Ten aanzien van Frankrijk hebben wij zijn cijfer gezegd. Dewijl nu

Parijs het vijf-en-twintigste gedeelte der geheele Fransche bevolking

bevat, en de Parijsche guano de rijkste van alle is, blijft men

beneden de waarheid, zoo men het gedeelte van het verlies voor Parijs

op vijf-en-twintig millioen francs schat van het half milliard, dat

Frankrijk jaarlijks wegwerpt. Deze vijf-en-twintig millioen zouden, tot

onderhoud en genot aangewend, den luister van Parijs verdubbelen. De

stad geeft ze uit aan riolen. Zoodat men kan zeggen, dat de grootste

verkwisting van Parijs, zijn kostbaarst feest, zijn uitspatting,

zijn praal, zijn weelde, zijn heerlijkheid, zijn--riool is.

Overigens zijn deze wonderbare verkeerdheden niet nieuw. 't Zijn geen

jeugdige dwaasheden. De ouden handelden gelijk de jongeren. "De riolen

van Rome, zegt Liebig, hebben den geheelen welstand van den Romeinschen

boer vernietigd." Toen de omstreken van Rome door het Romeinsche

riool bedorven waren, putte Rome Italië uit, en toen het Italië in

zijn riool had geworpen, stortte het er Sicilië, Sardinië en Afrika

in. Het riool van Rome heeft de wereld verzwolgen. Dat riool verzwolg

de stad en de wereld. Urbi et Orbi. Eeuwige stad, onpeilbaar riool.

Voor deze dingen, zoowel als voor andere, geeft Rome het voorbeeld.

Dat voorbeeld volgt Parijs, met al de domheid van beschaafde steden.

Ten behoeve der verrichtingen, welke wij zoo straks aangeduid hebben,

heeft Parijs een ander Parijs onder zich; een Parijs van riolen,

dat zijn straten, pleinen, viersprongen, blinde stegen, aderen en

doorstrooming heeft, dat slijk is, doch zonder menschelijken vorm.

Want men mag niets vleien, zelfs geen groot volk; daar, waar alles is,

bevindt zich naast schande ook verhevenheid; en zoo Parijs Athene,

de stad van het licht, Tyrus, de stad der macht, Sparta, de stad

der deugd, Ninivé, de stad der wonderen in zich bevat, bevat het ook

Lutetia, de stad van het slijk.

Zoo het oog de oppervlakte er van kon peilen, zou het onderaardsche

Parijs aan den blik een reusachtigen koraalsteen vertoonen. Een spons

heeft weinig meer gaten en gleuven dan de massa gronds van zes uren

omtreks, waarop de oude, groote stad rust. Zonder van de catacomben,

die een afzonderlijk mijnwerk zijn, en van het verwarde netwerk der

gaspijpen, te spreken, zonder het machtig samenstel der waterleiding

te rekenen, die de straatfonteinen van water voorziet, vormen de

riolen alleen een ontzaggelijk onderaardsch vlechtwerk, een doolhof,

die tot leiddraad zijn helling heeft. Daar huist in den vochtigen

dampkring de rat, die de eigenaardige vrucht van Parijs schijnt.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE OUDE GESCHIEDENIS DER RIOLEN.

Men verbeelde zich Parijs als een deksel opgelicht, en het

onderaardsche riolennet, uit de hoogte gezien, zal op beide oevers

eenigermate 't voorkomen hebben van een grooten tak, die aan de rivier

ingeënt is. Op den rechteroever zal het ringriool de stam van dien

tak zijn, de bijriolen zullen de takjes, en de sloppen de twijgen er

van zijn.

Deze figuur is slechts oppervlakkig en niet volkomen juist, wijl

de rechte hoek, die bij deze onderaardsche vertakkingen gewoon is,

zelden in het plantenrijk voorkomt.

