Hij zag voor zich twee even rechte wegen; maar hij zag er twee; en

dat bracht hem in de war, daar hij in zijn leven niet anders dan één

rechte lijn gekend had. En, o kwellende angst, deze twee wegen waren

tegenstrijdig. De eene dezer rechte lijnen sloot de andere uit. Welke

van de twee was de ware?

Zijn toestand was onbeschrijfelijk.

Zijn leven aan een booswicht verschuldigd te zijn, deze schuld aan

te nemen en ze te voldoen: ten spijt van zich zelven, op gelijken

voet te zijn met een hervatten tuchteling, en hem een dienst met een

wederdienst te betalen, zich te laten zeggen: ga, en hem op zijn

beurt te zeggen: wees vrij; aan persoonlijke belangen den plicht,

den algemeenen plicht op te offeren, en in deze persoonlijke

belangen ook iets algemeens te zien, misschien iets hoogers; de

maatschappij te verraden om zijn geweten trouw te blijven; dat al

deze onbestaanbaarheden zich verwezenlijkten en zich op hem stapelden,

dat verplette hem.

Eén ding had hem verbaasd, namelijk dat Jean Valjean hem genade had

geschonken; en één ding had hem versteend, namelijk dat hij, Javert,

Jean Valjean genade had geschonken.

Waar was hij toe gekomen? Hij kon zich zelven niet meer terugvinden.

Wat nu te doen? Jean Valjean over te leveren, dat was slecht. Jan

Valjean vrij te laten, dit was ook slecht. In het eerste geval zonk

de man van het gezag lager dan de man van het bagno; in het tweede

steeg een tuchteling hooger dan de wet, en zette er den voet op. In

beide gevallen was oneer voor hem, Javert; in beide gevallen verloor

hij van zijn waarde. Het folterde hem, dat hij tot denken gedoemd

was. De macht van al deze tegenstrijdige aandoeningen dwong er hem

toe. Denken was voor hem iets ongewoons en bijzonder smartelijks.

In de gedachte is steeds een zekere mate inwendig oproer; en het

hinderde hem, iets dergelijks in zich te hebben.

Aan een onschuldig onderwerp te denken, dat buiten den engen kring

zijner beroepsbezigheden lag, zou voor hem reeds eene onvruchtbare en

vermoeiende zaak zijn geweest; maar de gedachte aan hetgeen dien dag

gebeurd was, was een foltering. Hij moest evenwel, na zulke schokken,

zijn geweten onderzoeken en aan zich zelven rekenschap van zich

zelven geven.

Wat hij gedaan had, deed hem huiveren. Hij, Javert, had zich

veroorloofd, tegen alle politiereglementen, tegen de maatschappelijke

en rechterlijke inrichting, tegen het geheele wetboek, iemand

de vrijheid te schenken; dit had hem behaagd; hij had zijn eigen

zaken in de plaats der openbare zaken gesteld; was dit niet beneden

alles? Telkens wanneer hij zich tegenover deze voorbeeldelooze,

door hem gepleegde daad plaatste, beefde hij van het hoofd tot de

voeten. Waartoe te besluiten? Er bleef hem slechts één middel over:

haastig naar de straat de l'Homme-Armé terug te keeren en Jean Valjean

in hechtenis te nemen.

't Was duidelijk, dat hij dit doen moest. Maar hij kon niet.

Iets belette hem den weg naar dien kant.

Iets? Wat? Is er dan ter wereld nog iets anders dan rechtbanken,

gerechtelijke vonnissen, politie en gezag? Javert was geheel in de war.

Een tuchteling te ontzien! een galeiboef, die niet door de justitie

zou gepakt worden! en dit door Javerts toedoen!

Was het niet verschrikkelijk, dat Javert en Valjean, de man om te

straffen en de man om te lijden, dat deze twee mannen, die zoowel de

een als de ander zaken der wet waren, zoover waren gekomen, dat zij

zich beiden boven de wet stelden?

