tien laatste eeuwen hebben er aan gearbeid, zonder het te kunnen
voltooien, evenmin als zij Parijs hebben voltooid. Het riool ontvangt
inderdaad de terugwerking der uitbreiding van Parijs. In de aarde is
't een soort van polyp met duizend sprieten, die gelijkertijd met
de stad daarboven grooter wordt. Telkens wanneer de stad een nieuwe
straat aanlegt, steekt het riool een arm uit. De oude monarchie had
slechts drie-en-twintig duizend driehonderd ellen riool gebouwd;
zoo ver was Parijs daarmede den 1 Januari 1806. Van dit tijdstip af,
waarvan wij aanstonds zullen spreken, is het werk met kracht hervat en
voortgezet; Napoleon bouwde--de cijfers zijn merkwaardig--vier duizend
achthonderd vier ellen; Lodewijk XVIII vijf duizend zevenhonderd
negen; Karel X tien duizend achthonderd zes-en-dertig; Lodewijk
Filips negen-en-tachtig duizend twintig; de republiek van 1848
drie-en-twintig duizend driehonderd een-en-tachtig; de tegenwoordige
regeering zeventig duizend vijfhonderd; zoodat er op dit oogenblik
gezamenlijk tweehonderd zes-en-twintig duizend zes-honderd tien ellen,
(zestig mijlen) riool zijn; de ontzaggelijke ingewanden van Parijs. Een
duistere, steeds werkzame aangroei; een onbekende reusachtige bouw.
Men ziet dus, dat de onderaardsche doolhof van Parijs tegenwoordig
meer dan tienmaal grooter is dan bij den aanvang dezer eeuw. Men kan
zich moeielijk voorstellen, hoeveel volharding en moeite vereischt
werden, om dat riool tot het punt van betrekkelijke volmaaktheid te
brengen, waarop het thans is. Met veel moeite gelukte het aan het oude
monarchale prevootschap, en in de laatste tien jaren der achttiende
eeuw aan de revolutionnaire mairie, om de vijf mijlen riool te bouwen,
die vóór 1806 bestonden. Allerlei hinderpalen belemmerden dat werk;
eenige hingen van den aard van den bodem af, andere lagen in de
vooroordeelen der arbeidende bevolking van Parijs. Parijs is op een
grondlaag gebouwd, die zich ongemeen tegen de spade, het houweel en
de menschelijke hand verzet. Er is niets moeielijker te doordringen
dan deze geologische vorming, welke Parijs wordt genoemd; zoodra,
onder dezen of genen vorm, het werk zich in deze vorming waagt,
vindt het ontelbare onderaardsche hindernissen. 't Zijn vloeibaar
leem, springende bronnen, harde rotsen, zachte en diepe slijk-
en modderpoelen. Het houweel dringt moeielijk in de kalklagen,
welke vermengd zijn met zeer dunne aderen leem, en leiachtige lagen
waarin zich oesterschelpen bevinden, de bewoners der proadamitische
zeeën. Vaak ontspringt plotseling een beekje in het begonnen gewelf
en overstroomt de werklieden; of er ontstaat een mergelvloeiing die
met de kracht van een waterval nederstort en de dikste schoorbalken
als glas verbreekt. Onlangs, toen men te la Villette het hoofdriool
onder het kanaal van Saint Martin moest brengen, ontstond een scheur
in het bekken van het kanaal, het water stroomde eensklaps in de
onderaardsche werkplaats; toen moest met een duiker de scheur worden
gezocht, die zich in het groote bekken bevond, en met veel moeite
werd zij gedicht. Elders, aan de Seine, tamelijk ver van die rivier,
zooals bij voorbeeld te Belleville, Grande Rue en Passage Lunière,
ontmoet men grondelooze zandbanken, waarin men zakt en in een oogenblik
verdwijnen kan. Daarbij rekene men de verstikking in deze pestdampen,
de bedelving onder de aardstortingen, en de plotselinge instorting
van den bodem. Men voege hierbij de typhus, die langzaam de arbeiders
doordringt. Na, in onzen tijd, de linie riolen van de barrière Blanche
tot den weg van Aubervilliers in vier maanden, dag en nacht arbeidende,
tot een diepte van elf ellen te hebben gebouwd, stierf de bestuurder
Monnot. Na drie duizend ellen riool op alle punten der stad gebouwd
te hebben, stierf de ingenieur Duleau. Er zijn geen bulletins voor
dergelijke moedige daden, die echter nuttiger zijn dan het domme
bloedbad der veldslagen.