Men zal zich een juister beeld van dien zonderlingen geometrischen,

plattegrond kunnen vormen, wanneer men zich verbeeldt op den donkeren

grond een grillig oostersch alphabet verward door elkander te zien, van

't welk de wanstaltige letters in schijnbare wanorde en als toevallig,

nu aan de hoeken, dan aan de einden, aaneen zijn gesmolten.

De zinkgaten en riolen in de Middeneeuwen speelden in het Romeinsche

rijk en in het oude Oosten een groote rol. De pest werd er geboren,

de despoten stierven er. De bevolkingen aanschouwden schier met

godsdienstige vrees deze bedden van verrotting, deze monsterachtige

wiegen des doods. De holen van ongedierte te Benares zijn niet minder

vreeselijk dan de leeuwenkuil van Babel. Volgens de rabbijnsche boeken

zwoer Theglath-Phalasar bij de zinkputten van Ninivé. Uit het riool

van Munster deed Jan van Leijden zijn valsche maan opgaan, evenals

zijn Oostersche evenknie, Mokanna, de gesluierde profeet van Korassan,

uit den rioolput van Kekhscheb zijn valsche zon deed komen.

De geschiedenis van den mensch spiegelt zich af in de geschiedenis

der riolen. De gemoniën spreken van Rome. Het oude riool van Parijs

was iets vreeselijks. Het was graf, en wijkplaats tevens. De misdaad,

het genie, het maatschappelijk verzet, de vrijheid van geweten, de

gedachte, de diefstal; al wat de menschelijke wetten vervolgen of

vervolgd hebben, heeft zich in dat hol verborgen; de maillotins in de

veertiende eeuw, de tire-laines in de vijftiende eeuw, de hugenoten in

de zestiende eeuw, de illuminaten van Morin in de zeventiende eeuw,

de voetschroeiers in de achttiende eeuw. Honderd jaren geleden kwam

de nachtelijke dolksteek er uit, de bedreigde dief sloop er in; het

bosch heeft zijn holen, Parijs had zijn riolen. De truanderie had

het riool tot bijverblijf van het hof der mirakelen en ging 's avonds

spottend en wreed onder het rioolgewelf Maubuée terug als in een bed.

In het oude Parijs is het riool de verzamelplaats van alle uitputting

en van alle aanslagen. De staathuishoudkunde ziet er uitwerpselen,

de wijsbegeerte een bezinksel in.