Hoe! zulke ongerechtigheden zouden gebeuren, en niemand zou gestraft

worden! Jean Valjean, sterker dan de geheele maatschappelijke

orde, zou vrij zijn, en hij, Javert, zou verder het brood van het

gouvernement eten!

Zijn overpeinzing werd hoe langer hoe vreeselijker.

Hij had zich bij deze overwegingen nog verwijten kunnen doen ten

aanzien van den opstandeling, die naar de straat des Filles du Calvaire

was teruggebracht; maar hij dacht er niet aan. De kleinere misslag

ging in den grooteren verloren. Bovendien was deze opstandeling stellig

een dood man, en volgens de wet houdt de vervolging met den dood op.

Jean Valjean was de last, die op zijn ziel drukte.

Jean Valjean bracht hem in verwarring. Al de grondregels, die de

steun van geheel zijn leven waren geweest, stortten in tegenover

dien man. Jean Valjeans edelmoedigheid jegens hem, Javert, verplette

hem. Andere feiten, welke hij zich herinnerde en die hij vroeger

als logens en dwaasheden had beschouwd, verschenen hem nu als

werkelijkheden. De heer Madeleine kwam achter Jean Valjean weder

te voorschijn, en beide gestalten smolten zoodanig ineen, dat zij

er slechts ééne vormden, die eerbiedwaardig was. Javert gevoelde,

dat iets vreeselijks zijn ziel binnendrong, de bewondering voor een

galeiboef. Is eerbied voor een tuchteling mogelijk? Hij beefde ervan,

en kon er zich toch niet aan onttrekken. Vruchteloos worstelde hij

en was gedwongen in zijn gemoed de verhevenheid van dien ellendeling

te erkennen. 't Was verschrikkelijk!

Een weldadig booswicht, een medelijdend, zachtzinnig, weldadige

tuchteling, die het kwaad met goed beloonde, haat met vergiffenis

vergold, medelijden boven wraak stelde, die liever zich zelven dan

zijn vijand in het verderf stortte, hem redde die hem geslagen had,

die, op het toppunt der deugd geknield, dichter bij den engel dan

bij den mensch was; Javert was gedwongen bij zich zelven te erkennen,

dat zulk een monster bestond.

Dit kon niet langer duren.

Voorwaar, en wij drukken er op, hij had zich niet zonder tegenweer

aan dit monster overgegeven, aan dien eerloozen engel, aan dien

afschuwelijken held, over wien hij schier even vertoornd als verbaasd

was. Twintigmaal, toen hij in het rijtuig tegenover Jean Valjean zat,

had de tijger der wet in hem gebruld. Twintigmaal had hij zich geneigd

gevoeld, op Jean Valjean aan te vallen, hem te grijpen en hem in

hechtenis te nemen. Niets was inderdaad gemakkelijker geweest. Hij

behoefde slechts den eersten wachtpost, dien men voorbijreed, toe

te roepen: "Hier is een tuchteling, die zijn ban verbroken heeft;"

de gendarmen te roepen en tot hen te zeggen: "Deze man is voor u!" om

dan heen te gaan, den gedoemde achterlatende, niets meer te zeggen, en

zich met niets meer te bemoeien. Deze man is voor altijd de gevangene

der wet; de wet mag met hem doen wat zij wil. Wat was gerechter? Javert

had zich dit alles gezegd; hij had zonder verder nadenken zoo willen

doen, den man vatten, maar toen, evenals nu, vermocht hij het niet,

en telkenmale, wanneer hij zijn hand krampachtig naar den kraag

van Jean Valjean had uitgestoken, was die hand, als onder een zwaar

gewicht, nedergezonken, en in 't diepst zijner ziel had hij een stem,

een zonderlinge stem gehoord, die hem toeriep: "Goed zoo. Lever uw

redder over. Laat u vervolgens het waschbekken van Pontius Pilatus

brengen en wasch er uw klauwen in."

Dan sloeg hij den blik weder op zich zelven, en naast den verheven

Jean Valjean zag hij, Javert, zich zelven verlaagd.

Een galeiboef was zijn weldoener.

