en de belegeraars gevallen. Aangezien de dood van den sergeant der
kanonniers de troepen had verbitterd, hadden de soldaten zich sedert
eenige oogenblikken achter de rij steenen, door hen opgericht, plat op
den buik gelegd en tegen de barricade het vuur geopend, in afwachting
dat het kanon, 't welk gedwongen was te zwijgen, weder bediend
kon worden. De opstandelingen beantwoordden het geweervuur niet,
om hun munitie te sparen. De kogels stieten af tegen de barricade,
maar vlogen vreeselijk in de straat terug.
Jean Valjean ging door de snijding in de straat, te midden van den
kogelregen, naar de matras, raapte ze op, laadde ze op zijn rug en
kwam in de barricade terug.
Hij zelf legde de matras in de snijding en plaatste ze zoodanig tegen
den muur dat de artilleristen ze niet zagen.
Toen dit verricht was wachtte men het schrootvuur af. Het bleef niet
lang uit.
Het kanon braakte brullend zijn kogels; zij werden niet meer
teruggekaatst, maar smoorden in de matras. De verwachte uitkomst was
verkregen. De barricade was behoed.
"Burger," zei Enjolras tot Jean Valjean, "de republiek dankt u."
Bossuet bewonderde en lachte. Hij riep:
"'t Is onzedelijk, dat een matras zooveel macht heeft. 't Is de
zegepraal van 't geen buigt op 't geen woedt. Om 't even, eere zij
de matras, die een kanon machteloos maakt!"
TIENDE HOOFDSTUK.
DE DAGERAAD.
Op dit oogenblik ontwaakte Cosette.
Haar kamer was klein, net, stil, met een hoog venster naar het oosten,
op de achterplaats van het huis uitziende. Cosette wist niets van
't geen in Parijs gebeurde. Zij was den vorigen avond er niet bij
en reeds naar haar kamer gegaan, toen vrouw Toussaint gezegd had:
"Er schijnt iets gaande te zijn." Cosette had niet lang, maar goed
geslapen; zij had liefelijke droomen gehad, 't geen misschien een
weinig aan de ongemeene helderheid van haar bed was te danken. Marius
was haar als in licht verschenen. Zij ontwaakte met de zon in haar
oogen, zoodat het haar aanvankelijk voorkwam als droomde zij nog.
Toen zij uit dien droom ontwaakte, was zij in opgeruimde
stemming. Cosette gevoelde zich volkomen gerustgesteld. Zij ondervond,
gelijk Jean Valjean eenige uren te voren, die omkeering der ziel,
welke volstrekt geen ongeluk wil. Zij begon met alle kracht te hopen,
zonder te weten waarom. Maar daarop werd haar hart beklemd.--Sinds
drie dagen had zij Marius niet gezien. Zij zeide tot zich zelve, dat
hij haar brief moest ontvangen hebben, dat hij wist waar zij was,
dat hij zoo schrander was en wel middel zou vinden om tot haar te
komen.--En dit zekerlijk heden, misschien denzelfden morgen.--Het was
klaarlichte dag, maar de lichtstraal was zeer horizontaal, zoodat
zij meende, dat het zeer vroeg was; dat zij echter moest opstaan,
om Marius te ontvangen.
Zij gevoelde, dat zij zonder Marius niet kon leven, dat dit bijgevolg
voldoende was, en dat Marius komen zou. Geen tegenwerping werd
aangenomen; alles was zeker en gewis. 't Was reeds erg genoeg,
drie dagen geleden te hebben. Marius drie dagen afwezig, 't was
verschrikkelijk, goede God! Thans was deze nood, deze beproeving des
Hemels doorgestaan; Marius zou komen en goede tijding medebrengen. Zoo
is de jeugd; spoedig droogt zij haar tranen; zij vindt de smart
nutteloos en neemt ze niet aan. De jeugd is de glimlach der toekomst
tegen een onbekende, die zij zelve is. 't Is voor haar zeer natuurlijk,
gelukkig te zijn. 't Is alsof zij hoop inademt.
Overigens kon Cosette zich niet herinneren, wat Marius haar nopens
deze afwezigheid had gezegd, die slechts één dag moest duren, en
welke verklaring hij er haar van gegeven had.
