zich met allerlei verwarde en verschillende zaken bezighield. Hij
sloeg steenen tot puin, en benadeelde de reizigers op den grooten
weg. Hij was wegwerker en dief, en werd door een droom beheerscht;
hij geloofde zeker, dat er schatten in het bosch van Montfermeil waren
begraven. Hij hoopte eenmaal aan den voet van een boom geld in den
grond te zullen vinden; in afwachting hiervan vergenoegde hij zich,
het in de zakken der voorbijgangers te zoeken.
Voor het oogenblik was hij echter voorzichtig. Hij was ternauwernood
ontsnapt. Men weet, dat hij met de overige bandieten in de woning
van Jondrette gevat was. De ondeugd was hem nuttig geweest: zijn
dronkenschap had hem gered. Men had er niet kunnen achterkomen, of hij
daar als dief of als bestolene was geweest. Een bevel tot vrijlating,
gegrond op den wel bewezen toestand van dronkenschap, waarin hij op
den avond van den aanslag verkeerde, stelde hem op vrije voeten. Hij
was naar zijn weg tusschen Gagny en Lagny wedergekeerd, om er onder
bescherming der regeering en voor rekening van den staat steenen stuk
te slaan, terneergedrukt, in diepe gedachten, een weinig bekoeld voor
het stelen, dat hem bijna in 't verderf had gestort, maar zich met
meer teederheid dan ooit tot den wijn wendende, die hem gered had.
De levendige aandoening, welke hij ondervond, kort na zijn terugkomst
onder het zodendak zijner wegwerkershut, was van den volgenden aard:
Toen op zekeren ochtend, even vóór dat de zon opging, Boulatruelle
zich als gewoonlijk naar zijn arbeid en misschien naar zijn hinderlaag
begaf, bemerkte hij tusschen de takken een man, van wien hij slechts
den rug zag, doch wiens gestalte, in weerwil van den afstand en de
morgenschemering, hem niet onbekend scheen. Boulatruelle had, hoewel
hij een dronkaard was, een juist en scherp geheugen; een noodzakelijk
wapen van verdediging voor ieder, die met de wettige orde eenigszins
in strijd is.
"Waar heb ik, voor den duivel, iets als dezen kerel gezien?" vroeg
hij zich. Maar hij kon zich hierop geen ander antwoord geven, dan
dat dit iets geleek op iemand, van wien hem een onduidelijk beeld in
't geheugen lag. Overigens maakte Boulatruelle, afgescheiden van deze
gelijkenis, waarmede hij niet in 't reine kon komen, opmerkingen en
gissingen. Deze man behoorde niet in deze streek te huis. Hij was
er gekomen, stellig te voet, want op dit uur rijdt geen diligence
door Montfermeil. Hij had den ganschen nacht geloopen. Van waar kwam
hij? Van niet ver, want hij droeg noch reiszak noch pak. Waarschijnlijk
van Parijs. Waarom was hij in dit bosch? Waarom was hij er op dit
uur? Wat kwam hij er doen?
Boulatruelle dacht aan den schat. Eindelijk, na lang peinzen,
herinnerde hij zich flauw, eenige jaren geleden een dergelijke
opwekking te hebben gehad, ten aanzien van een man, die hem scheen
wel dezelfde als deze te kunnen zijn.
Terwijl hij dus nadacht, had hij onder het gewicht zijner
overpeinzingen het hoofd gebogen, iets dat zeer natuurlijk, maar
niet heel schrander was. Toen hij het weder oprichtte was er niemand
meer. De man was in het bosch en in de schemering verdwenen.
"Voor den duivel!" zei Boulatruelle, "ik zal hem wedervinden. Ik
zal de parochie van dezen parochiaan ontdekken. Deze wandelaar van
Patron-Minette heeft een reden, waarom hij hier is, en ik zal ze
vernemen. Men heeft in mijn bosch geen geheimen, zonder dat ik er
bij behoor."
Hij nam zijn spade, die zeer scherp was.
"Hiermede," mompelde hij, "kan ik den grond en een mensch kort
krijgen."