Maar waarom ook had hij dien man vergund hem in het leven te laten? In

de barricade had hij het recht, gedood te worden. Van dat recht had

hij gebruik moeten maken. 't Ware beter geweest, zoo hij de andere

opstandelingen tegen Jean Valjean te hulp geroepen, zich met geweld

had laten doodschieten.

Zijn grootste foltering was de verdwijning der zekerheid. Hij gevoelde

zich als ontworteld. Het wetboek was nog slechts een gebroken

stuk in zijn hand. Hij had met gewetensbezwaren van een onbekende

soort te doen. Er ontstond in hem een gevoelsopenbaring geheel

verschillend van de wettelijke verzekering, die tot hiertoe zijn

eenige leiddraad was. 't Was niet voldoende, bij de oude heerlijkheid

te blijven. Een geheele reeks onverwachte feiten verhief zich en

overweldigde hem. Een geheel nieuwe wereld verscheen voor zijn geest:

de aangenomen en beantwoorde weldaad, de opoffering, de barmhartigheid,

de toegevendheid, het geweld, door het medelijden op de strengheid

uitgeoefend, het aanzien van den persoon, geen bepaald vonnis, geen

veroordeeling, de mogelijkheid van een traan in het oog der wet, iets

als de gerechtigheid van God in tegenstelling met de menschelijke

gerechtigheid. Hij bespeurde in de duisternis den schrikbarenden

opgang eener onbekende zedelijke zon; hij schrikte er voor en zij

verblindde hem. De uil gedwongen tot den blik des adelaars!

Hij zeide tot zich zelven, dat er dus waarlijk uitzonderingen

bestonden, dat het gezag tot weifelen kon worden gebracht, dat de

regel te kort kon schieten tegenover een feit, dat alles niet met den

tekst van het wetboek uitkwam, dat het onvoorziene een onwederstaanbare

macht had, dat de deugd van een tuchteling de deugd van een ambtenaar

kon verstrikken, dat het gedrochtelijke hemelsch kon zijn, dat het

lot zulke hinderlagen had, en met wanhoop dacht hij er aan, dat hij

zelf voor zulk een verrassing bezweken was.

Hij was gedwongen te erkennen, dat er goedheid bestond. Deze tuchteling

was goed geweest. En hij zelf, 't was ongehoord, was goed geweest. Hij

was dus ontaard.

Hij vond zich laaghartig. Hij verachtte zich zelven.

Voor Javert was het ideaal niet--menschelijk, groot, verheven; maar

onberispelijk te zijn. En hij had gefaald.

Hoe was hij er toe gekomen? Hoe was dat alles gebeurd? Hij zou het

niet hebben kunnen zeggen. Hij nam zijn hoofd in beide handen, maar

wat hij poogde, hij kon het zich niet verklaren.

Hij was gewis steeds voornemens geweest Jean Valjean aan de wet over

te leveren, wier gevangene Jean Valjean en wier slaaf hij, Javert,

was. Hij moest bekennen, dat hij geen oogenblik gedacht had hem te

laten gaan, terwijl hij hem vasthield. 't Was, om zoo te zeggen,

buiten zijn wil, dat zijn hand zich geopend en hem losgelaten had.

