"Deze man was bij de barricade," zeide hij halfluid als tot zich

zelven sprekende. "Men noemde hem Marius."

Voorwaar een spion van den eersten rang, die op alles gelet, naar alles

geluisterd, alles gehoord en alles onthouden had, toen hij meende te

zullen sterven; die zelfs nog in den doodsangst bespiedde, en, op de

eerste trede van het graf geleund, nog aanteekeningen had gemaakt.

Hij vatte de hand van Marius en zocht den pols.

"'t Is een gewonde," zei Jean Valjean.

"'t Is een doode," zei Javert.

Jean Valjean antwoordde:

"Neen, nog niet."

"Ge hebt hem dus van de barricade hierheen gebracht?" merkte Javert op.

Hij moest wel zeer in gedachten verdiept zijn, daar hij niet verder

naar deze verontrustende redding door het riool onderzocht en zelfs

Jean Valjean's zwijgen op deze vraag niet opmerkte.

Ook Jean Valjean scheen van een enkele gedachte vervuld. Hij hernam:

"Hij woont in het Marais, rue des Filles du Calvaire, bij zijn

grootvader...--Ik ben den naam vergeten."

Jean Valjean tastte in den rok van Marius, haalde er de portefeuille

uit, opende ze bij de door Marius met potlood beschreven bladzijde,

en reikte ze Javert.

't Was nog helder genoeg om met moeite te kunnen lezen. Javert

had buitendien in zijn oogen het katachtig phosphorlicht der

nachtvogels. Hij ontcijferde de door Marius geschreven regels en

mompelde: "Gillenormand, rue des Filles du Calvaire No. 6."

Toen riep hij: "Koetsier!"

Men herinnere zich het huurrijtuig, dat wachtte.

Javert behield de portefeuille van Marius.

Een oogenblik later stond het rijtuig, dat langs het paardenwed

was gereden, aan den waterkant. Marius werd op de achterbank in het

rijtuig gelegd, en Javert nam naast Jean Valjean plaats op de voorbank.

Toen het portier gesloten was, reed het rijtuig snel langs de kaden

naar den kant van het Bastilleplein.

Zij verlieten de kade en kwamen in de straten. De koetsier, een donkere

gestalte op den bok, legde de zweep op zijn magere paarden. In het

rijtuig heerschte een ijskoude stilte. Marius, bewegingloos, met

den rug in een hoek gevlijd, met het hoofd op de borst gezonken,

met hangende armen, stijve beenen, scheen slechts de doodkist te

wachten; Jean Valjean scheen een schaduw en Javert van steen; en

in dit donkere rijtuig, dat van binnen, telkens als het langs een

lantaarn reed, akelig, als door een bliksemstraal, verlicht werd,

had het toeval het lijk, het spook en het standbeeld vereenigd.

TIENDE HOOFDSTUK.

TERUGKEER VAN DEN VERLOREN ZOON TOT HET LEVEN.

Bij elken schok van het rijtuig op de straatsteenen, viel een druppel

bloed uit het haar van Marius.

Het was volkomen nacht, toen het huurrijtuig voor het huis No. 6 in

de straat des Filles du Calvaire stilhield.

Javert stapte het eerst uit het rijtuig, overtuigde zich met een

oogwenk van het nummer boven de koetspoort, en den zwaren ijzeren

klopper opheffende, die een bok en een sater voorstelde, welke elkander

aangrijnsden, liet hij hem krachtig vallen. De slagdeur werd half

geopend en Javert duwde ze verder open. De portier kwam geeuwend,

slaperig en met een kaars in de hand te voorschijn.

Alles sliep in het huis. Men gaat in het Marais vroeg te bed, vooral in

dagen van opstand. Deze goede oude wijk, door de revolutie verschrikt,

neemt de vlucht in den slaap, evenals de kinderen, wanneer zij den

boeman hooren komen, en steken schielijk het hoofd onder de dekens.

Ondertusschen beurden Jean Valjean en de koetsier Marius uit het

rijtuig, Jean Valjean hield hem onder de armen en de koetsier bij

de beenen.