Iedereen heeft wel eens opgemerkt, hoe behendig een geldstukje dat
men laat vallen, zich verbergt, en hoe kunstig het zich onvindbaar
weet te maken. Er zijn gedachten, die ons denzelfden trek spelen,
zij verschuilen zich in een hoekje van ons brein: 't is gedaan; zij
zijn verloren; 't is onmogelijk ze zich te herinneren. Cosette was
een weinig verstoord over de kleine, vruchtelooze poging van haar
geheugen; zij zeide bij zich zelve, dat het slecht van haar was en
zij er wezenlijk aan misdaan had de woorden te vergeten welke Marius
tot haar had gesproken.
Zij verliet het bed en verrichtte de beide reinigingen van de ziel
en het lichaam, haar gebed en haar toilet.
Men kan desnoods den lezer een bruidskamer binnenvoeren; maar niet de
kamer eener maagd. De poëzie zou het nauwelijks wagen, het proza mag
't geheel niet.
't Is het inwendige eener nog gesloten bloem, iets helders in
de schaduw; 't is de binnenste cel eener gesloten lelie, die niet
aanschouwd mag worden door den mensch, zoolang zij niet door de zon is
aanschouwd. De vrouw in den knop is heilig. Het onschuldige bed, dat
zich ontbloot, deze hemelsche halve naaktheid, die zich zelve schuwt,
de witte voet die in een muiltje vlucht, deze hals die zich voor den
spiegel bedekt, alsof die spiegel een oog ware; het hemd, dat zich
haastig optrekt en den schouder verbergt voor een krakend meubelstuk
of een voorbijgaand rijtuig; de gebonden koordjes, de vastgehaakte
lussen, de geregen veters, de huiveringen, de rillingen van koude
en schaamte, die kiesche schuwheid aller bewegingen, die schier
gevleugelde ongerustheid, waar niets te vreezen is, de allengs zich
voltooiende kleeding, even bekoorlijk als de wolkjes van den dageraad,
't betaamt niet, dit alles te beschrijven; 't is reeds te veel het
aan te duiden.
Het oog van den man moet nog eerbiediger zijn voor het opstaan van
een jong meisje, dan voor het opgaan eener ster. De mogelijkheid
van te kwetsen moet den eerbied nog verhoogen. Het dons der perzik,
het waas der pruim, het kristal der sneeuw, de stofvleugels der kapel
zijn grove zaken, in vergelijking van deze kuischheid, die zelfs niet
weet dat zij kuisch is. De jonge maagd is slechts een heldere droom,
en nog geen beeld. Haar leger is verborgen in het donkere gedeelte
van het ideaal. Een onbetamelijke blik kwetst dit lichtbeeld. Hier
is aanschouwing ontheiliging.
Wij zullen dus niets van de liefelijke bewegingen van Cosettes
ontwaking mededeelen.
Een oostersch sprookje zegt, dat de roos door God wit was geschapen,
maar dat, toen Adam haar een oogenblik bij haar ontluiking aanschouwde,
zij beschaamd en rood werd. Wij behooren tot hen, die voor meisjes
en bloemen beschroomdheid gevoelen, wijl wij ze eerbiedwaardig vinden.
Cosette kleedde zich haastig, krulde en kapte zich, 't geen destijds
zeer eenvoudig was, toen de vrouwen haar vlechten en krullen niet
met kussentjes en steunsels opvulden en geen crinolines in het haar
droegen. Toen opende zij het raam en sloeg haar oogen rond, in de hoop
iets van de straat te ontdekken, een punt van een huis, een vakje van
de straat, om er Marius te bespieden. Maar er was niets van beiden
te zien. De achterplaats was door tamelijk hooge muren omgeven, en
daarachter waren eenige tuinen. Cosette vond deze tuinen leelijk;
voor het eerst van haar leven vond zij de bloemen onaangenaam. Een
klein gedeelte van een straatgoot zou haar liever zijn geweest. Zij
besloot eindelijk naar den hemel op te zien, als dacht zij, dat Marius
van daar zou komen.
Eensklaps begon zij te schreien. 't Was geen aandoenlijkheid van ziel;
maar een hoop, met zwaarmoedigheid gemengd; 't was haar toestand van
dien oogenblik. Zij gevoelde onduidelijk iets verschrikkelijks. Gewis
zweven de zaken in de lucht. Zij zeide bij zich zelve, dat zij van
niets zeker was; dat, wanneer men elkander uit het oog verloor, men
elkander verloren had; en het denkbeeld dat Marius uit den hemel tot
haar zou komen, scheen haar niet meer bekoorlijk, maar somber.
Eindelijk, zoo gaat het met deze wolken, keerde de rust in haar
terug, en de hoop, en een soort van onbewusten glimlach, die op
God vertrouwde.
