Men kon deze beide mannen slechts duidelijk van de tegenover liggende

kade zien, en wie ze op dien afstand gezien had, zou den man, die

voorging, als een verwilderd, haveloos, glurend, angstig en bibberend

wezen geschenen hebben, en den ander als een klassiek, officiëel

persoon, die den rok van het gezag tot den kin dichtgeknoopt droeg.

De lezer zou misschien beide mannen herkennen, zoo hij ze van dichter

bij zag.

Welk doel had de laatste?

Waarschijnlijk den eerste warmer te kleeden.

Wanneer iemand, door den Staat gekleed, een ander in lompen vervolgt,

is het om van dezen ook een door den Staat gekleede te maken. Het

onderscheid ligt alleen in de kleur. In 't blauw gekleed te zijn is

eervol; in 't rood is het heel onaangenaam.

Er is een purper in de laagte.

't Was waarschijnlijk een onaangenaamheid en een rood van dezen aard,

welke de eerste wilde ontsnappen. Zoo de ander hem liet voortgaan

en hem nog niet pakte was het, volgens alle waarschijnlijkheid, in

de hoop, hem aan een noodlottig punt, waar hij een goede vangst zou

opleveren, te zien komen. Een gewone handeling der politie.

Wat deze veronderstelling hoogst waarschijnlijk maakt, is dat de

man met de dichtgeknoopte jas, van den oever op de kade een ledige

huurkoets ziende voorbijrijden, den koetsier een wenk gaf; de koetsier

begreep, herkende blijkbaar met wien hij te doen had, keerde om en

volgde stapvoets op de kade beide mannen. Dit werd niet opgemerkt

door den gluipenden havelooze, die voorging.

Het huurrijtuig reed langs de boomen der Champs-Elysées. Men zag

boven de borstwering het bovenlijf van den koetsier met de zweep in

de hand uitkomen.

Een der geheime voorschriften van de politie aan de agenten beval

dit artikel: "Steeds uit voorzorg een huurrijtuig in zijn bereik

te hebben."

Terwijl deze twee mannen, ieder zijnerzijds, zich met onberispelijke

krijgskunst bewogen, naderden zij een afloop der kade die tot op

de rivier daalde, en den huurkoetsiers, welke van Passy kwamen,

veroorloofde hun paarden in de rivier te laten drinken. Deze afloop

is sinds wegens de "welstandigheid" weggeruimd. De paarden smachten

nu wel van dorst, maar 't gezicht heeft gewonnen.

't Was waarschijnlijk, dat de man in den kiel naar dezen afloop zou

gaan om te beproeven in de Champs-Elysées te ontsnappen, een plaats

die met boomen is versierd, maar daarentegen van politieagenten wemelt,

en waar de andere gemakkelijk bijstand zou kunnen verkrijgen.

Dit gedeelte der kade is niet ver van het huis, in 1824 door kolonel

Brack van Moret naar Parijs overgebracht, en dat den naam van het

huis van Frans I draagt. In de nabijheid is een wachtpost.

Tot groote verwondering van dengene, die hem gadesloeg, ging de

vervolgde niet naar den afloop van het paardenwed, maar zette zijn

weg op den oever langs de kade voort.

Zijn toestand werd blijkbaar hachelijk.

Wat zou hij doen, zoo hij zich niet in de Seine wilde storten?

Er was nu geen middel meer om op de kade te komen; er was geen

afloop of trap meer, en men was dicht bij de kromming der Seine

in de nabijheid der brug van Jena, waar de oever, steeds smaller

wordend, in een landtong eindigt en in het water verdwijnt. Daar zou

hij onvermijdelijk ingesloten zijn tusschen den loodrechten muur

aan zijn linkerhand, de rivier aan zijn rechterhand en vóór zich,

en het gezag op zijn hielen.