Het riool is het geweten der stad. Alles ontmoet en vergelijkt er

zich. In dit vale oord zijn duisternissen, maar geen geheimen. Alles

heeft er zijn wezenlijken vorm of ten minste zijn bepaalden vorm. De

vuilnishoop heeft het voorrecht geen leugenaar te zijn. Daar heeft de

oprechtheid de wijk genomen. Men vindt er het masker van Basilius, maar

men ziet er het bordpapier, de koordjes, het binnenste en buitenste

van, en het kenmerkt zich door eerlijk slijk. De valsche neus van

Scapin ligt er naast. Al de onreinheden der beschaving, zoodra zij

hebben uitgediend, vallen in dezen kuil der waarheid, waarin de groote

maatschappelijke renbaan uitloopt. Zij worden er in verzwolgen, maar

pralen er. Dit mengsel van alles is een belijdenis. Dààr is geen

valsche schijn, geen bepleistering mogelijk, de vuilnis trekt haar

hemd uit; de illusiën en het schijnbedrog vluchten, alles wat is,

vertoont zich hier zooals het ten laatste zijn zal. Hier verraadt een

gebroken flesch de dronkenschap, het hengsel van een mand verhaalt

de dienstbaarheid; de beeldenaar van het koperen soustuk bedekt zich

eerlijk met kopergroen; de louisd'or, die uit het speelhuis komt,

raakt den spijker waaraan de strop van den zelfmoordenaar hangt; een

ongeboren vrucht drijft er in het opgetooide balkleed, dat den vorigen

vastenavond in de opera danste; de barret van een rechter ligt bij

den half verganen rok van een meisje. Al wat zich blankette, vergaat

hier. De laatste sluier is afgerukt. Een riool is een onbeschaamde. Het

zegt alles. Deze oprechtheid der vuilnis doet ons genoegen en geeft

de ziel rust. Wanneer men zijn leven heeft doorgebracht met op aarde

het gezicht te verdragen der voorname houding, welke redenen van

staat, de eed, de politieke wijsheid, de menschelijke gerechtigheid,

de ambtelijke eerlijkheid, de gebiedende toestand, de onomkoopbare

rechters aannemen, gevoelt men zich verlicht, wanneer men in een

riool ziet welk slijk er toe behoort.

Het onderwijst tevens. Wij hebben aanstonds gezegd dat de geschiedenis

door het riool gaat. De Bartholomeus-nachten sijpelen er dropswijze

tusschen de straatsteenen door. De groote openbare moorden

en staatkundige en godsdienstige bloedbaden, stroomen door dit

onderaardsch gewelf der beschaving en stuwen er hun lijken in. Voor

het oog van den denker zijn daar al de historische moordenaars in

een afschuwelijk halflicht geknield, terwijl zij, met een punt van

hun lijkwade tot voorschoot, treurig hun werk afwisschen. Lodewijk

XI is er met Tristan. Frans I met Duprat, Karel IX met zijn moeder,

Richelieu met Lodewijk XIII, Louvois, Letellier, Hébert en Maillard

zijn er en krabben de steenen, trachtende het spoor hunner daden

te doen verdwijnen. Men hoort onder deze gewelven den bezem dier

schimmen. Men ademt er den stank der maatschappelijke beroerten. In de

hoeken ziet men roode lichtweerkaatsingen. Daar stroomt een vreeselijk

water, waarin zich bloedige handen hebben gewasschen.

De maatschappelijke opmerker moet deze duisternis binnengaan. Zij

behoort tot zijn werkplaats. De wijsbegeerte is het microscoop der

gedachte. Alles wil er voor vluchten, maar niets ontsnapt er aan. 't Is

nutteloos uitvluchten te zoeken. Welke zijde vertoont men, wanneer men

uitvluchten zoekt? De zijde der schande. De wijsbegeerte vervolgt met

haar eerlijk oog het kwaad en belet, dat het in 't niet ontwijke. In

de vernietiging der dingen welke verdwijnen, in de afneming der dingen

die zich verwijderen, ziet zij alles. Zij stelt het purper weder uit

de lompen samen, en de vrouw naar 't overschot harer kleeding: uit het

riool herbouwt zij de stad; uit het slijk doet zij de zeden weder te

voorschijn komen. Naar den scherf vormt zij zich een denkbeeld van de

amphora of de kruik. Aan het indruksel van een nagel op een perkament

herkent zij het onderscheid tusschen het jodendom van de Judengasse en

het jodendom van het ghetto. Zij hervindt in 't geen geweest is, het

goede, het kwade, het valsche, het ware, de bloedvlek van het paleis,

de inktvlek van het hol, den vetdroppel van het huis van ontucht,

de ondergane beproevingen, de gelukte verlokkingen, de uitgebraakte

zwelgerijen; de plooi der karakters wanneer zij zich verlagen, het

spoor der veilheid in zielen, wier grofheid haar daartoe geschikt

maakte, en op het buis der lastdragers van Rome het indruksel van

Messalina's elleboog.

DERDE HOOFDSTUK.

BRUNESEAU.

Het riool van Parijs was in de Middeleeuwen een legendenboek.

In de zestiende eeuw wilde Hendrik II een onderzoek beproeven, dat

mislukte. Geen honderd jaren geleden, was het riool, Mercier getuigt

het, aan zich zelf overgelaten en werd wat het kon.