En evenals men een draad aan een anderen knoopt, den weg
samenstellende, dien de man had moeten nemen, ging hij door het
kreupelhout.
Toen hij een honderd schreden had afgelegd, kwam de aanbrekende dag hem
meer en meer te hulp. Hier en daar in het zand gedrukte voetstappen,
vertrapt gras, verplette struikjes, de jonge gebogen takjes der
struweelen, die met bevallige langzaamheid zich weder oprichtten,
als de armen eener schoone vrouw, die, ontwakende, zich uitrekt, dit
alles wees hem een spoor aan. Hij volgde het, maar verloor het. De
tijd verstreek. Hij ging dieper het bosch in en kwam aan een soort
van heuveltje. Een vroege jager, die in de verte op een voetpad
de aria van Guillery floot, bracht hem op de gedachte in een boom
te klimmen. Hoewel oud, was hij nog vlug. Er stond een hooge beuk,
en Boulatruelle klom, zoo hoog hij kon, in dien beuk.
't Was een goede inval. Toen Boulatruelle vorschend naar den kant zag,
waar het bosch dicht begroeid en woest is, ontdekte hij eensklaps
den man.
Maar nauwelijks had hij hem gezien, of hij verloor hem weder uit
het oog.
De man ging of liever sloop naar een zeer afgelegen, onbegroeide
plek, die achter hooge boomen verborgen, maar aan Boulatruelle zeer
goed bekend was, wijl hij er, dicht bij een grooten hoop steenen,
een gewonden kastanjeboom had opgemerkt, die, met een zinken plaat,
op de schors gespijkerd, verbonden was. Deze onbegroeide plek heette
vroeger de laagte Blaru. De hoop steenen, men weet niet waarvoor
bestemd, die men er vóór dertig jaren zag, is er waarschijnlijk
nog. Niets duurt zoo lang als een hoop steenen; tenzij misschien een
planken schutting. Dewijl die slechts tot een voorloopig einde dient,
is dit een reden voor haar langen duur.
Met de snelheid der vreugde liet Boulatruelle zich veeleer uit den
boom vallen, dan dat hij er uitklom. Het leger was gevonden, nu kwam
't er slechts op aan het wild te vatten. Daar was waarschijnlijk de
zoo lang gedroomde schat.
't Was geen kleinigheid om op die open plek te komen. Langs de
begane paden, die allerlei kronkelingen vormen, was er een groot
kwartieruurs voor noodig. Regelrecht door het kreupelhout, dat daar
buitengewoon dicht, doornig en moeielijk is, was er een groot half uur
toe noodig. Boulatruelle was dom genoeg, dit niet te begrijpen. Hij
geloofde aan de rechte lijn; een zeer vergeeflijk optisch bedrog,
maar dat vele menschen ten verderve leidt. Het kreupelhout, hoe dicht
het ook was, scheen hem de goede weg.
"Slaan wij de straat Rivoli der wolven in," zeide hij.
Boulatruelle, die gewoon was langs zijpaden te gaan, had dezen keer
den misslag, den rechten weg te volgen.
Hij begaf zich moedig in het kreupelhout.
Hij had nu met steekpalm, hagedoorn, netels, wilde rozelaars, distelen
en doornen te doen. Hij werd deerlijk gewond en gekrabd.
Eindelijk kwam hij na verloop van veertig minuten zweetend, doornat,
buiten adem, gescheurd en gehavend aan de onbegroeide plek Blaru.
Er was niemand.
Boulatruelle ijlde naar den hoop steenen. Deze was nog op zijn plaats,
men had hem niet weggevoerd.
Maar de man was in het woud verdwenen. Hij was ontkomen. Waarheen? In
welke richting? In welken schuilhoek? 't Was onmogelijk te gissen.
En het grievendste was, dat men achter den hoop steenen, voor den
boom met de zinken plaat, de aarde versch opgegraven, een kuil en
een vergeten of achtergelaten schop zag.
Die kuil was ledig.
"Dief!" riep Boulatruelle dreigend, de vuisten naar den horizont
uitstekende.
TWEEDE HOOFDSTUK.
