zoo schrander te zijn geweest.
In dit oogenblik nam plotseling het verwijderd gerucht in de stad
toe. 't Was ditmaal vreeselijk. Sommige windvlagen spreken duidelijker
dan andere. Die, welke thans sprak, bracht duidelijk tromgeroffel,
geschreeuw, pelotonsvuur en het akelig gesprek tusschen de stormklok
en het kanon over. Tegelijkertijd trok plotseling een donkere wolk
over de zon.
De zwanen waren nog niet bij den koek gekomen.
"Keeren wij naar huis," zei de vader. "Men bestormt de Tuilerieën."
Hij nam de hand van zijn zoontje, en voer voort:
"Van de Tuilerieën naar het Luxembourg is de afstand niet grooter dan
die het koningschap van het pairschap scheidt; dat is niet ver. Het
zal geweerschoten regenen."
Hij zag naar de wolk.
"Misschien zal 't ook water regenen, de hemel bemoeit er zich mede;
de jongste tak is veroordeeld. Keeren wij spoedig naar huis."
"Ik zou gaarne de zwanen den koek zien eten," zei het knaapje.
De vader antwoordde:
"'t Zou onvoorzichtig zijn."
En hij voerde zijn kleinen burger mede.
De zoon, dien het speet van de zwanen te moeten scheiden, hield het
hoofd naar den vijver gericht, tot de kromming van een bosschage dien
voor hem verborg.
Middelerwijl, en tegelijk met de zwanen, waren de twee kleine zwervers
den koek genaderd, die op het water dreef. De kleinste begluurde den
koek, de grootste oogde den vertrekkenden burger na.
Vader en zoon gingen in den doolhof van lanen, die naar de groote
trap van de groep boomen, naar den kant der straat Madame voert.
Zoodra zij uit het gezicht waren, legde de oudste zich met den buik
op den afgeronden rand van den vijver, en dien met de linkerhand
krampachtig omklemmende, en zoodanig over het water gebogen, dat hij er
schier in viel, stak hij met de rechterhand zijn stokje naar den koek.
Zoodra de zwanen den vijand zagen, spoedden zij zich in hun vaart, en
hierdoor veroorzaakten zij met de borst een beweging in 't water, die
den kleinen visscher nuttig was; het water stroomde voor de zwanen uit
en door de kabbeling dreef de koek naar het stokje van den knaap. De
zwanen kwamen juist toen het stokje den koek bereikte. De knaap trok
den koek schielijk tot zich, verschrikte de zwanen, greep den koek en
richtte zich op. De koek was nat; maar zij hadden honger en dorst. De
oudste brak den koek in twee stukken, een groot en een klein; nam
het kleine voor zich en gaf het grootste aan zijn broertje, zeggende:
"Ziedaar, stop dit in uw maag."
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
DE DOODE VADER WACHT DEN STERVENDEN ZOON. [7]
Marius was uit de barricade gesprongen. Combeferre was hem
gevolgd. Maar het was te laat. Gavroche was dood. Combeferre keerde
terug met de mand patronen; Marius met den knaap.
"Helaas!" dacht hij; wat de vader voor zijn vader had gedaan, deed
hij voor den zoon; maar Thénardier had zijn vader levend weggedragen,
hij bracht den knaap dood terug.
Toen Marius met Gavroche op zijn armen in de barricade terugkwam,
was zijn gezicht, evenals dat van den knaap, met bloed overstroomd.
Juist toen hij bukte om Gavroche op te nemen, had een kogel zijn
hoofd geschampt, zonder dat hij er iets van bespeurd had.
Courfeyrac deed zijn das af, en verbond er Marius' hoofd mede.
Men legde Gavroche op de tafel, waarop Mabeuf lag, en spreidde
over beide lichamen den zwarten doek. Hij was groot genoeg voor den
grijsaard en den knaap.
Combeferre deelde de patronen uit, welke hij in de mand had
medegebracht.
Ieder man kreeg hierdoor vijftien schoten.
