Juist op hetzelfde oogenblik, wilde de grootvader den neus snuiten,

maar bleef er in steken, hield den neus in zijn zakdoek en aanschouwde

Cosette er overheen.

"Aanbiddelijk!" riep hij uit.

Toen snoot hij heel luidruchtig.

Cosette was verbijsterd, verrukt, verschrikt, in den hemel. Zij was

door het geluk zoozeer in verwarring gebracht, als men slechts zijn

kan. Zij stamelde, werd nu bleek, dan rood, zij wilde zich in de

armen van Marius werpen, maar durfde niet. Zij schaamde zich, voor al

deze lieden haar liefde te doen blijken. Men is onmeedoogend jegens

gelukkige gelieven, men blijft, wanneer zij vurig zouden verlangen

alleen te zijn. Zij hebben volstrekt geen getuigen noodig.

Tegelijk met Cosette en achter haar, was een man met wit haar, ernstig,

maar toch flauw en smartelijk glimlachend, binnengekomen. 't Was

"Mijnheer Fauchelevent;" 't was Jean Valjean.

Hij was "zeer goed gekleed", zooals de portier had gezegd, geheel in

het zwart en nieuw, en met witte das.

De portier dacht er in de verte niet aan, in dezen netten heer, in

dezen schijnbaren notaris, den vreeselijken doodenbrenger te herkennen,

die in den nacht van den 7den Juni, met gehavende kleederen, vuil,

afschuwelijk, verwilderd, het gezicht met bloed en slijk bedekt, aan

zijn deur was verschenen, den bewusteloozen Marius in de armen houdend;

evenwel was zijn portiersneus opgewekt. Toen de heer Fauchelevent

met Cosette was gekomen, had de portier in vertrouwen tot zijn vrouw

gezegd: "Ik weet niet, waarom ik mij altijd verbeeld dit gezicht meer

gezien te hebben."

Toen de heer Fauchelevent in de kamer van Marius was, bleef hij

als afgezonderd bij de deur staan. Hij had een pakje onder den arm,

dat op een octavo boek geleek, in papier gewikkeld. Dat papier was

groenachtig en scheen van het vocht te hebben geleden.

"Heeft deze heer altijd zulke boeken onder den arm?" vroeg mejuffrouw

Gillenormand, die van geen boeken hield, zacht tot Nicolette.

"O," antwoordde op denzelfden toon de heer Gillenormand, die het

gehoord had, "'t is een geleerde: kan hij 't helpen? De heer Boulard,

dien ik gekend heb, ging nooit uit zonder boek en had altijd zulk

een oud boekje aan zijn hart."

En luide zeide hij groetend:

"Mijnheer Tranchelevent..."

Vader Gillenormand deed het niet met opzet, maar de achteloosheid

voor eigennamen was bij hem een aristocratische manier.

"Mijnheer Tranchelevent, ik heb de eer u voor mijn kleinzoon, mijnheer

den baron Marius Pontmercy, de hand van mejuffrouw te vragen."

"Mijnheer Tranchelevent" boog.

"Dit is in orde," zei de grootvader.

Daarop zich tot Marius en Cosette wendende en de armen zegenend

uitbreidende, riep hij:

"'t Is u thans vergund elkander te beminnen!"

