Gerard de Nerval, die den vooruitgang met God verwarde, en den
stilstand der beweging voor den dood van het Opperwezen hield.
Wie wanhoopt heeft ongelijk. De vooruitgang ontwaakt zeker, en men zou
over 't algemeen kunnen zeggen, dat hij zelfs slapende toeneemt, want
hij is grooter geworden. Wanneer men hem weder ziet opstaan, vindt men
hem hooger. Steeds vreedzaam te zijn, hangt evenmin van den vooruitgang
als van de rivier af; leg ze geen dammen, werp er geen rotsen in; de
hindernissen doen het water bruisen en de menschheid gisten. Daardoor
ontstaan beroeringen; maar na die beroeringen ziet men, dat er weg
is afgelegd. Zoolang de orde niet is ingevoerd, die niets anders dan
de algemeene vrede is, zoolang de harmonie en eensgezindheid niet
heerschen, zal de vooruitgang revolutiën tot rustpunten hebben.
Wat is toch vooruitgang? Wij hebben het gezegd. Het voortdurend leven
der volken.
Nu gebeurt het soms, dat het voorbijgaand leven der individuen aan
het eeuwige leven van het menschelijk geslacht weerstand biedt.
Laat ons zonder bitterheid bekennen, dat het individu zijn dadelijk
belang heeft, en het voor dat belang kan optreden en het verdedigen,
zonder misdadig te zijn; het tegenwoordige heeft zijn verschoonbare
hoeveelheid zelfzucht; het tegenwoordig leven heeft zijn rechten
en is niet gehouden, zich geheel voor de toekomst op te offeren. Het
geslacht, 't welk thans zijn beurt van overgang over de aarde heeft, is
niet verplicht zijn verblijf te verkorten, ten gevalle der geslachten,
die in allen geval zijnsgelijken zijn, en later hun beurt zullen
krijgen. Ik besta, fluistert een, die zich Allen noemt. Ik ben
jong en verliefd, ik ben oud en wil rust nemen, ik ben huisvader,
ik werk, ik heb voorspoed, ik doe goede zaken, ik ben huiseigenaar,
ik bezit staatspapieren, ik ben gelukkig, ik heb vrouw en kinderen,
ik bemin dat alles, ik wensch te leven, laat mij met vrede.--Daardoor
worden op sommige tijden de edele voorposten van het menschelijk
geslacht ijskoud.
Bovendien, wij erkennen het, treedt de utopie uit haar schitterenden
kring, zoodra zij oorlog voert. Zij, de waarheid van morgen,
ontleent haar gedrag, het gevecht, aan de logen van gisteren. Zij,
de toekomst, handelt gelijk het verleden. Zij, de zuivere idée,
wordt gewelddaad. Zij paart aan haar heldenmoed een hevigheid,
waarvoor zij terecht verantwoordelijk is; een gelegenheids-hevigheid,
een hulpmiddel, dat in strijd is met de beginselen, en waarvoor zij
vreeselijk gestraft wordt. De utopie-opstand strijdt met het oude
militaire wetboek in de hand; zij schiet de spionnen en verraders
dood; zij vernietigt levende wezens en werpt ze in de onbekende
duisternissen. Zij bedient zich van den dood--iets zeer ernstigs. Het
schijnt, dat de utopie geen vertrouwen meer in haar glans, haar
onweerstaanbare, onverderfelijke kracht, stelt. Zij treft met het
zwaard. En geen zwaard is enkelvoudig. Ieder zwaard is tweesnijdend;
die met de eene zijde wondt, kwetst zich zelf met de andere.
Behoudens deze uitzondering, waarvan wij al het gewicht erkennen,
is 't ons echter onmogelijk, die roemrijke strijders voor de
toekomst, die belijders der utopie, zij mogen slagen of niet,
niet te bewonderen. Zelfs wanneer zij schipbreuk lijden, zijn zij
eerbiedwaardig, en hebben juist dan misschien de meeste majesteit. De
overwinning, zoo zij volgens den vooruitgang is, verdient de
toejuiching der volken, maar een heldhaftige nederlaag verdient hun
verteedering. De eene is heerlijk, de andere is verheven. Voor ons,
die aan het martelaarschap boven de overwinning de voorkeur geven, is
John Brown grooter dan Washington, en Pisacane grooter dan Garibaldi.
Er moet toch iemand voor de overwonnelingen zijn.
Men is onrechtvaardig jegens die groote proefnemers der toekomst,
wanneer zij niet slagen.