Jean Valjean zat steeds bewegingloos op dezelfde plaats, op den
straatpaal. Toen Combeferre hem zijn vijftien patronen aanbood,
schudde hij het hoofd.
"Een rare zonderling," zei Combeferre zacht tot Enjolras. "'t Is hem
mogelijk in deze barricade niet te vechten!"
"'t Geen niet belet dat hij ze verdedigt," antwoordde Enjolras.
"Heldenmoed heeft ook zijn zonderlingen," hernam Combeferre.
En Courfeyrac, die dit gehoord had, voegde er bij:
"Hij is van een andere soort dan de oude Mabeuf."
Het verdient opmerking, dat het vuur, 't welk de barricade teisterde,
het inwendige ervan nauwelijks verontrustte. Wie nooit getuige
van deze soort van oorlogen geweest is, kan zich geen denkbeeld
vormen van die zonderlinge oogenblikken van rust, welke met deze
stuiptrekkingen gepaard gaan. Men gaat heen en weder, men praat,
men schertst, men lacht. Een onzer kennissen hoorde een strijder te
midden van het schrootvuur tot hem zeggen: "Wij zijn hier als aan een
ontbijt van jongelieden." Zooals wij zeiden, scheen de barricade der
straat Chanvrerie inwendig zeer kalm. De verschillende tooneelen en
toestanden waren uitgeput of stonden het te worden. De gesteldheid
was van kritiek dreigend geworden, en zou waarschijnlijk van dreigend
wanhopig worden. Hoe meer de toestand zich verduisterde, te helderder
omstraalde de heldenmoed de barricade. Enjolras voerde het bevel over
haar in de ernstige houding van een jongen Spartaan, zijn bloot zwaard
aan den somberen genius Epidotas wijdende.
Combeferre had zich een voorschoot voorgedaan, en verbond de
gekwetsten; Bossuet en Feuilly maakten patronen met het kruit uit
den kruithoorn, dien Gavroche den dooden korporaal had ontnomen, en
Bossuet zeide tot Feuilly: "Wij zullen spoedig per diligence naar de
andere planeet vertrekken." Courfeyrac legde en rangschikte op eenige
straatsteenen, welke hij bij zich had gehouden, naast Enjolras, een
geheel arsenaal: zijn stokdegen, zijn geweer, twee ruiterspistolen, een
dolk, met de zorgvuldigheid van eene jonge dame, welke haar nécessaire
in orde brengt. Jean Valjean zat stom tegen den muur over hem. Een
werkman bond zich een grooten stroohoed van moeder Hucheloup op 't
hoofd, uit vrees voor de zonnesteken, zooals hij zeide. De jongelieden
der Kalebas van Aix koutten vroolijk met elkander, als haastten
zij zich om voor het laatst hun landtaal nog eens te spreken. Joly,
die den spiegel van de weduwe Hucheloup van den wand had genomen,
bekeek er zijn tong in. Eenige strijders, die schier beschimmelde
korsten brood in een tafel hadden gevonden, aten ze gretig. Marius
dacht met bekommering, wat zijn vader wel van hem zou zeggen.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
DE GIER PROOI GEWORDEN.
Wij moeten hier op een psychologisch feit wijzen, dat den barricaden
eigen is. Niets van 't geen dezen merkwaardigen straatoorlog
karakteriseert mag worden voorbijgezien.
Hoe de zonderlinge rust ook zijn moge, die in de barricade heerscht,
en waarvan wij gesproken hebben, zij blijft voor degenen die er in
zijn slechts een visioen.
In den burgeroorlog is iets van den apocalypsis; al de nevelen van
het onbekende mengen zich in die woeste vlammen; de revolutiën zijn
als de sphinx, en wie een barricade heeft bijgewoond, meent een droom
gehad te hebben.