Zij lieten het zich geen tweemaal zeggen. Zooveel te erger! het

gefluister begon. Zij spraken samen zacht, Marius overeind op zijn

rustbed zittende en Cosette naast hem staande. "O mijn God!" lispte

Cosette, "ik zie u weder, gij zijt het! Zoo te gaan vechten. Waarom

toch? 't Is afschuwelijk! Gedurende vier maanden ben ik dood

geweest. O, 't was ondeugend van u, naar dat gevecht te gaan! Wat

had ik u toch gedaan? Ik vergeef het u, maar ge moogt het niet weer

doen. Toen men ons aanstonds kwam zeggen, dat wij hier moesten komen,

meende ik wederom te sterven, maar het was van vreugd. Ik was zoo

treurig! Ik heb mij den tijd niet gegund mij te kleeden; ik moet er

afzichtelijk uitzien. Wat zullen uw verwanten wel zeggen, mij met

zulk een verkreukt kraagje te zien! Spreek toch! Ge laat mij alleen

spreken. Wij wonen nog altijd in de rue de l'Homme-Armé. 't Schijnt,

dat uw schouder vreeselijk gekwetst is! Men heeft mij gezegd, dat men

er de hand in kon leggen. En men heeft het vleesch uitgesneden. 't

Is ijselijk! Ik heb mij de oogen schier uitgeweend. 't Is wonder,

dat men zooveel kan lijden. Uw grootvader heeft een goedhartig

voorkomen. Maar vermoei u niet, steun niet op uw elleboog, ge zult u

pijn doen. O, hoe gelukkig ben ik! 't Ongeluk is dan voorbij. Ik ben

heel en al dwaas. Ik wilde u een en ander zeggen, maar ik ben 't geheel

vergeten. Bemint ge mij altijd? Wij wonen in de rue l'Homme-Armé. Er

is geen tuin. Al dien tijd heb ik pluksel gemaakt, zie mijnheer,

't is uw schuld, ik heb eelt aan den vinger."--"Engel!" zei Marius.

Engel is het eenige woord der taal, dat niet verslijt. Geen ander woord

zou het onmeedoogend gebruik kunnen wederstaan, dat de verliefden er

van maken.

Toen, wijl er getuigen waren, zwegen zij en zeiden geen woord meer;

zij bepaalden er zich toe, elkander zacht de hand te drukken.

De heer de Gillenormand wendde zich tot allen, die in de kamer waren

en riep:

"Spreekt toch luid, gij allen! maakt gedruisch, kom aan, een weinig

leven, opdat de kinderen op hun gemak met elkander kunnen spreken."

En Marius en Cosette naderende, fluisterde hij hen toe:

"Praat maar, stoort u aan niets."

Tante Gillenormand was verbaasd over de inbreking van licht in haar

oude hart. Deze verbazing had niets vijandigs; 't was in 't minst

niet die afgunstige blik van een uil met twee hoornen: 't was het

domme oog eener arme onnoozele van zeven en vijftig jaar; 't was het

mislukte leven, dat deze overwinning, de liefde, aanschouwde.

"Mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter," zij haar vader; "ik heb u

immers wel gezegd, dat ge dit zoudt beleven."

Hij zweeg een oogenblik en hernam:

"Aanschouw het geluk van anderen."

Toen wendde hij zich tot Cosette:

"Hoe mooi is zij! hoe mooi is zij! Als een portret van Greuze. Ge

zult dit dus alleen bezitten, deugniet. O, schelm, ge zijt gelukkig,

dat ik u geen afbreuk kan doen; zoo ik twintig jaren jonger ware,

zouden wij met den degen om haar vechten. Hoor, ik ben op u verliefd,

jongejuffer. 't Is zeer eenvoudig en natuurlijk. Ha, 't zal een

kleine, lieve bruiloft geven! Saint-Denis is onze parochie, maar ik

zal dispensatie vragen om u in Saint-Paul te doen trouwen. Die kerk

is beter. De Jezuïeten hebben haar gebouwd. Zij is fraaier. Zij staat

tegenover de fontein van den kardinaal de Birague. Het meesterstuk

der jezuïetische bouworde is te Namen. 't Heet Saint-Loup. Ge moet

daarheen gaan, zoodra ge getrouwd zijt. 't Is een reis waard. Ik

ben volkomen van uw meening, mejuffer; de meisjes moeten trouwen;

zij zijn er voor geschapen. Er is een zekere heilige Katharina,

welke ik altijd ongekapt zou willen zien. Ongehuwd te blijven is

schoon, maar koud. De Bijbel zegt: Vermenigvuldigt. Om het volk te

redden moet er een Jeanne d'Arc zijn, maar om volk te hebben, is

moeder Gigogne noodig. Trouwt dus, schoone dames. Ik weet waarlijk

niet, waarom men ongehuwd zou blijven? Ik weet wel, dat men een

afzonderlijke kapel in de kerk heeft, en men in de broederschap der

H. Maagd wordt opgenomen, maar, voor den drommel, een mooien, goeden

jongen tot man en na verloop van een jaar een dikken, blonden knaap,

met mollige billen, aan de borst, dit is toch beter dan in de vesper

een waskaars in de hand te houden en te zingen Turris Eburnea!"

