van den vorigen dag. De vloer, die door het daaronder liggende zand
kwalijk geschraagd werd, was bezweken en had een ophooping van water
veroorzaakt. De doorspeling had een instorting ten gevolge gehad. De
verbrokkelde vloer was in het slijk gezonken. Over welk een lengte
was onmogelijk te zeggen. De duisternis was daar dikker dan elders. 't
Was een moddergat in een nachtelijk hol.
Jean Valjean voelde dat de weg onder zijn voeten zonk. Hij trad in
het slijk. 't Was water van boven en modder van onder. Hij moest er
door, want hij kon onmogelijk op zijn schreden terugkeeren. Marius
was stervend, en Jean Valjean uitgeput van vermoeidheid. Waarheen
zou hij zich ook wenden? Jean Valjean ging dus voort. De modderpoel
scheen trouwens bij de eerste schreden niet zeer diep. Maar naar
gelang hij verder ging, zonken zijn voeten dieper. Spoedig kwam het
slijk ter helft van zijn beenen en het water boven zijn knieën. Hij
ging voort, Marius op beide armen zoo hoog mogelijk boven het water
houdende. Thans kwam het slijk tot aan zijn knieën en het water tot aan
zijn middel. Hij kon reeds niet meer achteruit gaan, en zonk dieper
en dieper. Dit slijk, vast genoeg voor 't gewicht van één mensch,
kon er blijkbaar geen twee dragen. Marius en Jean Valjean zouden
ieder afzonderlijk kans hebben gehad er door te komen. Jean Valjean
ging steeds verder, den stervende dragende, die misschien reeds een
lijk was.
Het water kwam hem tot aan de oksels en hij voelde zich meer en
meer zinken; nauwelijks kon hij zich in de diepe modder, waarin
hij zich bevond, bewegen. De vastheid, die hem hield, was tevens
een hindernis. Hij droeg Marius nog altijd en ging met ongehoorde
inspanning verder; maar hij zonk steeds dieper. Hij had nog slechts
het hoofd boven water, benevens zijn armen die Marius droegen. In
oude afbeeldingen van den zondvloed ziet men een moeder op dezelfde
wijze haar kind dragen.
Hij zonk verder; hij hield zijn hoofd achterover om 't water te
ontwijken en te kunnen ademen; wie hem in deze duisternis had
gezien zou gemeend hebben een masker op de duisternis te zien
drijven. Onduidelijk zag hij boven zich het hangende hoofd en het
bleeke gelaat van Marius; hij deed een wanhopige poging en zette zijn
voet voorwaarts. Zijn voet stiet tegen iets stevigs; een steunpunt. Het
was tijd.
Hij richtte zich op, wrong en worstelde zich met een soort van woede
tegen en op dat steunpunt. 't Scheen hem als de eerste trede van een
trap die naar het leven opsteeg.
Dit steunpunt, op het uiterste oogenblik in de modder ontmoet, was
het begin der andere helling van den vloer, die als een plank in haar
geheele lengte onder het water gebogen was zonder te breken. De goed
gebouwde vloeren zijn gewelfd en daardoor zeer sterk. Dit gedeelte
vloer liep glooiend op, en eenmaal op die glooiing zijnde, was men
gered. Jean Valjean besteeg dit hellend vlak en kwam aan de andere
zijde van den slijkkuil.
Uit het water tredende stiet hij zich tegen een steen, en viel op
zijn knieën. Hij vond dat dit betaamde en bleef eenigen tijd in die
houding, de ziel verzonken in een dankgebed tot God. Toen richtte hij
zich weder op, bibberend, verkleumd, gebogen onder den stervende,
dien hij voortsleepte, van slijk druipend, de ziel vervuld met een
zonderlinge helderheid.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE UITERSTE NOOD.
Opnieuw zette hij zijn weg voort.