Alles sliep nog in het huis. Er heerschte een landelijke stilte. Geen
vensterluik was nog geopend. De portiersloge was gesloten. Vrouw
Toussaint was nog niet bij de hand, en Cosette meende natuurlijk,
dat haar vader nog sliep. Zij moest veel geleden hebben en nog veel
lijden, want zij zeide bij zich zelve, dat haar vader ondeugend was
geweest; zij rekende echter op Marius. De verduistering van zulk een
licht was bepaald onmogelijk.
Bij tusschenpoozen hoorde zij op een afstand doffe schokken, en zij
zeide: 't Is zonderling, dat men de koetspoorten zoo vroeg open en
dicht slaat. 't Waren de kanonschoten tegen de barricade.
Eenige voeten beneden Cosettes venster bevond zich onder een
uitstekende lijst van den ouden, zwarten muur een zwaluwnest; de
omvang van het nestje stak een weinig over de lijst uit, zoodat men van
boven in dit kleine paradijs zien kon. Het wijfje was er en spreidde
haar vleugels als een waaier boven haar jongen uit; het mannetje
vloog heen en weder en bracht in zijn bekje voedsel en kusjes. De
opgaande zon overstroomde dit geluk met gouden stralen. De groote wet:
"vermenigvuldigt u" lag daar glimlachend en verheven, en dit liefelijke
geheim ontlook in den glans des morgens. Cosette, met het haar in het
zonlicht, de ziel in droombeelden, inwendig door de liefde, uitwendig
door het morgenrood beschenen, boog zich werktuiglijk, en, zonder zich
schier te durven bekennen dat zij tegelijkertijd aan Marius dacht,
aanschouwde zij die vogels, dat gezin, dat mannetje en wijfje, en
die jongen, met die diepe ontroering, welke een vogelnestje bij een
maagd verwekt.
ELFDE HOOFDSTUK.
HET GEWEERSCHOT DAT NIETS MIST EN NIEMAND DOODT.
Het vuur der aanvallers hield aan. Het geweer- en het
schrootvuur wisselden elkander af, zonder inderdaad veel schade te
veroorzaken. Alleen het bovengedeelte van den gevel van Corinthe
leed; het venster der eerste verdieping en de dakvensters, die door
geweerkogels en kartetsen doorboord waren, verloren hoe langer hoe
meer allen vorm. De strijders die er geposteerd waren, hadden zich
moeten verwijderen. 't Is overigens een tactiek bij den aanval van
barricaden lang het geweervuur gaande te houden, ten einde de munitie
der opstandelingen uit te putten, zoo zij den misslag begaan het
vuur te beantwoorden. Zoodra men aan de verflauwing van hun vuur
bespeurt, dat zij noch lood noch kruit meer hebben, gaat men tot
de bestorming over. Enjolras was in dien strik niet gevallen; de
barricade antwoordde niet.
Bij ieder pelotonsvuur, stak Gavroche zijn tong uit, ten teeken van
de hoogste verachting.
"Goed," zeide hij, "scheurt linnen. Wij hebben pluksel noodig."
Courfeyrac verweet het schrootvuur zijn weinige uitwerking en zeide
tot het kanon:
"Ge begint te beuzelen, goede man."
Men intrigueert in een gevecht als op een bal.
't Is waarschijnlijk dat deze stilte der barricade de belegeraars
begon te verontrusten en hun iets onverwachts deed vreezen; dat
zij de noodzakelijkheid beseften van helder door dien hoop steenen
heen te zien en te weten wat achter dien gevoelloozen muur gebeurde,
die de schoten ontving zonder ze te beantwoorden. Eensklaps zagen de
belegerden een helm, die op een naburig dak in de zon glinsterde. Een
pompier stond tegen een hoogen schoorsteen als op schildwacht. Zijn
blik viel lijnrecht in de barricade.
"Dat is een lastige toeschouwer," zei Enjolras.
Jean Valjean had aan Enjolras diens karabijn wedergegeven, maar hij
had zijn geweer.
Zonder een woord te spreken, legde hij op den pompier aan, en een
seconde later viel de helm door een kogel getroffen kletterend op de
straat. De verschrikte soldaat verdween in haast.
Een tweede opmerker nam zijn plaats in. Deze was een officier,
Jean Valjean, die zijn geweer weder geladen had, legde op den nieuw
aangekomene aan en deed den helm van den officier den helm van den
soldaat opzoeken. De officier toefde niet, maar verwijderde zich in
allerijl. Ditmaal werd de waarschuwing begrepen. Niemand verscheen
meer op het dak, en men zag er van af, de barricade te bespieden.