De riolen van Parijs waren in 1832 volstrekt niet wat zij thans
zijn. Bruneseau had den stoot gegeven, maar de cholera moest komen, om
tot de uitgebreide herbouwing te doen besluiten, die sinds plaats had.
Dertig jaren geleden, op het tijdstip van den opstand van 5 en 6 Juni,
bestond op vele plaatsen bijna nog het oude riool. Een zeer groot getal
straten hadden toen eenvoudige goten. Men vond toen bij den samenloop
van een straat of plein groote, vierkante roosters, met dikke ijzeren
spijlen, die, door de voetstappen der menigte gepolijst, gevaarlijk
en glibberig voor de rijtuigen waren en de paarden deden vallen. De
officiëele taal van het departement der openbare werken, gaf aan deze
roosters den veelbeteekenenden naam van Cassis (halsbrekers).
In 1832 vertoonde in een aantal straten het oude gothieke riool nog
onbeschaamd zijn muilen. 't Waren groote steenen openingen, soms met
monumentale onbeschaamdheid door straatpalen omgeven.
Behalve den staatkundigen vooruitgang, waarop wij bij den aanvang
hebben gewezen, zijn ernstige vraagstukken omtrent de openbare
gezondheidstoestand aan deze gewichtige zaak: "het riool van Parijs",
verbonden.
Men zou kunnen zeggen dat sedert tien eeuwen het riool de ziekte
van Parijs is. Het riool is de ondeugd, welke de stad in haar bloed
heeft. Het volksinstinct heeft zich daarin nooit bedrogen. Het
beroep van baggerman was vroeger even gevaarlijk en voor het volk
even walgelijk als het beroep van vilder, dat zoo lang verfoeid
en aan den beul overgelaten werd. Er werd een hoog loon vereischt
om een metselaar over te halen, in deze verpeste mijn te dringen;
de ladder van den putruimer aarzelde er in te dalen; men had tot
spreekwoord: "wie in het riool nederdaalt, zinkt in den grafkuil;" en
allerlei akelige legenden omsluierden, zooals wij gezegd hebben, met
ontzetting dezen kolossalen modderpoel, die de sporen draagt, zoowel
der omwentelingen van den aardbol als der revolutiën van de menschen,
en waar men tevens de sporen vindt van alle wereldberoeringen, van
de schulpen des zondvloeds tot het gescheurde bedlaken van Marat.
BOEK III.
SLIJK, ECHTER ZIEL.
EERSTE HOOFDSTUK.
HET RIOOL EN ZIJN VERRASSINGEN.
't Was in het riool van Parijs, dat Jean Valjean zich bevond.
Een overeenkomst te meer van Parijs met de zee is, dat de duiker in
beide kan verdwijnen.
De overgang was verbazend. In het midden zelf der stad was Jean Valjean
uit de stad verdwenen, en in een oogwenk, in den tijd waarin men een
deksel kan oplichten en nederlaten, was hij uit het helderst daglicht
in de diepste duisternis, van den middag in middernacht, uit het gewoel
in de stilte, uit het gerucht des donders in de rust des grafs, en, ten
gevolge van een nog wonderbaarder toeval dan in de straat Polonceau,
uit het grootste gevaar in de volkomenste veiligheid overgegaan.
Deze plotselinge val in een kelder; deze verdwijning in het
onbekende van Parijs; deze straat te verlaten, waar alom de dood was,
voor dit soort van graf, waar leven was,--dit was een zonderling
oogenblik. Hij was eenige seconden als bedwelmd; luisterend en
ontsteld. Het valluik der redding had zich plotseling onder hem
geopend. De hemelsche goedheid had hem, om zoo te spreken, verraderlijk
overvallen. Aanbiddelijke hinderlagen der Voorzienigheid.