Overigens scheen hij, zoo niet zijn leven, althans zijn krachten in
den modderpoel gelaten te hebben. De overmatige inspanning had hem
uitgeput. Hij was nu zoo vermoeid, dat hij verplicht was telkens om
de drie of vier schreden tegen den muur te leunen, om in den adem te
schieten. Eenmaal moest hij zich op den vooruitstekenden rand onder
aan den muur van het gewelf neerzetten, om Marius van ligging te doen
veranderen, en hij meende hier te zullen moeten blijven. Maar hoewel
zijn lichaamskracht was uitgeput, zijn geestkracht echter niet. Hij
richtte zich op.
Wanhopig trad hij voorwaarts, schier haastig, deed aldus een honderd
schreden zonder het hoofd op te heffen, bijna zonder te ademen, en
stiet toen eensklaps tegen den muur. Hij was aan een kromming van het
riool gekomen, en die met gebogen hoofd genaderd zijnde, had hij den
muur ontmoet. Hij sloeg de oogen op, en ginds aan het einde van het
onderaardsch gewelf, ver, zeer ver, zag hij licht. Ditmaal was het
geen verschrikkend licht; 't was goed, helder licht, het daglicht.
Jean Valjean zag den uitgang.
Een verdoemde ziel, die te midden van den vuurgloed eensklaps
den uitgang der hel zag, zou datgene gevoelen, wat Jean Valjean
gevoelde. Zij zou als uitzinnig, met haar door de vlammen verzengde
vleugels, naar de schitterende deur vliegen. Jean Valjean voelde
geen vermoeidheid meer, geen zwaarte van Marius; hij vond zijn stalen
spieren terug, hij liep meer dan hij ging. Naar gelang hij naderde,
vertoonde zich de uitgang duidelijker. 't Was een boog, minder hoog
dan het gewelf, dat trapswijze lager werd, en minder breed dan de
galerij, die zich vernauwde, in dezelfde mate als het gewelf daalde. De
tunnel was aan het einde trechtervormig; een gebrekkige vernauwing,
in navolging der gevangenispoorten, zeer logisch in een gevangenis,
onlogisch in een riool, en dat sedert verbeterd is.
Jean Valjean bereikte den uitgang.
Daar bleef hij staan.
't Was wel de uitgang; maar men kon er niet uitgaan.
De boog was met een stevig hek gesloten, en het hek, dat waarschijnlijk
zelden op zijn verroeste hengsels draaide, was aan zijn steenen kozijn
gehecht met een zwaar slot, dat, rood van de roest, een grooten
baksteen geleek. Men zag het sleutelgat en den sterken schoot, die
diep in de plaat stak. Het slot was volkomen goed gesloten en een
dier bastillesloten, waaraan het oude Parijs zoo rijk was.
Aan de andere zijde van het hek zag men de open lucht, de rivier,
het daglicht, den zeer smallen oeverkant, die echter breed genoeg
was om zich er langs te verwijderen, de verre kaden, Parijs, dien
afgrond, waarin men zich zoo gemakkelijk verbergen kan, den ruimen
horizont, de vrijheid. Rechts zag men stroomafwaarts de Jena-brug,
links, stroomopwaarts, de brug der Invaliden; de plek zou gunstig
zijn geweest om er den nacht te blijven en dan te vluchten. 't Was
een der eenzaamste punten van Parijs; de oeverkant vlak tegenover
Gros-Caillou. De vliegen vlogen heen en weder tusschen de spijlen
van het hek.
't Kon half negen 's avonds zijn geweest. Het werd allengs donker.
Jean Valjean legde Marius tegen den muur op het droge gedeelte van den
vloer, trad toen naar het hek en pakte met beide handen de spijlen;
de hevige ruk had echter niet de minste uitwerking. Het hek bewoog
zich niet. Jean Valjean greep een voor een de spijlen, in de hoop een
minder stevige uit te kunnen rukken en er zich als een hefboom van te
bedienen, om het slot af te breken. Maar geen spijl bewoog zich. De
tanden van een tijger sluiten niet vaster in hun kassen. Geen hefboom;
geen verbreking mogelijk. De weerstand was onverwinlijk. Er was geen
middel om de deur te openen.
