Toen herleefde bij eenigen de treurige liefde voor het

leven. Verscheidenen, die dit woud geweren op zich aangelegd zagen,

wilden niet meer sneven. 't Was een oogenblik, waarin het instinct van

behoud de overhand heeft en het dier in den mensch weer te voorschijn

treedt. Zij stonden tegen het zes verdiepingen hooge huis achter

de barricade. Dit huis kon hun heil zijn; maar het was versperd en

als van boven tot onder een muur. Voor dat de linietroepen in de

barricade waren, had een deur den tijd gehad zich te openen en te

sluiten, een oogenblik was daartoe voldoende; en de deur van dit

huis, schielijk geopend en dadelijk weder gesloten, was voor deze

wanhopigen het leven. Achter dat huis waren straten, ruimte, en de

vlucht was bijgevolg mogelijk. Zij sloegen met de geweerkolven en

met hun voeten tegen die deur, riepen, schreeuwden, smeekten met

saamgevouwen handen. Niemand opende. Uit het venster der derde

verdieping zag het doode hoofd op hen neder.

Maar Enjolras en Marius, en zeven of acht anderen, die zich bij hen

geschaard hadden, verdedigden zich nog. Enjolras had tot de soldaten

geroepen: "Nadert niet!" en een officier, hieraan niet gehoorzamende,

werd door Enjolras gedood. Thans was hij op de kleine binnenplaats

der barricade, tegen het huis Corinthe, in de eene hand den degen,

in de andere de karabijn, de deur der herberg open houdende, welke

hij voor de aanvallers versperde. Hij riep tot de wanhopigen: "Er

is slechts één open deur. Deze." Hen met zijn lichaam bedekkende

en het hoofd aan een geheel bataljon biedende, liet hij hen achter

zich binnengaan. Allen stortten het huis binnen. Enjolras bediende

zich nu van zijn geweer als de batonnist van zijn stok, sloeg de

geweren om en voor zich neder, en trad het laatst het huis binnen; er

ontstond een vreeselijk oogenblik, de soldaten wilden binnendringen,

de opstandelingen de deur sluiten. Zij werd dan ook zoo geweldig

dicht geworpen, dat zij de vijf vingers van een soldaat, die zich

aan den deurpost vastklampte, afsloeg.

Marius was buiten gebleven. Een geweerschot had zijn sleutelbeen

verbrijzeld; hij gevoelde, dat hij bezwijmde en neerzonk. De oogen

reeds gesloten, had hij de gewaarwording alsof een forsche hand

hem greep, en de bezwijming, waarin hij zijn bewustzijn verloor,

liet hem nauwelijks den tijd, tot deze gedachte, waarin zich een

laatste herinnering aan Cosette mengde: "Ik ben gevangengenomen en

zal gefusilleerd worden."

Enjolras, die Marius niet onder de gevluchten in de herberg zag,

had dezelfde gedachte. Maar allen waren thans in dit oogenblik,

wanneer ieder slechts den tijd heeft aan zijn eigen dood te

denken. Enjolras bevestigde den boom op de deur, grendelde ze en

sloot ze op het nachtslot, terwijl zij van buiten geweldig, door de

soldaten met geweerkolven en door de sappeurs met bijlen, gebeukt

werd. De bestormers stonden voor de deur gegroepeerd. Nu begon de

belegering der herberg.

De soldaten, 't moet gezegd worden, waren vol toorn.

De dood van den sergeant der artillerie had hen verbitterd, en, wat nog

noodlottiger was, eenige uren voor den aanval werd onder hen gezegd,

dat de opstandelingen de gevangenen verminkten, en in de herberg het

lijk van een soldaat zonder hoofd lag. Zulke noodlottige geruchten

gaan gewoonlijk aan burger-oorlogen gepaard, en 't was een dergelijk

valsch gerucht, 't welk later den ongelukkigen afloop in de straat

Transnonain ten gevolge had.