Allerlei soort van raadselachtige nieuwigheden openden zich voor zijn

oogen. Hij deed zich vragen en gaf zich antwoorden, en zijn antwoorden

verschrikten hem. Hij vroeg zich: Wat heeft deze tuchteling, deze

wanhopige, dien ik zoo hardnekkig vervolgde, die mij onder zijn voet

had en zich kon wreken, die het doen moest, evenzeer uit haat als

voor zijn veiligheid--wat heeft hij gedaan door mij het leven, door

mij genade te geven? Zijn plicht. Neen. Iets meer. En wat heb ik op

mijn beurt gedaan door hem genade te geven? Mijn plicht. Neen. Iets

meer. Er is dus nog iets meer dan plicht? Hier geraakte hij in

verwarring; zijn balans brak; een der schalen viel in den afgrond,

de andere steeg naar den hemel, en Javert schrikte niet minder voor

die boven, als voor die beneden was. Zonder in 't minst Voltairiaan,

philosoof, of ongeloovige te zijn, integendeel uit instinct vol

eerbied voor de bestaande kerk, kende hij haar echter slechts als een

grootsch deel van het maatschappelijk geheel; de openbare orde was

zijn dogma en dit was voor hem voldoende. Sinds hij den mannelijken

ouderdom had en ambtenaar was, legde hij genoegzaam zijn geheelen

godsdienst in de politie, zijnde hij--wij zeggen dit zonder eenige

ironie en in den ernstigsten zin--spion gelijk men priester is. Hij

had een opperheer, den heer Gisquet; hij had tot dezen dag weinig

aan dien anderen opperheer, God, gedacht. Dezen nieuwen opperheer,

God, gevoelde hij onverwacht, en was er door gehinderd.

Deze onverwachte voorstelling bracht hem in de war; hij wist niet,

hoe hij 't met dien opperheer maken zou, bij zijn overtuiging dat de

ondergeschikte steeds verplicht is te buigen, dat hij noch ongehoorzaam

mag zijn, noch tegenstreven mag, en dat een ondergeschikte tegenover

een boven hem staande, met wien hij niet eenstemmig is, geen ander

middel overschiet dan zijn ontslag.

Maar hoe zou hij het aanvangen om God zijn ontslag aan te bieden?

Hoe het zij, hij kwam steeds tot die eene zaak terug, die alles bij

hem overheerschte, namelijk dat hij een ontzettende ambtszonde had

begaan. Hij had de oogen gesloten voor een bij herhaling veroordeelde,

die zijn ban had gebroken. Hij had een galeiboef vrijgelaten. Hij

had aan de wet een man ontstolen, die haar behoorde. Dat had hij

gedaan. Hij begreep zich zelven niet meer. Hij was van zijn eigen

bestaan niet meer zeker. Zelfs de beweegredenen zijner daad ontgingen

hem; hij had er slechts de verbijstering van. Tot hiertoe had hij

in dat blinde geloof geleefd, 't welk een onbepaalde eerlijkheid

voortbrengt. Dat geloof verliet hem, die eerlijkheid ontging

hem. Alles wat hij had geloofd verdween. Waarheden, welke hij niet

wilde, plaagden hem onverbiddelijk. Voortaan moest hij een ander

mensch zijn. Hij ondervond de zonderlinge foltering van een geweten,

dat eensklaps uit de duisternis in 't licht komt. Hij zag 't geen,

waarvan hij afkeerig was. Hij gevoelde zich ijdel, onnut, misvormd

uit zijn vorig leven, van zijn rang ontzet, tot niets gebracht. Het

gezag was in hem gestorven. Hij had geen reden meer om te leven.

't Is een vreeselijke toestand, aldus bewogen te zijn.

Graniet te zijn en te twijfelen! Het beeld der straf in den vorm der

wet te zijn, en eensklaps te ontdekken, dat men onder zijn bronzen

borst iets ongerijmds en ongehoorzaams heeft, dat schier een hart

gelijkt. Zoo ver te zijn gekomen van het goed met goed te vergelden,

hoezeer men tot zich zelven tot hiertoe gezegd heeft, dat dit goede

het kwade is! een wachthond te zijn en te liefkoozen! ijs te zijn en te

smelten! een nijptang te zijn en een hand worden! eensklaps te voelen

dat men vingers heeft, die zich openen! loslaten! Verschrikkelijk!

Een kogel, die zijn weg niet meer weet, en achteruitgaat!

Gedwongen zijn te bekennen: de onfeilbaarheid is niet onfeilbaar; er

kan in het dogma dwaling bestaan; alles is nog niet gezegd, wanneer

een wetboek gesproken heeft; de maatschappij is niet volmaakt; het

gezag is aan weifeling onderhevig; een breuk van het onverzettelijke

is mogelijk; de rechters zijn menschen; de wet kan zich bedriegen;

de rechtbanken kunnen zich vergissen! een scheur in het oneindig

blauw des hemels te zien!