Maar de gekwetste bewoog zich niet, en Jean Valjean wist niet, of
hij in dien afgrond een levende of een doode droeg.
Zijn eerste gewaarwording was verblinding. Eensklaps zag hij niets
meer. Ook scheen 't hem, als ware hij in een minuut doof geworden. Hij
hoorde niets meer. De woeste moordstorm, die eenige voeten boven
hem woedde, bereikte zijn ooren, zooals wij gezegd hebben, dank
zij de dikte van den grond, die er hem van scheidde, slechts dof en
onduidelijk, als geluid in een diepte. Hij voelde vasten grond onder
zijn voeten, anders niet, maar dat was genoeg. Hij stak de eene hand,
toen de andere uit, raakte aan beide zijden den muur aan, en bevond dat
de gang nauw was; hij gleed uit en merkte dat de vloersteenen vochtig
waren. Voorzichtig zette hij een voet vooruit, uit vrees voor een gat,
een zinkput, een kolk; hij overtuigde zich dat de weg verder liep. De
stinkende walm verried hem in welke plaats hij zich bevond.
Na eenige oogenblikken was hij niet meer blind. Een weinig licht viel
door de opening, waarin hij was afgestegen, en zijn blik had zich aan
de duisternis gewend. Hij begon iets te onderscheiden. De onderaardsche
gang, waarin hij zich beveiligd had, was achter hem dichtgemetseld. 't
Was een slop. Vóór hem was een andere muur, een donkere muur. Het
licht van de opening verdween op tien of twaalf schreden van het
punt, waar Jean Valjean zich bevond, en wierp slechts eenige ellen
ver een flauwen glans op de vochtige wanden van het riool. Verder
was de duisternis als een vaste massa; er in door te dringen scheen,
afgrijselijk en een verzwelging. Men kon echter in dezen muur van
duisternis voortgaan; dit moest geschieden, en wel spoedig. Jean
Valjean overwoog, dat de rooster, door hem onder de straatsteenen
ontdekt, ook door de soldaten kon worden ontdekt, en dat alles van dit
toeval afhing. Ook zij konden in den put afdalen en hem doorzoeken. Er
was geen minuut te verliezen. Hij had Marius op den grond gelegd,
raapte hem weder op, dit is het ware woord, nam hem weder op zijn
schouders en ging stoutmoedig in deze duisternis voorwaarts.
Zij waren echter minder gered dan Jean Valjean meende. Gevaren van
een anderen aard, en misschien niet minder groot, wachtten hen. Na
den vurigen wervelwind van het gevecht, het hol der pestdampen en
valstrikken; na den chaos, het riool. Jean Valjean was uit de eene
streek der hel in de andere gevallen.
Toen hij vijftig schreden had afgelegd, moest hij stilhouden. Er
deed zich een vraag voor. De gang liep uit in een andere gang, welke
hij dwars doorsneed. Er boden zich dus twee wegen aan. Welken te
volgen? Moest hij links of rechts gaan? Hoe den weg in dezen donkeren
doolhof te vinden? Deze doolhof heeft, zooals wij hebben opgemerkt,
een draad, namelijk zijn glooiing. Zoo men die glooiing volgt komt
men aan de rivier.
Jean Valjean begreep dit dadelijk.
Hij vermoedde, dat hij waarschijnlijk in het riool der Hallen was; dat,
zoo hij links ging en de glooiing volgde, hij binnen een kwartieruurs
aan een monding in de Seine, tusschen de Pont-au-Change en de
Pont-Neuf zou zijn, dat wil zeggen, dat hij op klaarlichten dag in het
volkrijkste gedeelte van Parijs te voorschijn zou komen. Misschien kwam
hij aan een opening op een plein. Hoe verbaasd zouden de voorbijgangers
zijn, twee met bloed bedekte mannen onder hun voeten uit de aarde
te zien komen. Stadssergeanten zouden terstond bij de hand zijn en
de naburige wachtpost zou ijlings in de wapens komen. Hij zou gevat
zijn, vóór hij er uit was. Het was beter zich verder in dien doolhof
te verdiepen, zich aan de duisternis toe te vertrouwen, en wegens de
uitkomst zich aan de Voorzienigheid over te geven.
