verbaast mij. Hij leeft alleen, 't geen hem misschien een weinig
somber maakt; Enjolras klaagt over zijn grootheid, die hem aan het
weduwnaarschap verbindt. Wij allen hebben ten minste minnaressen,
die ons dol, dat wil zeggen dapper, maken. Is men verliefd als een
tijger, dan moet men ten minste wel als een leeuw vechten. Op die
wijze wreken wij ons over de streken onzer dames-grisettes. Roland
laat zich dooden, om Angélique boos te maken; al onze heldenmoed komt
van onze vrouwen. Een man zonder vrouw is een pistool zonder haan;
't is de vrouw, die den man vuur doet geven. En Enjolras heeft geen
vrouw. Hij is niet verliefd en vindt toch het middel om onverschrokken
te zijn. 't Is iets wonderbaars, dat men koud als ijs en moedig als
vuur kan zijn."
Enjolras scheen niet te luisteren, maar iemand, die dicht bij hem
ware geweest, had hem kunnen hooren fluisteren: "Patria."
Bossuet lachte nog, toen Courfeyrac riep:
"Iets nieuws!"
En met de stem eens deurwachters, die iemand aankondigt, voegde hij
er bij:
"Ik heet achtponder."
Inderdaad, een nieuw personage was op 't tooneel verschenen. 't Was
een tweede stuk geschut.
De artilleristen stelden vlug en handig dit tweede stuk in batterij
bij het eerste.
Dit bespoedigde de ontknooping.
Eenige oogenblikken later vuurden de twee stukken, die ijverig
bediend werden, tegen het front der barricade; het pelotonsvuur der
linietroepen en der voorstad ondersteunde de artillerie.
Op eenigen afstand hoorde men een andere kanonnade. Terwijl twee
kanonstukken hardnekkig de barricade der Chanvreriestraat beschoten,
havenden twee andere vuurmonden, de eene in de straat St. Denis, de
andere in de straat Aubry-le-Boucher, de barricade Saint-Merry. De
vier kanonnen vormden een akelige echo.
De treurig blaffende honden des oorlogs beantwoordden elkander.
Van de twee stukken, die nu de barricade der Chanvreriestraat beukten,
schoot het eene schroot, het andere kogels.
Het stuk dat kogels schoot was eenigszins hoog gericht, zoodat de
kogels den uitersten bovenrand raakten, dien verbrijzelden en de
brokken der straatsteenen als schroot op de opstandelingen wierpen.
Het doel was om door dit middel de strijders van de kruin der barricade
te verwijderen en hen te dwingen zich er binnen samen te dringen;
dit is een teeken dat de bestorming nabij was.
Zoodra de strijders van de kruin der barricade door de kogels, en van
de vensters der herberg door het schroot waren verjaagd, konden de
aanvalcolonnes zich in de straat wagen, zonder dat men op haar schoot,
misschien, zonder gezien te worden, plotseling de barricade beklimmen,
gelijk den vorigen avond, en, wie weet? haar bij verrassing innemen.
"Het lastige dezer stukken moet noodzakelijk verminderd worden,"
zei Enjolras en hij riep: "Vuur op de artilleristen!"
Allen waren gereed. De barricade, die sedert zoolang gezwegen had,
gaf nu geducht vuur; met een soort van woeste vreugde volgden zeven of
acht losbrandingen op elkander; de straat vulde zich met een dichten
rook, en na eenige minuten kon men door dien met vlammen gemengden
nevel onduidelijk twee derden der artilleristen onder de wielen der
kanonnen zien liggen. Zij die staande waren gebleven gingen voort
met ernstige kalmte de stukken te bedienen, maar het vuur was verzwakt.
"'t Gaat goed," zei Bossuet tot Enjolras. "Wij slagen."
Enjolras schudde het hoofd en antwoordde:
"Indien wij nog een kwartieruurs zoo slagen, zullen in de barricaden
geen tien patronen meer zijn."
Het schijnt, dat Gavroche die woorden gehoord had.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
GAVROCHE BUITEN.