't Is waar, dat het eind van dien oeverkant verborgen was achter

een hoop puin van zeven of acht voet hoog, 't welk van een of ander

gesloopt gebouw afkomstig was. Maar hoopte deze man zich met eenig

gevolg achter dien hoop puin te verbergen, welken men slechts behoefde

om te gaan? Dit hulpmiddel zou kinderachtig zijn geweest. Hij dacht

er zekerlijk niet aan. De dieven zijn zoo onnoozel niet.

De hoop afbraak vormde op den waterkant een verhevenheid, die zich

als een voorgebergte tot aan den muur der kade uitstrekte.

De vervolgde man kwam aan dien kleinen heuvel en ging er omheen,

zoodat hij niet meer door den ander gezien werd.

Deze, die den ander niet meer zag, werd ook niet gezien, en hij

maakte hiervan gebruik om alle geveinsdheid te laten varen en snel te

loopen. In weinige oogenblikken was hij aan den hoop afbraak en ging

er omheen. Hier bleef hij verbaasd staan. De man, dien hij vervolgde,

was er niet meer.

De man in den kiel was geheel verdwenen.

De oeverkant was, van den hoop puin af, niet langer dan dertig schreden

en verdween dan in het water, dat tegen den kademuur klotste.

De vluchteling had niet in de Seine kunnen springen of de kade

beklimmen, zonder door hem, die hem volgde, gezien te worden. Wat

was van hem geworden?

De man met de dichtgeknoopte jas ging tot aan het einde van den

oeverkant en bleef er een oogenblik in gedachten, met krampachtig

gebalde vuisten en zoekenden blik, staan. Eensklaps sloeg hij zich

voor het hoofd. Op het punt, waar de vaste grond eindigde en het

water begon, had hij een breed, laag, gewelfd ijzeren hek ontdekt,

dat van een zwaar slot en drie dikke hengsels voorzien was. Dit hek,

een soort van deur beneden in de kade, kwam tevens aan de rivier en

aan den oeverkant uit. Er liep een zwarte beek onderdoor, die zich

in de Seine uitstortte.

Aan gene zijde van deze dikke verroeste spijlen zag men een soort

van gewelfde donkere gang.

De man kruiste de armen en aanschouwde het hek met verwijtenden blik.

Deze blik was niet voldoende, hij beproefde het open te stooten;

hij schudde het, maar het stond stevig vast. 't Was waarschijnlijk,

dat men het geopend had, hoewel geen gerucht was gehoord, 't geen

zonderling was bij zulk een verroest hek; stellig was het echter

weder gesloten. Dit duidde aan, dat degene, voor wien deze deur zich

op zijn hengsels gedraaid had, niet een haak maar een sleutel moest

gebruikt hebben.

Dit kwam duidelijk bij den man op, die het hek schudde en poogde te

openen, 't geen hem dezen uitroep van verontwaardiging ontlokte:

"'t Is sterk! een regeeringssleutel!"

Toen, plotseling zijn kalmte hernemende, drukte hij een wereld van

inwendige gedachten uit in deze schier spottend geuite woorden:

"Wel! wel! wel! wel!"

Dit gezegd hebbende, en in de hoop den man te zien terugkomen of er

anderen te zien binnengaan, plaatste hij zich in hinderlaag achter

den hoop puin, met de geduldige woede van een staanden hond.

Zijnerzijds had het huurrijtuig, 't welk zich naar al zijn bewegingen

regelde, boven hem bij de borstwering stil gehouden. De koetsier, in

de meening lang te zullen moeten wachten, bond den haverzak om den kop

zijner paarden. De weinige voorbijgangers, die van de Jena-brug kwamen,

zagen, vóór zij verder gingen, even om, ten einde een oogenblik deze

twee bijzonderheden van het beweginglooze landschap te aanschouwen:

den man op den oeverkant, het huurrijtuig op de kade.

VIERDE HOOFDSTUK.

OOK HIJ DRAAGT ZIJN KRUIS.