Hij ging rechts, tegen de glooiing op.
Toen hij om den hoek der galerij was, verdween het verwijderd licht
van de opening, de gordijn der duisternis viel op hem en hij werd
weder blind. Hij ging echter voorwaarts en zoo snel hij kon. Hij
had de armen van Marius om zijn hals gelegd en zijn beenen hingen
achter hem. Met de eene hand hield hij de twee armen, met de andere
tastte hij langs den muur. De wang van Marius raakte de zijne en,
wijl ze met bloed bedekt was, kleefde zij er aan. Hij voelde een
lauwen stroom langs zich loopen en door zijn kleederen dringen; het
was het bloed van Marius. Een vochtige warmte aan zijn oor, dat den
mond van den gekwetste raakte, verried echter ademhaling en bijgevolg
leven. De gang, dien Jean Valjean nu doorging, was minder nauw dan
de eerste. Met moeite schreed Jean Valjean voort. De regen van den
vorigen dag was nog niet geheel en al weggeloopen en vormde een kleinen
waterval, midden door de bedding, en hij moest zich tegen den muur
dringen om de voeten niet in het water te zetten. Dus ging hij in de
duisternis. Hij geleek die nachtelijke wezens, die in het onzichtbare
rondtasten en verloren zijn in de onderaardsche mijnen der duisternis.
Allengs evenwel zag hij een flauw schijnsel, hetzij dat verwijderde
roosteropeningen eenig schemerlicht in deze dikke duisternis wierpen,
hetzij dat zijn oogen er aan gewoon werden, en hij begon zich flauw
rekenschap te geven nu van den muur dien hij raakte, dan van het gewelf
waaronder hij voortschreed. De oogappel verwijdt zich in de duisternis
en vindt er eindelijk licht, evenals de ziel zich in rampen verwijdt
en er eindelijk God vindt.
't Was bezwaarlijk zich te richten.
De loop der riolen geeft, om zoo te spreken, den loop der straten,
die er boven zijn, terug. In het Parijs van dien tijd waren twee
duizend tweehonderd straten. Men stelle zich daaronder dat woud van
donkere vertakkingen voor, 't welk het riool wordt genoemd. De destijds
bestaande rioolgangen zouden te zamen een lengte van elf mijlen hebben
bedragen. Hierboven hebben wij gezegd, dat het tegenwoordige net,
dank zij den bijzonderen ijver der laatste dertig jaren, niet minder
dan zestig mijlen lengte heeft.
Jean Valjean begon zich te vergissen. Hij meende onder de straat
St. Denis te zijn, en het speet hem dat het zoo niet was. Onder de
straat St. Denis is een oud steenen riool, dat van Lodewijk XIII
dagteekent, en rechtstreeks op het zoogenaamd Groot-riool uitloopt,
met een enkele kromming rechts, ter hoogte van het oude Cour des
miracles en een enkele vertakking, het riool van St. Martin, wier vier
armen elkander als een kruis doorsnijden. Maar het riool der kleine
Truanderie, welks opening bij de herberg Corinthe was, is nooit in
gemeenschap geweest met het verwulf der straat St. Denis, het liep uit
in het riool Montmartre, en daarin was Jean Valjean afgedwaald. Hier
was maar al te veel gelegenheid om te dolen. Het riool Montmartre is
een der verwardste van het oude rioolnet. Jean Valjean had het riool
der Hallen thans gelukkig achter zich, maar vóór zich had hij meer
dan ééne lastige omstandigheid, en meer dan één hoek der onderaardsche
straat bood zich in de duisternis als een vraagteeken aan.
Beducht, maar bedaard, schreed hij voort, op het toeval af, namelijk
geheel aan de Voorzienigheid overgegeven, niets ziende, niets wetende.