Eensklaps zag Courfeyrac iemand, onder aan de barricade, buiten op
de straat, in den kogelregen.
Gavroche had een flesschenmand uit de herberg genomen, was door de
snijding uitgegaan en rustig bezig met de volle patroontasschen der
voor de barricade gesneuvelde nationale garden in zijn mand te ledigen.
"Wat doet ge daar?" vroeg Courfeyrac.
Gavroche zag even op en zeide:
"Ik vul mijn mand, burger."
"Ziet ge dan het schroot niet?"
Gavroche antwoordde:
"Welnu, het regent. Wat zou dat?"
Courfeyrac riep:
"Ga binnen!"
"Aanstonds," zei Gavroche.
En met een sprong was hij verder in de straat.
Men herinnere zich, dat toen de compagnie Fannicot terugtrok, zij
een rij lijken had achtergelaten.
Een twintigtal dooden lag over de geheele lengte der straat
verspreid. 't Waren een twintigtal patroontasschen voor Gavroche;
een voorraad patronen voor de barricade.
De kruitdamp lag boven de straat als een dichte nevel. Wie ooit op
een gebergte tusschen twee steile kloven een wolk heeft zien dalen,
kan zich dezen dichten kruitdamp tusschen twee donkere rijen hooge
huizen voorstellen. Langzaam steeg hij opwaarts en hernieuwde zich
gestadig; daardoor ontstond een trapswijze verduistering, die zelfs
het daglicht deed tanen. Nauwelijks konden de strijders elkander van
het eene tot het andere einde dezer zoo korte straat zien.
Deze, door de bevelhebbers die den aanval moesten besturen,
waarschijnlijk gewenschte en berekende verduistering, was nuttig
voor Gavroche.
Onder de plooien van dien rooksluier, kon hij wegens zijn kleinheid
tamelijk ver de straat ingaan zonder gezien te worden. Zonder groot
gevaar plunderde hij de eerste zeven of acht patroontasschen.
Hij kroop op zijn buik, liep op handen en voeten, nam de mand
tusschen zijn tanden, kronkelde, wendde zich, sloop van den eenen
tot den anderen doode en ledigde de patroontasschen gelijk een aap
een noot opent.
Men durfde van de barricade hem niet toeroepen, dat hij moest
terugkeeren, uit vrees de aandacht op hem te trekken.
Op het lijk van een korporaal vond hij een kruithoorn.
"Voor den dorst," zeide hij den hoorn in den zak stekende.
Steeds vooruitgaande kwam hij aan een plek, waar de nevel van den
kruitdamp lichter werd, zoodat de tirailleurs der linie, die achter hun
borstwering van straatsteenen stonden, en de tirailleurs der voorstad,
om den hoek der straat samengehoopt, elkander eensklaps iets wezen,
dat zich in den kruitdamp bewoog.
Juist toen Gavroche een sergeant, die bij een straatpaal lag, van
zijne patronen bevrijdde, trof een geweerkogel het lijk.
"Verduiveld!" zei Gavroche. "Nu gaat men mijn dooden dooden."
Een tweede geweerkogel deed vonken uit de straatsteenen naast hem
springen. Een derde wierp zijn mand om.
Gavroche zag op en ontdekte dat het van de nationale garden der
voorstad kwam.
Hij richtte zich geheel op, met in den wind fladderend haar, de handen
in de zijden, het oog strak op de vurende nationale garden gericht
en hij zong:
On est laid à Nanterre,
C'est la faute à Voltaire,
Et bête à Palaiseau.
C'est la faute à Rousseau. [1]
Toen nam hij zijn mand op, legde er, zonder er een te verliezen, de
patronen in, en dichter tot het geweervuur naderend, ging hij een
vierde patroontasch plunderen. Daar werd hij nogmaals schier door
een geweerkogel getroffen.
Gavroche zong:
Je ne suis pas notaire,
C'est la faute à Voltaire,
Je suis petit oiseau,
C'est la faute à Rousseau. [2]
Een vijfde geweerkogel had geen ander gevolg dan hem een derde couplet
te ontlokken.