Toen de deur versperd was, zeide Enjolras tot de anderen:

"Laten wij ons leven duur verkoopen."

Daarop naderde hij de tafel, waarop Mabeuf en Gavroche lagen. Onder

het zwarte kleed zag men twee rechte en stijve gestalten, de eene

groot, de andere klein, en beider gezichten teekenden zich flauw af

onder de kille plooien der lijkwade. Een hand kwam er onder uit en

hing naar beneden. 't Was die van den grijsaard.

Enjolras boog en kuste deze eerwaardige hand, gelijk hij den vorigen

avond het voorhoofd had gekust.

't Waren de twee eenige kussen, welke hij in zijn leven gegeven had.

Laat ons kort zijn. De barricade had als een poort van Thebe weerstand

geboden; de herberg streed als een huis van Sarragossa. Zulke

verdedigingen zijn wreed. Geen genade. Geen onderhandeling is

mogelijk. Men wil sterven, mits men doodt. Toen Suchet zeide:

"Capituleert," antwoordde Palafox: "Na den oorlog met het kanon,

den oorlog met het mes." Niets ontbrak aan de stormende inneming

der herberg Hucheloup; noch de straatsteenen, die uit de vensters

en van het dak op de belegeraars regenden, en door hun vreeselijke

uitwerking de soldaten woedend maakten, noch de geweerschoten uit

de kelders en dakvensters, noch de woede van den aanval, noch

de razende verdediging, noch, toen eindelijk de deur zwichtte,

de dwepende waanzin der verdelging. De aanvallers, die de herberg

binnendrongen, na de belemmeringen van de gebroken deur en ander

puin aan den ingang overwonnen te hebben, vonden er geen enkelen

strijder. De wenteltrap, die met bijlen was stukken gehouwen, lag

in het midden van het benedenvertrek, eenige gekwetsten lagen te

zieltogen, allen die niet gesneuveld waren, bevonden zich op de

eerste verdieping, en door de opening van de zoldering, die tot

ingang van de trap had gediend, brandde een vreeselijk geweervuur

los. 't Waren de laatste patronen. Toen deze verschoten waren, toen

deze vreeselijke zieltogenden noch kruid noch lood meer hadden, nam

ieder twee flesschen in de hand, welke Enjolras had achtergehouden

en waarvan wij gesproken hebben, en met deze vreeselijk broze knotsen

boden zij den beklimmers het hoofd.

't Waren flesschen met sterk water. Wij verhalen deze treurige

bijzonderheden van het bloedbad, zooals zij waren. De belegerde,

helaas! gebruikt alles tot wapen. Het grieksche vuur heeft Archimedes

niet onteerd, evenmin als het kokende pek Bayard. De geheele oorlog

is een verschrikking; de keuze is onverschillig. Het geweervuur

der belegeraars, hoewel belemmerd en van beneden naar boven, was

moorddadig. De kant van de zolderopening werd spoedig met doode

hoofden bedekt, waaruit roode, dampende stralen vloeiden. Het gerucht

was onbeschrijfelijk; een ingesloten en brandende rook hulde dit

gevecht schier in nachtelijke duisternis. Woorden ontbreken, om het

afgrijselijke, tot dien graad gekomen, te schetsen. Het waren geen

menschen meer in dit nu helsch geworden gevecht. 't Waren geen reuzen

meer tegen kolossen. Het geleek meer naar Milton en Dante, dan naar

Homerus. Duivels vielen aan, spoken verdedigden zich.

't Was de heldenmoed tot monster geworden.

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ORESTES NUCHTER EN PYLADES DRONKEN.