Wat in Javert omging, was de kromming van een rechtlijnig geweten, het

uit den weg dringen eener ziel, de verplettering eener eerlijkheid,

die tegen God te bersten stoot. Voorwaar, het was zonderling, dat de

stoker der orde, dat de machinist van het gezag, het blinde ijzeren

paard op den rechten weg berijdende, door een lichtstraal uit den

zadel kon worden geworpen; dat het onveranderlijke, het directe, het

juiste, het wiskunstige, het lijdelijke, het volmaakte wankelen kon,

dat er voor de locomotief een weg van Damaskus is.

Tot hiertoe was alles, wat hij boven zich had, voor zijn blik een

effen vlak geweest; er was niets onbekends of duisters in; niets

of het was verklaard, geregeld, omschreven, gesloten; alles was er

voorzien. Het gezag was iets vlaks; geen val er in, geen verbijstering

er voor. Javert had nooit het onbekende dan in de laagte gezien. Het

onregelmatige, het onverwachte, de verwonderlijke opening van den

chaos, de mogelijke afglijding in een afgrond; dit behoorde tot de

lagere streken, der muiters, der misdadigers, der ellendigen. Nu

deinsde Javert terug en schrikte eensklaps voor deze ongehoorde

verschijning: een afgrond boven zich.

Hoe! men was van 't hoofd tot de voeten ontwapend; geheel en al van

zijn stuk gebracht! Waarop nu nog te vertrouwen? Zou, hetgeen dat

men zeker acht, instorten?

Hoe! kon het gebrek in de wapenrusting der maatschappij door een

grootmoedig ellendeling gevonden worden! Kon een eerlijk dienaar der

wet zich eensklaps tusschen twee misdaden geklemd zien, tusschen

de misdaad van een man te laten ontsnappen, en de misdaad hem in

hechtenis te nemen? Alles was dus niet stellig in het bevel door den

staat aan den beambte gegeven! Er konden dus zijwegen in den plicht

zijn! Hoe! was dat alles mogelijk! was het waar, dat een oud bandiet,

gebukt onder veroordeelingen, zich kon oprichten en ten laatste gelijk

hebben? Was het te gelooven? Waren er dan gevallen, dat de wet voor

de herschapen misdaad moest terugtreden en om verschooning bidden.

Ja, dat bestond! Javert zag het, raakte het aan, en hij kon het niet

alleen niet loochenen, maar hij was er zelf in betrokken. 't Waren

feiten. 't Was ontzettend, dat zulke feiten konden voorkomen.

Zoo de feiten hun plicht deden, moesten zij enkel de wet bevestigen;

't is God, die de feiten zendt. Zou dan nu de wetteloosheid van

boven komen?

Aldus--en in de overdrijving van den angst en de begoocheling

der verbazing verdween alles wat zijn gedachten kon verzachten en

verbeteren, en vertoonden het menschelijk geslacht en de wereld zich

in afschuwelijke gedaanten voor zijn oogen--aldus was het strafrecht,

een vonnis, het gezag der wetten, de arresten der hooge gerechtshoven,

de rechterlijke macht, de regeering, de voorkoming en bedwinging

der misdaad, de officiëele wijsheid, de wettige onfeilbaarheid,

het beginsel van het gezag, al de dogma's waarop de politieke en

burgerlijke veiligheid berust, de souvereiniteit, de justitie,

de logica, die uit het wetboek voortvloeit, het maatschappelijke

absolute, de openbare waarheid, dat alles was puin, bouwval, chaos;

hij zelf, Javert, de bewaker der orde, de onomkoopbaarheid in dienst

der politie, de voorzienigheidshond der maatschappij, verwonnen en

geveld, en op dien bouwval stond een man met de groene muts op het

hoofd en schitterend in een stralenkrans; tot zulk een instorting

was hij gekomen; zulk een schrikkelijk gezicht stond voor zijn geest.