Jean Valjean had zijn tocht hervat, zonder verder stil te staan. Deze

tocht werd hoe langer hoe moeielijker. De hoogte van deze gewelven is

verschillend; middelbaar is zij ongeveer vijf voet zes duim en voor

de grootte van een mensch berekend; zoodat Jean Valjean verplicht

was te bukken, om Marius niet tegen het gewelf te stooten. Elk

oogenblik moest hij zich buigen en zich weder oprichten en steeds

den muur betasten. De klamheid der steenen en de glibberigheid van

den bodem maakten ze tot slechte steunpunten, zoowel voor de hand als

voor den voet. Hij struikelde dikwijls in den afschuwelijken drek der

stad. Het flauwe licht der openingen vertoonde zich slechts bij zeer

lange tusschenpoozen, en zoo bleek, dat de middagzon er maanschijn

geleek; al het overige was nevel, stank en duisternis. Jean Valjean

had honger en dorst; bovenal dorst; en 't is daar, evenals de zee,

een plaats vol water, waarvan men niet drinken kan. Zijn kracht,

die zooals men weet verbazend was, en weinig door den ouderdom

was verzwakt, ten gevolge van zijn ingetogen en matig leven, begon

echter te verflauwen. Hij werd vermoeid en de afnemende kracht deed

de zwaarte van zijn last toenemen. Marius, die misschien dood was,

woog zoo zwaar als ziellooze lichamen wegen. Jean Valjean droeg hem

zoodanig, dat de borst niet gedrukt en de ademhaling niet belemmerd

werd. Hij voelde de ratten tusschen zijn beenen loopen. Een rat was

zoo bang, dat zij hem beet. Nu en dan drong door de roosters der

rioolmondingen een frissche luchttocht tot hem door, die hem verkwikte.

Het kan drie uren des namiddags zijn geweest, toen hij aan het

ringriool kwam.

Aanvankelijk was hij over deze plotselinge verbreeding

verwonderd. Eensklaps bevond hij zich in een gang, die zoo breed was,

dat zijn uitgestrekte handen de wanden niet konden bereiken, en onder

een gewelf, dat zijn hoofd niet raakte. Het groote riool is inderdaad

acht voet breed en zeven voet hoog.

Ter plaatse, waar het riool Montmartre zich met het groote riool

vereenigt, vormen twee andere onderaardsche gangen, die der straat

Province en die van de slachtplaats, een viersprong. Tusschen deze

vier wegen zou iemand van minder schranderheid besluiteloos zijn

geweest. Jean Valjean koos den breedsten; namelijk het ringriool. Maar

hier deed zich weder de vraag voor: op- of neergaan? Hij meende, dat

de toestand dringend was en hij nu op alle gevaar af de Seine moest

bereiken. Met andere woorden: naar beneden gaan. Hij keerde dus links.

Hij deed er wel aan. Want 't zou een dwaling zijn te gelooven, dat het

ringriool twee uitgangen heeft, den eenen in de richting van Bercy,

den anderen in die van Passy, en dat het, gelijk zijn naam aanduidt,

de onderaardsche gordel van Parijs van den rechteroever is. Het groote

riool, dat niets anders is dan de oude waterleiding Menilmontant,

loopt uit, wanneer men opwaarts gaat, in een slop, namelijk bij zijn

voormalig aanvangspunt, dat zijn oorsprong aan den voet van den heuvel

Menilmontant was. Het is niet in rechtstreeksche verbinding met de

vertakking, welke van de wijk Popincourt af het water van Parijs

opneemt en zich door het riool Amelot boven het oude eiland Louviers

in de Seine stort. Deze vertakking, welke het verzamelriool voltooit,

is er onder de straat Menilmontant zelve van gescheiden door een muur,

die het afscheidingspunt der wateren op- en afwaarts vormt. Zoo Jean

Valjean de galerij opwaarts ware gegaan, zou hij na duizenden bezwaren,

uitgeput van vermoeidheid, stervende, in de duisternis aan een muur

zijn gekomen, en hij ware verloren geweest.