Wat men op die plaatsen gevoelt, hebben wij ten aanzien van Marius
medegedeeld, en wij zullen er de gevolgen van zien; 't is meer en 't is
minder dan het leven. Wanneer men een barricade heeft verlaten, weet
men niet meer wat men gezien heeft. Men is er onbewust van, dat men
vreeselijk is geweest. Men was er omgeven door strijdende denkbeelden,
die menschelijke gezichten hadden: men heeft het hoofd in het licht
der toekomst gehad. Er waren liggende lijken en staande schimmen. De
uren waren reusachtig en geleken uren der eeuwigheid. Men leefde
in den dood. Schimmen gingen voorbij. Wat was het? Men zag handen,
waarop bloed kleefde; 't was een schrikkelijk, oorverdoovend geraas;
tevens een schrikbarende stilte; er waren open monden die schreeuwden,
andere open monden die zwegen; men was in rook, misschien in nacht. Men
waande de akeligheden van onbekende diepten aanschouwd te hebben;
men ziet iets roods op de nagels. Men herinnert zich niets meer.
Keeren wij tot de straat Chanvrerie terug.
Eensklaps hoorde men tusschen twee losbrandingen in de verte het
slaan eener klok.
"'t Is middag," zei Combeferre.
Nog vóór den twaalfden slag stond Enjolras op, en beval van de hoogte
der barricade met donderende stem:
"Brengt de straatsteenen in het huis. Stapelt ze in de
vensterbanken. De helft der manschappen in 't geweer, de andere helft
bij de straatsteenen. Geen minuut te verliezen."
Een peloton sappeurs, met de bijl op den schouder, verscheen in
slagorde aan het einde der straat. 't Kon niet anders dan de spits
eener colonne zijn; maar van welke colonne? Waarschijnlijk van de
aanvalscolonne. De sappeurs, die belast waren met de slechting der
barricade, moesten natuurlijk de soldaten voorafgaan, die bestemd
waren ze te bestormen.
Men was blijkbaar aan het oogenblik gekomen, dat de heer de
Clermont-Tonnerre, in 1822, den "halsstrik" noemde.
Het bevel van Enjolras werd uitgevoerd met dien nauwkeurigen spoed,
aan schepen en barricaden eigen, de twee eenige slagvelden, waar
ontvluchten onmogelijk is. In minder dan een minuut waren twee derden
der straatsteenen, welke Enjolras voor de deur van Corinthe had doen
opeenstapelen, naar de eerste verdieping en den zolder gebracht, en
vóór dat een tweede minuut verloopen was, vormden deze straatsteenen
een kunstmatigen muur voor de helft der vensters van de eerste
verdieping en van den zolder. Door eenige openingen, die Feuilly,
de hoofdbouwer der barricade, zorgvuldig vrij gelaten had, konden de
geweren gelegd worden. Deze wapening der vensters kon te gemakkelijker
geschieden, wijl het schrootvuur een einde had genomen. Thans schoten
de twee kanonnen kogels tegen de versperring, om er een opening,
en zoo mogelijk een bres voor de bestorming in te maken.
Toen de straatsteenen, bestemd voor de laatste verdediging, geplaatst
waren, deed Enjolras de flesschen naar de eerste verdieping brengen,
welke hij onder de tafel had gezet, waarop Mabeuf lag.
"Wie zal ze drinken?" vroeg Bossuet.
"Zij," antwoordde Enjolras.
Toen barricadeerde men het benedenvenster en men hield de ijzeren
boomen gereed, die dienden om des nachts de deur der herberg te
sluiten.
De vesting was nu voltooid. De barricade was de wal, de herberg
de slottoren.
Met de overgebleven straatsteenen sloot men de snijding ter zijde
der barricade.
Aangezien de verdedigers eener barricade steeds verplicht zijn de
munitie te sparen, en dit den belegeraars bekend is, maken dezen hun
toebereidselen met een soort van tergende langzaamheid, stellen zich
vóór het bepaalde oogenblik meer schijnbaar dan werkelijk aan het
vuur bloot, en nemen hun gemak. De toebereidselen tot den aanval
worden immer met een zekere stelselmatige langzaamheid gemaakt;
daarop volgt de donder.
