toen hij achterover in de barricade viel; verder was alles duister
voor hem. Hij had eerst ten huize van den heer Gillenormand zijn
bewustzijn herkregen.
Hij verloor zich in gissingen.
Hij kon niet aan zijn eigen persoon twijfelen. Maar hoe kwam het, dat
hij, in de straat Chanvrerie gevallen, door den agent van politie aan
den oever der Seine bij de brug der Invaliden was opgenomen? Iemand
had hem uit de wijk der Hallen naar de Champs-Elysées gedragen. En
op welke wijze? Door het riool. 't Was een ongehoorde opoffering!
Iemand? Wie?
't Was die man, welken Marius zocht.
Van dien man, zijn redder, was niets, geen spoor, niet de minste
aanwijzing te vinden.
Marius zette zijn navorschingen tot in de prefectuur van politie
voort, hoewel aan die zijde tot groote behoedzaamheid gedwongen. Dáár,
evenmin als elders, leidden de ontvangen mededeelingen tot eenige
opheldering. Aan de prefectuur wist men minder dan de huurkoetsier. Men
wist er niets van een inhechtenisneming, den 6 Juni bij het hek van
het Groote Riool gedaan; men had niet het minste rapport van een agent
deswege ontvangen; zoodat de geheele zaak aan de prefectuur voor een
sprookje werd gehouden. Men schreef dat verzinsel aan den koetsier
toe. Een huurkoetsier, die naar fooitjes hunkert, is tot alles in
staat, zelfs om iets te verzinnen. Het feit was echter zeker, en Marius
kon er niet aan twijfelen, of hij had aan zijn eigen persoonlijkheid
moeten twijfelen, zooals wij gezegd hebben.
Alles was onverklaarbaar in dit zonderlinge raadsel.
Wat was van dien man, dien geheimzinnigen man geworden, welken
de koetsier uit het hek van het Groote Riool had zien komen, den
bewusteloozen Marius op zijn rug dragende, en dien de wachtende
politieagent had aangehouden, als op heeterdaad betrapt van een
opstandeling te redden? Wat was van den agent zelven geworden? Waarom
had deze agent gezwegen? Was het den man gelukt te ontvluchten? Had
hij den agent omgekocht? Waarom gaf die man niet het minste teeken
van leven aan Marius, die hem alles te danken had? De belangeloosheid
was niet minder wonderbaar dan de opoffering! Waarom kwam die man
niet weder te voorschijn? Misschien was hij boven een belooning
verheven; maar niemand is boven de dankbaarheid verheven. Was hij
dood? Welk soort van mensch was het? Hoe zag hij er uit? Niemand
kon het zeggen. De koetsier antwoordde, dat de nacht heel donker
was. Basque en Nicolette hadden in hun ontsteltenis niets anders dan
hun bloedenden jongenheer gezien. De portier, wiens kaars de treurige
komst van Marius had verlicht, was de eenige die den bewusten man
opgemerkt had, en hij wist er niets anders van te zeggen, dan:
"De man zag er afschuwelijk uit!"
In de hoop, er voor zijn navorschingen partij van te kunnen trekken,
liet Marius de bebloede kleedingstukken bewaren, welke hij droeg,
toen men hem bij zijn grootvader terugvoerde. Bij het nazien van den
rok merkte men op, dat een der panden er afgescheurd was.
Zekeren avond sprak Marius in de tegenwoordigheid van Cosette en Jean
Valjean van dit zonderlinge avontuur, van de tallooze navorschingen,
welke hij gedaan had, en van de vruchteloosheid zijner pogingen. De
koele houding van den heer "Fauchelevent" hinderde hem.
Hij riep met een levendigheid, die schier de uitdrukking van toorn had:
"Ja, deze man, hij moge zijn wie hij wil, is inderdaad verheven
geweest. Weet ge wat hij gedaan heeft, mijnheer? Hij is als een
reddende engel opgetreden. Hij moest zich te midden van het gevecht
werpen, mij er aan ontrukken, het riool openen, mij er in brengen,
mij er in voortdragen. Hij moest langer dan anderhalf uur door
afschuwelijke onderaardsche gangen gaan, gebukt, gebogen, in de
duisternis, in de modder; langer dan anderhalf uur, mijnheer, met een
lijk op den rug. En met welk doel? Met het eenige doel, dat lijk te
redden. En dat lijk was ik. Hij zeide bij zich zelven: Er is misschien
nog een vonk leven in, ik zal mijn leven voor deze ellendige vonk
wagen! Hij heeft zijn leven niet één-, maar twintigmaal gewaagd. Iedere
tred was een gevaar. Het bewijs hiervan werd genomen. Weet ge,
mijnheer, dat die man dit alles gedaan heeft? En zonder de minste
belooning te verwachten! Wat was ik? Een verwonneling. O! zoo de
zeshonderd duizend francs van Cosette mij behoorden..."