Onder het dragen, schoof Jean Valjean zijn hand onder de kleederen van

Marius, die overal gescheurd waren, bevoelde de borst en overtuigde

zich, dat het hart nog klopte. Het klopte zelfs iets minder flauw,

alsof de beweging van het rijtuig het leven eenigszins had opgewekt.

Javert vroeg den portier, op een toon, die aan het gouvernement

tegenover den portier van een opstandeling past:

"Woont hier iemand, die Gillenormand heet?"

"Ja. Wat wilt ge van hem?"

"Men brengt hem zijn zoon terug."

"Zijn zoon?" zei de portier verstomd.

"Hij is dood."

Jean Valjean, die gehavend en smerig achter Javert ging en dien de

portier met eenigen afschuw aanschouwde, schudde ontkennend het hoofd

tegen hem.

De portier scheen noch de woorden van Javert, noch het teeken van

Jean Valjean te begrijpen.

Javert hernam:

"Hij is naar de barricade gegaan, en zie hem nu hier."

"Naar de barricade!" riep de portier.

"Hij heeft zich laten doodschieten. Ga den vader wekken."

De portier verroerde zich niet.

"Ga toch!" herhaalde Javert.

En hij voegde er bij:

"Morgen zal men hier een begrafenis hebben."

Voor Javert waren de gewone straatgebeurtenissen cathegorisch

gerangschikt, 't geen het begin der voorzichtigheid en waakzaamheid is,

en iedere omstandigheid had haar afdeeling; de mogelijke feiten waren

om zoo te spreken in laden, waar zij bij gelegenheid in verschillende

hoeveelheden uitkwamen; op de straat bestonden voor hem: straatgerucht,

oproer, vastenavondgewoel en begrafenis.

De portier wekte alleen Basque; Basque wekte Nicolette; Nicolette wekte

tante Gillenormand. Maar men liet den grootvader slapen, meenende,

dat hij de zaak altijd vroeg genoeg zou gewaar worden.

Men droeg Marius naar de eerste verdieping, zonder dat overigens

iemand in de andere gedeelten van het huis er iets van bespeurde,

en men legde hem op een oude canapé in de voorkamer van den heer

Gillenormand. Terwijl nu Basque den chirurgijn ging roepen en Nicolette

de linnenkast opende, voelde Jean Valjean, dat Javert hem aan den

schouder stiet. Hij begreep hem, en ging de trap af, door Javert op

den voet gevolgd.

De portier zag hen heengaan, zooals hij hen had zien komen, met

verschrikte slaperigheid.

Zij stegen weder in het huurrijtuig en de koetsier op den bok.

"Inspecteur Javert," zei Jean Valjean, "sta mij één ding toe."

"Wat?" vroeg Javert ruw.

"Laat mij een oogenblik in mijn woning terugkeeren. Dan kunt ge verder

met mij doen wat ge wilt."

Javert bleef eenige oogenblikken zwijgend, de kin diep in den kraag

van zijn jas gedoken, toen liet hij het voorraampje neder, en riep:

"Koetsier, rue de l'Homme-Armé, nommer 7."

ELFDE HOOFDSTUK.

VERBAZING.

Onderweg spraken zij geen woord meer.

Wat wilde Jean Valjean? Voltooien wat hij begonnen had, Cosette

waarschuwen, haar zeggen waar Marius was, haar misschien een of andere

nuttige inlichting geven; zoo hij kon, zekere laatste beschikkingen

nemen. Wat hem betrof, wat hem persoonlijk aanging, dat alles was

hem onverschillig; hij was door Javert gegrepen en verzette er zich

niet tegen; een ander dan hij zou, in zulk een toestand, misschien

aan het touw, dat Thénardier hem gegeven had, gedacht hebben en aan

de spijlen van het eerste cachot waarin hij komen zou; maar sinds

den bisschop bestond bij Jean Valjean tegen elken aanslag, ware ze

ook tegen hem zelven, een diepe godsdienstige aarzeling.