Deze langzaamheid vergunde Enjolras alles na te zien en te
verbeteren. Hij gevoelde, dat, dewijl deze mannen gingen sterven,
hun dood een meesterstuk moest zijn.
Hij zeide tot Marius: "Wij zijn de beide bevelhebbers. Ik zal van
binnen de laatste bevelen geven. Blijf gij buiten en let op."
Marius plaatste zich ter opmerking op den top der barricade.
Enjolras deed de deur der keuken, die, zooals men zich herinnert,
tot hospitaal was ingericht, dicht spijkeren, zeggende:
"De gekwetsten moeten niet gedeerd worden."
Hij gaf in de benedenkamer zijn laatste bevelen, kort, maar volkomen
kalm; Feuilly luisterde en antwoordde in naam van allen.
"Houdt op de eerste verdieping de bijlen gereed om de trap te
vernielen. Heeft men ze?"
"Ja," zeide Feuilly.
"Hoeveel?"
"Twee bijlen en een houweel!"
"Goed. Wij zijn nog zes-en-twintig strijdbare mannen. Hoeveel geweren
zijn er?"
"Vier-en-dertig."
"Acht te veel. Houdt deze geweren geladen, en, evenals de andere,
bij de hand. De sabels en pistolen in uw gordels. Twintig man in
de barricade. Zes aan de dakvensters en aan het venster der eerste
verdieping, om door de schietgaten op de aanvallers te vuren. Geen
enkel nutteloos arbeider mag hier blijven. Aanstonds, zoodra de trom
den aanval slaat, moeten de twintig man van beneden naar de barricade
ijlen. De eerst aangekomenen zullen de beste plaatsen hebben."
Nadat deze maatregelen genomen waren, wendde hij zich tot Javert en
zeide tot hem:
"Ik vergeet u niet."
En op de tafel een pistool leggende, voegde hij er bij:
"De laatste, die van hier gaat, zal dezen spion een kogel door den
kop jagen."
"Hier?" vroeg een stem.
"Neen, dit lijk mag niet onder de onze gemengd worden. Men kan over
de kleine barricade in de steeg Mondétour klimmen. Zij is niet hooger
dan vier voet. De man is stevig gekneveld. Men zal hem daarheen voeren
en fusilleeren."
Op dit oogenblik was iemand nog koelbloediger dan Enjolras; dit
was Javert.
Thans verscheen Jean Valjean. Hij bevond zich in de groep der
opstandelingen, trad te voorschijn en zeide tot Enjolras:
"Zijt gij de kommandant?"
"Ja."
"Gij hebt mij zoo aanstonds bedankt."
"In naam der republiek. De barricade heeft twee redders, Marius
Pontmercy en u."
"Meent ge, dat ik een belooning verdien?"
"Zekerlijk."
"Welnu, dan verzoek ik ze."
"Welke?"
"Dat ik dezen man doodschiet."
Javert richtte het hoofd op, zag Jean Valjean, maakte een onmerkbare
beweging, en zeide:
"Juist zoo."
Intusschen was Enjolras bezig zijn karabijn weder te laden; hij zag
rondom zich.
"Heeft niemand er iets tegen?"
Toen zich tot Jean Valjean wendende:
"Neem den spion."
Jean Valjean nam inderdaad Javert in zijn macht, door zich op het einde
der tafel te zetten. Hij greep het pistool, en een zacht geknetter
duidde aan, dat hij den haan overhaalde.
Schier in hetzelfde oogenblik hoorde men trompetgeschal.
"Geeft acht!" riep Marius van den top der barricade.
Javert lachte, met dien stillen lach, welke hem eigen was, en de
opstandelingen strak aanschouwende, zeide hij hun:
"Gij zijt in niet veel beteren toestand dan ik."
"Allen naar buiten!" riep Enjolras.
De opstandelingen stormden voorwaarts en hoorden Javert achter hun
rug zeggen:
"Tot straks!"
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
JEAN VALJEAN WREEKT ZICH.