Men beschuldigt de revolutionnairen er van, dat zij schrik
verspreiden. Iedere barricade schijnt een aanranding. Men
beschuldigt hun theorieën, verdenkt hun doel, vreest hun bijgedachten,
veroordeelt hun geweten. Men verwijt hun, dat zij tegen het bestaande
maatschappelijk feit een berg ellenden, smarten, onrechtvaardigheden,
grieven en wanhoop oprichten en opeenstapelen, en uit de benedenwereld
blokken duisternis rukken, om er zich achter te verschansen en te
strijden. Men roept hun toe: gij neemt de straten der hel op! Zij
zouden kunnen antwoorden: Dit is het bewijs, dat onze barricade van
goede bedoelingen is gemaakt.
Het beste is voorwaar een vreedzame oplossing. In 't algemeen, wij
moeten bekennen, dat, zoodra men steenen ziet, men aan den beer denkt,
en een goede wil verontrust de maatschappij. Maar het hangt van de
maatschappij zelve af zich te redden; 't is op haar eigen goeden wil,
dat wij een beroep doen. Geen geweldig middel is noodzakelijk. Het
kwaad op vriendelijke wijze te onderzoeken, het te erkennen en te
genezen, daartoe noodigen wij de maatschappij uit.
Hoe het zij, zelfs wanneer zij gevallen, vooral wanneer zij gevallen
zijn, zijn die mannen verheven, die, op alle plekken der aarde, met
het oog op Frankrijk gericht, voor het groote werk strijden met de
onwrikbare logica van het ideaal; zij geven hun leven als een zuiver
offer voor den vooruitgang; zij vervullen den wil der Voorzienigheid;
zij verrichten een godsdienstig werk. Op het bepaalde oogenblik, met
dezelfde zelfverloochening als een tooneelspeler die moet optreden,
gaan zij, gehoorzaam aan het goddelijk scenario, in het graf. En dezen
hopeloozen strijd, deze stoïcijnsche verdwijning aanvaarden zij,
om de verheven menschelijke beweging, die onwederstaanbaar den 14
Juli 1789 begon, tot haar heerlijke en verhevene algemeene gevolgen
te brengen; deze soldaten zijn priesters. De Fransche Revolutie is
een beweging van God.
Overigens zijn er, en wij moeten deze onderscheiding voegen bij
de onderscheidingen bereids in een vorig hoofdstuk gemaakt, er
zijn aangenomen opstanden die revolutiën heeten; er zijn geweigerde
opstanden, die oproeren heeten. Een uitgebroken opstand is een idée,
die voor het volk haar examen ondergaat. Zoo het volk de zwarte
boon laat vallen, is de idée een doode vrucht, de opstand is een
volksverbijstering.
Het aannemen van den oorlog bij iedere sommatie, en telkens wanneer
de utopie het begeert, is niet de zaak der volken. Niet altijd en op
ieder uur hebben de natiën den zin van helden en martelaars.
Zij zijn positief. A priori, zijn zij van den opstand afkeerig;
eerstens wijl hij dikwerf rampen ten gevolge heeft; tweedens wijl
hij steeds tot uitgangspunt een abstractie heeft.
Want, en dit is schoon, immer is het voor het ideaal, en voor het
ideaal alleen, dat zij, die zich opofferen, zich opofferen. Een
opstand is een geestvervoering. De geestvervoering kan toornig
worden; dan grijpt zij naar de wapens. Maar iedere opstand, die op
een gouvernement of bestuur aanlegt, heeft een hooger doel. Dus was,
bij voorbeeld, wat de aanvoerders van den opstand in 1832 bestreden,
en bijzonderlijk de jonge geestdrijvers der Chanvreriestraat, niet
eigenlijk Lodewijk Filips. De meesten lieten, wanneer zij openhartig
spraken, de voortreffelijke hoedanigheden van dezen half monarchalen,
half revolutionnairen koning recht wedervaren; geen hunner haatte
hem. Maar zij bestreden den jongsten tak van het goddelijk recht in
Lodewijk Filips, gelijk zij den oudsten tak ervan in Karel X hadden
bevochten; en wat zij wilden omverwerpen, door het koningschap in
Frankrijk omver te werpen, was, gelijk wij verklaard hebben, de
overheersching van den eenen op den anderen mensch en het privilegie
op het recht der geheele wereld. De terugwerking van Parijs zonder
koning, is de wereld zonder despoten. Zóó redeneerden zij. Hun doel
lag zekerlijk ver, 't was misschien onduidelijk, en week bij de poging
achteruit; maar het was grootsch.