Eindelijk elkander tot ladder gebruikende, zich van 't overschot

der trap bedienende, langs de muren opklauterend, zich aan

de zoldering klemmend en op den rand van het trapluik zelfs de

laatsten die zich verdedigden neersabelend, vielen ongeveer twintig

belegeraars, soldaten, nationale, municipale garden dooreen,

de meesten in 't gezicht gewond bij deze vreeselijke opstijging,

verblind door het bloed, woedend, als halve wilden in de kamer

der eerste verdieping. Slechts een man stond er nog overeind. 't

Was Enjolras. Zonder patronen, zonder degen, was hij nog slechts

gewapend met den loop zijner karabijn, wier kolf hij op de hoofden

der binnenstormenden had stukgeslagen. Het biljart stond tusschen hem

en de aanvallers; hij had het naar den hoek der kamer geschoven, en

daar, met fieren blik, met opgericht hoofd, met het gebroken wapen

in de hand, was hij nog schrikbarend genoeg om ruimte om zich te

maken. Een kreet ging op:

"Hij is de aanvoerder! Hij heeft den artillerist gedood. Wijl hij zich

daar geplaatst heeft, is hij er goed en moet hij er blijven. Schieten

wij hem hier dood."

"Ja, schiet mij dood," zei Enjolras.

Toen de stomp zijner karabijn wegwerpende en de armen over elkander

geslagen, bood hij zijn borst aan.

De stoutmoedigheid voor den dood treft immer de menschen. Zoodra

Enjolras de armen over elkander had geslagen en het einde inriep,

hield eensklaps het gerucht van den strijd in de zaal op, en

plotseling ging deze chaos in een soort van plechtige grafstilte

over. De dreigende majesteit van den ontwapenden en bewegingloozen

Enjolras scheen het tumult te bezweren, en enkel door het gezag van

zijn rustigen blik scheen deze jongeling, de eenige, die niet gewond

was, trotsch, bebloed, bekoorlijk, onverschillig als een onkwetsbare,

dezen heilloozen troep te dwingen, hem met eerbied te dooden. Op

dit oogenblik was zijn schoonheid, door zijn fierheid verhoogd,

schitterend, en alsof hij evenmin vermoeid als gekwetst kon zijn, was

hij, na de vreeselijke vier-en-twintig uren, die verstreken waren,

blozend en frisch. 't Was misschien van hem, dat later een getuige

voor den krijgsraad zeide: "Er was een opstandeling, dien ik Apollo

hoorde noemen."

Een nationale garde, die op Enjolras aanlegde, zeide, het geweer

latende zinken: "'t Is mij, alsof ik een bloem zou afschieten."

Twaalf man vormden een peloton in den hoek tegenover Enjolras, en

maakten zwijgend hun geweren gereed.

Toen riep een sergeant: "Legt aan!"

Een officier trad tusschenbeiden.

"Wacht!"

En zich tot Enjolras wendende:

"Wilt ge, dat men u blinddoeke?"

"Neen."

"Is 't waar, dat gij den sergeant der artillerie gedood hebt?"

"Ja."

Sedert eenige oogenblikken was Grantaire ontwaakt.

Grantaire, zooals men zich herinnert, sliep sedert den vorigen avond

in de bovenkamer der herberg, op een stoel zittende en op de tafel

geleund.

Hij was in de volle beteekenis, wat men "smoordronken" noemt. Het

afschuwelijke mengsel van absinth, stout en alcohol had hem in een

soort van verdooving gebracht. Wijl zijn tafel te klein was om voor de

barricade te kunnen dienen, had men ze hem gelaten. Hij was nog altijd

in dezelfde houding, met de borst op de tafel gebogen, het hoofd op de

armen, omgeven van glazen, kruiken en flesschen. Hij was in den diepen

slaap van den verdoofden beer en van den verzadigden bloedzuiger. Niets

had hem kunnen wekken, noch het geweervuur, noch de kanonskogels,

noch het schroot, dat door het venster zijner kamer vloog, noch het

ontzettend gerucht van den aanval. Hij beantwoordde slechts nu en dan

het kanon met gesnork. Hij scheen hier een kogel af te wachten, die

hem de moeite van te ontwaken zou besparen. Verscheidene lijken lagen

rondom hem; en op 't eerste gezicht kon men hem van deze diepe slapers

des doods niet onderscheiden. Het gerucht wekt een dronkaard niet;