De grootvader draaide op zijn negentigjarige hielen om, en rammelde

voort, als een losgebroken springveer:

Ainsi, bornant le cours de tes rêvasseries,

Alcippe, il est donc vrai, dans peu tu te maries [9].

"Apropos!"

"Wat blieft, vader?"

"Hadt ge niet een boezemvriend?"

"Ja, Courfeyrac."

"Wat is er van hem geworden?"

"Hij is dood."

"Dat is goed."

Hij zette zich bij hen, deed Cosette plaats nemen, en nam hun vier

handen in zijn gerimpelde handen.

"Zij is allerliefst, een meesterstuk, deze Cosette. Zij is een klein

meisje en een zeer groote dame. Zij zal slechts barones zijn, dit

is te weinig; zij is tot markiezin geboren. Welke fraaie wimpers

heeft zij. Kinderen, drukt u goed op het hart, dat ge het ware

hebt gekozen. Bemint elkander; verdwaast er u door. De liefde is de

dwaasheid der menschen en de wijsheid van God. Aanbidt elkander. Maar,"

voegde hij er eensklaps treurig bij, "welk een ongeluk! Nu denk ik er

aan. Meer dan de helft van 't geen ik bezit is lijfrente; zoolang ik

leef, zal het wel gaan, maar, na mijn dood, na een twintigtal jaren,

mijn arme kinderen, zult gij, helaas, niets hebben? Uw witte handjes,

mevrouw de barones, zullen moeten werken."

Thans hoorde men een ernstige kalme stem, die zeide:

"Mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent bezit zesmaal honderd duizend

francs."

't Was de stem van Jean Valjean.

Hij had nog geen woord gezegd, niemand scheen er zelfs op te letten,

dat hij er nog was; hij stond bewegingloos achter al deze gelukkige

menschen.

"Wie is die bedoelde mejuffrouw Euphrasie?" vroeg de grootvader

ontsteld.

"Dat ben ik," antwoordde Cosette.

"Zesmaal honderd duizend francs!" hernam de heer Gillenormand.

"Misschien veertien of vijftien duizend francs minder," zei Jean

Valjean.

En hij legde op de tafel het pakje, dat tante Gillenormand voor een

boek had aangezien.

Jean Valjean opende zelf het pakje. 't Waren bankbiljetten. Men zag en

telde ze. Er waren vijfhonderd briefjes van duizend en honderd acht

en zestig van vijfhonderd francs. Te zamen vijfmaal honderd vier en

tachtig duizend francs.

"Dit is een kostelijk boek," zei de heer Gillenormand.

"Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs!" prevelde de tante.

"Dit brengt veel bezwaren in orde, niet waar mejuffrouw Gillenormand,

mijn dochter?" hernam de grootvader. "Die drommelsche Marius, hij heeft

uit den boom der droomen een schatrijk nestje gehaald. Vertrouw nu nog

de minnarijen der jongelieden. De studenten vinden meisjes met zesmaal

honderd duizend francs. Cherubin is nog handiger dan Rothschild."

"Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend franken," herhaalde halfluid

mejuffrouw Gillenormand. "Vijfmaal honderd vier en tachtig! Men kan

even goed zeggen: zesmaal honderd duizend francs!"

Marius en Cosette zagen elkander intusschen aan. Zij letten nauwelijks

op deze omstandigheid.

VIJFDE HOOFDSTUK.

MEN BELEGGE ZIJN GELD LIEVER IN EEN BOSCH DAN BIJ EEN NOTARIS.