De zelfmoord, dit geheimzinnige feit tegen het onbekende, die, in

zekere mate den dood der ziel kan bevatten, was voor Jean Valjean

onmogelijk.

Bij den ingang der straat de l'Homme-Armé hield het rijtuig stil,

wijl deze straat te nauw was voor het doorrijden van rijtuigen. Javert

en Jean Valjean stegen uit.

De koetsier deed "mijnheer den inspecteur" deemoedig opmerken, dat

het trijp van zijn rijtuig geheel met het bloed van den vermoorden

man en het slijk van den moordenaar bezoedeld was. Dit althans had hij

begrepen. Hij voegde er bij, dat hem een schadevergoeding toekwam. En

terzelfder tijd, zijn zakboekje te voorschijn halende, verzocht hij

mijnheer den inspecteur zoo goed te zijn een klein bewijs hiervan

te schrijven.

Javert stiet het zakboekje, dat de koetsier hem toehield, weg,

zeggende:

"Hoeveel moet ge hebben, uw wachten en rit er onder begrepen?"

"'t Is zeven en een kwart uur," antwoordde de koetsier, "en mijn

trijp was splinternieuw. Tachtig francs, mijnheer de inspecteur."

Javert nam vier napoleons uit zijn zak en liet den huurkoetsier gaan.

Jean Valjean meende, dat het Javerts bedoeling was hem te voet naar

den wachtpost des Blancs-Manteaux te voeren, of naar dien des Archives,

welke in de nabijheid zijn.

Zij gingen de straat in, die als gewoonlijk eenzaam was.

Javert volgde Jean Valjean. Zij kwamen aan het huis no. 7.

Jean Valjean klopte aan. De deur opende zich.

"Goed," zei Javert. "Ga binnen."

Met een zonderlinge uitdrukking, en alsof 't hem inspanning kostte,

voegde hij er bij:

"Ik wacht u hier."

Jean Valjean aanschouwde Javert. Deze wijze van handelen van Javert

was weinig volgens zijn gewoonte. 't Kon Jean Valjean evenwel niet zeer

verrassen, dat Javert nu een soort van trots vertrouwen in hem stelde,

het vertrouwen van de kat, die aan de muis een vrijheid zoo lang als

haar poot vergunt, te meer wijl Jean Valjean thans bereid was zich over

te geven en tot een einde te komen. Hij stiet de deur open, trad het

huis binnen, riep tot den portier, die te bed lag en van uit zijn bed

aan de deurkoord had getrokken: "Ik ben het," en hij ging de trap op.

Op de eerste verdieping bleef hij staan. Alle lijdenswegen hebben hun

statiën. Het venster van het portaal, een schuifraam, was open. Gelijk

in vele oude huizen ontving de trap het licht van de straat door een

venster, dat er op uitkwam. De straatlantaarn, daar juist tegenover,

wierp eenig licht op de treden, 't geen een opzettelijke verlichting

uitwon.

Jean Valjean, hetzij om lucht te scheppen, hetzij werktuiglijk, zag

uit het venster en boog zich over de straat, die kort was en van het

eene tot het andere einde door de lantaarn verlicht werd.

Jean Valjean duizelde van verbazing; er was niemand meer.

Javert was heengegaan.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DE GROOTVADER.

Basque en de portier hadden Marius, die steeds bewegingloos op de

canapé lag, waarop men hem terstond bij de aankomst gelegd had,

de kamer binnengedragen. De geneesheer, die men geroepen had was

gekomen. Tante Gillenormand was opgestaan.

Zij ging verschrikt heen en weder, de handen wringend en tot niets

in staat dan te zeggen: "Is het Gods mogelijk!" Zij voegde er nu

en dan bij: "Alles zal met bloed bemorst worden!" Toen de eerste

ontsteltenis voorbij was, en een soort van wijsgeerige helderheid

in haar gedachten ontstond, deed zij zulks blijken door den uitroep:

"Zoo moest het eindigen!" maar zij ging zooverre niet van te zeggen:

"Ik heb het wel gezegd!" zooals in dergelijke gevallen gebruikelijk is.