de stilte wekt hem. Deze zonderlingheid is meermalen opgemerkt. De

val van alles rondom hem, vermeerderde Grantaires bewusteloosheid; het

gewoel wiegde hem.--De soort van stilte, welke het gedrag van Enjolras

veroorzaakte, was een schok in dien diepen slaap. 't Was de uitwerking

van een galoppeerend rijtuig, dat plotseling stilhoudt. De daarin

slapenden ontwaken. Grantaire richtte zich eensklaps op, breidde de

armen uit, wreef zich de oogen, zag in de rondte, geeuwde, en begreep.

De dronkenschap, die eindigt, gelijkt een gordijn, dat weggetrokken

wordt. In zijn geheel en met een enkelen blik ziet men alles wat de

dronkenschap verborgen hield. Plotseling herinnert men zich alles; en

de dronkaard, die niet weet wat sedert vier-en-twintig uren gebeurd

is, behoeft slechts de oogen te openen om geheel op de hoogte te

zijn. Het verstand komt met een plotselinge helderheid terug; de

nevel der dronkenschap, een soort van damp die de hersens benevelde,

verdwijnt, en maakt plaats voor de juiste opvatting der werkelijkheid.

In een afgezonderden hoek en als beveiligd achter 't biljart, hadden de

soldaten, die hun blik op Enjolras vestigden, Grantaire niet opgemerkt,

en de sergeant was gereed om zijn commando "legt aan" te herhalen,

toen zij eensklaps in hun nabijheid een forsche stem hoorden roepen:

"Leve de republiek! Ik behoor er toe."

Grantaire was opgestaan.

De ontzettende gloed van het gevecht, dat hij verzuimd had, en waarbij

hij niet geweest was, verscheen in den schitterenden blik van den

herstelden dronkaard.

Hij herhaalde: "Leve de republiek!" ging met vasten tred door de zaal

en plaatste zich vóór de geweren, bij Enjolras.

"Doodt er twee met één schot!" zeide hij.

Zich daarop met zachtheid tot Enjolras wendend, vroeg hij:

"Veroorlooft gij 't mij?"

Glimlachend drukte Enjolras hem de hand.

De glimlach was nog niet verdwenen, toen de geweren losbrandden.

Enjolras, wien acht kogels getroffen hadden, bleef tegen den muur

staan alsof de kogels er hem aan genageld hadden. Slechts liet hij

het hoofd zinken.

Verpletterd zonk Grantaire aan zijn voeten.

Eenige oogenblikken later verdreven de soldaten de laatste

opstandelingen, die naar boven in het huis gevlucht waren. Zij schoten

door een houten hek op den zolder. Men vocht tusschen de hanebalken. De

lichamen werden uit de vensters geworpen, sommige levend. Twee

voltigeurs, die den verbrijzelden omnibus wilden terecht zetten,

werden door twee geweerschoten uit de zoldervensters gedood. Een man

in een kiel werd er uitgeworpen; hij had een bajonnetsteek in den

buik en kermde nog, toen hij op den grond lag.

Een soldaat en een opstandeling rolden samen over de pannen van

het dak, en elkander niet willende loslaten, vielen zij te zamen

in deze wreede omhelzing. Evenzoo streed men in den kelder. Kreten,

geweerschoten, woest getrappel; waarop stilte volgde.

De barricade was ingenomen.

De soldaten begonnen toen de naburige huizen te onderzoeken en de

vluchtelingen te vervolgen.

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

GEVANGENE.

Marius was inderdaad een gevangene, de gevangene van Jean Valjean.

De hand, die hem van achter had omvat, op het oogenblik dat hij viel,

en welke omvatting hij, toen hij bewusteloos werd, nog gevoeld had,

was die van Jean Valjean.