Zoo is het. En men offert zich op voor deze denkbeelden, die voor de
geofferden schier altijd luchtkasteelen zijn, maar luchtkasteelen,
waarin het welzijn der geheele menschheid betrokken is. De opstandeling
maakt den opstand dichterlijk en verguldt hem. Men werpt zich in deze
treurige zaken, door zich te bedwelmen met hetgeen men doen wil. Wie
weet? men slaagt misschien. Men is de minderheid, men heeft tegen
zich een geheel leger, maar men verdedigt het recht, de natuurwet,
de souvereiniteit van ieder op zich zelven, waarbij geen afstand
mogelijk is, de rechtvaardigheid, de waarheid, en desnoods sterft men
gelijk de driehonderd Spartanen. Men denkt niet aan don Quichotte,
maar aan Leonidas. Men gaat voorwaarts, en is men in den strijd,
dan wijkt men niet meer, maar stort er zich blindelings in, met de
hoop op een ongehoorde overwinning, op de volmaking der revolutie,
op de invrijheidstelling van den vooruitgang, op de verheffing van
het menschelijk geslacht, op de algemeene vrijheid; en in het ergste
geval op de Thermopylen, namelijk op den heldendood.
Deze wapenfeiten voor den vooruitgang mislukken dikwerf, en wij hebben
de reden er van gezegd. De menigte is ongezind voor de verlokking
dier dolende ridders. De groote massa's, de menigten, die uithoofde
harer eigen zwaarte zoo licht breekbaar zijn, vreezen de avonturen;
en in het ideale is iets avontuurlijks.
Men vergete bovendien niet, dat de stoffelijke belangen geen groote
vrienden van het ideale en het sentimenteele zijn. Soms verlamt de
maag het hart.
Frankrijk is groot en schoon, wijl het minder voor den buik leeft
dan andere volken; het snoert zich lichter den buik dicht. Het is
het eerst wakker en het laatst in slaap. Het gaat voorwaarts en zoekt.
Omdat het kunstenaar is.
Het ideale is slechts het hoogste punt der logica, evenals het schoone
slechts het toppunt van het ware is. De kunstenaarsvolken zijn ook
de consequente volken. De schoonheid te beminnen, is het licht te
zien. En daarom is de flambouw van Europa, namelijk de beschaving,
eerst door Griekenland gedragen, dat haar vervolgens aan Italië
gaf, 't welk haar aan Frankrijk reikte. Goddelijke, verlichtende
volken! Vitai lampada tradunt.
Bewonderenswaardig is het, dat de poëzie van een volk het element
van zijn vooruitgang is. De hoeveelheid beschaving meet zich af naar
de hoeveelheid verbeelding. Evenwel moet een beschavend volk een
mannelijk volk blijven. Corinthe, ja; Sybaris, neen. Wat verwijfd
wordt, ontaardt. Men moet noch dilettant, noch virtuoos, maar men
moet kunstenaar zijn. In zake van beschaving moet men niet gekunsteld,
maar verheven wezen. Op die voorwaarde geeft men aan het menschelijk
geslacht het voorschrift van het ideale.
Het moderne ideaal heeft zijn type in de kunst en zijn middel in de
wetenschap. Door de wetenschap zal men het verheven droombeeld der
poëten: het maatschappelijk, schoone, verwezenlijken. Men zal het
Eden door het A + B herstellen. Op het punt, waartoe de beschaving
is gekomen, is het exacte een noodzakelijk element van het schoone,
en het kunstenaarsgevoel wordt door het wetenschappelijk orgaan niet
alleen gediend, maar volkomen gemaakt; de droom moet rekenen kunnen. De
kunst moet de wetenschap tot steunpunt hebben. De moderne geest is de
genius van Griekenland, die tot voertuig den genius van Indië heeft:
Alexander op den olifant.
De in het dogma versteende of door winzucht zedelijk verlaagde rassen
zijn ongeschikt voor de leiding der beschaving. De kniebuiging voor het
afgodsbeeld of voor het geldstuk verlamt de spier voor het loopen en
den wil voor verheffing. De priesterlijke of handels-nevel vermindert
den glans van een volk, verlaagt zijn horizon, door zijn grondslag
te verlagen, en ontneemt het die tevens menschelijke en goddelijke
intelligentie van een algemeen doel, dat de natiën tot zendelingen
vormt. Babel heeft geen ideaal; Karthago heeft geen ideaal. Athene
en Rome hebben en behouden, zelfs door de dikke duisternis der eeuwen
heen, nog een straalkrans van beschaving.