Zóó was het oude Parijs aan twisten, weifelingen en blind onderzoek

overgeleverd. 't Was lang tamelijk dom. Later toonde 89 hoe de steden

verstand krijgen. Maar in den goeden ouden tijd had de hoofdstad

weinig verstand; zij kon noch zedelijk, noch stoffelijk haar zaken

doen, en evenmin de vuilnis als de misbruiken wegvegen. Alles was een

hinderpaal, alles was een vraagstuk. Het riool, bij voorbeeld, verzette

zich tegen alle navorsching. Het gelukte den menschen evenmin hun weg

daarin te vinden, als zich in de stad met elkander te verstaan; boven

het onverstaanbare, beneden het onoplosbare; bij de spraakverwarring

was de verwarring der onderaardsche gewelven; onder Babel de doolhof.

Soms gebeurde het, dat het riool van Parijs overliep, als ware deze

miskende Nijl eensklaps door toorn bevangen. Er hadden afschuwelijke

riooloverstroomingen plaats. Somwijlen was de spijsvertering van deze

maag der beschaving slecht; het riool steeg op in de keel der stad en

Parijs had den nasmaak van zijn slijk. Deze overeenkomst van het riool

met de wroeging had iets goeds. 't Waren waarschuwingen, die trouwens

zeer kwalijk genomen werden; de stad was er over gebelgd, dat haar

slijk zoo brutaal was, en wilde niet, dat de vuilnis terugkwam. Zij

moest haar beter verjagen.

De overstrooming van 1802 is een der herinneringen van de tachtigjarige

Parijzenaars. Het slijk verspreidde zich van alle kanten over het plein

der Victoires, waar het beeld van Lodewijk XIV staat; het bedekte een

gedeelte der straat van de Champs-Elysées tot een hoogte van vijf-en

dertig duim. Het had zijn hoogste punt in de straat St. Pierre,

waar het drie voet boven de straatsteenen stond, en zijn grootste

uitgestrektheid in de straat St. Sabin, waar het zich tweehonderd

acht-en-dertig el ver verspreidde.

In het begin dezer eeuw was het riool van Parijs nog een geheimzinnig

oord. Het slijk kan nooit een goeden naam hebben; maar hier had zijn

kwade naam iets schrikbarends. Parijs wist min of meer dat het een

vreeselijken kelder onder zich had. Men sprak ervan, als van dien

ontzaggelijken modderpoel te Thebe, waar duizendbeenen van vijftien

voet lang wemelden, en die tot badplaats van Behemoth had kunnen

dienen. De groote laarzen der baggerlieden waagden zich nooit verder

dan tot zekere bekende punten. Men was nog niet ver van den tijd toen

de vuilniskarren eenvoudig in het riool uitgestort werden. De ruiming

ervan werd aan de plasregens overgelaten, die echter meer verstopten

dan wegveegden. Rome liet zijn riool nog iets dichterlijks behouden

en noemde het Gemonie; Parijs smaadde het zijne en noemde het 't

"stinkgat." De wetenschap en het bijgeloof waren het eens ten aanzien

van het afschuwelijke. Voor het stinkgat had de gezondheid niet minder

afkeer dan de legende. Fagon had de vreeselijk kwaadaardige koorts van

1685 aan de groote monding van het riool in het Marais toegeschreven,

die tot 1833 in de straat Saint Louis, bleef gapen. De mond van het

riool in de straat de la Mortellerie was berucht wegens de pestziekten

die er uit opstegen, als een drakenmuil die de hel op de menschen

blies. De volksverbeelding verbond aan den donkeren zinkput van

Parijs iets bovennatuurlijks, dat afgrijselijk was. Het riool was

grondeloos. Het was het barathrum. De gedachte om deze melaatsche

oorden te onderzoeken kwam zelfs niet bij de politie op. Wie had

het gewaagd dit onbekende te betreden, die duisternis te peilen, ter

onderzoeking in dien afgrond te dalen? 't Was verschrikkelijk. Evenwel

bood zich hiertoe iemand aan. Het riool had zijn Christoforus Columbus.