Jean Valjean had geen ander deel aan het gevecht genomen dan er

zich aan bloot te stellen. Buiten hem, zou niemand op dit uiterste

oogenblik der zieltoging aan de gekwetsten hebben gedacht. 't Was door

hem, die als een voorzienigheid overal in het bloedbad tegenwoordig

was, dat zij, die vielen, opgenomen, naar de benedenkamer gedragen

en verbonden werden. In de tusschenpoozen verscheen hij weder

in de barricade. Maar niets dat een schot, een aanval of zelfs

persoonlijke verdediging geleek, kwam van zijn handen. Hij zweeg en

leende bijstand. Overigens had hij nauwelijks eenige krabben. De kogels

hadden hem niet willen hebben. Zoo hij aan zelfmoord had gedacht, toen

hij dit graf binnenging, was hij in dit opzicht niet geslaagd. Maar

wij betwijfelen het, dat hij aan zelfmoord had gedacht, wijl dit een

ongodsdienstige handeling ware.

Jean Valjean hield zich in den dichten nevel van het gevecht, alsof hij

Marius niet zag; maar werkelijk verloor hij hem niet uit het oog. Toen

een geweerschot Marius deed vallen, sprong Jean Valjean met de vlugheid

eens tijgers toe, viel op hem als op een prooi, en droeg hem weg.

De storm van den aanval was op dit oogenblik met zooveel geweld op

Enjolras en de deur der herberg gericht, dat niemand Jean Valjean zag,

terwijl hij, den bezwijmden Marius in zijn armen dragende, door de

barricade ging en om den hoek van het huis Corinthe verdween.

Men herinnere zich dezen hoek, die een soort van voorgebergte in de

straat vormde; hij beveiligde eenige vierkante voeten gronds voor

de kogels en het schroot, en ook voor het gezicht. Zoo is er soms

bij hevigen brand, een kamer die niet brandt, en in de woeste zeeën,

voorbij een voorgebergte of tusschen de rotsen, een stil plekje. 't Was

in zulk een stil plekje binnen de barricade, dat Eponine gestorven was.

Daar bleef Jean Valjean staan; hij legde Marius zacht op den grond,

leunde tegen den muur en sloeg de oogen rondom zich.

De toestand was vreeselijk.

Slechts voor het oogenblik, misschien voor twee of drie minuten,

was deze muur een wijkplaats; maar hoe dit bloedbad te ontkomen? Hij

herinnerde zich den doodsangst, waarin hij acht jaren geleden, in de

staat Polonceau was geweest, en op welke wijze het hem gelukt was te

ontsnappen; toen was het moeielijk, thans was het onmogelijk. Hij

had vóór zich dat onverzoenlijke, zes verdiepingen hooge huis, dat

slechts bewoond scheen door den uit het venster gebogen doode; aan zijn

rechterhand de tamelijke lage barricade, welke de kleine Truanderie

sloot; over die belemmering te klimmen scheen gemakkelijk, maar men

zag boven haar top een rij bajonetten. 't Waren de liniesoldaten, die,

aan gene zijde der barricade geposteerd, haar in 't oog hielden. 't

Was blijkbaar, dat ieder die over de barricade klom een pelotonsvuur te

gemoet ging, en ieder hoofd, dat boven den straatsteenen muur uitkwam,

tot mikpunt van zestig geweerschoten zou dienen. Aan zijn linkerhand

had hij het slagveld. De dood was achter den hoek van den muur.

Wat te doen?

Slechts een vogel had zich uit deze plaats kunnen redden.

En er moest terstond een besluit genomen, een middel gevonden,

een partij gekozen worden. Men vocht op weinige schreden van hem;

gelukkig woedde alles op één punt, tegen de deur der herberg; maar zoo

't slechts één enkel soldaat in de gedachte kwam het huis om te gaan

of het van de zijde aan te vallen, was alles gedaan.

Jean Valjean aanschouwde het huis tegenover zich, de barricade bezijden

hem, en toen zag hij naar den grond met de kracht van den uitersten

nood, alsof hij er met zijn oogen een gat in had willen boren.