Moest hij hier omkomen? Wat moest hij doen? Wat zou van hem
worden? Terugkeeren; den vreeselijken weg, dien hij afgelegd had,
opnieuw beginnen; daartoe had hij de kracht niet. Hoe zou hij overigens
andermaal den modderpoel doorkomen, waaruit hij zich slechts als
door een wonder gered had. En was er niet bovendien de politie-ronde,
welke men zekerlijk ten tweeden male niet zou ontgaan? Waarheen zou hij
wijders gaan? welke richting volgen? Kwam hij aan een anderen uitgang,
hij zou dien door een dam of hek gesloten vinden. Al de uitgangen
waren ontwijfelbaar op deze of gene wijze gesloten. Zeer toevallig
was de rooster, door welken hij was binnengekomen, losgeraakt; maar
ongetwijfeld zouden al de andere openingen van het riool gesloten zijn.
't Was hem slechts gelukt in een gevangenis te vluchten.
't Was gedaan. Alles wat Jean Valjean verricht had, was vruchteloos
geweest. Beiden waren in het ontzaggelijk doodswebbe gevangen, en
Valjean voelde reeds, op haar zwarte draden, die in de duisternis
trilden, de vreeselijke spin.
Hij keerde den rug naar het hek en viel eer dan hij zich zette op
het plaveisel, naast den steeds bewegingloozen Marius, en liet zijn
hoofd tusschen zijn knieën zinken. Geen uitkomst.
't Was de laatste droppel van den angst.
Waaraan dacht hij in deze diepe neerslachtigheid. Noch aan zich zelven,
noch aan Marius. Hij dacht aan Cosette.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
HET AFGESCHEURDE ROKSPAND.
In 't midden dezer zelfvergeting legde een hand zich op zijn schouder
en een fluisterende stem zeide tot hem:
"Ieder de helft."
Iemand in deze duisternis? Niets gelijkt meer den droom dan de wanhoop,
en Jean Valjean meende dat hij droomde. Hij had geen voetstappen
gehoord.
Was het mogelijk? Hij sloeg de oogen op.
Een man stond voor hem.
Deze man droeg een kiel, hij was blootsvoets en hield zijn schoenen in
de hand; hij had ze blijkbaar uitgetrokken om Jean Valjean ongemerkt
te naderen.
Jean Valjean twijfelde geen oogenblik. Hoe onverwacht deze ontmoeting
was, kende hij echter dezen man.
't Was Thénardier.
Hoewel, om zoo te spreken, verschrikt ontwaakt, herkreeg Jean Valjean,
gewoon aan verrassingen en verhard tegen onverwachte slagen, die
ijlings afgeweerd moeten worden, eensklaps al zijn tegenwoordigheid
van geest. Zijn toestand kon bovendien niet erger worden; op zekeren
graad kan de nood niet meer stijgen, en Thénardier zelf kon aan dezen
nacht geen grooter duisternis meer geven.
Beiden wachtten een oogenblik.
Thénardier bracht zijn hand boven zijn oogen, op de wijze van een
lichtscherm, toen trok hij knipoogende de wenkbrauwen samen, kneep
de lippen dicht op elkander, 't geen de sluwe oplettendheid te kennen
geeft van iemand, die een ander tracht te herkennen. Dit gelukte hem
niet. Jean Valjean, zooals gezegd, stond met den rug naar het licht en
zag er bovendien zoo gehavend, zoo beslijkt en zoo bloedig uit, dat
hij op den vollen middag onherkenbaar zou geweest zijn. Daarentegen
viel Thénardier, beschenen door het licht van het hek, wel is waar
een kelderlicht, maar duidelijk in zijn bleekheid, Jean Valjean
eensklaps in 't oog. Dit onderscheid van toestand was genoegzaam
om Jean Valjean eenig voordeel in dit geheimzinnig duël te geven,
't welk tusschen beide personen in hun wederzijdsche betrekking zou
beginnen. De ontmoeting geschiedde tusschen den gesluierden Jean
Valjean en den ontmaskerden Thénardier.
Jean Valjean merkte terstond, dat Thénardier hem niet herkende.
Zij zagen elkander een oogenblik in dit schemerlicht aan, alsof zij
elkander opnamen.