Was dit te verduren? Neen.

Het was zulk een geweldige toestand, als er slechts een zijn

kon. Slechts op twee wijzen kon hij er uitkomen. De eene was,

onverschrokken naar Jean Valjean te gaan en den man van het bagno

aan den kerker terug te geven. De andere...

Javert verliet de borstwering en ging met opgeheven hoofd en vasten

tred naar den wachtpost, dien een lantaarn aan een der hoeken van

het Chateletplein aanwees.

Daar gekomen, zag hij door de vensterruit een stadssergeant en trad

binnen. Enkel aan 't openen der deur van een wachthuis kennen de

politiemannen elkander. Javert noemde zijn naam, toonde zijn kaart

aan den sergeant, en zette zich aan de tafel, waarop een kaars

brandde. Op de tafel was een pen, een looden inktkoker en papier,

voor het geval van mogelijke processenverbaal en de aanwijzingen voor

de nachtpatrouilles.

Deze tafel, waarbij steeds een matten stoel behoort, is een oude

instelling en bevindt zich op alle politieposten. Tevens zijn ze

noodwendig versierd met een zandbakje en een kartonnen doosje met

roode ouwels, welke den laagsten trap vormen van den officiëelen

stijl. Daarmee begint de staatsletterkunde.

Javert nam pen en papier, en schreef het volgende:

"EENIGE OPMERKINGEN TEN NUTTE VAN DEN DIENST.

Vooreerst: Ik verzoek mijnheer den prefect op het volgende een

oog te slaan.

Ten tweede: De gevangenen, die van de instructie komen, trekken

hun schoenen uit en blijven met bloote voeten op de steenen

staan, terwijl zij gevisiteerd worden. Verscheidenen hoesten,

wanneer zij in de gevangenis terugkomen. Dit veroorzaakt kosten

voor de ziekenzaal.

Ten derde: De opsporing is goed met agenten op bepaalde afstanden

geplaatst, maar in gewichtige omstandigheden moesten ten minste

twee agenten elkander niet uit het oog verliezen, opdat, zoo in

eenig geval een agent in den dienst verflauwde, de andere hem

kunne bewaken en vervangen.

Ten vierde: Men kan zich niet verklaren, waarom het bijzondere

reglement der gevangenis der Madelonnettes den gevangene een

stoel verbiedt, zelfs zoo hij dien wil betalen.

Ten vijfde: In de Madelonnettes zijn slechts twee spijlen in de

cantine, zoodat de cantinehoudster haar hand door de gevangenen

kan doen vatten.

Ten zesde: De gevangenen, blaffers genoemd, die de andere

gevangenen in de spreekkamer roepen, laten zich voor het duidelijk

roepen van den naam door den gevangene twee sous betalen. Dit

is diefstal.

Ten zevende: Voor een lossen draad houdt men in de weverswerkplaats

den gevangene tien sous af; dit is een misbruik van den ondernemer,

wijl het linnen niet minder goed is.

Ten achtste: 't Is onaangenaam, dat de bezoekers van la Force de

plaats der kinderen moeten overgaan om zich naar de spreekkamer

van Sainte-Marie-l'Egyptienne te begeven.

Ten negende: 't Is een feit, dat men dagelijks de gendarmen

op de plaats van de prefectuur de rechterlijke verhooren der

beschuldigden hoort verhalen. Een gendarm, die een geheiligd

persoon moest zijn, te hooren herhalen, wat hij in de kamer

van den rechter van instructie heeft gehoord, is een ernstige

onordelijkheid.

Ten tiende: Mme Henry is een brave vrouw; haar cantine is zeer

zindelijk; maar het is niet goed, dat een vrouw de deur van het

geheim bewaart. Dit is de Conciergerie eener groote beschaving

onwaardig."

Javert schreef deze regels zeer bedaard en correct, vergat geen komma

of punt, terwijl het papier onder zijn pen kraste. Onder den laatsten

regel teekende hij:

"Javert,

"Inspecteur van de 1e klasse.