Joie est mon caractère,
C'est la faute à Voltaire,
Misère est mon trousseau.
C'est la faute à Rousseau. [3]
Dit ging eenigen tijd zoo voort.
't Was een vreeselijk en echter bekoorlijk schouwspel. Gavroche,
op wien geschoten werd, spotte met het geweervuur. Hij scheen zich
ontzaggelijk te vermaken. Hij geleek een musch, die de jagers
pikte. Elke losbranding beantwoordde hij met een couplet. Men
mikte gestadig op hem, doch miste hem altijd. De nationale garden
en de soldaten lachten, terwijl zij op hem aanlegden. Hij ging
liggen, stond weder op, verschool zich in den hoek eener deur,
sprong voorwaarts, verdween, kwam weder te voorschijn, liep weg,
keerde terug, beantwoordde het geweervuur met een spottend gebaar,
plunderde onderwijl de patronen, ledigde de patroontasschen en vulde
zijn mand. Hijgend van angst volgden de opstandelingen hem met hun
oogen. De barricade beefde; hij zong. 't Was geen kind, 't was geen
man; 't was een zonderling bovennatuurlijk wezen in de gestalte van
een straatjongen. Men zou hem voor een onkwetsbaren dwerg van het
krijgsgewoel hebben gehouden. De kogels liepen hem na, maar hij was
vlugger dan zij. Hij speelde vreeselijk schuilhoekje met den dood;
telkens wanneer het stompe gezicht van het spooksel hem naderde,
bracht de straatjongen zijn vinger aan den neus.
Maar eindelijk trof een kogel, beter aangelegd of verraderlijker dan
de andere, den dwaallichtjongen. Men zag Gavroche wankelen, toen
ineenzinken. De geheele barricade slaakte een kreet, maar in dien
dwerg was iets van Anteus, de straat te raken is voor den straatjongen
hetzelfde als voor den reus de aarde te bezoeken; nauwelijks was
Gavroche gevallen of hij richtte zich weder op; hij bleef zitten en
een lange bloedstraal vloeide over zijn gelaat; hij hief beide armen
op, zag naar den kant, van waar het schot was gekomen, en zong:
Je suis tombé par terre,
C'est la faute à Voltaire,
Le nez dans le ruisseau,
C'est la faute à..... [4]
Hij bracht het vers niet ten einde. Een tweede kogel van denzelfden
schutter deed hem zwijgen. Nu viel hij met het gezicht op de straat,
en verroerde zich niet meer. Deze kleine groote ziel was ontvloden.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
HOE MEN VAN BROEDER VADER WORDT.
In ditzelfde oogenblik waren in den tuin van het Luxembourg,--want de
blik van het drama moet overal zijn.--twee kinderen, die elkander bij
de hand hielden. Het een mag vijf, het andere zeven jaar oud zijn
geweest. Zij waren doornat van den regen en gingen door de lanen
aan de zonzijde; het oudste geleidde het kleinste; zij waren bleek
en in lompen gekleed, en hadden 't voorkomen van schuwe vogels. Het
kleinste zeide: "Ik heb grooten honger."
De oudste, die reeds iets van een beschermer had, hield zijn broertje
bij de linker- en had een stokje in de rechterhand.
Zij waren alleen in den tuin. De tuin was eenzaam, de hekken, waren
gesloten, als politiemaatregel, uithoofde van den opstand, de troepen,
die er gebivouakkeerd hadden, waren ten strijde getogen.
Hoe waren deze kinderen dààr gekomen? Misschien waren zij uit een
even geopend wachthuis ontsnapt; misschien stond er in den omtrek
der barrière d'Enfer, of op de esplanade van het Observatoire,
of op het naburig plein, waar men op een gevel leest: invenerunt
parvulum pannis involutum [5], de tent van een koorddanser, waaruit
zij gevlucht waren; misschien hadden zij den vorigen avond het oog
der opzichters van den tuin bij de sluiting verschalkt en den nacht
in een dier huisjes doorgebracht, waar men de dagbladen leest. Wáár
was het, dat zij zwierven en vrij schenen. Wanneer men zwerft en vrij
schijnt is men verloren. Deze arme kleinen waren inderdaad verloren.