Terwijl hij dus strak naar den grond zag, nam iets, in zulk een

angst nauwelijks zichtbaars, aan zijn voeten een vorm aan, als had de

kracht van zijn blik het gewenschte voorwerp doen ontstaan. Eenige

schreden van hem, aan den voet der kleine barricade, die van buiten

zoo onmeedoogend bewaakt werd, zag hij, onder een hoop straatsteenen

half verborgen, een ijzeren rooster, gelijk met den grond gelegd. Deze

rooster, uit zware ijzeren staven bestaande, was ongeveer twee voet

in 't vierkant. De steenen, die het rondom hielden ingesloten, waren

uitgebroken, zoodat de rooster los scheen te liggen. Door de staven

zag men een donkere ruimte, iets als de pijp van een schoorsteen

of den hals van een regenbak. Jean Valjean ijlde er op toe. Zijn

oude wetenschap der ontvluchtingen schoot hem als een lichtstraal

in den geest. De straatsteenen weg te ruimen, den rooster op te

lichten, Marius, bewegingloos en stijf als een dood lichaam, op

zijn schouders te nemen, met dezen last op de lenden, steunende op

ellebogen en knieën, in dezen gelukkig niet diepen put af te dalen;

het zware ijzeren rooster weder boven zijn hoofd te plaatsen, waarop

de straatsteenen opnieuw vielen, den voet op een gemetselden bodem,

drie voeten beneden den beganen grond te zetten, dit alles werd,

als in een verrukking, met de kracht van een reus en de snelheid van

een arend, uitgevoerd en duurde nauwelijks eenige minuten.

Jean Valjean bevond zich met Marius, die steeds in zwijm lag, in een

soort van lange onderaardsche gang.

Daar heerschte diepe rust, volkomen stilte, nacht.

Denzelfden indruk, dien hij vroeger had ondervonden, toen hij uit de

straat in het klooster viel, gevoelde hij ook thans. Maar, wat hij

nu wegvoerde, was niet meer Cosette, 't was Marius.

Ternauwernood hoorde hij thans, boven zich, als een dof gerucht,

het ontzettend rumoer van de bestorming en inneming der herberg.

BOEK II.

DE INGEWANDEN VAN DEN LEVIATHAN.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE AARDE DOOR DE ZEE VERARMD.

Parijs werpt jaarlijks vijf-en-twintig millioen francs in het

water. En dit is geen beeldspraak. Hoe en op welke wijze? Dag en

nacht. Met welk doel? Zonder eenig doel. Met welke gedachte? Zonder

eenige gedachte. Waarom? Om niets. Door welk orgaan? Door zijn

ingewanden. Welke zijn zijn ingewanden? Zijn riolen.

Vijf-en-twintig millioen is het laagste cijfer, 't welk de waardeering

van het ingesteld wetenschappelijk onderzoek oplevert.

De wetenschap heeft na lange waarneming thans uitgemaakt, dat de

vruchtbaarste en werkzaamste mest de menschendrek is. De Chineezen

wisten dit, wij zeggen het tot onze schande, eer dan wij. Geen

Chineesche boer, Eckeberg zegt het, gaat naar de stad, zonder van daar

aan de einden van zijn bamboe twee emmers mede te brengen, gevuld

met hetgeen wij vuilnis noemen. Aan den menschelijken mest heeft

de bodem in China het te danken, dat zij nog even versch is als in

den tijd van Abraham. De Chineesche tarwe geeft honderd-twintigmaal

het zaaisel terug. Geen guano is in vruchtbaarheid te vergelijken

met de beer eener hoofdstad. Een groote stad levert de krachtigste

meststof. Zoo men het land uit de stad bemestte, zou men zeker zijn

van te slagen. Indien goud drek is, is onze mest daarentegen goud.

Wat doet men met dien gouden mest? Men werpt hem weg.