MARIUS UIT DEN BURGEROORLOG GEKOMEN, BEREIDT ZICH TOT DEN HUISELIJKEN
OORLOG.
Marius was langen tijd noch dood noch levend. Hij lag verscheidene
weken in ijlende koorts, die met zeer ernstige hersenverschijnselen
gepaard gingen, welke meer nog door den schok der hoofdverwonding
veroorzaakt waren, dan door de wonden zelve.
Gansche nachten door herhaalde hij den naam Cosette, in de akelige
levendigheid van het koortsgekal en met de sombere hardnekkigheid van
den doodsstrijd. De grootte van sommige wonden was een ernstig gevaar,
wijl de ettering naar binnen kon trekken, en, in zekere gesteldheid
van den dampkring, den zieke dooden; bij elke verandering van weder
en bij den minsten storm was de geneesheer ongerust. "De lijder mag
vooral geen gemoedsaandoeningen hebben," herhaalde hij. De verbinding
was lastig en moeielijk, wijl de sparadrap ter bevestiging der windsels
destijds nog niet was uitgevonden. Nicolette gebruikte voor pluksel
een beddelaken, dat zoo groot als een wolk was, zooals zij zeide. Met
moeite werd het koudvuur door aanwending van chloor en helschen steen
tegengegaan. Zoo lang er gevaar bestond was Gillenormand, die niet van
het bed zijns kleinzoons week, evenals Marius, noch dood noch levend.
Dagelijks en soms tweemalen daags kwam een zeer goed gekleed heer met
wit haar--dit was het signalement dat de portier van hem gaf,--naar
den zieke vragen en liet een groot pak pluksel voor het verband achter.
Eindelijk, den 7den September, vier maanden, op den dag af, na
den smartelijken nacht toen men hem stervend bij zijn grootvader
had gebracht, verklaarde de geneesheer, dat hij behouden was. De
genezing begon. Evenwel moest Marius nog langer dan twee maanden op
een ziekenstoel liggen, ten gevolge van het gebroken sleutelbeen. Zoo
is er altijd een laatste wonde, die zich niet wil sluiten en het
volkomen herstel vertraagt, tot groot verdriet van den lijder!
Overigens bevrijdden deze lange ziekte en deze lange herstelling
hem voor vervolging. Er is in Frankrijk geen toorn, zelfs geen
openbare, die niet in zes maanden wordt verdoofd. In de oproeren
der tegenwoordige maatschappij, zijn zoo veel personen betrokken,
dat men ten laatste genoodzaakt is de oogen eenigszins te sluiten.
Voegen wij hierbij, dat de ongehoorde ordonnantie van Gisquet, welke
den geneesheeren gelastte de gewonden aan te geven, de algemeene
verontwaardiging had gewekt, niet alleen bij 't algemeen, maar bovenal
bij den koning, zoodat de gewonden door deze verontwaardiging werden
gedekt en beschermd; en dat, behalve degenen die op heeter daad in
het gevecht gevangen waren genomen, de krijgsraden niemand anders
durfden verontrusten. Men liet dus Marius met vrede.
De heer Gillenormand had eerst alle angsten en toen alle vreugd door
te staan. Met veel moeite belette men hem, alle nachten bij den lijder
door te brengen; hij liet zijn grooten armstoel bij het bed van Marius
brengen; hij wilde dat zijn dochter het fraaiste linnen zou nemen
om er compressen en windsels van te maken. Juffrouw Gillenormand,
als een verstandige en overleggende persoon, vond middel het fraaie
linnen te sparen, terwijl zij den grootvader in den waan liet, dat
hij gehoorzaamd werd. De heer Gillenormand nam geen genoegen met de
verklaring, dat grof linnen evengoed als fijn, en oud evengoed als
nieuw voor pluksel was. Hij was bij al de verbanden tegenwoordig,
terwijl mejuffrouw Gillenormand zich bedeesd verwijderde. Wanneer men
het wildvleesch met de schaar wegsneed, riep hij: "Ai! ai!" Niets
was treffender, dan hem den gewonde een drankje te zien toereiken,
met het zachte beven des grijsaards. Hij overstelpte den geneesheer
met vragen. Hij merkte niet, dat het steeds dezelfde waren.