Wij moeten bekennen, dat hij allengs door afgrijzen werd
aangegrepen. De duisternis, die hem omhulde, drong in zijn geest. Hij
ging als in een raadsel. Deze rioolleidingen zijn inderdaad vreeselijk;
duizelingwekkend kruisen zij zich. 't Is schrikkelijk, in dat Parijs
der duisternis ingesloten te zijn. Jean Valjean was verplicht zijn
weg niet alleen te vinden, maar schier te verzinnen, zonder hem
te zien. In dit onbekende kon elke tred dien hij deed de laatste
zijn. Hoe zou hij er uitkomen? Zou hij een uitgang vinden? Zou hij
hem nog bijtijds vinden? Zou deze onderaardsche spons met steenen
holen zich laten doordringen en doorboren? Zou men er een of anderen
onverwachten knoop van duisternis ontdekken? Zou men op het onoplosbare
en onoverkomelijke stuiten? Zou Marius er aan bloedverlies sterven,
en hij van honger? Zouden beiden eindelijk er in verdwaald raken en
twee lijken worden in een hoek van dezen nacht? Hij wist het niet. Hij
vroeg zich dat alles, doch kon er geen antwoord op geven. De ingewanden
van Parijs zijn afgronden. Gelijk de profeet, bevond hij zich in den
buik van het monster.
Eensklaps trof hem een verrassing. Op het onverwachtst bespeurde hij
onder 't voortgaan, dat de weg niet meer opliep; het water vloeide
hem niet meer tegen de teenen, maar tegen de hielen. Het riool liep
afwaarts. Hoe! zou hij nu plotseling aan de Seine komen? Dit gevaar
was groot, maar het gevaar van terug te keeren nog grooter. Hij ging
dus verder.
Zijn weg liep niet naar de Seine. Van den ezelsrug, welken de bodem
van Parijs op den rechteroever vormt, loopt een der glooiingen naar de
Seine, de andere naar het groote riool. De kruin van dezen ezelsrug,
die de waterscheiding veroorzaakt, vormt een zeer grillige lijn. Het
hoogste punt, waar de waterloop verdeeld wordt, is, in het riool van
St. Avoye, voorbij de straat Michel-le-Comte, in het riool van het
Louvre bij den boulevard, en in het riool Montmartre bij de Hallen. Op
dat hoogste punt was Jean Valjean gekomen. Hij volgde de richting naar
het ringriool en was dus op den goeden weg. Maar hij wist het niet.
Telkens wanneer hij een vertakking ontmoette, betastte hij de hoeken,
en bevond hij, dat de opening die zich voordeed minder breed was dan
de gang waarin hij was, dan trad hij ze niet binnen, maar zette zijn
weg voort, terecht oordeelende dat iedere nauwere gang op een slop
moest uitloopen en hem van het doel, dat heet van den vooruitgang,
moest verwijderen. Hij vermeed alzoo den viervoudigen valstrik,
die hem in de duisternis door de vier doolwegen, welke wij hebben
opgesomd, gelegd was.
Op een zeker oogenblik merkte hij, dat hij het door den opstand
verstijfde Parijs verliet, waar de barricaden het verkeer hadden
opgeheven, en hij onder het levende en normale Parijs terugkeerde. Hij
hoorde plotseling boven zijn hoofd als een verren maar gestadigen
donder. 't Was het gerol der rijtuigen.
Hij had nu omtrent een half uur geloopen, althans naar zijn schatting,
en er nog niet aan gedacht rust te nemen; alleen had hij tusschenbeide
van hand verwisseld, waarmede hij Marius vasthield. De duisternis
was dikker dan ooit, maar dit stelde hem gerust.
Eensklaps zag hij zijn schaduw voor zich. Zij teekende zich af op
een nauwelijks zichtbaar rood schijnsel, 't welk den grond aan zijn
voeten en het gewelf boven zijn hoofd flauw verlichtte, en links en
rechts langs beide zijden van den vochtigen rioolmuur gleed. Ontsteld
keerde hij zich om.