Thénardier brak het eerst het zwijgen.
"Wat zult ge doen om hieruit te komen?"
Jean Valjean antwoordde niet.
Thénardier hernam:
"'t Is onmogelijk de deur open te breken. Ge moet hier echter uit."
"'t Is waar," zei Valjean.
"Nu, ieder de helft."
"Wat bedoelt ge?"
"Gij hebt dien man vermoord, goed. Ik heb den sleutel."
Thénardier wees met zijn vinger op Marius. Hij vervolgde:
"Ik ken u niet, maar wil u helpen. Gij moet een vriend zijn."
Jean Valjean begon te begrijpen. Thénardier hield hem voor een
moordenaar.
Thénardier hernam:
"Luister, kameraad. Gij hebt dien man niet vermoord zonder zijn zakken
te onderzoeken. Geef mij de helft, en ik open de deur."
En van onder zijn gescheurden kiel een grooten sleutel half latende
zien, voegde hij er bij:
"Wilt ge zien hoe de sleutel gemaakt is? Zie."
Jean Valjean was verstomd, zelfs in dien graad dat hij aan de
werkelijkheid van hetgeen hij zag twijfelde. 't Was de Voorzienigheid
die hem in een afgrijselijke gestalte verscheen, en een beschermengel
die in de gedaante van Thénardier uit den grond kwam.
Thénardier stak zijn hand in een grooten zak onder zijn kiel, nam er
een touw uit en reikte het Jean Valjean.
"Ziedaar, ik geef u dit touw op den koop toe."
"Wat moet ik met dit touw?"
"Ge hebt ook een steen noodig, maar dien zult gij buiten wel vinden. Er
ligt daar een hoop puin."
"Waartoe een steen?"
"Domkop, gij wilt immers den doode in de rivier werpen, en ge hebt
een steen en een touw noodig, anders drijft hij boven."
Jean Valjean nam het touw. Er is niemand, die soms niet iets
werktuiglijk aanneemt.
Thénardier knipte met de vingers alsof een plotselinge gedachte bij
hem opkwam.
"Maar, hoe hebt ge gedaan, kameraad, om ginds uit den modderpoel te
komen? ik heb er mij niet in durven wagen! Ba, ge riekt niet lekker."
Na eenig zwijgen, voegde hij er bij:
"Ik vraag u, maar gij hebt gelijk niet te antwoorden. 't Is goed
wanneer men voor den rechter van instructie staat; bovendien, als men
volstrekt niet spreekt is men niet in gevaar te luid te spreken. Om
't even, hoewel ik uw gezicht niet zie en uw naam niet ken, zoudt
ge u vergissen, zoo ge meent, dat ik niet weet wie ge zijt en wat
ge wilt. Ik weet het. Gij hebt dien heer om 't leven gebracht en nu
zoudt ge hem ergens willen wegmoffelen. Ge hebt de rivier noodig,
de groote verbergster van verkeerdheden. Ik zal u uit de verlegenheid
helpen. Een ouden jongen te helpen is mij een genoegen."
Terwijl hij Jean Valjeans stilzwijgendheid goedkeurde, poogde hij
blijkbaar hem te doen spreken. Hij stiet hem met den schouder, om
zijn gezicht van ter zijde te zien, en sprak zonder echter zijn stem
luider te verheffen:
"Van den modderpoel gesproken, ge zijt zeer dom geweest. Waarom hebt
ge er den man niet ingeworpen?"
Jean Valjean bleef zwijgen.
Thénardier hernam, terwijl hij het vod, dat hem tot halsdoek diende,
optrok, een gebaar dat hem iets van de deftigheid van een ernstig
man gaf:
"Trouwens, ge hebt misschien verstandig gehandeld. Morgen zouden de
werklieden, die het beschadigde moeten herstellen, waarschijnlijk
den doode vinden en men zou van 't een tot het ander op het spoor
komen en u uitvinden. Er is iemand in het riool geweest. Wie? Waar
is hij er uit gegaan? heeft men hem er zien uitgaan? De politie is
zeer slim. Het riool is verraderlijk en klaagt u aan. Zulk een vond
is een zeldzaamheid, het wekt de aandacht; er zijn weinig lieden die
zich voor hun zaken van het riool bedienen, terwijl de rivier aan
iedereen behoort. De rivier is het ware riool. Na verloop van een
maand wordt de man in de netten te Saint Cloud opgevischt. Nu, wat
maakt dat uit? 't is een kreng! Wie heeft dien man gedood? Parijs. En
de justitie doet zelfs geen onderzoek. Ge hebt wèl gedaan."