Den dag toen de geneesheer hem aankondigde, dat Marius buiten gevaar
was, geraakte de goede man buiten zich zelven. Hij gaf zijn portier
drie louisd'ors tot fooi. Des avonds in zijn kamer teruggekeerd
danste hij een gavotte, en knipte met den duim en wijsvinger als met
castagnetten, daarbij het liedje zingende:
Jeanne est née à Fougère,
Vrai nid d'une bergère;
J'adore son jupon
Fripon.
Amour, tu viens en elle,
Car c'est dans sa prunelle
Que tu mets ton carquois,
Narquois!
Moi, je la chante, et j'aime
Plus que Diane même
Jeanne et ses durs tétons
Bretons. [8]
Toen knielde hij op een stoel, en Basque, die hem door de reet der
deur gadesloeg, geloofde stellig, dat hij bad.
Tot hiertoe had hij weinig aan God geloofd.
Bij ieder nieuw verschijnsel van beterschap, dat zich meer en meer
opdeed, ging de grootvader tot allerlei buitensporigheden over. Hij
gaf zijn blijdschap door een menigte werktuiglijke handelingen te
kennen; hij ging de trap op en af, zonder te weten waarom. Een,
overigens knappe, buurvrouw was geheel verbaasd, op een morgen een
grooten bloemruiker te ontvangen; mijnheer Gillenormand had haar
dien gezonden. Haar man maakte haar een standje uit jaloezie. De heer
Gillenormand beproefde Nicolette op zijn schoot te nemen. Hij noemde
Marius mijnheer den baron. Hij riep: Leve de republiek!
Telkens vroeg hij aan den geneesheer: "Er is immers geen gevaar
meer?" Hij aanschouwde Marius met de oogen eener grootmoeder. Hij
trok zijn oogen niet van hem af, als hij at. Hij kende, hij telde
zich zelven niet meer. Marius was de meester des huizes; in zijn
blijdschap had hij van zijn gezag afstand gedaan, hij was de kleinzoon
van zijn kleinzoon.
In deze verheuging was hij kinderlijk eerbiedwaardig. Uit vrees van
den herstellende te vermoeien of hem lastig te zijn, ging hij achter
hem staan om hem toe te lachen. Hij was tevreden, verblijd, verrukt,
bekoorlijk, jong. Zijn wit haar paarde een zachte majesteit aan den
vroolijken glans op zijn gelaat. Wanneer bevalligheid zich onder
rimpels voegt, is zij aanbiddelijk. In den ondergaanden ouderdom ligt
een hemelsch morgenrood.
Intusschen had Marius onder al het verbinden en verplegen slechts
een enkele gedachte: Cosette.
Sinds de koorts en het ijlen hem verlaten hadden, noemde hij dien
naam niet meer, en men zou gemeend hebben, dat hij er niet meer aan
dacht. Hij zweeg, en wel omdat zijn geheele ziel ervan vervuld was.
Hij wist niet wat van Cosette was geworden; al het gebeurde in de
Chanvreriestraat was als een nevel in zijn geheugen; onduidelijke
schimmen zweefden voor zijn geest; Eponine, Gavroche, Mabeuf, het gezin
Thénardier, al zijne akelig in den kruitdamp der barricade gehulde
vrienden; de zonderlinge verschijning van den heer Fauchelevent in
dat bloedig avontuur, kwam hem voor als een raadsel in een storm;
hij begreep niets van zijn eigen leven; hij wist niet hoe en door
wien hij gered was; niemand dergenen die hem omgaven wist het;
al wat men hem had kunnen zeggen, was, dat hij des nachts in een
huurrijtuig in de straat des Filles du Calvaire was teruggevoerd;
het verledene, het tegenwoordige, alles was voor hem slechts nevel
van een onduidelijk denkbeeld; maar in dien nevel was één vast punt,
één juiste, duidelijke lijn, als in graniet, het besluit, den wil:
Cosette weder te vinden. Voor hem was de gedachte aan 't leven
niet van de gedachte aan Cosette gescheiden; hij had in zijn hart
bepaald, dat hij het een niet zonder de andere zou aannemen, en had
onwrikbaar besloten, van wie hem tot het leven zou willen dwingen,
van zijn grootvader, van het lot, van de hel, de teruggave van zijn
verdwenen paradijs te eischen.