Men zendt met groote kosten schepen af om van de Zuidpool den mest

van zeevogels te halen, terwijl men de onberekenbare grondstof van

rijkdom, welke men in zijn bereik heeft, naar de zee zendt. Al de

menschelijke en dierlijke mest, welke verloren gaat, zou, indien hij

aan de aarde werd teruggegeven, in plaats van in het water geworpen,

genoegzaam zijn om de wereld te voeden.

Die vuilnishoopen aan de hoeken der straten, de karren met slijk,

welke des nachts door de straten rollen, die afschuwelijke tonnen vol

drek, die stinkende stroomen van onderaardsch slijk, dat de straat

verbergt, weet ge wat dat is? Bloeiende weiden, weelderig gras,

groente en vrucht; 't is wild, rundvee, 't is het tevreden geloei

der ossen des avonds; 't is geurend hooi, gouden koren, brood op uw

tafel, warm bloed in uw aderen, gezondheid, vreugde, leven. Zoo is

de wet dier geheimzinnige schepping, welke de gedaanteverwisseling

op aarde en de herschepping in den hemel is.

Werp het in den grooten smeltkroes; uw voordeel zal er uitkomen. De

voeding van het land geeft voedsel aan de menschen.

Het staat u vrij, dezen rijkdom te verliezen en mij op den koop toe

belachelijk te vinden. Dit zal het meesterstuk uwer domheid zijn.

De statistiek heeft berekend, dat Frankrijk alleen door zijn

riviermonden jaarlijks een som van een half milliard in den

Atlantischen Oceaan werpt. Men bedenke, dat met deze vijfhonderd

millioen het vierde van het staatsbudget kon betaald worden. Maar de

mensch is zoo schrander, dat hij deze vijfhonderd millioen liever in

de goot werpt. Het is het onderhoud van het volk zelf, 't welk hier

bij droppels, daar bij stroomen, onze riolen in de rivieren en de

rivieren in den oceaan uitbraken. Iedere lossing onzer riolen kost

ons duizend francs, en heeft twee resultaten: de aarde verarmd en

het water verpest; de honger die uit de voren, de ziekte die uit de

rivieren komt.

't Is, bij voorbeeld, bekend, dat tegenwoordig de Theems Londen

verpest.

Wat Parijs betreft, heeft men in den laatsten tijd de meeste monden

der riolen stroom-afwaarts, voorbij de laatste brug, moeten verleggen.

Een dubbel buizenstoestel, voorzien van kleppen en spuisluizen,

die tegelijk zuigen en persen, een draineer- of besproeiingsstelsel,

even eenvoudig als de menschelijke long, dat bereids in verscheidene

gemeenten van Engeland ingevoerd is, zou voldoende zijn om in onze

steden het zuivere water der velden, en naar onze velden het rijke

water der steden te voeren, en dit gemakkelijk heen- en wederbrengen,

het eenvoudigste ter wereld, zou ons de vijfhonderd millioen francs

doen behouden, die weggeworpen worden. Maar men denkt aan iets anders.

De tegenwoordige handelwijze sticht kwaad, terwijl ze goed wil

doen. De bedoeling is goed, het resultaat is treurig. Men meent

de stad te zuiveren, en verzwakt de bevolking. Een riool is een

misverstand. Wanneer overal de draineering, met haar dubbele

uitwerking, door terug te geven wat zij neemt, het riool zal

hebben vervangen, dat slechts een verarmende reiniging is, dan

zullen, in verband met de uitkomsten eener nieuwe maatschappelijke

staathuishoudkunde, de voortbrengselen der aarde vertienvoudigd

worden en het vraagstuk der armoede aanmerkelijk vereenvoudigd

zijn. Voeg daarbij de wegruiming van de daarop azende woekerdieren,

en het raadsel zal opgelost wezen.

Intusschen stroomt de algemeene rijkdom naar de rivier, en er bestaat

een lek. Een lek is het juiste woord. Europa gaat aldus te gronde

door krachtverlies.

De Ellendigen (Deel 5 van 5) · 第 7 / 25 段