Hoe spraakzamer Thénardier was, des te stommer was Jean
Valjean. Thénardier stiet hem opnieuw tegen den schouder.
"Laat ons den koop sluiten. Laat ons deelen. Ge hebt mijn sleutel
gezien, laat mij uw geld zien."
Thénardier had een wild, woest, gluipend voorkomen, sprak eenigszins
dreigend, maar toch vriendelijk.
't Was zonderling, Thénardiers bewegingen waren niet natuurlijk;
hij scheen niet geheel op zijn gemak; hoewel niet op geheimzinnigen
toon, sprak hij echter zacht; nu en dan legde hij zijn vinger op zijn
lippen en fluisterde: "stil!" Het was moeielijk te raden waarom. Er
was hier niemand dan zij beiden. Jean Valjean dacht, dat misschien
andere bandieten in een naburigen hoek verborgen waren en Thénardier
liever niet met hen wilde deelen.
Thénardier hernam:
"Laat ons tot een einde komen. Hoeveel had de doode in zijn zak?"
Jean Valjean tastte in zijn zakken.
't Was, zooals men zich herinnert, zijn gewoonte altijd geld bij zich
te hebben. Zijn treurig leven, dat immer tot hulpmiddelen gedoemd was,
verplichtte hem hiertoe. Ditmaal echter was hij zonder geld. Toen hij
den vorigen avond zijn uniform van nationale garde aantrok, had hij,
in treurige gedachten verdiept, zijn portefeuille vergeten. Hij had
slechts eenig klein geld in zijn vestzak. Hij ledigde zijn zakken,
die vochtig van 't slijk waren, en legde op den vooruitspringenden
kant van den muur een louis-d'or, twee vijffrancsstukken en vijf of
zes koperen sous.
Thénardier stak de onderlip vooruit met een veelbeteekenende draaiing
van den hals.
"Ge hebt hem voor weinig geld vermoord," zeide hij.
Hij begon nu heel familiaar de zakken van Jean Valjean en die
van Marius te betasten. Jean Valjean, die voor alles den rug naar
't licht wilde gekeerd houden, liet hem begaan. Met de gezwindheid
van een goochelaar vond Thénardier, terwijl hij den rok van Marius
betastte, middel, om, zonder dat Jean Valjean het bespeurde, een lap
er af te scheuren en dien onder zijn kiel te verbergen, waarschijnlijk
met de gedachte dat deze lap hem later kon dienen om den vermoorde
en den moordenaar te herkennen. Hij vond overigens niet meer dan
dertig francs.
"'t Is waar," zeide hij, "gij hebt niets meer." En vergetend wat hij
gezegd had, van te zamen deelen, nam hij alles.
Hij scheen ten opzichte der soustukken een oogenblik te weifelen;
doch na eenige overweging, nam hij ze ook, mompelende:
"'t Zij zoo! 't is evenwel al te weinig om er een mensch voor te
vermoorden."
Hij nam opnieuw den sleutel van onder zijn kiel.
"Nu, vriend, moet ge hier uit. 't Is hier als op de kermis, men
betaalt bij het uitgaan. Gij hebt betaald, ga."
Hij lachte.
Had hij, een onbekende met dien sleutel helpende en hem uit deze deur
latende gaan, het zuiver, onbaatzuchtige oogmerk een moordenaar te
redden? Wij twijfelen hieraan.