Op een dag in 1805, bij een dier zeldzame verschijningen van den

keizer te Parijs, kwam de minister van Binnenlandsche Zaken op het

petit lever van den meester. Men hoorde op het Carrouselplein de

slepende sabels van al die ongemeene soldaten der groote republiek

en van het groote keizerrijk; er was gedrang van helden voor de deur

van Napoleon; mannen van den Rijn, van de Schelde, van de Etsch, en

van den Nijl, krijgsmakkers van Joubert, Desaix, Marceaux, Hoche,

Kléber; aerostaten van Fleurus, grenadiers van Metz, pontonniers

van Genua, huzaren welke de piramiden gezien hadden, artilleristen

welke de kanonskogel van Junot met aarde getroffen had; kurassiers

die stormenderhand de in de Zuiderzee ter anker liggende vloot

genomen hadden; de eenen waren Napoleon op de brug van Lodi gevolgd,

de anderen hadden Murat in de loopgraaf van Mantua begeleid, weder

anderen waren Lannes in den hollen weg van Montebello gevolgd. Het

geheele leger van dien tijd was dáár, op 't voorplein der Tuilerieën,

vertegenwoordigd door een escouade of peloton, en Napoleon in zijn

rust bewakende. 't Was het schitterend tijdstip, toen het groote

leger Marengo achter zich en Austerlitz voor zich had.--"Sire,"

zei de minister van binnenlandsche zaken tot Napoleon, "ik heb

gisteren den onversaagdsten man van uw rijk gezien."--"Wie is die

man?" vroeg de keizer, "en wat heeft hij gedaan?"--"Hij wil iets doen,

sire."--"Wat?"--"De riolen van Parijs onderzoeken."

Deze man leefde en heette Bruneseau.

VIERDE HOOFDSTUK.

ONBEKENDE BIJZONDERHEDEN.

Het onderzoek had plaats. 't Was een ontzettende veldtocht; een

nachtelijke veldslag tegen pest en verstikking. 't Was tevens een

ontdekkingsreis. Een der overlevenden van dezen ontdekkingstocht,

een zeer schrander, toen nog jong werkman, verhaalde eenige jaren

geleden de merkwaardige bijzonderheden, welke Bruneseau meende

in zijn rapport aan den prefect van Politie te moeten verzwijgen,

als niet gepast voor den administratiestijl. Men was destijds nog

niet ver in de zuiveringsmethode. Nauwelijks was Bruneseau voorbij

de eerste vertakkingen van het onderaardsche netwerk, toen acht

van de twintig arbeiders weigerden verder te gaan. 't Was een zeer

moeielijke bewerking; het onderzoek eischte schoonmaking; en met de

schoonmaking moest men tevens meten, de watermondingen opteekenen,

de roosters en openingen tellen, de vertakkingen aangeven, benevens

de strooming, ter plaatse waar zij zich verdeelden; van ieder der

bekkens den omvang onderzoeken, de kleine riolen, die op het groote

riool uitliepen, peilen, de hoogte van ieder gewelf in de breedte,

zoowel aan het begin der gewelven als van den bodem meten, en zijn

helling bepalen in verhouding met de oppervlakte van de straat. Met

moeite vorderde men. Niet zelden stonden de ladders, waarmede men

afdaalde, drie voeten in de modder. Het licht der lantaarn brandde

nauwelijks in deze pestdampen. Nu en dan droeg men een bezwijmden

baggerman weg. Op sommige plaatsen waren kolken. De bodem was gezakt,

het plaveisel was ingestort en het riool was in een diepen grondeloozen

put veranderd; eensklaps verzonk er een man in, die met veel moeite

weder werd opgehaald. Op raad van Fourcroy ontstak men op zekere

afstanden, op plaatsen die genoegzaam schoon gemaakt waren, groote

kooien met werk, dat in teer gedoopt was. Op sommige plekken was de

muur bedekt met afschuwelijke zwammen, die zweren en puisten geleken;

zelfs de steen scheen in dezen verpesten dampkring ziek.