Hij verheelde zich de moeielijkheden hiervan niet.
Wijzen wij hier op een bijzonderheid: hij was niet gewonnen en
weinig vermurwd door al de blijken van liefde en teederheid van zijn
grootvader. Vooreerst was hij met die alle niet bekend; vervolgens
wantrouwde hij, in zijn ziekelijke, misschien nog koortsige droomen,
die teederheid als iets vreemds en nieuws, dat ten doel had om
hem te onderwerpen. Hij bleef er koel voor. De grootvader verspilde
vruchteloos zijn armen, ouden glimlach. Marius zeide bij zich zelven,
dat dit alles mooi was, zoolang hij, Marius, niet sprak; en hij liet
zich alles welgevallen; maar dat, zoodra Cosette in 't spel kwam, hij
een ander gezicht zou vinden en de ware houding van den grootvader
zich zou ontmaskeren. Dan zou het hard en ruw zijn; hervatting der
familiequaestiën, vergelijking der toestanden, allerlei schimpredenen
en tegenwerpingen tegelijkertijd, Fauchelevent, Coupelevent, de
fortuin, de armoede, de steen om den hals, de toekomst. Geweldig
verzet; en tot besluit: weigering. Marius verhardde zich vooraf.
En naar gelang hij tot het leven wederkeerde, kwamen zijn oude grieven
terug, de oude wonden van zijn geheugen heropenden zich; hij dacht
weder aan het verledene; de kolonel Pontmercy plaatste zich opnieuw
tusschen Gillenormand en hem, Marius; hij zeide bij zich zelven,
dat van dengeen, die zoo onrechtvaardig en hard jegens zijn vader was
geweest, geen ware goedheid te verwachten was. En met de gezondheid
herkreeg hij een soort van bitterheid tegen zijn grootvader. De
grijsaard leed hierdoor met zachtmoedigheid.
Zonder er iets van te doen blijken, merkte de heer Gillenormand
buitendien op, dat Marius, sedert hij te zijnent was teruggebracht en
zijn bewustheid had herkregen, hem niet eens vader had genoemd. 't
Is waar, hij noemde hem niet mijnheer; maar hij vond het middel,
noch het een noch het ander te zeggen, door op zekere manier zijn
woorden te verdraaien.
Blijkbaar moest eene crisis komen.
Zooals schier altijd in dergelijke gevallen gebeurt, schermutselde
Marius, om zich te oefenen, vóór hij slag leverde. Dit heet: het
terrein onderzoeken. Op zekeren ochtend gebeurde het, dat de heer
Gillenormand bij gelegenheid dat een dagblad in zijn handen was
gevallen, luchtig over de conventie sprak en zich een royalistischen
scheldnaam op Danton, Saint-Just en Robespierre liet ontglippen. "De
mannen van 93 waren reuzen," zei Marius streng. De grijsaard zweeg
en sprak den ganschen dag geen woord meer.
Marius, die nog altijd den onbuigzamen grootvader zijner kinderjaren
voor den geest had, zag in die stilte een diepen, verkropten toorn,
voorspelde daaruit een hardnekkigen strijd, en versterkte in de
diepste hoeken van zijn hart de toebereidselen voor den strijd.
Hij besloot, dat hij, ingeval van weigering, zijn verbanden zou
afrukken, zijn been ontwrichten, zijn overgeblevene wonden naakt en
bloot zou leggen, en alle voedsel weigeren. Zijn wonden waren zijn
ammunitie. Hij wilde Cosette bezitten of sterven.
Hij wachtte een gunstig oogenblik, met het zwijgend geduld der zieken.
Dat oogenblik kwam.
DERDE HOOFDSTUK.
MARIUS' AANVAL.