Toen Jean Valjean met Javert alleen was, maakte hij het touw los,
waarmede de gevangene om het lijf was gebonden en welks knoop zich
onder de tafel bevond. Daarna wenkte hij hem op te staan.
Javert gehoorzaamde met dien onbeschrijfelijken glimlach, waarin zich
het overwicht van het geboeide gezag te kennen gaf; Jean Valjean nam
Javert bij den halsstrik, zooals men een lastdier bij den halsband zou
nemen, en hem achter zich sleepende, verliet hij langzaam de herberg;
want Javert, wiens beenen gebonden waren, kon slechts zeer kleine
passen doen.
Jean Valjean had het pistool in de hand.
Dus gingen zij door het binnenste der barricade. De opstandelingen,
uitsluitend op het dreigend gevaar lettende, stonden met den rug naar
hen gekeerd.
Alleen Marius, die aan de linkerzijde der barricade stond, zag
hen voorbijgaan. Deze groep van dien veroordeelde en den beul werd
beschenen door het graflicht, dat in zijn ziel was.
Jean Valjean deed met eenige moeite den geknevelden Javert, zonder
hem echter een oogenblik los te laten, de kleine barricade der steeg
Mondétour overklimmen.
Toen zij over deze versperring waren, bevonden zij zich alleen in
de steeg. Niemand zag hen meer. De hoek der huizen verborg hen voor
de opstandelingen. Op eenigen afstand vormden de uit de barricade
gedragen lijken een gruwzamen hoop.
Men onderscheidde in dien hoop dooden een bleek gelaat, loshangend
haar, een doorschoten hand en een halfnaakte vrouwenborst. 't Was
Eponine.
Javert zag zijdelings naar deze doode en zeide zacht, met de grootste
bedaardheid:
"Mij dunkt, dat ik dit meisje ken."
Toen wendde hij zich tot Jean Valjean.
Jean Valjean nam het pistool onder den arm en vestigde op Javert een
blik, die geen woorden behoefde, om te zeggen:
"Javert, ik ben het."
Javert antwoordde:
"Neem nu uw wraak."
Jean Valjean haalde een mes uit zijn zak en opende het.
"Een mes!" riep Javert. "Gij hebt gelijk. Dat past u beter."
Jean Valjean sneed den strik door, dien Javert om den hals had,
vervolgens de touwen der handen, en, zich bukkende, het touw om de
voeten; waarna hij, zich oprichtende, zeide:
"Ge zijt vrij."
Javert was niet licht verwonderd. Welk een macht hij ook op zich
zelven had, kon hij echter zijn ontroering thans niet bedwingen. Hij
stond onbewegelijk, met open mond.
Jean Valjean hernam:
"Ik geloof niet, dat ik hier uit zal komen. Mocht het toeval
echter, dat ik behouden bleef, weet dan dat ik, onder den naam van
Fauchelevent, in de straat de l'Homme-Armé No. 7 woon."
Javert fronste het gezicht als een tijger, die zijn mond half opent,
en tusschen de tanden mompelde hij:
"Pas op!"
"Ga," zei Jean Valjean.
Javert hernam:
"Ge hebt gezegd Fauchelevent, in de straat l'Homme-Armé?"
"Nommer zeven."
Javert herhaalde halfluid: "nommer zeven."
Hij knoopte zijn jas dicht, richtte het hoofd stijf op, als een
militair, draaide zich half om, kruiste de armen, nam zijn kin in een
zijner handen, en ging heen naar den kant der Halles. Jean Valjean
oogde hem na. Na eenige schreden keerde Javert zich om, en riep Jean
Valjean toe:
"Gij brengt mij in verlegenheid. Dood mij liever!"
Jean Valjean merkte niet op, dat Javert thans minder onbeleefd tot
hem sprak.
"Ga heen," zei Jean Valjean.
Javert verwijderde zich langzaam. Een oogenblik later ging hij den
hoek der Predikersstraat om.
Toen Javert verdwenen was, loste Jean Valjean zijn pistool in de
lucht. Vervolgens keerde hij naar de barricade terug en zeide:
"'t Is verricht."