Frankrijk is van dezelfde soort van volk als Griekenland en
Italië. Het is Atheensch door het schoone, en Romeinsch door het
grootsche. Bovendien is het goed. Het is mededeelzaam, en meer dan
andere volken opofferingsgezind. Maar deze gezindheid komt en gaat. En
hierin ligt het groot gevaar voor hen, die loopen, wanneer het slechts
gaan wil, of die gaan, wanneer het wil blijven staan. Frankrijk vervalt
soms tot het materialisme en op zekere oogenblikken hebben de ideeën,
welke dit verheven brein vervullen, niets meer wat aan de Fransche
grootheid herinnert, en zijn ze gelijk aan die van een bewoner van
Missouri of Zuid-Carolina. Wat is daartegen te doen? De reus speelt
dan de rol van den dwerg; het onmetelijke Frankrijk heeft de gril
van klein te willen zijn. Dit is alles.
Daartegen is niets te zeggen. De volken hebben hetzelfde recht om
zich te verduisteren als de starren. Dit is goed, mits het licht
terugkome en de verduistering niet in nacht ontaarde. Dageraad en
opstanding hebben dezelfde beteekenis. De wederverschijning van het
licht is identisch met het voortbestaan van het ik.
Constateeren wij bedaard deze feiten. De dood op de barricade of het
graf in ballingschap, is voor den opofferingszin een aanneembaar
geval. De ware naam van opoffering is onbaatzuchtigheid. Dat de
verlatenen zich laten verlaten, dat de ballingen zich laten bannen,
en bepalen wij ons er bij, de groote volken te bidden van niet te ver
achteruit te gaan, wanneer zij achteruit gaan. Men mag niet, onder het
voorwendsel van tot de rede terug te keeren, te ver naar beneden gaan.
Het stoffelijke bestaat, de minuut bestaat, de belangen bestaan,
de maag bestaat; maar de maag mag niet de eenige wijsheid zijn. Het
voorbijgaande leven heeft rechten, wij stemmen het toe, maar het
blijvende leven heeft ook de zijne. Helaas, niets belet dengene die
opgestegen is te vallen. Men ziet dit vaker in de geschiedenis dan men
wenschen zou. Een natie is beroemd; zij heeft smaak in het ideaal;
daarna bijt zij in het slijk en vindt het goed; vraagt men haar,
waarom zij Socrates voor Falstaff verlaat, dan antwoordt zij: Omdat
ik de staatslieden bemin.
Nog een woord, vóór we naar het krijgsgewoel terugkeeren.
Een gevecht, als dat wij in dit oogenblik schetsen, is niets dan
een stuiptrekking naar het ideaal. De belemmerde vooruitgang is
ziekelijk, en er zijn zulke treurige vallende ziekten. Deze ziekte
van den vooruitgang, den burgeroorlog, hebben wij op onzen weg moeten
ontmoeten. 't Is een dier noodlottige tooneelen, tevens bedrijf
en tusschenbedrijf van het drama, welks spil een maatschappelijk
veroordeelde en welks eigenlijk titel "de vooruitgang" is.
De vooruitgang!
Deze kreet, dien wij zoo dikwerf slaken, is onze eenige gedachte,
en wijl de idée, welke ons verhaal bevat, op het punt waar wij thans
gekomen zijn, nog aan meer dan een proeve moet worden onderworpen,
is het ons misschien geoorloofd, zoo niet den sluier ervan op te
lichten, ten minste het licht ervan te doen doorschijnen.
Het boek, dat de lezer voor zich heeft, is van het begin tot het einde,
in zijn geheel en in zijn bijzonderheden, welke uitzonderingen en
leemten er in mogen voorkomen, de gang van het kwade naar het goede,
van het onrechtvaardige naar het rechtvaardige, van het valsche naar
het ware, van den nacht naar den dag, van den lust naar het geweten,
van het bederf naar het leven, van het dierlijke naar den plicht,
van de hel naar den hemel, van het niet naar God. Het uitgangspunt is
de stof; het aankomstpunt de ziel. De hydra aan het begin, de engel
aan het einde.
EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE HELDEN.