Thénardier hielp Jean Valjean Marius op zijn schouders laden, toen
trad hij op de teenen zijner bloote voeten naar het hek, wenkte
Jean Valjean hem te volgen, zag naar buiten, legde den vinger op
zijn mond, en stond een oogenblik als besluiteloos stil; na gedaan
onderzoek, stak hij den sleutel in het slot. De schoot versprong
en het hek draaide op zijn hengsels, zeer zacht en zonder gekraak
of geknars. Het was duidelijk, dat dit hek en zijn hengsels, die
zorgvuldig geolied waren, veel vaker werden geopend dan men zou gemeend
hebben. Die zachte draaiing was onheilspellend; 't deed de heimelijke
gangen van nachtelijke bezoekers en de stille schreden der misdaad
vermoeden. Het riool was stellig de medeplichtige van een geheime
bende. Dit zwijgende hek was een dievenheler. Thénardier opende het
hek niet wijder dan noodig was om Jean Valjean door te laten, sloot
het hek weder, draaide tweemalen den sleutel om, en verdween opnieuw
in de duisternis, zonder meer gerucht dan een ademtocht te maken. Hij
scheen op de fluweelen klauwen van den tijger te gaan. Een oogenblik
later, was deze leelijke Voorzienigheid weer onzichtbaar geworden.
Jean Valjean was buiten.
NEGENDE HOOFDSTUK.
MARIUS SCHIJNT DOOD VOOR IEMAND, DIE ER VERSTAND VAN HEEFT.
Hij leide Marius aan den rivierzoom.
Zij waren buiten!
Achter hem waren de pestdampen, de duisternis, het afgrijselijke. De
gezonde, zuivere, verlevendigde, vrije lucht woei hem tegen. Aan
alle zijden rondom hem heerschte stilte, maar de bekoorlijke stilte
van de ondergegane zon aan den helderen hemel. De avondschemering was
gevallen, de nacht kwam, de groote bevrijder, de vriend van allen die
een mantel van duisternis behoeven om een foltering te ontgaan. De
hemel vertoonde zich als een oneindige kalmte. De rivier ruischte als
kussend aan zijn voeten. Men hoorde het gesprek der vogels in hunne
nestjes, die elkander in de takken der olmen van de Champs-Elysées
goedennacht toeriepen. Eenige sterren, die flauw aan 't azuur dreven,
waren alleen voor den peinzer zichtbaar. De avond spreidde over
't hoofd van Jean Valjean alle liefelijkheden van het oneindige uit.
't Was op dat onbepaalde, heerlijke uur, dat noch ja, noch neen
zegt. 't Was reeds donker genoeg om op eenigen afstand onzichtbaar
te zijn, maar ook nog licht genoeg om van nabij herkend te worden.
Jean Valjean was gedurende eenige seconden onwederstaanbaar door
deze verhevene en liefelijke stilte beheerscht. Er zijn oogenblikken,
waarin men zich zelven vergeet; de smart houdt op den ongelukkige te
kwellen; alles verdwijnt uit de gedachte; de kalmte hult den denker
als in nacht, en in de schemering rijzen er sterren in de ziel op,
evenals zij aan den hemel oprijzen. Jean Valjean staarde onwillekeurig
naar dit onmetelijk helder duister, 't welk hij boven zich had;
peinzend baadde hij zich in de majestueuse rust des eeuwigen hemels,
met geestverrukking en gebed. Toen, alsof het gevoel van plicht tot
hem terugkeerde, bukte hij haastig naar Marius, en in den palm zijner
hand water scheppende, sprenkelde hij hem zachtkens eenige droppels in
't gelaat. De oogen van Marius openden zich niet; evenwel ademde zijn
half geopende mond.
Jean Valjean wilde opnieuw zijn hand in de rivier steken, toen hij
eensklaps een soort van dwang gevoelde, alsof men iemand achter zich
heeft, dien men niet ziet.
Wij hebben reeds elders op dit gevoel gewezen, 't welk iedereen kent.
Hij keerde zich om.
Evenals vroeger stond ook nu iemand achter hem. Iemand van hooge
gestalte, in een lange jas, met de armen op de borst gekruist, en
in de hand een zwaren stok, welks looden knop men zag, stond eenige
schreden achter Jean Valjean, die over Marius was gebogen.