Men heeft waarschijnlijk begrepen, zonder dat het noodig is het

uitvoerig te verklaren, dat Jean Valjean, na de zaak Champmathieu,

ten gevolge van zijne vlucht van eenige dagen, naar Parijs had kunnen

gaan, en bijtijds de door hem, onder den naam van den heer Madeleine

van M-sur-M., gewonnen som terug vorderen; en dat hij, vreezende

weder gevat te worden, 't geen werkelijk korten tijd later gebeurde,

deze som in het bosch van Montfermeil, ter plaatse genaamd de laagte

Blaru in den grond begraven had. Deze som van zesmaal honderd duizend

francs, geheel in bankbriefjes, was klein van omvang en een doosje

kon ze bevatten; maar ten einde de doos voor vochtigheid te behoeden,

had hij ze in een eikenhouten kistje vol kastanjekrullen gedaan. In

hetzelfde kistje had hij zijn anderen schat, de kandelaars van den

bisschop, gelegd. Men herinnert zich, dat hij deze kandelaars bij

zijn vlucht uit M-sur-M. had medegenomen. De man, dien Boulatruelle op

dien zekeren avond zag, was Jean Valjean. Later, telkens wanneer Jean

Valjean geld noodig had, ging hij het op de onbegroeide plek Blaru

in het bosch halen. Vandaar de afwezigheid, waarvan wij gesproken

hebben. Op een veilige plek in de struweelen, die hem alleen bekend

was, had hij een spade verborgen. Toen hij zag, dat Marius herstelde

en het oogenblik voelde naderen, dat dit geld van dienst kon zijn,

was hij het gaan halen, en wederom werd hij door Boulatruelle in het

bosch gezien, maar thans des ochtends en niet des avonds. Boulatruelle

erfde de spade.

De wezenlijke som was vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend

vijf honderd francs. Jean Valjean behield vijfhonderd francs voor

zich.--"Later zullen wij zien," dacht hij.

Het verschil tusschen deze som en de zesmaal honderd dertigduizend

francs, van Laffitte teruggenomen, vertegenwoordigde de uitgave van

tien jaren, van 1823 tot 1833. Zijn vijfjarig verblijf in het klooster

had slechts vijf duizend francs gekost.

Jean Valjean plaatste de twee zilveren kandelaars op den schoorsteen,

waar zij tot groote bewondering van vrouw Toussaint schitterden.

Overigens wist Jean Valjean, dat hij van Javert verlost was. Men had in

zijn tegenwoordigheid verhaald, en hij had de zaak in den Moniteur,

die het berichtte, bevestigd gezien, dat een politie inspecteur,

Javert genaamd, onder een waschschuit tusschen de Pont-au-Change en

de Pont-Neuf verdronken was gevonden, en dat een geschrift, 't welk

deze overigens onberispelijke en door zijn superieuren zeer geachte

man had nagelaten, aan een vlaag van zinsverbijstering en zelfmoord

deed denken. Inderdaad, dacht Jean Valjean, hij moest reeds van zinnen

verbijsterd zijn, toen hij mij in zijn macht had en mij vrijliet.

ZESDE HOOFDSTUK.

DE BEIDE OUDE LIEDEN DOEN, ELK OP ZIJN WIJZE, ALLES OM COSETTE GELUKKIG

TE MAKEN.

Men maakte alle toebereidselen voor het huwelijk. De geneesheer,

die hieromtrent geraadpleegd werd, verklaarde dat het in Februari kon

plaats hebben. Men was in December. Eenige heerlijke weken verliepen

in volkomen geluk.

De grootvader was niet de minst gelukkige. Kwartieruren lang stond

hij in de aanschouwing van Cosette.

"Een verwonderlijk schoon meisje!" riep hij. "En zij ziet er zoo zacht

en zoo goed uit. Zonder tegenspraak is zij het bekoorlijkste meisje,

dat ik van mijn leven gezien heb. Later zal zij deugden hebben, die

de geuren van een violet verspreiden. Zij is een gratie. Met zulk een

wezen kan men slechts edel leven. Marius, mijn jongen, gij zijt baron,

rijk, leg het advocaatschap neder, ik bid u."

Cosette en Marius waren eensklaps van het graf in den hemel

overgegaan. De overgang was niet voorbereid, en zij zouden er door

verbijsterd zijn geworden, waren zij er niet verrukt door geweest.

"Begrijpt ge er iets van?" vroeg Marius aan Cosette.

"Neen," antwoordde Cosette, "maar mij dunkt, dat de goede God ons

aanschouwt."