Inmiddels was het volgende gebeurd:
Marius, meer lettende op hetgeen buiten dan op hetgeen binnen was,
had tot hiertoe den achter in de donkere benedenkamer geknevelden
spion niet nauwkeurig opgemerkt.
Toen hij hem in het helder daglicht zag, terwijl hij over de barricade
klom om te gaan sterven, herkende hij hem. Plotseling kwam een
herinnering bij hem op. Hij herinnerde zich den politie-inspecteur
der straat Pontoise, en de twee pistolen welke deze hem had ter hand
gesteld en waarvan hij, Marius, zich zelf in deze barricade bediend
had; hij herinnerde zich niet alleen zijn gezicht, maar ook zijn naam.
Deze herinnering was evenwel nevelachtig en verward, evenals al zijn
denkbeelden. Hij was echter niet volkomen overtuigd, maar deed zich
zelven de vraag: "Is dit niet die inspecteur van politie, die mij
zeide, dat hij Javert heette?"
't Was misschien nog tijd om ten gunste van dien man tusschenbeide
te komen. Maar vooraf moest hij weten, of 't werkelijk deze Javert was.
Marius riep Enjolras, die zich aan het andere einde der barricade
geplaatst had:
"Enjolras!"
"Wat?"
"Hoe heet die man?"
"Wie?"
"De politieagent. Kent ge zijn naam?"
"Ja. Hij heeft hem ons gezegd."
"Hoe heet hij?"
"Javert."
Marius richtte zich op.
Op dit oogenblik hoorde men juist het pistoolschot.
Jean Valjean kwam terug en riep: "'t Is geschied."
Een doodelijke kilheid schoot door het hart van Marius.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE DOODEN HEBBEN GELIJK EN DE LEVENDEN GEEN ONGELIJK.
De doodsstrijd der barricade zou beginnen.
Alles werkte mede tot de treurige majesteit van dezen laatsten
oogenblik; duizend geheimzinnige geluiden in de lucht, het gerucht
van zich in de straten in beweging zettende drommen, die men niet
zag; het galoppeeren der cavalerie, de zware schudding der rollende
kanonnen, het peloton- en kanonvuur, dat elkaar in den Parijschen
doolhof kruiste, de rook van het gevecht, die, door de zon verguld,
boven de daken opsteeg, onverklaarbare, verschrikkelijke kreten in
de verte, overal dreigende bliksems, de stormklok van St. Merry,
die thans als gesnik klonk, de zachtheid van het jaargetijde, de
prachtige hemel vol zonneschijn en wolkjes, de schoonheid van den
dag en de vreeselijke stilte der huizen.
Want sedert den vorigen avond waren de twee rijen huizen in de
Chanvreriestraat twee muren geworden; vreeselijke muren. Gesloten
deuren, gesloten vensters, gesloten blinden.
In dien tijd, zoo geheel verschillend van dien, waarin wij ons
bevinden, toen het uur was gekomen, dat het volk een einde wilde maken
aan een te lang geduurd hebbenden toestand, aan een geoctrooieerde
grondwet, of aan een wettelijk bestuur, wanneer de algemeene toorn
in de lucht was verspreid, wanneer de stad toeliet, dat haar straten
werden opgenomen, wanneer de opstand de burgers paaide door hen het
woord orde in de ooren te fluisteren--dan was de burger, om zoo te
spreken, de hulpgenoot van den strijder, en het huis spande samen met
de geïmproviseerde vesting, die er tegen steunde. Wanneer de toestand
niet rijp was, de opstand niet bepaald was aangenomen, wanneer de
menigte de beweging afkeurde, was het met de strijders gedaan, de
stad veranderde in woestijn rondom den opstand, de harten bleven
koud, de wijkplaatsen sloten zich en de straat werd een loopgraaf,
om het leger bij de inneming der barricade te helpen.