Deze twee kinderen waren dezelfde, waarover Gavroche zich bezorgd had
gemaakt, en welke de lezer zich herinnert. De kinderen der echtgenooten
Thénardier, ten huize van Magnon, vermeende kinderen van den heer
Gillenormand, en nu van al die wortellooze takken afgevallen en door
den wind verstrooide bladeren.
Hun kleeding, die tijdens Magnon zindelijk was, en haar tegenover
den heer Gillenormand tot aanbeveling diende, was in lompen veranderd.
Deze wezens behoorden voortaan tot de statistiek der "verlaten
kinderen," welke de politie opraapt, verliest en opnieuw in de straten
van Parijs vindt.
Slechts ten gevolge der verwarring van zulk een dag konden dergelijke
rampzaligen in dien tuin zijn. Zoo de opzichters hen gezien hadden,
zouden zij die lompen weggejaagd hebben. Arme kinderen mogen geen
openbare tuinen binnengaan; men moest evenwel bedenken, dat zij als
kinderen recht op bloemen hebben.
Deze hadden het aan de gesloten hekken te danken, dat zij er
waren. Zij waren er tegen de orde. Zij waren den tuin binnengeslopen
en er gebleven. De gesloten hekken ontslaan de opzichters niet van
hun waakzaamheid, en deze wordt geacht voort te duren, maar zij
wordt flauwer en neemt rust. De opzichters, die insgelijks door den
algemeenen angst waren aangegrepen en zich meer bezighielden met
hetgeen buiten dan binnen gebeurde, achtten niet meer op den tuin en
hadden de beide overtreders niet gezien.
Het had den vorigen avond geregend en ook 's morgens nog een
weinig. Maar in Juni let men niet op een weinig regen. Nauwelijks
bespeurt men een uur na een regenbui, dat de schoone dag geweend
heeft. Des zomers is de aarde even spoedig weder droog, als de wang
van een kind. Ten tijde van den zonnestilstand is het licht des vollen
middags schier stekend. Het slurpt alles op, en zuigt de aarde als
't ware uit. Men zou zeggen, dat de zon dorst heeft. Een plasregen
is een glas water; de regen is dadelijk opgedronken. Des morgens is
alles druipnat, des namiddags is alles stof.
Niets is schooner dan het groen, dat door den regen gewasschen en
door de zon gedroogd is; 't is een warme frischheid. De tuinen en
weiden, die water in hun wortels en zon in hun bloemen hebben, worden
wierooksvaten en doen al hun geuren tegelijk opstijgen. Alles lacht,
zingt en biedt zich aan. Men gevoelt zich verrukt en opgetogen. De
lente is een voorloopig paradijs; de zon helpt den mensch geduld
te oefenen.