Eensklaps sloeg de trom den stormmarsch.
De aanval was een orkaan. Den vorigen avond was de barricade in
de duisternis en in stilte als door een boa genaderd. Thans, op
klaarlichten dag, was in deze wijde straat een overrompeling bepaald
onmogelijk; bovendien had het geweld zich ontmaskerd, het kanon was
beginnen te bulderen, en het leger stormde tegen de barricade. De
woede was nu behendigheid. Een sterke colonne linie-infanterie,
waaronder nationale en municipale garden gestoken, steunende op groote
massa's, die men hoorde zonder ze te zien, rukte met den stormmarsch,
onder trommelslag en trompetgeschal, gevelde bajonnet, de sappeurs
aan de spits, en onwrikbaar onder den kogelregen, regelrecht tegen
de barricade, met de kracht van een metalen balk tegen een muur.
De muur bleef staande.
De opstandelingen gaven onstuimig vuur. De beklommen barricade scheen
bliksemstralen te schieten. De bestorming was zoo geweldig, dat de
barricade een oogenblik van aanvallers overstroomd was; maar zij
schudde de soldaten af, gelijk de leeuw de honden, en zij was slechts
overdekt met bestormers, als de klip met schuim, om een oogenblik
later weder steil, donker en vreeselijk te voorschijn te komen.
De colonne, die gedwongen was te wijken, bleef ongedekt, maar
schrikkelijk, in de straat opeengedrongen, staan, en beantwoordde de
barricade met een ontzettend geweervuur. Wie een vuurwerk heeft gezien,
herinnert zich de schoof, die uit over elkander schietend kruisvuur
bestaat, en het bouquet wordt genoemd. Men stelle zich dit bouquet
voor, niet verticaal, maar horizontaal, met een kogel of kartets aan
de punt van elk zijner vuurstralen en met zijn dondertrossen den dood
verspreidende. Daaronder was de barricade.
Aan beide zijden was dezelfde stoutmoedigheid. De dapperheid was
er schier barbaarsch en ging gepaard met een soort van heldhaftige
wreedheid, welke met de opoffering van zich zelve begon. In dien tijd
streed een nationale garde als een zouaaf. De soldaten wilden er een
einde aan maken; de opstand wilde strijden. Vol jeugd en gezondheid den
dood te verachten, brengt de onverschrokkenheid tot razernij. Ieder
bezat in dezen strijd het verhevene van het sterfuur. De straat werd
met lijken overdekt.
Aan de eene zijde der barricade stond Enjolras, aan de andere
Marius. Enjolras, die de gansche barricade in het hoofd had, spaarde
en beveiligde zich; drie soldaten vielen de een na den ander onder
zijn schietgat, zonder hem zelfs gezien te hebben. Marius streed
ongedekt. Hij maakte zich tot een mikpunt. Meer dan ten halve lijve
kwam hij boven de barricade uit. Niemand is verspillender dan een vrek,
die tot buitensporigheden overslaat. Geen mensch is vreeselijker in
het gevecht dan een zoogenaamde droomer. Marius was schrikkelijk en
peinzend. Hij was in het gevecht als in een droom. Men had hem een
spook kunnen noemen, dat schiet.
De patronen der belegerden raakten uitgeput, niet hun kwinkslagen. In
dien draaikolk des doods, waarin zij zich bevonden, schertsten zij.
Courfeyrac was blootshoofds.
"Wat hebt ge met uw hoed gedaan?" vroeg Bossuet.
"Zij hebben hem mij ten laatste met kanonskogels afgeschoten,"
antwoordde Courfeyrac.
Of zij hielden trotsche redenen.
"Begrijpt ge," riep Feuilly bitter, "die mannen"--(en hij noemde namen,
bekende, zelfs beroemde namen, waaronder eenige van het oude leger)
"welke beloofd hadden zich bij ons te voegen, en gezworen ons te
helpen, en daarvoor hun eer verpandden, en die onze generaals zijn
en ons nu in den steek laten."
Combeferre antwoordde slechts ernstig en glimlachend:
"Er zijn lieden, die de wetten van eer beschouwen, zooals men de
sterren beschouwt, zeer uit de verte."
Het binnenste der barricade was zoo met verscheurde patronen bezaaid,
alsof het gesneeuwd had.