Desnoods zou hij langs kronkelwegen den uitgang in de Seine bij het

Arsenaal hebben kunnen bereiken; maar dan had hij heel nauwkeurig,

in al zijn vertakkingen en slingeringen, het onmetelijke madrepoor

van het riool moeten kennen. En, wij herinnere het, hij kende niets

van dien schrikkelijken weg dien hij betrad, en had men hem gevraagd,

waar hij zich bevond, hij zou geantwoord hebben: in den nacht.

Zijn instinct diende hem evenwel goed. Dalen was de eenig mogelijke

redding.

Hij liet rechts de twee gangen liggen, die zich onder de straat

Lafitte en de straat St. Georges in den vorm van een klauw vertakken,

en de lange gevorkte gang der Chaussée d'Antin.

Een weinig voorbij een zijriool, waarschijnlijk de vertakking der

Madelaine, hield hij stil. Hij was zeer vermoeid. Een tamelijk breed

luchtgat, waarschijnlijk de opening in de straat d'Anjou, wierp een

schier helder licht. Jean Valjean legde Marius, met de zorgvuldigheid

van een broeder voor zijn gekwetsten broeder, op de onderlaag van den

muur van het riool. Het bloedig gelaat van Marius verscheen onder het

witte licht der opening als op den bodem van een graf. Zijn oogen waren

dicht, zijn haar kleefde aan de slapen, als gedroogde penseelen in

roode verf; zijn handen hingen als dood neder, zijn leden waren koud

en aan de hoeken der lippen was gestold bloed. In den strik van de

das lag een bloedklomp; het hemd was aan de wonden gekleefd, het laken

van den rok schaafde de gapende wonden en het vleesch. Jean Valjean,

die met de vingers behoedzaam de kleedingstukken verwijderde, legde

zijn hand op de borst; het hart klopte nog. Jean Valjean scheurde

zijn overhemd, verbond de wonden zoo goed hij kon, en stelpte het

vloeiende bloed; toen, in dat schemerlicht over Marius gebogen, die

steeds buiten kennis en schier zonder adem was, staarde hij hem met

een onuitsprekelijken haat aan.

Bij de verschikking der kleeding van Marius, had hij in diens zakken

twee voorwerpen gevonden, het brood dat er sedert den vorigen dag in

vergeten was, en Marius' portefeuille. Hij at het brood en opende

de portefeuille. Op de eerste bladzijde vond hij deze door Marius

geschreven regels, welke men zich herinneren zal:

"Ik heet Marius Pontmercy. Mijn lijk moet bij mijn grootvader, den

heer Gillenormand, straat des Filles du Calvaire No. 6 in het Marais

gebracht worden."

Jean Valjean las bij het licht der rioolopening deze regels en was

een oogenblik als in zich zelven verdiept; hij herhaalde halfluid:

straat des Filles du Calvaire No. 6, mijnheer Gillenormand. Hij stak

de portefeuille weder in Marius' zak. Hij had gegeten en krachten

herkregen; toen nam hij Marius weder op zijn rug, liet zorgvuldig

zijn hoofd op zijn rechterschouder rusten en zette zijn weg afwaarts

in het riool voort.

Het groote riool, dat naar den weg der vallei Menilmontant zijn

richting neemt, is bijna twee uren lang. Een groot gedeelte ervan

is geplaveid. Er was niets, dat hem zeide welke streek der stad hij

doorging of welken weg hij had afgelegd. Maar de flauwer wordende

lichtschijn, welken hij van tijd tot tijd ontmoette, duidde hem

aan, dat de zon onderging en de dag spoedig eindigen zou; en dewijl

het rollen der rijtuigen boven zijn hoofd gestadig minder werd en

weldra bijna geheel ophield, leidde hij daaruit af, dat hij niet meer

onder het midden van Parijs was, maar een eenzame streek, nabij de

buitenboulevards of uiterste kaden, naderde. Waar minder huizen en

minder straten zijn, heeft het riool minder openingen. De duisternis

werd grooter om Jean Valjean. Hij zette daarom niet minder zijn weg

voort, tastende in de duisternis.