Er zijn wezens die niets meer verlangen; levenden, die het azuur des
hemels aanschouwende, zeggen: 't is genoeg! droomers, die, in het
wonderbare verzonken, in de aanbidding der natuur de onverschilligheid
voor het goede en het kwade putten; geheel van den mensch afgetrokken
beschouwers van den cosmos, die niet begrijpen, dat men zich met
den honger van dezen, met den dorst van genen bezighoudt, met de
naaktheid van den arme des winters, met de wanschapenheid van een
ellendig klein wezen, met het armoedig strooleger en dakkamertje,
met den kerker en met in lompen van koude bibberende jonge meisjes,
wanneer men onder het geboomte droomen kan, schrikkelijk vreedzame
menschen, die onbarmhartig tevreden zijn. Zonderling, het oneindige
is voor hen voldoende. Het eindige, 't welk de omvatting toelaat,
deze groote behoefte van den mensch, kennen zij niet. Aan het eindige,
dat den vooruitgang, den verheven arbeid toelaat, denken zij niet. Het
onbepaalde, dat uit de vermenging van het menschelijke en goddelijke,
het oneindige en eindige ontstaat, ontsnapt hun. Zij glimlachen,
mits zij slechts het onmetelijke voor zich hebben. Nooit vreugd,
altijd geestvervoering. Zich in zich zelven te verdiepen is hun
leven. Voor hen is de geschiedenis der menschheid slechts een
gedeeltelijk plan, waarbij het Geheel niet is, het wezenlijk Geheel
blijft er buiten; waarom zich met deze bijzonderheid, den mensch,
bezig te houden? De mensch lijdt, 't is mogelijk; maar zie naar
Aldebaran die opgaat! De moeder heeft geen zog meer, de pasgeborene
sterft; dit gaat mij niet aan; maar zie eens die fraaie figuren van
een vezeltje van den hazelwortel onder de microscoop, de fijnste
Mechelsche kant is er niets bij. Die denkers vergeten te beminnen. De
dierenriem werkt zoodanig op hen, dat zij hen belet het weenende kind
te zien. God verduistert hun ziel. 't Is een familie van tevens kleine
en groote geesten. Horatius en Goethe behoorden tot hen, misschien ook
Lafontaine; heerlijke egoïsten van het oneindige, stille aanschouwers
der smart, die zelfs Nero bij schoon weder niet zien, voor wien de zon
den brandstapel verbergt, die zouden willen zien guillotineeren, om
daarbij de uitwerking van het licht te bestudeeren, die geen kreten,
geen geween, geen doodssnik, geen stormklok hooren; voor wie alles
goed is, wijl het Mei is, die, zoolang er purperen en gouden wolkjes
boven hun hoofden zijn, zich tevreden verklaren, en besloten hebben
gelukkig te zijn zoolang de sterren fonkelen en de vogels zingen.
't Zijn donkere helderheden. Zij vermoeden niet, dat zij te beklagen
zijn. Zij zijn het gewis. Die niet weent, ziet niet. Men moet ze
bewonderen en beklagen, zooals men een wezen zou beklagen, dat tevens
nacht en dag was, geen oogen onder de wenkbrauwen had, maar een ster
in het midden van het voorhoofd.
De onverschilligheid dier denkers is, volgens sommigen, een
verhevene wijsbegeerte. Het zij zoo; maar in deze verhevenheid ligt
gebrekkelijkheid. Men kan onsterfelijk en kreupel zijn, gelijk
Vulcanus. Men kan meer dan mensch en minder dan mensch zijn. Het
groote onvolledige ligt in de natuur. Wie weet of de zon niet blind is?
Maar wien kan men dan vertrouwen? Solem quis dicere falsum audeat? [6]
Alzoo zouden zekere geniale, zekere zeer verheven menschen,
sterrenmenschen, zich kunnen bedriegen? Zou, wat hierboven, in het
toppunt, aan de spits is en op de aarde zoo veel licht werpt, weinig,
slecht, niet zien? Is dit niet om te vertwijfelen? Neen. Maar wat is
er dan boven de zon? God.
Den 6 Juni 1832 was tegen elf uren 's morgens het Luxembourg, eenzaam
en ontvolkt, bekoorlijk. De boomgroepen en bloembedden zonden elkander
in het licht betooverende geuren toe. De takken, weelderig in het
middaglicht, schenen elkander te willen omhelzen. In de abeelen
kweelden de bastaardnachtegalen, de musschen tjilpten, de spechten
huppelden langs de kastanjeboomen en pikten in de reten der schors. De
bloembedden onderwierpen zich aan het wettige koningschap der leliën;
de heerlijkste geur is die, welke uit het witte opstijgt. Men ademde
den scherpen geur der nagelbloemen. De oude kraaien van Maria van
Midicis zaten verliefd in de hooge boomen. De zon vergulde en kleurde
de tulpen, die niets anders zijn dan alle verschillende vlammen in
bloemen veranderd. Om de tulpbedden gonsden de bijen als de vonken
van dezen gloed.