Op last van den geneesheer was een bed naast de canapé gelegd. De

geneesheer onderzocht Marius, en na zich overtuigd te hebben dat de

pols nog klopte, dat de wonden op de borst niet diep waren en het bloed

om de lippen uit den neus kwam, liet hij hem plat op het bed leggen,

zonder oorkussen, het hoofd zelfs nog iets lager dan het lichaam,

de borst bloot, ten einde de ademhaling gemakkelijker te maken. Toen

mejuffrouw Gillenormand zag, dat men Marius ontkleedde, verwijderde

zij zich. Zij ging in haar kamer haar rozenkrans bidden.

De borst was inwendig niet gedeerd; een geweerkogel, die op de

portefeuille was afgestuit, had langs de ribben een groote, maar

niet diepe wonde veroorzaakt, die dus niet gevaarlijk was. De lange

marsch in het onderaardsche gewelf had het gebroken sleutelbeen geheel

ontwricht, hetgeen een ernstige beleediging vormde. De armen waren

vol sabelhouwen. Geen enkele wonde misvormde het gelaat; het hoofd was

echter als gekerfd. Van welken aard waren deze hoofdwonden? bepaalden

zij zich enkel tot de huid? hadden zij zich ook aan den schedel

medegedeeld? Dit wist men nog niet te zeggen. 't Was een ernstig

verschijnsel, dat zij de bewusteloosheid hadden veroorzaakt; uit

dergelijke bewusteloosheid ontwaakt men niet altijd. Bovendien had het

bloedverlies den lijder uitgeput. Van het middel af was het onderlijf

door de barricade beschermd geworden.

Basque en Nicolette scheurden linnen en maakten windsels gereed;

Nicolette naaide ze samen, Basque rolde ze op. Er was geen pluksel,

de geneesheer had voorloopig het bloed met watten gestelpt. Naast

het bed brandden drie waskaarsen op een tafel, waarop de chirurgicale

instrumenten lagen uitgespreid. De geneesheer wiesch het gezicht en

het haar van Marius met koud water. In een oogenblik was een volle

emmer rood. De portier lichtte met een kaars in de hand.

De geneesheer scheen in treurige gedachten. Nu en dan schudde

hij het hoofd, alsof hij een vraag, die hij bij zich zelven deed,

beantwoordde. Zulke geheime samenspraken van den geneesheer met zich

zelven zijn een slecht teeken voor den lijder.

Juist toen de geneesheer het gezicht wiesch en zacht met den vinger

de steeds gesloten oogleden aanraakte, werd achter in de kamer een

deur geopend en een lange, bleeke gestalte verscheen.

't Was de grootvader.

De heer Gillenormand was gedurende twee dagen door den opstand zeer

ontrust, verontwaardigd en ingespannen. Hij had den vorigen nacht

niet kunnen slapen en den geheelen dag de koorts gehad. Des avonds

was hij zeer vroeg te bed gegaan, met bevel dat men alles in huis

zorgvuldig zou sluiten, en hij was van vermoeidheid ingesluimerd.

De slaap des grijsaards is licht; de slaapkamer van den heer

Gillenormand grensde aan het salon en, in weerwil der voorzorgen,

welke men had genomen, had het gerucht hem gewekt. Verwonderd over

het licht, dat hij door de reet der deur zag, was hij opgestaan en

tastend genaderd.

Hij stond op den drempel, met de hand aan de kruk der half geopende

deur, het hoofd waggelend voorover gebogen, het lichaam in een witten

slaaprok gehuld, die stijf en zonder plooien was als een lijkwade;

verwonderd en als een spook, dat in een graf schouwt.

Hij zag het bed, en op de matras dien bebloeden jongeling, zoo wit als

was, met gesloten oogen, open mond en bleeke lippen, tot aan het middel

bloot, overal met roode wonden gevlekt, bewegingloos, helder verlicht.