De aanvallers hadden de meerderheid; de opstandelingen de goede
stelling. Zij stonden op een muur en hadden de soldaten onder
't schot, die door de dooden en gekwetsten belemmerd waren. Deze
bewonderenswaardig gebouwde barricade, die tegen de huizen steunde,
was gewis een dier stellingen, waar een handvol manschappen een geheel
legioen tegenhoudt. Inmiddels naderde de aanvalscolonne, die onder
den kogelregen steeds versterkt en vermeerderd werd, onverbiddelijk,
en nu drong het leger, langzaam, schrede voor schrede, maar zeker,
tegen de barricade, gelijk de moer de schroef perst.
De aanvallen volgden elkander op. De ijselijkheid nam steeds toe.
Toen ontstond op dien hoop straatsteenen, in deze Chanvreriestraat,
een strijd, die de muren van Troje waardig was. Deze havelooze, in
lompen gekleede, uitgeputte mannen, die sedert vier-en-twintig uren
niet gegeten, niet geslapen hadden en nog slechts weinige schoten
konden doen; die in hun ledige zakken naar patronen tastten, schier
alle gewond waren, het hoofd of den arm met een roodgevlekten doek
verbonden, met gaten in de kleederen, waaruit het bloed stroomde,
slechts gebrekkig met slechte geweren of oude sabels gewapend, werden
Titans. Tienmalen werd de barricade aangegrepen, bestormd, beklommen,
maar niet genomen.
Om zich van dien strijd een denkbeeld te vormen, moest men zich een
hoop in brand gestoken moed voorstellen en dien brand aanschouwen. 't
Was geen gevecht, maar de gloed van een fornuis. De monden ademden
vlammen, de gezichten hadden een buitengewone uitdrukking. De
menschelijke gestalte scheen er onmogelijk, de strijders vlamden, en
't was schrikkelijk deze salamanders van den strijd in dien rooden
rook te zien heen en weder gaan. Wij onthouden ons de opvolgende en
gelijktijdige tooneelen van dit grootsche bloedbad te schetsen. Alleen
het heldendicht heeft het recht twaalf duizend verzen met een gevecht
te vullen. Het geleek die hel van het Bramahisme, de vreeselijkste
der zeventien afgronden, welke de Veda het woud der zwaarden noemt.
Men streed man tegen man, voet tegen voet, met pistolen, sabels,
vuisten, van verre, van nabij, van onder, van boven, overal, van de
daken der huizen, uit de vensters der herberg, uit de keldergaten. Men
was één tegen zestig. De gevel van Corinthe, die half vernield was,
zag er afschuwelijk uit. Het door kogels getatoueerde venster had
glasruiten en raam verloren en was nog slechts een vormlooze, met
straatsteenen gevulde opening. Bossuet werd gedood; Feuilly werd
gedood; Courfeyrac werd gedood; Joly werd gedood; Combeferre, die
drie bajonetsteken ontving, toen hij een gekwetst soldaat oprichtte,
had slechts den tijd hemelwaarts te zien, en gaf den laatsten snik.
Marius, die nog altijd vocht, was zoodanig met wonden bedekt, vooral
aan het hoofd, dat zijn gelaat door het bloed onzichtbaar was, en men
zou gemeend hebben, dat zijn gezicht met een rooden zakdoek was bedekt.
Slechts Enjolras was nog ongewond. Wanneer hij geen wapen meer had,
stak hij links of rechts de hand uit, en een opstandeling gaf hem
een of ander wapen in de hand. Hij had nog slechts een stomp van vier
degens over; één meer dan Frans I te Marignan.
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
VOET VOOR VOET.
Toen er geen levende aanvoerders meer waren dan Enjolras en Marius
aan beide einden der barricade, zwichtte het centrum, dat Courfeyrac,
Joly, Bossuet, Feuilly en Combeferre zoo lang verdedigd hadden. Het
kanon had het midden der barricade deerlijk gehavend, zonder echter
een voldoende bres te hebben geschoten; de kruin van den muur was door
de kanonskogels verdwenen en ingestort; het naar binnen en buiten
gevallen puin had zich eindelijk aan weerszijden der barricade tot
twee glooiingen opgehoopt. De buitenste glooiing bood den belegeraars
een hellend vlak ter beklimming aan.
Een laatste bestorming werd beproefd en deze bestorming
gelukte. De massa bajonnetten, die met den stormmarsch aanrukte,
was onweerstaanbaar en het dichte front der aanvalscolonne verscheen
in rook gehuld op de barricade. Ditmaal was 't gedaan. De groep
opstandelingen, die het centrum verdedigde, week in verwarring.