Achter hem, in het gedeelte van de gang, 't welk hij was doorgegaan,
op een, zoo 't hem scheen, zeer verren afstand, schitterde door de
dikke duisternis een vreeselijke ster die hem scheen te aanschouwen.
't Was de sombere ster der politie, die in het riool opging. Achter
deze ster bewogen zich verward acht of tien donkere, rechte,
onduidelijke, vreeselijke gestalten.
TWEEDE HOOFDSTUK.
VERKLARING.
Op den 6 Juni was een onderzoek der riolen bevolen. Men vreesde
dat de overwonnenen ze tot wijkplaats hadden genomen, en de prefect
van politie Gisquet moest het verborgen Parijs onderzoeken, terwijl
generaal Bugeaud het openbare Parijs schoonveegde; een samengaande,
dubbele bewerking, welke de tweevoudige krijgskunst van de openbare
macht vereischte, die boven door het leger, onder door de politie
vertegenwoordigd werd. Drie pelotons agenten en baggerlieden
onderzochten den onderaardschen weg van Parijs, het eerste den
rechteroever, het tweede den linkeroever, het derde de binnenstad.
De agenten waren met karabijnen, met knuppels, degens en dolken
gewapend.
Wat in dit oogenblik naar Jean Valjean kwam, was de lantaarn der
ronde van den rechteroever.
Deze ronde had de kromme galerij en de drie sloppen onder de straat
du Cadran onderzocht. Terwijl zij haar lantaarn in deze sloppen
liet schijnen, had Jean Valjean op zijn weg den ingang der galerij
ontmoet, doch haar smaller dan het hoofdriool vindende was hij er
niet ingetreden, maar was verder gegaan. Toen de politiemannen de
galerij du Cadran verlieten, meenden zij gerucht van voetstappen
in de richting van het ringriool te hooren. 't Waren inderdaad de
voetstappen van Jean Valjean. De sergeant, aanvoerder der ronde,
had zijn lantaarn omhoog gehouden, en de escouade had door den nevel
naar den kant geschouwd, van waar het gerucht was gekomen.
't Was voor Jean Valjean een onbeschrijfelijk oogenblik.
Gelukkig, dat, ofschoon hij de lantaarn duidelijk zag, de lantaarn
hem niet ontdekte. Zij was het licht, hij was de schaduw. Hij was op
verren afstand en in de duisternis. Hij drong zich tegen den muur en
bleef daar staan. Overigens wist hij zich geen verklaring te geven
van 't geen zich achter hem bewoog. De slapeloosheid, het gemis aan
voedsel, de aandoeningen hadden ook hem in een verbijsterden toestand
gebracht. Hij zag een lichtschijnsel en om dat lichtschijnsel als
schimmen. Wat was dat? Hij begreep het niet. Toen Jean Valjean stil
hield, had het gerucht opgehouden. De mannen der ronde luisterden,
maar hoorden niets; tuurden, maar zagen niets. Zij raadpleegden.
Destijds was op dat punt van het riool Montmartre een soort van klein
plein, 't welk men sinds heeft opgeruimd, uithoofde de regen zich
daar verzamelde en een soort van meer vormde. Jean Valjean zag de
schimmen in een kring geschaard. Deze hondenkoppen naderden elkander
en fluisterden.
De uitslag der raadpleging van deze wachthonden was, dat men zich
vergist had, dat er geen gerucht was geweest, dat er niemand zich
bevond, en het noodeloos was zich in het ringriool te begeven, dat het
verloren tijd zou zijn, maar men zich moest haasten naar Saint-Merry
te gaan, dat, zoo er iets te doen en een bousingot op te sporen was,
zulks in die wijk moest zijn.
Van tijd tot tijd lappen de partijen haar oude scheldwoorden op. Ten
jare 1832 vormde het woord bousingot het midden tusschen het woord
Jacobin, dat verouderd was, en het woord demagoog, dat toen schier niet
gebruikt werd, en later zulk een voortreffelijken dienst heeft bewezen.