Bruneseau ging in zijn onderzoek met den stroom voort. Aan het

scheidingspunt der twee waterleidingen van den Grand-Hurleur, vond

hij op een vooruitstekenden steen het jaartal 1550; deze steen

wees de grens aan, tot welken Philibert Delorme was gekomen, die

van Hendrik II den last had ontvangen om den onderaardschen weg

van Parijs te onderzoeken. Deze steen was voor het riool het merk

der zestiende eeuw. Bruneseau vond het merk der zeventiende eeuw in

het riool van Ponceau en in dat der straat Vieille-du-Temple, welke

tusschen 1600 en 1650 verwelfd waren; en dat van de achttiende eeuw

in het westelijk gedeelte van het hoofdkanaal, dat in 1740 gemetseld

werd. Deze twee gewelven, vooral het jongste, dat van 1740, waren

meer gescheurd en vervallen dan het metselwerk van het ringriool,

dat van 1412 dagteekent, het tijdstip toen de versch-waterleiding

van Menilmontant verheven werd tot de waardigheid van groot riool

van Parijs, een bevordering gelijk staande met die van een boer tot

eersten kamerdienaar des konings.

Men meende hier en daar, voornamelijk onder het Paleis van Justitie,

de holen van oude cachotten te herkennen, welke in het riool

zelf gemetseld waren. Afschuwelijke in pace. In een dezer cellen

hing een ijzeren halsband. Zij werden alle dicht gemetseld. Men

vond zonderlinge voorwerpen; onder andere het geraamte van een

ourang-outang, die in 1800 uit den Plantentuin verdwenen was, welke

verdwijning waarschijnlijk in verband stond met de beruchte en zekere

verschijning des duivels in het laatste jaar der achttiende eeuw,

in de Bernardijnsstraat. De arme duivel was eindelijk in het riool

verdronken.

In het gewelf dat bij den boog Marion uitloopt, trok de volkomen goed

bewaard gebleven draagkorf van een voddenraper de bewondering der

deskundigen. Overal was in de modder, welke de baggerlieden eindelijk

onvervaard behandelden, een overvloed van kostbare voorwerpen, gouden

en zilveren kleinooden, edelsteenen, muntstukken. Een reus, die dit

riool gezift had, zou in zijn zeef den rijkdom der eeuwen hebben

gehad. Op het scheidingspunt der twee vertakkingen van de straat

du Temple en die van St. Avoye, vond men een zonderlinge koperen

medaille der Hugenoten, op welke aan de eene zijde een varken met een

kardinaalshoed, en aan de andere zijde een wolf met de driekroon op

den kop stond.

De verwonderlijkste ontmoeting was aan den ingang van het groote

riool. Deze ingang was eertijds door een rasterwerk gesloten geweest,

waarvan de hengsels nog aanwezig waren. Aan een dier hengsels hing

een smerig vod, dat zeker, in 't voorbijdrijven daar tegengehouden,

in de duisternis fladderde en verder scheurde. Bruneseau onderzocht

met zijn lantaarn het vod opmerkzaam. 't Was zeer fijn batist en in

een punt, die minder vergaan was dan het overige, onderscheidde men

een geborduurde kroon, boven deze zeven letters LAVBESP. 't Was een

markiezenkroon en de zeven letters beteekenden: Laubespine. Men

herkende in 't geen men onder de oogen had een stuk van Marats

lijkwade. Marat was in zijn jeugd verliefd geweest, toen hij in

hoedanigheid van paardenarts tot het huis van den graaf van Artois

behoorde. Van zijn, door de geschiedenis bevestigden, liefdehandel

met een aanzienlijke dame was hem dit beddelaken gebleven. Een

toegeëigend goed of gedachtenis. Wijl dit lijnwaad na zijn dood

het eenige eenigszins fijne was, 't welk hij bezat, had men hem

er in gehuld. Oude vrouwen hadden hem voor het graf in dat doek

gewikkeld, waarop de tragische vriend des volks den wellust had

gesmaakt. Bruneseau ging verder; men liet het vod waar het was;

men vernietigde het niet. Was het uit verachting of eerbied? Marat

verdiende beide.