"Zij behooren u," viel Jean Valjean hem in de rede.
"Welnu," hernam Marius, "dan zou ik ze geven om dien man weder
te vinden."
Jean Valjean zweeg.
BOEK VI.
DE SLAPELOOZE NACHT.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE 16 FEBRUARI 1833.
De nacht van den 16 op den 17 Februari 1833 was een gezegende
nacht. Boven zijn duisternis had hij den open hemel. 't Was de
bruiloftsnacht van Marius en Cosette.
't Was een heerlijke dag geweest.
't Was wel niet het tooverfeest geweest, waarvan de grootvader gedroomd
had, een tooverfeest met een gewoel van engeltjes en liefdegoodjes
om het getrouwde paar, een huwelijk waardig om er een schilderstuk
van te maken; maar het was genoegelijk en vroolijk geweest.
De huwelijksmode was in 1833 anders dan thans. Frankrijk had van
Engeland nog niet die verhevene kieschheid overgenomen van zijn
vrouw te schaken, bij het verlaten der kerk de vlucht te nemen, zich
beschaamd over zijn geluk te verbergen, en de handelingen van een
bankroetier aan de verrukkingen van het Hooglied te paren. Men had nog
niet begrepen, welke kuischheid, uitnemendheid en betamelijkheid er
in gelegen zijn, zijn hemel in een hotsende postchais mede te nemen,
aan zijn geheim het zweepgeklap te paren, een herbergsbed tot bruidsbed
te nemen, en in een voor ieder toegankelijke slaapkamer tegen zooveel
per nacht de heiligste herinnering des levens, aan het geheimzinnig
gebabbel van den postwagenconducteur en de dienstmeid der herberg
achter te laten.
In deze tweede helft der negentiende eeuw, waarin wij zijn, zijn de
maire en zijn sjerp, de priester en zijn kasuifel, de wet en God
niet meer voldoende, zij moeten door een postillon van Longjumeau
aangevuld worden; een blauw buis met roode opslagen en ronde knoopen,
een plaat op den arm, een broek van groen leder, gevloek tegen de
normandische paarden met opgebonden staart, valsch galon, leeren hoed,
zwaar gepoederd haar, groote zweep en hooge laarzen. Frankrijk heeft de
deftigheid nog zoo ver niet gedreven van, gelijk de Engelsche nobility,
op de postkales der pasgetrouwden een regenbui van ontzoolde pantoffels
en oude sloffen te storten, ter herinnering aan Churchill, later
Marlborough of Malbrouck, die op den dag van zijn huwelijk door den
toorn zijner tante werd overvallen, die hem geluk bracht. De sloffen
en pantoffels behooren nog niet tot onze huwelijksplechtigheden;
maar geduld, bij vooruitgaanden goeden smaak zal men er wel toe komen.
Honderd jaren voor 1833 vierde men de bruiloft niet in vollen galop.
Men verbeeldde zich nog in dien tijd, 't was zonderling, dat
een huwelijk een huiselijk en maatschappelijk feest is, dat een
patriarchaal feestmaal geen huiselijke plechtigheid bederft, dat de
vroolijkheid, mits zij eerbaar zij, het geluk niet schaadt, en dat het
eindelijk eerbiedwaardig en goed is, dat de samensmelting van twee
levens, waaruit een familie zal voortkomen, in het huis een begin,
en de huishouding voortaan tot getuige de bruidskamer hebbe.
En men was zoo onbeschaamd, te huis te trouwen.
Het huwelijk werd dus, ingevolge deze thans verouderde mode, ten
huize van den heer Gillenormand gevierd.
Hoe eenvoudig en gewoon een huwelijksvoltrekking ook zij, veroorzaken
de afkondiging der geboden, de op te maken acten, het stadhuis, de
kerk, toch altijd eenige drukte, en men kon dus vóór den 16 Februari
niet gereed zijn.