"Waarom hebt ge den man niet gedood?" vroeg Bossuet aan Jean Valjean.
Jean Valjean antwoordde niet.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
DE WANORDE ALS HANDLANGER DER ORDE.
Bossuet fluisterde Combeferre in 't oor:
"Hij heeft op mijn vraag niet geantwoord."
"'t Is een man, die goed doet met geweerschoten," zei Combeferre.
Zij, die nog eenige herinnering van dien reeds verwijderden tijd
bewaard hebben, weten, dat de nationale garde der voorstad zich
dapper tegen de opstanden kweet. Zij was inzonderheid verbitterd
en onverschrokken in de Junidagen van 1832. Menig goed kastelein
van Pantin en de omstreken, die ten gevolge van den opstand niets
te doen had en die zijn danszaal ledig zag, werd een leeuw en
liet zich dooden om de orde, door het danshuis vertegenwoordigd,
te herstellen. In dien tevens burgerlijken en heldhaftigen tijd
hadden de belangen hun paladijns, evenals de ideeën hun ridders
hadden. Het proza van het bewegelijke ontnam niets aan de dapperheid
der beweging. De vermindering van den geldstapel deed bankiers de
Marseillaise zingen. Men vergoot lyrisch zijn bloed voor het kantoor;
en met lacedemonische geestdrift verdedigde men den winkel, deze
oneindige verkleining van het vaderland.
't Moet gezegd worden, dat in den grond dit alles zeer ernstig was. 't
Waren de maatschappelijke elementen, die tegen elkander in strijd
kwamen, in afwachting van den dag dat zij in evenwicht zouden komen.
Een ander teeken van den tijd was de regeeringloosheid, vermengd
met regeeringsgezindheid. Men was vóór de orde, zonder tucht. Een
tamboer sloeg onverwacht op het bevel van dezen of genen kolonel
der nationale garde, naar eigen zin, een of ander signaal; deze of
gene kapitein ging op eigen gezag in 't vuur; deze of gene nationale
garde streed voor zijn idée en voor eigen rekening. In oogenblikken
van crisis en op de dagen van gevecht ging men minder te rade met
zijn chefs dan met zijn eigen neigingen. In het leger der orde waren
echte guerillero's, eenigen van den degen als Fannicot, anderen van
de pen als Henry Fonfrède.
De beschaving, die in dien tijd ongelukkigerwijs veeleer
vertegenwoordigd werd door een reeks van belangen dan door een groep
beginselen, was of waande zich in gevaar; zij slaakte den alarmkreet;
iedereen maakte zich tot een centrum, verdedigde, hielp, beschermde
haar, naar zijn zienswijze; en de eerste de beste nam de taak op zich
de maatschappij te redden.
De ijver ging vaak tot verdelging over. Menig peloton van nationale
garden vormde zich eigenmachtig tot krijgsraad, vonniste, en voerde
binnen vijf minuten het vonnis over een gevangen opstandeling uit. Zulk
een geïmproviseerde rechtbank had Jean Prouvaire gedood. Een wreede
lynchwet, welke geen partij het recht geeft een andere verwijtingen te
doen, want zij wordt zoowel in Amerika door de republiek als in Europa
door de monarchie toegepast. Deze lynchwet is onderhevig aan allerlei
vergissingen. Op een dag van opstand werd een jong dichter, genaamd
Paul-Aimé Garnier, op het Koningsplein met de bajonnet vervolgd en
ontsnapte nauwelijks door onder de koetspoort van het huis No. 6 te
vluchten. Men riep: "'t Is ook een St. Simonist!" en men wilde hem
dooden. Hij droeg een deel der gedenkschriften van den hertog de
Saint-Simon onder den arm. Een nationale garde had op dit boek het
woord "Saint-Simon," gelezen en geroepen: "Doodt hem!"