Op zekeren dag, terwijl zijn dochter de fleschjes en kopjes op het
marmer der commode terecht zette, zeide de heer Gillenormand, over
Marius gebogen, en op den teedersten toon: "Hoor, Mariusje, in uw
plaats zou ik nu meer vleesch dan visch eten. Een gestoofde tong is
uitmuntend als men begint te herstellen, maar om den zieke op de been
te brengen, is een kotelet beter."
Marius, wiens krachten bijna geheel waren teruggekeerd, spande ze
in, richtte zich ten halve lijve op, steunde met de vuisten op de
beddelakens, zag zijn grootvader strak in de oogen, nam een vreeselijke
houding aan, en zeide:
"Dit geeft mij aanleiding u iets te zeggen.
"Wat?"
"Ik wil trouwen."
"Ik had het voorzien," zei de grootvader, terwijl hij luid begon
te lachen.
"Hoe, voorzien?"
"Ja, voorzien. Ge zult uw meisje hebben."
Marius, verstomd en verbijsterd, beefde aan al zijn leden.
De heer Gillenormand hernam:
"Ja, ge zult haar hebben, uw schoon, lief, klein meisje. Zij komt
alle dagen in de gedaante van een oud heer naar uw gezondheid
vernemen. Sinds gij gewond zijt, brengt zij haar tijd door met
weenen en pluksel te maken. Ik heb er naar onderzocht. Zij woont in
de rue de l'Homme-Armé No. 7. Ha! nu zijn wij er! Ge wilt haar. Nu,
ge zult haar hebben. Dat verrast u. Gij hadt bij u zelven een complot
gemaakt en gezegd: Ik zal het dien grootvader, die mummie van het
regentschap en het Directoire, dien voormaligen pronker, ronduit
zeggen; hij heeft ook zijn dagen van lichtzinnigheid en verliefdheid,
hij heeft ook zijn grisetten en Cosettes gehad; hij is jong geweest,
hij heeft vleugels gehad, het brood der lente gegeten; dit moet
hij zich herinneren. Wij zullen zien! Wij zullen vechten! Ha! ge
grijpt de koe bij de hoornen. Goed, ik bied u een kotelet aan en gij
antwoordt mij: Ik wil trouwen. Dat is een overgang. Ha! ge hadt op
verzet gerekend! Ge wist niet, dat ik een oude lafaard was. Wat zegt
ge ervan? Gij mokt, ge verwachtet niet, uw grootvader nog dommer dan u
zelven te zien! de redevoering, welke ge tot mij houden wildet, is nu
verloren, mijnheer de advocaat; dat is jammer. Nu, des te erger; wreek
u. Ik doe wat ge wilt; dat verbluft u. Hoor, ik heb onderzoek gedaan,
ik ben ook een gluiperd; zij is bekoorlijk, deugdzaam, de lansier
heeft gelogen; zij heeft hoopen pluksel gemaakt; zij is een juweel;
zij aanbidt u; zoo gij gestorven waart, zouden er drie gestorven
zijn; haar doodkist zou de mijne vergezeld hebben. Ik had gedacht,
haar, zoodra ge hersteld waart, eenvoudig voor uw bed te plaatsen;
maar alleen in romans brengt men de meisjes zoo onverhoeds aan het
bed der schoone gewonden, in wie zij belang stellen. Dat gebeurt
niet. Wat zou uw tante gezegd hebben? Ge laagt drie-vierde van den
tijd geheel naakt, mijn jongen. Vraag Nicolette, die u geen minuut
verlaten heeft, of er een vrouw tegenwoordig kon zijn. En wat zou de
dokter gezegd hebben? Een jong meisje geneest de koorts niet. Kortom,
't is goed, spreken wij er niet meer van; 't is gezegd, 't is gedaan,
't is vastgesteld, neem haar. Zoo wreed ben ik nu. Hoor, ik zag,
dat ge niet van mij hieldt, en zeide: Wat moet ik toch doen, opdat
die snaak van mij houde? Ik zeide: Wacht, ik heb de kleine Cosette
bij de hand, ik zal ze hem geven; dan zal hij mij wel een weinig
moeten liefhebben of de reden zeggen. Ha, gij meendet, dat de oude
zou gaan vloeken en razen, neen zeggen, en den stok tegen al dat
teedere opheffen. Volstrekt niet. Cosette, goed; beminnen, goed; ik
wil niets liever. Mijnheer, wees zoo goed te trouwen. Wees gelukkig,
mijn geliefd kind." Toen hij dit gezegd had, begon de grijsaard te
snikken. Hij nam het hoofd van Marius en drukte het in zijn armen,
tegen zijn oude borst, en beiden weenden. Dit is een der vormen van
het hoogste geluk.