"In den wachtpost van het Chateletplein.

"7 Juni 1832, omstreeks één uur 's morgens."

Javert droogde de versche inkt op het papier, dat hij als een

brief dichtvouwde, verzegelde het en schreef op het adres: "Nota

voor de administratie," liet het op de tafel liggen en verliet den

wachtpost. De getraliede glazen deur viel achter hem dicht.

Hij ging toen weder dwars over het Chateletplein, naar de kade, en

kwam met automatische juistheid op hetzelfde punt terug, 't welk hij

een kwartieruurs vroeger verlaten had; hij stond er weder in dezelfde

houding, op denzelfden vloersteen der borstwering. Het scheen, alsof

hij dien niet verlaten had.

't Was nu volkomen donker. Het was dat zwarte oogenblik, 't welk op

middernacht volgt. Een zoldering van wolken verborg de starren. De

hemel was slechts een akelige dichte massa. In de huizen der oude

stad was geen licht te zien; niemand ging voorbij; al wat men van de

straten en kaden zien kon was eenzaam. Nôtre-Dame en de torens van het

Paleis van Justitie geleken nachtelijke gedaanten. Een straatlantaarn

wierp een rood schijnsel op den rand der kade. De schaduwbeelden der

bruggen hadden in de duisternis een wanstaltig voorkomen. De regen

had de rivier doen zwellen.

De plek, waar Javert op de borstwering leunde, was, zooals men

zich herinneren zal, juist boven de plaats, waar de Seine zulk een

geweldige strooming heeft, loodrecht boven die vreeselijke draaikolk,

welke als schroef zonder einde draait.

Javert boog het hoofd en zag naar beneden. Alles was zwart. Men

onderscheidde niets. Men hoorde het schuim bruisen, maar zag de

rivier niet. Nu en dan verscheen in deze duizelingwekkende diepte

een lichtschijnsel, dat zich onduidelijk kronkelde, want het water

heeft, zelfs in de diepste duisternis, het vermogen licht aan te nemen

en het in een slang te veranderen. Het schijnsel verdween en alles

werd weder onduidelijk. Daar scheen het oneindige geopend. Wat men

onder zich had, was geen water; 't was een kolk. De muur van de kade,

die ruw en onduidelijk een oogenblik in de duisternis te voorschijn

kwam, maar dadelijk weder onzichtbaar werd, had het voorkomen van

een steilte van het oneindige.

Men zag niets, maar voelde de vijandige kilheid des waters en den

flauwen wasem der vochtige steenen. Een onaangename wind steeg uit

dien afgrond op. De zwelling der rivier, welke men veeleer vermoedde

dan zag, het somber golfgeklots, de akelige wijdte der bogen van de

brug, de voorstelling van een val in de akelige diepte, geheel deze

duisternis was afgrijselijk.

Javert bleef eenige minuten onbewegelijk deze opening in de duisternis

aanstaren, hij aanschouwde het onzichtbare met een strakheid, die

oplettendheid geleek. Het water bruiste. Eensklaps nam hij zijn hoed

af en legde hem op den kant der kade. Een oogenblik later verscheen

een hooge, donkere gestalte, welke een voorbijganger in de verte

voor een geestverschijning had kunnen houden, op de borstwering,

boog zich over de Seine, richtte zich weder op en stortte recht

in de duisternis neer. Er ontstond een dof geklots, en slechts de

duisternis kende het geheim van den doodsstrijd dezer donkere, in

het water verdwenen gestalte.

BOEK V.

DE KLEINZOON EN DE GROOTVADER.

EERSTE HOOFDSTUK.

MEN ZIET DEN BOOM WEDER MET DEN ZINKPLEISTER.

Eenigen tijd na de gebeurtenissen, welke wij verhaald hebben, werd

Boulatruelle levendig getroffen.

Boulatruelle is die wegwerker van Montfermeil, welken men reeds in

de donkere gedeelten van dit boek even gezien heeft.

De Ellendigen (Deel 5 van 5) · 第 13 / 25 段