De sergeant gaf bevel links af naar den kant der Seine te gaan. Zoo
't hem ingevallen ware zich in twee troepen te verdeelen en in beide
richtingen te gaan, zou Jean Valjean gevat zijn geweest. 't Hing aan
een draad. 't Is waarschijnlijk, dat de voorschriften der prefectuur
van politie, met het oog op een gevecht en de ontmoeting van talrijke
opstandelingen, de ronde verboden had zich te verdeelen. De ronde trok
verder en liet Jean Valjean achter zich. Van deze geheele beweging
merkte Jean Valjean niets, dan de verduistering van de lantaarn,
die eensklaps omkeerde.
Voor zich te verwijderen loste de sergeant, ter bevrediging van 't
geweten der politie, zijn karabijn naar den kant dien men verliet,
dat is in de richting van Jean Valjean. Het schot rolde van echo tot
echo in het onderaardsch gewelf, als een rommeling van dit reusachtig
darm-ingewand. Het puin, dat op eenige schreden van Jean Valjean
klotsend in het water viel, verwittigde hem, dat de kogel het gewelf
boven zijn hoofd geraakt had.
Afgemeten en langzame voetstappen dreunden eenigen tijd door het riool,
maar stierven allengs in de verte weg; de groep der zwarte gestalten
verwijderde zich, een huiverend licht vormde in 't gewelf een rooden
kring, die allengs kleiner werd en eindelijk verdween; de diepste
stilte keerde terug en de duisternis werd volkomen; blindheid en
doofheid heerschten weder op deze plaats, en Jean Valjean, die zich
niet durfde verroeren, bleef een geruimen tijd met luisterend oor en
starenden blik, de verdwijning dezer schimmen-patrouille naoogende,
tegen den muur aangedrongen staan.
DERDE HOOFDSTUK.
DE VERVOLGDE MAN.
Aan de politie van dien tijd moet men het recht laten wedervaren,
dat zij zelfs in de moeielijkste omstandigheden, onwrikbaar haar
plicht van toezicht en waakzaamheid vervulde. Een oproer was in
haar oog geen reden om den boosdoener vrijen teugel te laten, en de
maatschappij te veronachtzamen, wijl de regeering in gevaar was. De
gewone dienst werd tegelijk met den buitengewonen dienst nauwkeurig
waargenomen en niet in 't minst verzuimd. Onder den aanvang eener
onberekenbare politieke gebeurtenis, onder den druk eener moeielijke
revolutie, spoorde een politieagent, zonder zich door den opstand en
de barricaden van zijn stuk te laten brengen, een dief op.
't Was iets dergelijks, dat den 6 Juni des namiddags, op den
Seineoever, even voorbij de brug der Invaliden, plaats had.
Aan dien rivierkant schenen twee mannen, op eenigen afstand,
elkander in 't oog te houden en de een den ander te vermijden. Hij
die vooruitging trachtte zich te verwijderen, hij die volgde trachtte
te naderen.
't Scheen een schaakpartij, die uit de verte en in stilte gespeeld
werd. Geen van tweeën scheen zich te reppen en beiden gingen
langzaam, als vreesde elk hunner door te groote haast den tred van
zijn tegenpartij te zullen versnellen.
't Was als een begeerte die een prooi vervolgt, zonder den schijn te
hebben dit opzettelijk te doen. De prooi was sluw en op zijn hoede.
De verhoudingen tusschen den vervolgden bunsing en den jagenden hond,
waren nauwkeurig in acht genomen. Hij, die poogde te ontsnappen, was
tenger van lichaam en zwak van voorkomen; hij, die poogde te vangen,
was iemand van hooge gestalte, ruw voorkomen en moest ruw in zijn
handelingen zijn.
De eerste, die zich den zwakste gevoelde, vermeed den tweede, maar
hij deed dit op verbitterde wijze; die hem had kunnen gadeslaan,
zou in zijn oogen de sombere vijandigheid der vlucht en de gansche
bedreiging, welke in de vlucht ligt, gezien hebben.
De oeverkant was eenzaam, er waren geen voorbijgangers, zelfs geen
schippers of sjouwerlieden op de hier en daar liggende vaartuigen
te zien.