Den 6 Juni 1832 liet zich een compagnie nationale garden van de
voorstad, gecommandeerd door kapitein Fannicot, bovengenoemd,
vrijwillig en als uit vermaak in de straat Chanvrerie grootendeels
dooden. Dit feit, hoe zonderling het zij, is bevestigd door de
rechterlijke instructie ter zake van den opstand in 1832. Kapitein
Fannicot, een ongeduldig en stoutmoedig burger, een soort van
condottieri der orde, een derzulken, welke wij gekarakteriseerd hebben,
een fanatiek en onbedwongen aanhanger der regeering, kon de bekoring
niet wederstaan om vóór het bepaalde oogenblik vuur te geven, en aan
de eerzucht om alleen, namelijk met zijn compagnie, de barricade in te
nemen. Verward door de achtereenvolgende verschijning van de roode vlag
en den ouden rok, dien hij voor een zwart vaandel hield, laakte hij
luid de generaals en de chefs der korpsen, die overlegden, en meenden
dat het beslissend oogenblik der bestorming nog niet gekomen was, en,
volgens een merkwaardige uitdrukking van een hunner, "den opstand in
zijn vet lieten gaar koken." Maar hij voor zich vond de barricade rijp,
en, wijl 't geen rijp is vallen moet, beproefde hij haar aan te vallen.
Hij had het bevel over mannen, die even onverschrokken waren als hij,
"razenden," zooals een getuige zeide. Zijn compagnie, dezelfde die den
dichter Jean Prouvaire had gedood, was de eerste van het bataljon,
dat aan den hoek der straat stond. Op een oogenblik, dat men 't
het minst verwachtte, wierp de kapitein zijn manschappen tegen
de barricade. Deze beweging, met meer goeden wil dan krijgskunst
volbracht, kwam de compagnie Fannicot duur te staan. Vóór zij twee
derde van den weg had afgelegd, werd zij door een algemeen salvo der
barricade begroet. Vier, de vermetelsten, die aan de spits waren,
werden aan den voet der barricade neergeschoten, en deze moedige troep
nationale garden, die echter de militaire standvastigheid misten,
moest, na eenige weifeling, met achterlating van vijftien lijken
terugtrekken. Het oogenblik van weifeling gaf den opstandelingen den
tijd om hun geweren weder te laden, en een tweede, zeer doodelijke
losbranding trof de compagnie, vóór zij den hoek der straat, haar
wijkplaats, bereikt had. Een oogenblik stond zij tusschen twee vuren
en ontving de lading schroot uit het kanon, dat, geen bevel hiertoe
hebbende, zijn vuur niet gestaakt had. De onversaagde en onvoorzichtige
Fannicot was een der gesneuvelden. Hij werd door het kanon gedood,
dat wil zeggen: door de orde.
Deze meer verwoede, dan ernstige aanval, vertoornde Enjolras.--De
dwazen! zeide hij. Zij laten hun manschappen dooden en ons onze
ammunitie voor niets verspillen.
Enjolras sprak als een echt generaal van den opstand, gelijk hij
was. De opstand en de bedwinging strijden niet met gelijke wapens. De
opstand, die spoedig is uitgeput, heeft slechts een bepaald getal
schoten en strijders te zijner beschikking. Een ledige patroontasch,
een gesneuvelde, kunnen niet vervangen worden. Maar de bedwinging,
die het leger en Vincennes heeft, telt evenmin de manschappen als
de schoten. De bedwinging heeft evenveel regimenten als de barricade
manschappen en evenveel arsenalen als de barricade patroontasschen. Ook
zijn 't gevechten van één tegen honderd, die immer met de inneming
der barricade eindigen; tenzij de revolutie plotseling te voorschijn
kome en haar vlammend zwaard in de balans werpt. Dit gebeurt soms. Dan
komt alles in opstand, de straatsteenen beginnen te gloeien, overal
verrijzen barricaden, Parijs trilt oppermachtig, het quid divinum
lost zich op, een 10e Augustus, een 20e Juli zweven in de lucht,
een wonderbaar licht verschijnt, de gapende muil der macht wijkt, en
het leger, die leeuw, ziet voor zich, rustig, dien profeet, Frankrijk.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
VOORBIJGAANDE FLIKKERINGEN.
In den chaos van gevoelens en hartstochten, die een barricade
verdedigen, is van alles: dapperheid, jeugd, eergevoel, geestdrift,
ideaal, overtuiging, de hardnekkigheid van den speler en bovenal
tusschenpoozen van hoop.
Zulk een tusschenpoozing, een dier onduidelijke stralen van hoop,
schoot eensklaps, op het onverwachts, door de barricade der
Chanvreriestraat.
"Hoort," riep Enjolras eensklaps, steeds nauwkeurig oplettende;
"mij dunkt, dat Parijs ontwaakt."