"Mijn vader!" riep Marius.
"Ha, gij bemint mij dus!" zei de grijsaard.
Er ontstond een onbeschrijfelijk oogenblik. Zij konden van aandoening
niet spreken.
Eindelijk stamelde de grijsaard:
"Nu, eindelijk is het er uit: hij heeft "mijn vader" gezegd."
Marius wond zijn hoofd uit de armen van den grootvader, en zeide zacht:
"Maar, vader, thans, nu ik mij wel bevind, dunkt mij, dat ik haar
zou kunnen zien."
"Ook voorzien; morgen zult ge haar zien."
"Vader!"
"Wat?"
"Waarom niet heden?"
"Nu, het zij zoo, heden. Ge hebt mij driemaal "vader" genoemd; dit is
het wel waard. Ik zal er voor zorgen. Men zal haar bij u brengen. Ik
heb het voorzien, zeg ik u. 't Is reeds in rijm gebracht. 't Is de
ontknooping van de elegie "de jonge zieke" van André Chénier, van André
Chénier, die door de schur... door de reuzen van 93 vermoord werd."
Mijnheer Gillenormand meende een licht fronsen der wenkbrauwen van
Marius te merken, die in waarheid, wij moeten 't zeggen, niet meer
naar hem luisterde, maar in verrukking baadde en meer aan Cosette dan
aan 1793 dacht. De grootvader, bekommerd, zoo ontijdig André Chénier
aangevoerd te hebben, hernam haastig:
"Vermoorden is het eigenlijke woord niet. De zaak is, dat de groote
revolutionnaire genieën, die niet slecht waren, dat is zeker, die
voor den drommel, helden waren, vonden, dat André Chénier hen een
weinig hinderde en zij lieten hem guillot... Dat wil zeggen, dat deze
groote mannen, den 7 Thermidor, in het algemeen belang André Chénier
verzochten, wel te willen gaan..."
De heer Gillenormand, wiens eigen woorden hem verstikten, kon niet
voortgaan; de grijsaard, zijn zinsnede noch kunnende voleinden noch
herroepen, verliet, terwijl zijn dochter het hoofdkussen achter
Marius opschudde, zoo haastig als zijn hooge jaren hem vergunden,
de slaapkamer, stiet de deur achter zich dicht, en rood, stikkend,
verwoed, met uitpuilende oogen, stond hij eensklaps voor den eerlijken
Basque, die in de voorkamer de laarzen poetste. Hij greep Basque bij
den kraag en schreeuwde hem woedend in het gezicht: "Bij de honderd
duizend duivels, die schelmen hebben hem vermoord!"
"Wien, mijnheer?"
"André Chénier!"
"Ja, mijnheer," zei Basque verschrikt.
VIERDE HOOFDSTUK.
MEJUFFROUW GILLENORMAND VINDT HET EINDELIJK NIET KWAAD MEER, DAT
MIJNHEER FAUCHELEVENT IETS ONDER DEN ARM MEDEBRACHT.
Cosette en Marius zagen elkander weder.
Wij ondernemen het niet, deze ontmoeting te beschrijven. Er zijn
dingen, die men niet moet trachten te schilderen, daaronder behoort
de zon.
Het geheele gezin, Basque en Nicolette er onder gerekend, was, op
het oogenblik dat Cosette binnentrad, in de kamer van Marius te zamen.
Zij verscheen op den drempel, en 't was alsof zij in een stralenkrans
stond.