Jean Valjean deed alles, maakte alles in orde, bevredigde alles,

ruimde alle bezwaren uit den weg. Hij bespoedigde met zooveel ijver

en, schijnbaar, met zooveel vreugde Cosettes geluk, als Cosette zelve.

Dewijl hij maire was geweest, wist hij een kiesch probleem op te

lossen, van 't welk hij alleen het geheim kende: den burgerlijken

stand van Cosette. Had hij onbewimpeld haar afkomst gezegd, wie

weet of dit mogelijk geen beletsel voor het huwelijk zou geweest

zijn. Hij redde Cosette uit alle moeielijkheden. Hij bezorgde haar

een familie van overledenen, het zekerste middel om alle tegenspraak

te ontgaan. Cosette was de eenige overgeblevene van een uitgestorven

familie, Cosette was niet zijn dochter, maar de dochter van een

anderen Fauchelevent. Twee gebroeders Fauchelevent waren tuiniers

in het klooster van klein Picpus geweest. Men begaf zich naar dat

klooster; de beste inlichtingen en de vereerendste getuigenissen werden

er verkregen; de goede nonnen, weinig in staat en weinig genegen de

quaestiën van vaderschap te onderzoeken, en zonder eenigen argwaan,

hadden nooit juist geweten, wie der beide Fauchelevents de vader van

Cosette was. Zij zeiden wat men begeerde, en zeiden het met groote

belangstelling. Er werd een acte van bekendheid opgemaakt. Cosette

werd door de wet mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent, en ouderlooze

weeze verklaard. Jean Valjean richtte het zoo in, dat hij onder den

naam van Fauchelevent tot voogd van Cosette en de heer Gillenormand

tot toezienden voogd werd benoemd.

De vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend francs waren een legaat

door iemand, die onbekend wilde blijven, aan Cosette vermaakt. Dat

legaat was aanvankelijk vijfmaal honderd vier-en-negentig duizend

francs geweest, maar tienduizend francs waren aan de opvoeding

van mejuffrouw Euphrasie besteed, waarvan vijf duizend francs aan

het klooster zelf waren betaald. Dit legaat, in de handen van een

derde gesteld, moest aan Cosette bij haar meerderjarigheid of op het

tijdstip van haar huwelijk gegeven worden. Zooals men ziet, was dit

alles zeer aannemelijk, te meer, wijl er meer dan een half millioen

bij behoorde. Er was in sommige punten wel iets vreemds, maar men zag

dit niet; de oogen van een der belanghebbenden waren door de liefde

geblinddoekt, die der anderen door de zesmaal honderd duizend francs.

Cosette vernam, dat zij niet de dochter was van den ouden man, dien

zij zoo lang vader had genoemd. Hij was slechts een bloedverwant;

een andere Fauchelevent was haar ware vader geweest. Op ieder ander

oogenblik zou haar dit gegriefd hebben. Maar in het wonderbare

tegenwoordige uur, was het slechts een weinig schaduw, een kleine

verdonkering, en zij was zoo vol vreugd, dat deze wolk kort van duur

was. Zij had Marius. De jongeling kwam, de oude man verdween; zóó is

het leven.

Bovendien was Cosette sedert vele jaren gewoon, zich door raadsels

omgeven te zien; ieder kind, dat een geheimzinnige jeugd heeft gehad,

is steeds tot ontberingen gereed.

Zij bleef echter Jean Valjean "vader" noemen.

Cosette, die als in den hemel was, was met vader Gillenormand hoogelijk

ingenomen. 't Is waar, dat hij haar met puntdichten en geschenken

overlaadde. Terwijl Jean Valjean Cosette een behoorlijken stand in de

maatschappij en het bezit van een wettelijken staat bereidde, zorgde

de heer Gillenormand voor het uitzet. Hij wenschte alles prachtig te

doen. Hij had Cosette een kostbaar kanten kleed geschonken, dat van

zijn eigen grootmoeder afkomstig was. Deze mode herleeft, zeide hij,

het ouderwetsche is weder gezocht, en in mijn ouderdom kleeden zich

de jonge vrouwen als in mijn jeugd de oude vrouwen.