Die duisternis werd eensklaps verschrikkelijk.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ZOOWEL VOOR HET ZAND ALS VOOR DE VROUW IS ER EEN VERRADERLIJKE

FIJNHEID.

Hij voelde dat hij in het water trad, en onder zijn voeten niet langer

plaveisel, maar modder had.

Het gebeurt soms op sommige kusten van Bretagne of Schotland, dat

iemand, een reiziger of een visscher, die bij eb op het strand ver

van den oever wandelt, plotseling bespeurt, dat hij sedert eenige

minuten met moeite voortgaat. Het strand is onder zijn voeten als pek;

de zolen kleven er aan; 't is geen zand meer, maar lijm. Het strand

is volkomen droog, maar bij elken tred, dien men doet, en zoodra

men den voet opheft, vult het indruksel, dat hij gemaakt heeft,

zich met water. Overigens heeft het oog geene de minste verandering

opgemerkt, het onmetelijke strand is effen en rustig, al het zand

heeft hetzelfde aanzien, niets onderscheidt den vasten bodem van den

bodem die het niet meer is; de vroolijke, kleine zwerm zee-insecten

gaat voort met wild tegen de voeten van den wandelaar te springen. De

man zet regelrecht zijn weg voort, in de richting van het land en

tracht de kust weder te naderen. Hij is niet ongerust. Waarom zou

hij ongerust zijn? Evenwel voelt hij iets: 't is alsof bij elken

tred zijn voeten zwaarder worden. Plotseling zinkt hij, hij zinkt

twee of drie duim. Hij is zeker niet op den goeden weg en houdt

stil om rond te zien. Eensklaps ziet hij naar zijn voeten. Zij zijn

verdwenen. Het zand bedekt ze. Hij trekt zijn voeten uit het zand,

wil terug, keert om; maar zinkt dieper. Het zand reikt tot zijn enkels,

hij rukt er zich uit en wendt zich links; het zand reikt tot de kuit;

hij wendt zich rechts, het zand reikt tot de knie. Nu ziet hij met

onbeschrijfelijke ontzetting, dat hij in het mulle zand is geraakt,

en eene stof onder zich heeft, waarin de mensch evenmin kan gaan

als de visch zwemmen. Hij werpt den last, zoo hij er een draagt, af,

en verlicht zich als een schip dat in nood is; maar het is te laat,

het zand komt reeds tot boven zijn knieën.

Hij roept, wuift met zijn hoed of zakdoek, hij zinkt dieper en dieper

in het zand. Indien het strand eenzaam, het land te ver is, indien

de zandbank te zeer berucht is, zoo er geen helden in de nabijheid

zijn, is het met hem gedaan, hij is tot verzinking gedoemd. Gedoemd

tot die schrikkelijke, langdurige begrafenis, welke onvermijdelijk,

onverbiddelijk, onmogelijk te vertragen of te verhaasten is, die uren

duurt, waaraan geen einde is, die u staande, vrij, in volle gezondheid

aangrijpt, die u bij de voeten trekt, die bij elke poging, welke

gij beproeft, bij elken kreet, dien gij slaakt, u een weinig dieper

medesleept, die den schijn heeft u, door verdubbelde omklemming, voor

uw tegenstand te straffen, die den mensch langzaam in de aarde doet

terugkeeren en hem al den tijd laat den horizont, de boomen, de groene

velden, den rook der dorpen in het dal, de zeilen der schepen in zee,

de vliegende en zingende vogels, de zon, den hemel te aanschouwen. De

verzinking is het graf, dat, vloeiend geworden, van den bodem der aarde

naar een levende opstijgt. Ieder oogenblik is een onverbiddelijke

doodgraver. De rampzalige poogt zich te zetten, te gaan liggen, te

kruipen, al zijn bewegingen begraven hem; hij richt zich op, hij zinkt;