't Was, in de schaduw, iets als een verschijning. Een eenvoudig mensch
zou, wegens de avondschemering, en een nadenkend mensch wegens den
knuppel, ongerust zijn geweest.
Jean Valjean herkende Javert.
De lezer heeft ongetwijfeld geraden, dat Thénardiers vervolger niemand
anders dan Javert was. Javert was, na zijn onverhoopte ontkoming uit
de barricade, naar de prefectuur van politie gegaan, had den prefect
in een kort verhoor persoonlijk van alles mondeling verslag gedaan,
en toen onmiddellijk weder zijn dienst hervat, die--luidens de bij
hem gevonden nota--hem beval een waakzaam oog op den waterkant van den
rechteroever bij de Champs-Elysées te houden, die sedert eenigen tijd
de aandacht der politie had gewekt. Daar had hij Thénardier ontmoet
en was hem gevolgd. Men weet het overige.
Men begrijpt insgelijks, dat het zoo beleefdelijk voor Jean Valjean
openen van het hek, een list van Thénardier was. Thénardier had er
een gevoel van, dat Javert daar steeds zwierf; een vervolgde heeft
een instinct, dat hem niet bedriegt: den speurhond moest een been
worden toegeworpen. Een moordenaar, welk een fortuin! 't Was een buit,
die men niet mocht terughouden. Thénardier, door Jean Valjean in zijn
plaats naar buiten te zenden, gaf aan de politie een prooi, bracht haar
van zijn spoor, deed zich zelf door een gewichtiger zaak vergeten;
beloonde Javert voor zijn wachten, 't geen een spion immer streelt,
verdiende dertig francs en rekende er op, dat hij, ten gevolge dezer
afleiding, zou ontsnappen.
Jean Valjean was van de eene klip op de andere geraakt.
Deze twee opvolgende ontmoetingen, uit Thénardiers handen in die van
Javert te vallen, was ontzettend.
Javert herkende Jean Valjean niet, die, zooals wij gezegd hebben,
niet meer op zich zelven geleek. Hij liet de armen over zijn borst
gekruist, nam den stok, door een onmerkbare beweging, vaster in de
hand, en zeide kort en bedaard:
"Wie zijt gij?"
"Ik."
"Wie, gij?"
"Jean Valjean."
Javert nam den stok tusschen de tanden, boog even de knieën en den rug,
legde zijn twee forsche handen op Jean Valjeans schouders, welke er
als in twee schroeven geklemd werden, beschouwde en herkende hem. Hun
gezichten raakten elkander schier aan. Javerts blik was vreeselijk.
Jean Valjean was bewegingloos onder Javerts aanvatting, evenals een
leeuw, die zich door een lynx zou willen laten vatten.
"Inspecteur Javert," zeide hij, "gij hebt mij. Ik beschouw mij
trouwens sinds van morgen als uw gevangene. Ik heb u mijn woonplaats
niet opgegeven, met het doel om u te willen ontsnappen. Neem mij,
maar sta mij één ding toe."
Javert scheen niet te hooren. Hij keek Jean Valjean strak aan. Zijn
gerimpelde kin bracht zijn lippen naar zijn neus, een teeken van
wreede overpeinzing. Eindelijk liet hij Jean Valjean los, richtte zich
plotseling op, nam den stok weder in de vuist en, als in een droom,
prevelde hij meer dan hij sprak deze vraag:
"Wat doet ge hier? en wie is deze man?"
Hij sprak steeds op beleefden toon tot Valjean.
Jean Valjean antwoordde, en de klank zijner stem scheen Javert te
doen ontwaken:
"Ik wilde u juist over hem spreken. Handel met mij naar welgevallen;
maar help mij vooraf, hem naar zijn huis voeren. Ik vraag u niets
anders."
Javerts gezicht vertrok zich, zooals hem telkens gebeurde, wanneer men
hem tot eenige toegevendheid in staat scheen te achten. Hij weigerde
evenwel niet.
Opnieuw boog hij, nam uit zijn zak een neusdoek, dien hij in het
water doopte en wiesch daarmede het bloedig voorhoofd van Marius.