Het geheele onderzoek van den onderaardschen weg der vuilnis van

Parijs duurde zeven jaren, van 1805 tot 1812.

Aldus maakte, bij den aanvang dezer eeuw, de oude maatschappij haar

bodem schoon en ruimde haar riool op.

VIJFDE HOOFDSTUK.

TEGENWOORDIGE VOORUITGANG.

Tegenwoordig is het riool zindelijk, kil, recht, nauwkeurig.

Het verwezenlijkt schier het ideaal van 't geen men in Engeland onder

het woord "respectable" verstaat. Het is betamelijk en grijsachtig;

naar de lijn getrokken; men zou schier kunnen zeggen netjes. Het

gelijkt naar een leverancier die staatsraad is geworden. 't Is er

bijna licht. Het slijk gedraagt er zich fatsoenlijk. Bij den eersten

aanblik zou men het voor een dier onderaardsche gangen houden,

welke eertijds zoo gemeen en zoo nuttig waren voor de vlucht van

monarchen en vorsten, in dien goeden ouden tijd, "toen het volk zijn

koningen beminde." Het tegenwoordig riool is een fraai riool; de

klassieke alexandrijnsche rechte lijn, die uit de poëzie verjaagd,

in de bouwkunst de wijk schijnt te hebben genomen, is met al de

steenen van dat lang, donker en witachtig gewelf als vereenzelvigd;

iedere monding is een boog. Zoo overigens de geometrische lijn ergens

op haar plaats is, is 't zekerlijk in de vuilniskanalen eener groote

stad. Daar moet alles den kortsten weg volgen. Tegenwoordig heeft het

riool een zeker officieel voorkomen verkregen. Zelfs de rapporten

der politie, waarvan het nu en dan het onderwerp is, spreken er

met achting van. De woorden, die er in de administratieve taal voor

gebezigd worden, zijn verheven en fatsoenlijk. Wat men riool noemde

heet galerij, wat gat werd genoemd heet opening. Dit net van holen

heeft echter nog altijd zijn onheugelijke bevolking van knaagdieren,

die er talrijker zijn dan ooit. Nu en dan waagt een rat, een oude

snorbaard, zijn kop voor het venster van het riool en beschouwt

de Parijzenaars; maar zelfs dit ongedierte wordt tam, want het is

tevreden met zijn onderaardsch paleis. Het riool heeft niets meer van

zijn vorige afschuwelijkheid. De regen, die het vroegere riool vuil

maakte, wascht het tegenwoordige. Men vertrouwe het echter niet te

veel. Het wordt nog steeds door pestdampen bewoond. Het is eer een

huichelaar dan een vrome. Wat de politie en de gezondheidscommissie

ook gedaan hebben, en ten spijt van alle zuiveringsmiddelen, wasemt

het nog een verdachten reuk. Tartuffe na de biecht.

Wij moeten evenwel betuigen dat, wijl de ruiming in allen geval een

hulde is, door het riool aan de beschaving gebracht, en in dit opzicht

het geweten van Tartuffe een vooruitgang op den stal van Augias is,

het riool van Parijs zich onbetwistbaar verbeterd heeft.

't Is meer dan vooruitgang, 't is een herschepping. Tusschen het

vorige en het tegenwoordige riool ligt een revolutie. Wie heeft deze

revolutie bewerkt?

De man, dien iedereen vergeet en dien wij genoemd hebben Brunesau.

ZESDE HOOFDSTUK.

TOEKOMSTIGE VOORUITGANG.

De Ellendigen (Deel 5 van 5) · 第 8 / 25 段