hij voelt zich verzwelgen; hij tiert, smeekt, schreeuwt tot de wolken,

wringt de handen, wanhoopt. Nu is hij tot den buik in het zand; het

zand bereikt zijn borst; hij is nog slechts een buste. Hij heft de

handen op, slaakt een woest gekerm, krabt met zijn nagels in het zand,

wil zich aan deze asch vastklemmen, steunt op de ellebogen, om zich

uit dien zachten vorm te trekken, snikt als razend; het zand stijgt

immer. Het zand bereikt de schouders, den hals; nu is nog maar het

gelaat zichtbaar. De mond schreeuwt, het zand vult hem; stilte! De

oogen zien nog, het zand sluit ze; nacht. Dan zinkt het voorhoofd,

een weinig haar beeft nog boven het zand; een hand komt uit het zand,

beweegt zich en verdwijnt. 't Is de akelige verdwijning van een mensch.

Soms verzinkt een ruiter met zijn paard; soms een voerman met zijn

kar; alles zinkt onder het zand. 't Is een vergaan, elders dan in

het water. 't Is de aarde, die den mensch verdrinkt. De aarde, van

den oceaan doordrongen, wordt een valstrik. Zij vertoont zich als

een vlakte en opent zich als een zee. 't Is de verraderlijkheid van

den afgrond.

Zulk een schrikkelijke gebeurtenis, die altijd op een of ander

zeestrand mogelijk is, was dertig jaren geleden ook in het Parijsche

riool mogelijk.

Vóór de in 1833 aangevangen belangrijke werkzaamheden, was de

onderaardsche weg van Parijs aan plotselinge instortingen onderhevig.

Het water sijpelde in sommige daaronder liggende aardlagen, die

bijzonder broos waren; de bevloering, hetzij van straatsteenen als

in de oude riolen, of van hydraulische kalk op beton, gelijk in de

nieuwe galerijen, geen steunpunt meer hebbende, zakte. Een gleuf in

een bevloering van dien aard, is een scheur; en een scheur veroorzaakt

instorting. Dan verzinkt de bevloering op een zekere lengte. De van

water doorweekte bodem is in gisting; al zijn deeltjes hangen samen

in een zwakke zelfstandigheid; 't is noch aarde noch water. De diepte

ervan is soms aanzienlijk. Niets is verschrikkelijker dan zulk een

ontmoeting. Zoo het water het overwicht heeft, is de dood plotseling,

en er heeft verzwelging plaats; zoo de aarde het overwicht heeft,

is de dood langzaam, en er heeft verzinking plaats.

Kan men zich zulk een dood voorstellen? Is de verzinking afgrijselijk

aan het zeestrand, wat moet zij in een riool zijn? In plaats van

de open lucht, het volle licht, den dag, den helderen horizon, het

levendig geruisch, de vrije wolken waaruit het leven regent, de in

de verte zichtbare hutten, de hoop in alle vormen, de vermoedelijke

voorbijgangers, en mogelijke hulp tot den laatsten oogenblik; in plaats

van dit alles doofheid, blindheid, een donker gewelf, het inwendige

van een volledig graf, de dood in het slijk onder een deksel; de

langzame stikking door vuilnis; een steenen kist waarin de stiklucht

haar klauw in de modder opent en u bij de keel vat; pestdamp met den

doodssnik gepaard; slijk in plaats van zand; zwavelzure-waterstofgas

in plaats van wind, modder in plaats van den oceaan! En het roepen,

het tandenknersen, het wringen en spartelen, het zieltogen, met deze

groote stad, die er niets van weet, boven het hoofd.