Alles was liefelijk en vroolijk; zelfs de naderende regen, die de
meibloemen en kamperfoelie zou verfrisschen, had niets verontrustends;
de zwaluwen dreigden hiermede door hun lage vlucht. Wie daar
was, ademde geluk; het leven had een aangenamen geur; de gansche
natuur wasemde onschuld, hulp, bijstand, vaderschap, liefkoozing,
morgenrood. De gedachten die uit den hemel daalden, waren zacht,
als een kinderhandje dat men kust.
De witte, naakte beelden onder de boomen droegen schaduwkleederen
vol zonnegaten; de godinnen waren door de zon in haveloozen staat
gebracht; aan alle zijden vielen de stralen om haar. Om den grooten
vijver was de aarde reeds hard gedroogd. Er was wind genoeg om hier
en daar kleine stofwolkjes te doen opgaan. Eenige dorre bladeren, die
van den vorigen herfst waren overgebleven, joegen elkander vroolijk
na en schenen te dartelen.
Het schitterend licht had iets geruststellends. Alles vloeide over van
leven, sap, warmte; men gevoelde in de schepping de onuitputtelijkheid
der bron; en al deze van liefde bezwangerde koeltjes, in deze
golving van lucht en licht, in deze wonderbare stralenpracht, in dien
oneindigen rijkdom van vloeibaar goud gevoelde men de mildheid van
het onuitsprekelijke; en achter deze pracht, als achter een vlammend
gordijn, zag men God, den millionnair van sterren.
Wegens het heldere zand was er geen plekje slijk, en wegens den
regen geen stofje. De bloemen en struiken hadden zich gewasschen;
al het fluweel, satijn, vernis, goud, dat in den vorm van bloemen
uit de aarde oprijst, was rein en onbesmet. Al deze heerlijkheid was
zuiver. De diepe stilte der gelukkige natuur vulde den tuin. Een
hemelsche stilte, gepaard aan duizenderlei muziek, het gekir der
vogelnestjes, het gegons van insecten, het ritselen van den wind. De
gansche harmonie van het jaargetijde vereenigde zich tot een liefelijk
geheel; al wat in de lente te voorschijn komt en verdwijnt, had zijn
gewonen loop; de seringen verdwenen, de jasmijnen kwamen te voorschijn;
sommige bloemen waren ten achter, eenige insecten waren te vroeg;
de voorhoede der roode kapellen van Juni verbroederde zich met de
achterhoede der witte kapellen van Mei. De platanen verwisselden
van huid. Het koeltje speelde in de prachtige kastanjeboomen. 't Was
luisterrijk! Een veteraan der naburige kazerne keek door het hek en
zeide: "De lente houdt parade in groot tenue."
De geheele natuur was aan het ontbijt; de schepping zat aan tafel;
't was het uur; het groote blauwe tafellaken was aan den hemel en het
groote groene tafellaken op de aarde uitgespreid; de zon verlichtte
dit alles à giorno. God discht den algemeenen maaltijd op. Ieder wezen
had zijn voedsel of versnapering. De houtduif vond hennepzaad, de vink
gerst, de distelvink mierik, het roodborstje wormpjes, de bij bloemen,
de vlieg insecten, de geitenmelker vliegen. Men verslond elkander wel
een weinig, 't geen de verborgenheid van het kwade in het goede is,
maar geen dier had een ledige maag.
De twee verlaten kinderen waren aan den grooten vijver gekomen,
en, door het heldere licht een weinig verlegen, poogden zij zich te
verbergen. 't Is het instinct van den arme en zwakke voor de, zelfs
niet persoonlijke, heerlijkheid. Zij bleven achter het zwanenhok.
Nu en dan hoorde men bij 't draaien van den wind onduidelijke kreten,
gerucht, een soort van woest geknetter, dat het geweervuur was,
en doffe slagen, die kanonschoten waren. Er was rook boven de daken
naar den kant der Hallen. Een klok, die scheen te roepen, luidde in
de verte.
Deze kinderen schenen die geruchten niet te hooren. De kleine herhaalde
nu en dan zacht: "Ik heb honger."