Hij plunderde zijn ruim voorziene kasten van Coromandel- en lakwerk,

die sedert jaren niet geopend waren. "Laat ons deze dames eens

onderzoeken," zeide hij, "en zien wat zij bevatten." Hij opende met

geweld de ronde laden vol kleedingstukken van al zijn vrouwen, van al

zijn minnaressen en van al zijn grootmoeders. Nanking, damast, lampas,

gekleurd moiré, rokken van gevlamd gros de Tours, Indische doeken

met goud geborduurd, die gewasschen konden worden, stukken dauphiné

zonder weerzijde, kanten van Genua en Alençon, gouden sieraden,

ivoren bonbonnières met microscopisch schilderwerk, snuisterijen,

linten, dat alles schonk hij aan Cosette. Cosette, verwonderd,

geheel vervuld van liefde voor Marius en verlegen van dankbaarheid

voor den heer Gillenormand, droomde van een grenzenloos geluk in

satijn en fluweel. Haar bruidskorf scheen haar door engelen gebracht

te zijn. Haar ziel vloog ten hemel op vleugels van Mechelsche kant.

De dronkenschap der gelieven werd, zooals wij gezegd hebben,

slechts geëvenaard door de verrukking van den grootvader. Er was als

trompetgeschal in de straat des Filles du Calvaire.

Iederen ochtend bracht de grootvader een nieuw offer van antiquiteiten

aan Cosette. Alle mogelijke falbalás golfden prachtig om haar heen.

Op zekeren dag zeide Marius, die te midden van zijn geluk gaarne eens

ernstig sprak, bij een of andere gelegenheid:

"De mannen der revolutie zijn zoo groot, dat zij reeds den stralenkrans

der eeuwen bezitten, evenals Caton en Phocion, en ieder hunner schijnt

een herinnering uit de oudheid" [10].

"Moire antique!" riep de grijsaard. "Ik dank u Marius. 't Is juist

het denkbeeld dat ik zocht."

En den volgenden dag werd bij de bruidskorf een prachtig kleed van

theekleurig moire antique gevoegd.

De grootvader trok uit deze snuisterijen wijze lessen.

"De liefde is goed, maar dit behoort er bij. In het geluk moet iets

overtolligs zijn. Het geluk is slechts het noodzakelijke. Kruid het

met ontzaggelijk veel overbodigs. Een paleis en haar hart. Haar hart

en het Louvre. Haar hart en de fonteinen van Versailles. Geef mij

mijn herderin, maar zorg dat zij hertogin zij. Breng mij Philis

met korenbloempjes bekranst, maar voeg er honderdduizend francs

rente bij. Bereid mij een eindeloos landelijk leven onder een

marmeren zuilengang. Ik neem genoegen met het landelijk leven, met

het marmeren en gouden tooverpaleis. Het droge geluk gelijkt droog

brood. Men eet, maar men houdt geen maaltijd. Ik wil overdaad, het

nuttelooze, noodelooze, het buitensporige, overvloed. Ik herinner

mij in de kathedraal van Straatsburg een uurwerk te hebben gezien,

zoo hoog als een huis van drie verdiepingen, dat het uur aanwees, dat

zoo vriendelijk was het uur aan te wijzen, maar er niet voor gemaakt

scheen, en dat, als het middag of middernacht, of ieder ander uur,

geslagen had, de maan en de starren, de aarde en de zee, de vogels,

en de visschen, Phoebus en Phebé, en een menigte dingen, die uit

een nis kwamen, de twaalf apostelen en keizer Karel V, en Eponine en

Sabinus, en verscheiden vergulde mannetjes, die op den koop toe op de

trompet bliezen, vertoonde. Reken daarbij het verrukkend klokkenspel,

dat telkens in de lucht golfde, zonder dat men wist waarom. Is

hierbij een eenvoudige wijzerplaat, die niets dan de uren aanwijst,

te vergelijken? Ik ben voor het groote uurwerk van Straatsburg en

geef er de voorkeur aan boven de koekoekklok van het Zwarte woud."

De heer Gillenormand rammelde inzonderheid over de bruiloft, en al

de heerlijkheden der achttiende eeuw waren in zijn uitstortingen

doorééngemengd.

De Ellendigen (Deel 5 van 5) · 第 15 / 25 段