Een onuitsprekelijke afgrijselijkheid zoo te sterven. De dood vergoedt

soms zijn bitterheid door een zekere vreeselijke waardigheid. Men

kan op een brandstapel, bij een schipbreuk groot zijn; in de vlam

zoowel als in de branding is een verheven houding mogelijk; men

verheerlijkt zich terwijl men sterft. Maar hier niet. Deze dood is

afzichtelijk. 't Is vernederend aldus te sterven. De laatste zwevende

gezichten zijn walgelijk. Slijk zegt evenveel als verachting. 't Is

klein, leelijk, schandelijk. In een vat Malvesijn te sterven, gelijk

Clarence, 't zij zoo; maar in een modderpoel als d'Escoubleau, dit

is afgrijselijk. Daarin spartelend te zieltogen is afschuwelijk. Er

is duisternis genoeg voor een hel, en slijk genoeg om slechts een

modderpoel te zijn, en de stervende weet niet of hij een geest of

een pad zal worden.

Overal elders is het graf somber, hier is het afschuwelijk.

De diepte der drasgronden is verschillend, en hun lengte en dichtheid

in verhouding van den goeden of slechten bodem daar onder. Soms is

zulk een drasgrond drie of vier voet diep, soms acht of tien voet;

soms is hij onpeilbaar. Hier is het slijk schier hard, ginds bijna

vloeiend. In den drasgrond Lunière zou iemand een dag noodig hebben

gehad om te verdwijnen, terwijl hij in vijf minuten door den modderpoel

Phélippeaux verzwolgen zou zijn. Het slijk kan min of meer dragen,

naar gelang van zijn mindere of meerdere dichtheid. Een kind redt zich,

waar een man vergaat. Het eerste vereischte der redding is zich van

allerlei zwaarte te ontdoen. Men moet den zak met werktuigen, of de

mand, of den kalkbak wegwerpen; en daarmede begint ieder rioolwerker,

die den bodem onder zich voelt zinken.

De modderwellen hadden verschillende oorzaken: broosheid van den

bodem; een buiten 's menschen bereik zijnde aardstorting; de geweldige

zomerregens; de gestadige winterregens; de langdurige stofregens. Vaak

drukte de zwaarte der naburige huizen op een leem- of zandgrond; deed

de gewelven der onderaardsche gangen buigen en uitwijken, of berstte

en scheurde den bodem onder den verpletterenden druk. Wanneer onder

het gewicht der huizen een riool instortte, werd dit op de straat

soms door een berst in den vorm van de tanden eener zaag tusschen

de straatsteenen aangewezen. Het gebeurde ook dat de inwendige

verwoesting zich door geen berst van buiten verried. In dat geval

liepen de rioolwerkers gevaar, wanneer zij zonder voorzorgen het

ingestorte riool binnengingen, er in om te komen. De oude registers

maken melding van eenige rioolwerkers, welke op die wijze in de

modderwellen bedolven werden.

Zulk een lot had ook de jonge bekoorlijke Vicomte d'Escoubleau,

van wien wij gesproken hebben, een der helden van de belegering

van Lerida, welke stad men in zijden kousen en onder vioolmuziek

bestormde. D'Escoubleau, die in zekeren nacht bij zijn nicht, de

hertogin de Sourdis verrast werd, verdronk in een modderwel van het

riool Beautreillis, waarin hij de wijk had genomen om den hertog te

ontkomen. Toen men aan mevrouw de Sourdis zijn dood verhaalde, vroeg

zij om haar reukfleschje en vergat door het ruiken het schreien. Tegen

zulk een omstandigheid is geen liefde bestand; de modderpoel smoort

ze. Hero weigert het lijk van Leander te wasschen. Thisbé houdt den

neus voor Pyramus dicht, en zegt: Ba!

ZESDE HOOFDSTUK.

DE MODDERWEL.

Jean Valjean bevond zich voor een modderwel.

In den bodem onder de Champs-Elysées waren in dien tijd talrijke

modderpoelen van dien aard, welke aan de hydraulische werkzaamheden

vele bezwaren veroorzaakten en uithoofde van hun buitengewone

vloeibaarheid voor de onderaardsche bouwwerken zeer schadelijk waren.

De Ellendigen (Deel 5 van 5) · 第 10 / 25 段