Men laat geen volk bij verrassing sneller gaan dan het wil. Wee
dengeen, die het tot iets dwingen wil. Een volk laat zich
niet dwingen. Dan laat het den opstand aan zich zelven over. De
opstandelingen worden als pestzieken vermeden. Elk huis is een steilte,
elke deur is een weigering, elke gevel is een muur. Deze muur ziet,
hoort, maar wil niet. Zij zou zich kunnen openen en redden. Neen. Deze
muur is een rechter, hij aanschouwt en veroordeelt. O hoe vreeselijk
zijn deze gesloten huizen! Zij schijnen dood, maar leven. Het leven,
dat er als afgebroken is, blijft in stand. Niemand is er sedert
vierentwintig uren uitgegaan, maar niemand ontbreekt er. In 't midden
dier rots gaat men heen en weder, men gaat er te bed, staat op,
het gezin is er bijeen; men eet, men drinkt er; men is er angstig;
't is verschrikkelijk!
De vrees verschoont deze vreeselijke ongastvrijheid en mengt er
ontzetting onder, 't geen een verzachtende omstandigheid is. Men
heeft zelfs gezien, dat de vrees hartstocht wordt; de schrik kan in
woede veranderen, gelijk de voorzichtigheid in razernij; vandaar
de diepzinnige uitdrukking: "De verwoede gematigden." Er zijn
ontvlammingen van grenzenlooze ontzetting, waaruit, als een akelige
rook, de toorn opstijgt.--Wat willen deze lieden? Zij zijn nooit
tevreden. Zij brengen de vreedzamen in gevaar. Heeft men niet reeds
genoeg revolutiën gehad! Wat komen zij hier doen? Zoo zij er zich
niet uitredden, des te erger voor hen. Zij hebben 't zich zelven te
wijten en verdienen het. 't Gaat ons niet aan. Zie, hoe onze arme
straat van kogels doorboord is. 't Is een hoop deugnieten. Open
vooral de deur niet.--En het huis neemt de gedaante van een graf
aan. De opstandeling zieltoogt voor de deur; hij ziet het schroot
of de blanke sabels naderen; zoo hij roept, weet de vervolger, dat
men hem hoort, maar niet komen zal; daar zijn muren, die hem konden
beschermen, menschen, die hem konden redden; en deze muren hebben
ooren van vleesch, en deze menschen hebben ingewanden van steen.
Wien moet men beschuldigen?
Niemand en iedereen.
De onvolkomen tijden, welke wij beleven.
't Is steeds op haar eigen kosten en gevaar, dat een utopie in opstand
verandert, en van wijsgeerig protest tot gewapend protest overgaat,
van Minerva Pallas wordt. De utopie, die ongeduldig en opstand wordt,
weet wat zij te wachten heeft; schier altijd komt zij te vroeg. Dan
onderwerpt zij zich en neemt stoïcijnsch, in de plaats der overwinning,
de nederlaag aan. Zij dient, zonder zich te beklagen, en zelfs hen
verontschuldigende, die haar verloochenen; en zij is zoo grootmoedig er
in te bewilligen, dat men haar verlate. Zij is onbedwingbaar tegenover
de hindernis, en zachtmoedig jegens de ondankbaarheid.
Maar is het wel ondankbaarheid?
Ja, uit het gezichtspunt van het menschelijk geslacht.
Neen, uit dat van het individu.
De vooruitgang ligt in den aard van den mensch. Het algemeen leven
van het menschelijk geslacht heet vooruitgang; de gezamenlijke tred
van het menschelijk geslacht heet vooruitgang. De vooruitgang doet de
groote menschelijke en aardsche reis naar het hemelsche en goddelijke;
hij heeft rustperken, waar hij de achterblijvers wacht; hij heeft
stilstanden, waar hij overdenkt; in het gezicht van een schitterend
Kanaän, dat zich eensklaps aan den horizon onthult; hij heeft zijn
nachten dat hij slaapt, en voor den denker is het een der vlijmendste
smarten de menschelijke ziel in de schaduw te zien en in de duisternis
rond te tasten, zonder den slapenden vooruitgang te kunnen wekken.