't Is stellig, dat in den morgen van den 6den Juni de opstand
gedurende een paar uren in kracht toenam. De hardnekkigheid, waarmede
de stormklok van St. Merry voortdurend luidde, wekte eenigen op. In de
straten du Poirier en Gravilliers werden barricaden opgericht. Voor de
poort Saint Martin viel een enkel jongeling met een karabijn gewapend
een escadron cavalerie aan. Geheel ongedekt, midden op den boulevard,
viel hij op een knie neder, mikte, schoot, doodde den escadrons-chef,
en zeide, zich omkeerend: "Ziedaar, weder een die ons geen kwaad meer
zal doen." Hij werd nedergesabeld. In de straat St. Dénis schoot een
vrouw achter een nedergelaten jaloezie op de municipale garde. Bij
ieder schot zag men de jaloezielatten trillen. Een veertienjarige
knaap werd in de Cossonneriestraat aangehouden, met zijn zakken vol
patronen. Verscheiden wachtposten werden aangevallen. Bij den ingang
der straat Bertin-Poirée, werd een regiment kurassiers, aan welks spits
generaal Cavaignac de Baragne reed, door een zeer levendig en geheel
onverwacht geweervuur ontvangen. In de straat Planche-Mibray wierp
men van de daken op de soldaten potscherven en keukengereedschap;
een slecht teeken. Toen men den maarschalk Soult dit berichtte,
zette de oude officier van Napoleon een bedenkelijk gezicht, zich de
woorden herinnerende van Suchet te Sarragossa: "Wij zijn verloren,
zoo de oude vrouwen haar waterpotten op onze hoofden uitgieten."
Deze algemeene verschijnselen, welke zich openbaarden op hetzelfde
oogenblik, dat men den opstand bedwongen achtte, deze koortsige toorn,
welke de bovenhand verkreeg, die vonken, welke hier en daar over
die opeengehoopte brandstoffen vlogen, namelijk boven de Parijsche
voorsteden, dit alles verontrustte de militaire bevelhebbers. Men
haastte zich, deze beginselen van brand uit te dooven. Men
wachtte hierop met den aanval der barricaden Maubuée, Chanvrerie en
Saint-Merry, ten einde slechts met deze alleen te doen te hebben en
alles in één slag te kunnen eindigen. In de oproerige wijken werden
colonnes geworpen, die de groote straten schoonveegden, de kleine
rechts en links doorzochten, nu voorzichtig en langzaam, dan met
den stormpas. De soldaten stieten de deuren der huizen open, waaruit
geschoten was; terwijl tegelijkertijd de cavalerie de samenscholingen
op de boulevards uiteendreef. Deze bedwinging geschiedde niet zonder
dat gewoel en gerucht, 't welk aan een botsing tusschen het leger en
het volk eigen zijn. Dit was het, wat Enjolras in de tusschenpoozen
van het kanon- en geweervuur hoorde. Bovendien had hij aan het einde
der straat gekwetsten zien voorbijdragen, en hij zeide tot Courfeyrac:
"Deze gekwetsten komen niet van ons."
De hoop duurde niet lang, het licht verdween spoedig. In minder dan een
half uur was de hemel donker; 't was als een bliksem zonder donder,
en de opstandelingen voelden die soort van verlamming, waarmede
de onverschilligheid des volks de aan zich zelven overgelaten
hardnekkigen treft.
De algemeene beweging, die eensklaps scheen ontstaan te zijn, was
in de geboorte gestikt; en de zorg des ministers van oorlog en de
krijgskunst der generaals konden zich nu onverdeeld aan de drie of
vier barricaden wijden, die nog stand hielden.
De zon rees aan den horizon.
Een opstandeling zeide tot Enjolras:
"Men heeft hier honger. Zullen wij inderdaad sterven zonder gegeten
te hebben?"
Enjolras, altijd tegen de borstwering geleund, zonder zijn oogen van
het einde der straat te wenden, knikte toestemmend.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
WAARIN MEN DEN NAAM VAN ENJOLRAS' GELIEFDE LEZEN ZAL.
Courfeyrac, die dicht bij Enjolras op een steen zat, schold steeds op
het kanon, en telkens, wanneer met donderend gerucht die noodlottige
kogelwolk voorbijvloog, welke men schroot noemt, had hij er een
spottend woord voor.
"Gij vermoeit uw longen tevergeefs, mijn arme lompe oude; het spijt
mij, maar gij verspilt uw woede voor niets. Dit is geen donder,
't is maar hoesten."
En men lachte rondom hem.
Courfeyrac en Bossuet, wier moedige vroolijkheid met het gevaar
vermeerderde, vervingen, gelijk madame Scarron, het voedsel door
scherts, en wijl er geen wijn was, schonken zij ieder vroolijkheid in.