Den grootvader doorliep van het hoofd tot de voeten een rilling,

zoo erg als verstijfde leden die kunnen hebben; zijn oogen, wier

hoornvlies wegens den hoogen ouderdom geel was, werden door een

soort van glasachtige spiegeling verduisterd; zijn gezicht nam in een

oogenblik de stijve trekken van een doodshoofd aan; zijn armen vielen

neder, als ware een springveer er in gebroken, en zijn ontzetting

verried zich door de uitbreiding der vingers zijner oude bevende

handen, zijn knieën vormden een vooruitstekenden hoek en lieten door

de opening van zijn slaaprok zijn magere naakte beenen, met wit haar

bezet, zien. Hij stamelde:

"Marius!"

"Mijnheer," zei Basque, "men heeft den jongenheer zooeven hier

gebracht. Hij is naar de barricade gegaan en...."

"Hij is dood!" riep de grijsaard met vreeselijke stem. "O, de

booswicht!"

Toen richtte iets als eene herleving uit den doode dezen honderdjarige

zoo recht op als een jongeling.

"Mijnheer," zeide hij, "zijt gij de geneesheer? Zeg mij voor alles

één ding. Hij is dood, niet waar?"

De geneesheer, in de grootste verlegenheid, zweeg.

Gillenormand wrong de handen met een vreeselijken lach.

"Hij is dood! hij is dood! Hij heeft zich op de barricade laten dooden

uit haat tegen mij! 't Is tegen mij, dat hij dit gedaan heeft. O,

bloeddorstige! Zoo komt hij bij mij terug! O, ramp mijns levens,

hij is dood."

Hij naderde een venster, opende het wagenwijd, alsof hij vreesde te

stikken, en voor de duisternis staande, begon hij in de straat tot

den nacht te spreken.

"Doorboord, neergesabeld, vermoord, verdelgd, verscheurd, in stukken

gehouwen. Ziet ge 't nu, schavuit! Hij wist wel, dat ik hem wachtte

en zijn kamer in orde had doen brengen en zijn portret, uit den tijd

dat hij een kleine jongen was, aan het voeteneinde van mijn bed

geplaatst had. Hij wist, dat hij slechts behoefde weder te komen,

en ik hem sedert jaren terug riep en des avonds met de handen op de

knieën voor het vuur bleef zitten, niet wetende wat te doen, en dat ik

er kindsch van werd. Ge wist wel, dat ge slechts behoefdet terug te

keeren en te zeggen: ik ben het, en gij de meester des huizes zoudt

zijn; dat ik u zou gehoorzamen en gij alles van uw ouden grootvader

zoudt kunnen gedaan krijgen. Ge wist het, maar gij zeidet: neen,

hij is een koningsgezinde, ik ga niet. En ge zijt naar de barricaden

gegaan en uit kwaadheid tegen mij hebt ge u laten dooden, om u te

wreken over hetgeen ik wegens den hertog van Berry had gezegd! 't Is

schandelijk! Men gaat te bed en slaapt gerust! Hij is dood. Dat is

mijn ontwaking!"

De geneesheer, die van beide zijden ongerust begon te worden, verliet

Marius een oogenblik en ging naar den heer Gillenormand, dien hij

bij den arm nam. De grootvader keerde zich om, staarde hem aan, met

oogen die grooter en bloedig schenen te zijn geworden en zeide kalm:

"Ik dank u, mijnheer. Ik ben bedaard, ik ben een man en heb Lodewijk

XIV zien sterven; ik weet mij in de gebeurtenissen te schikken. Maar

één ding is verschrikkelijk, 't is de gedachte, dat uw dagbladen

al dat kwaad brouwen. Gij hebt schrijvers, sprekers, advocaten,

redenaars, tribunen, discussiën, vooruitgang, verlichting, rechten van

den mensch, vrijheid van drukpers, en zie hier hoe men uw kinderen

te huis brengt. Ach, Marius! 't is afschuwelijk! Gedood! vóór mij

dood! Een barricade! O! de booswicht! Ik geloof, dokter, dat ge

in de buurt woont. Ja, ik ken u. Ik zie uit mijn raam uw cabriolet

voorbijrijden. Ik zal u zeggen; ge zoudt u vergissen, zoo ge meent

dat ik kwaad ben. Men wordt niet kwaad op een doode. 't Zou dom

zijn. 't Is een kind, dat ik heb opgevoed. Ik was reeds oud toen

hij nog zeer klein was. Hij speelde in de Tuilerieën met zijn kleine

spade en wagentje, en opdat de opzichters niet zouden knorren, maakte

ik met mijn stok de gaten weder dicht, die hij met zijn spade in den

grond groef. Op zekeren dag riep hij: Weg met Lodewijk XVIII, en hij

ging heen. 't Was mijn schuld niet. Hij was blond en blozend. Zijn

moeder is dood. Hebt ge opgemerkt, dat alle kleine kinderen blond

zijn? Hoe komt dat? Hij is een zoon van een dier bandieten der Loire;

maar de kinderen zijn onschuldig aan de misdaden hunner ouders. Ik

herinner hem mij, toen hij niet grooter was dan zoo. Hij kon de d

niet uitspreken. Hij sprak zoo zacht en onduidelijk, dat men meende

een vogel te hooren. Ik herinner mij, dat men eens, bij het beeld van

Herkules Farnèse, om hem heen ging staan, om hem te bewonderen, zoo

schoon was het kind. Hij had een kopje, zooals men op de schilderijen

ziet. Ik bromde op hem en dreigde hem met mijn stok, maar hij wist

wel, dat het slechts scherts was. Des morgens, wanneer hij in mijn

kamer kwam, zag ik somber, maar hij was voor mij als de zon. Men is

weerloos tegenover zulke dreumesen. Zij vatten u, houden u vast, en

laten u niet meer los. 't Is waar, dat er geen liever kind was. Wat

zegt ge nu van uw Lafayette, uw Benjamin Constant, uw Tirecuir de

Corcelles, die hem doodden. Dat kan zoo niet gaan!"

Toen naderde hij Marius, die steeds lijkkleurig en bewegingloos was

en tot wien de geneesheer was teruggekeerd, en hij begon opnieuw

zijn handen te wringen. De bleeke lippen van den grijsaard bewogen

zich werktuiglijk en prevelden schier onverstaanbaar de woorden:

"O! wreedaard! O clubist! O booswicht! O septembriseur!"--Zachte

verwijten van een zieltogende tot een lijk.

Dewijl inwendige aandoeningen zich steeds lucht moeten maken, keerden

allengs geregelde woorden terug, maar de grootvader scheen de kracht

niet meer te hebben ze uit te spreken; zijn stem was zoo dof en

gesmoord, dat zij van de overzijde eens afgronds scheen te komen:

"'t Is mij onverschillig; ik zal ook sterven. Ik durf zeggen dat er

in Parijs geen meisje is, die zich niet gelukkig zou achten met dien

ellendeling vereenigd te zijn. Een deugniet, die in plaats van zich

te vermaken en het leven te genieten, is gaan vechten en zich als

een wild dier laat doodschieten. En, waarom? voor de republiek! In

plaats van naar de Chaumière te gaan dansen, zooals het jongen

lieden betaamt. 't Is wel der moeite waard, twintig jaar oud te

zijn. De republiek, een vervloekte gekheid! Arme moeders! hebt nu

nog mooie jongens! Nu, hij is dood! Er zullen nu twee begrafenissen

uit de koetspoort gaan. Ge hebt u dan ter liefde voor den generaal

Lamarque opgeofferd. Wat had generaal Lamarque u gedaan? Hij was

een vechter! een babbelaar! Zich voor een doode te laten dooden! Is

't niet om krankzinnig te worden! Begrijpt gij het! Twintig jaren

oud! En zonder om te zien of hij ook iets achterlaat! De arme oude

lieden zijn nu genoodzaakt, alleen te sterven. Sterf in uw hoek, oude

uil! Nu, des te beter, ik hoopte het, het zal mij in eens den dood

geven. Ik ben te oud, honderd jaar, duizend jaar oud; sinds lang heb

ik het recht om te sterven. Deze slag maakt er een einde aan. 't Is

uit! hoe gelukkig. Waartoe hem ammoniak te laten snuiven en al die

medicijnen. 't Is moeite vergeefsch, onnoozele dokter. Ga, hij is

dood, geheel dood. Ik heb er verstand van want ook ik ben dood. Hij

heeft de zaak niet ten halve gedaan. Ja, 't is een afschuwelijke,

schandelijke tijd, en hetzelfde denk ik van u, van uw denkbeelden,

van uw stelsels, van uw meesters, van wonderspreuken, van uw dokters,

van uw schelmen van schrijvers, van uw schoften van wijsgeeren, en van

al de revolutiën, welke sedert zestig jaren de raven der Tuilerieën

verschrikken! En wijl ge onmeedoogend zijt geweest door u te laten

dooden, zal ik over uw dood niet treuren, hoort ge, moordenaar!"

Op hetzelfde oogenblik opende Marius langzaam de oogen en zijn

blik, nog bewolkt door doffe verbazing, vestigde zich op den heer

Gillenormand.

"Marius!" riep de grijsaard. "Marius, mijn kleine Marius! mijn kind,

mijn geliefde zoon! Gij opent de oogen, gij aanschouwt mij, gij

leeft. Goddank!"

En hij zonk machteloos neder.

BOEK IV.

JAVERT UIT HET SPOOR.

EERSTE HOOFDSTUK.

JAVERT UIT HET SPOOR.

Javert had zich met langzame schreden uit de straat de l'Homme-Armé

verwijderd.

Hij ging voor het eerst van zijn leven met gebogen hoofd en ook voor

het eerst van zijn leven met de handen op den rug.

Tot hiertoe had Javert slechts die houding van Napoleon overgenomen,

welke Vastberadenheid kenmerkt, de armen op de borst gekruist;

die, welke besluiteloosheid aanduidt, de handen op den rug, was

hem onbekend. Nu was er verandering ontstaan; zijn geheele persoon,

in zijn somberheid en langzaamheid, droeg den stempel van angst.

Hij ging in de stille straten. Evenwel volgde hij een richting.

Langs den kortsten weg ging hij naar de Seine, bereikte de Olmenkade,

zette zijn weg voort over het Grèveplein, en hield stil op eenigen

afstand van den wachtpost van het Chateletplein, aan den hoek der

brug Nôtre-Dame. De Seine vormt dáár, tusschen die brug en de brug du

Change eenerzijds, en de kade Mégisserie en de Bloemkade anderzijds,

een soort van vierkant meer, door 't welk een snelle strooming gaat.

Dit punt der Seine wordt door schippers gevreesd. Niets is gevaarlijker

dan deze strooming, welke te dien tijde door een watermolen, die

thans is weggeruimd, nog meer vernauwd en gedrongen werd. De twee zoo

dicht bij elkander zijnde bruggen vermeerderen het gevaar; het water

ijlt driftig onder de bogen door. Het rolt met vreeselijke golven,

het bruist en schuimt er; de stroom schijnt met forsche vloeiende

kabels de pijlers der brug te willen omverrukken. De menschen, die

er hier invallen, komen niet weder te voorschijn; de beste zwemmers

verdrinken er.

Javert leunde met beide ellebogen op de borstwering, zijn kin op beide

handen, en terwijl zijn nagels werktuiglijk in zijn zwaren bakkebaard

woelden, peinsde hij.

Iets nieuws, een revolutie, een noodlottige uitkomst was in hem

ontstaan; en hij had reden zich zelven te onderzoeken.

Javert leed vreeselijk.

Sedert eenige uren had Javert opgehouden heldere gedachten te

hebben. Hij was verward; zijn geest had zijn doorschijnendheid

verloren, er was een nevel in dat kristal. Javert voelde in zijn

geweten den plicht zich verdubbelen, en hij kon zich dit niet

ontveinzen. Toen hij zoo onverwacht Jean Valjean aan den kant der

Seine had ontmoet, was er in hem iets geweest van den wolf, die zijn

prooi herneemt, en van den hond die zijn meester wedervindt.

De Ellendigen (Deel 5 van 5) · 第 12 / 25 段