Schier tegelijk met de kinderen naderde een ander paar den grooten
vijver; een vijftigjarig man met een zesjarig knaapje aan de
hand. Vermoedelijk de vader met zijn zoon. Het zesjarig manneke had
een grooten koek in de hand.
Destijds hadden zekere huizen aan de rivierzijde, in de straten Madame
en Enfer, een sleutel van den tuin van het Luxembourg, waarvan de
bewoners gebruik maakten, wanneer de hekken gesloten waren; welke
vergunning later is opgeheven. De vader en de zoon kwamen zeker uit
een dier huizen.
De twee arme kinderen zagen den "heer" naderen en verscholen zich nog
meer. 't Was een burger, misschien dezelfde dien Marius zekeren dag
in zijn liefdekoorts, bij dienzelfden grooten vijver, zijn zoontje
den raad had hooren geven "van alle uitspattingen te vermijden." Hij
had een vriendelijk en voornaam voorkomen, en een mond, die, nooit
gesloten, altijd glimlachte. Deze werktuiglijke glimlach, door te
groote kaakbeenderen en te weinig vel veroorzaakt, toonde meer tanden
dan ziel. Het knaapje, dat in zijn koek had gebeten en er niet meer van
at, scheen verwend. De kleine was in de uniform van nationale garde,
om reden van den opstand; en de vader droeg zijn burgerkleeding,
om reden van voorzichtigheid.
Vader en zoon waren bij den vijver blijven staan, waarin de beide
zwanen dartelden. Deze burger scheen een ongemeen bewonderaar der
zwanen. Hij geleek in zooverre op hen, dat zijn tred evenals de
hunne was.
In dit oogenblik echter zwommen de zwanen, 't geen hun hoofdtalent
is en zij vertoonden zich prachtig.
Zoo de twee arme kleinen geluisterd hadden en oud genoeg waren geweest
om te begrijpen, zouden zij de woorden van een ernstig man hebben
kunnen opvangen. De vader zeide tot den zoon:
"De wijze is met weinig tevreden. Zie mij aan, mijn zoon. Ik houd van
geen pracht. Nooit ziet men mij in met goud geborduurde kleederen en
tooi; ik laat dien valschen glans aan gemeene zielen over."
Thans klonken de kreten van den kant der Hallen en het klokgelui en
het gerucht luider.
"Wat is dat?" vroeg het knaapje.
De vader antwoordde:
"'t Zijn Saturnaliën."
Eensklaps bespeurde hij de beide havelooze kinderen, die stijf achter
het groene hok der zwanen stonden.
"Dat is het begin," zeide hij.
Na eenig zwijgen voegde hij er bij:
"De anarchie is bereids dezen tuin binnengedrongen."
Ondertusschen beet de zoon in den koek, spoog de mondvol uit, en
begon te schreien.
"Waarom schreit ge?" vroeg de vader.
"Ik heb geen honger meer," antwoordde het knaapje.
De glimlach des vaders kwam meer uit.
"Men behoeft geen honger te hebben om koek te eten."
"Mij lust die koek niet; ze is oudbakken."
"Ge wilt hem niet?"
"Neen."
De vader wees hem de zwanen.
"Werp hem den zwanen toe."
De knaap aarzelde. 't Is nog geen reden zijn koek weg te geven,
wanneer men niet meer lust.
De vader hernam:
"Wees menschlievend. Men moet medelijden met de dieren hebben."
En zijn zoontje den koek afnemende, wierp hij dien in den vijver.
De koek viel dicht aan den kant van 't water.
De zwanen waren ver, in het midden van den vijver, en met een of
anderen buit bezig. Zij hadden evenmin den burger als den koek gezien.
De burger, beseffende dat de koek gevaar liep teloor te gaan en
verontrust over die nuttelooze schipbreuk, begon met de armen te
telegrapheeren, zoodat hij eindelijk de aandacht der zwanen tot
zich trok.
Zij zagen iets dat dreef, wendden zich, als schepen, en naderden
langzaam den koek, met de kalme majesteit, welke aan witte dieren
betaamt.