overstroomd, groene takken aan de deuren, de volken verbroederd,
de menschen rechtvaardig, de grijsaards de kinderen zegenend,
het verledene het tegenwoordige beminnend, de denkers in volkomen
vrijheid, de geloovigen volkomen gelijk, als godsdienst den hemel,
God als rechtstreeksch priester, het menschelijk geweten altaar
geworden, geen haat meer, de broederschap in de werkplaats en de
school, als straf en belooning de openbaarheid, arbeid voor allen,
recht voor allen, bovenal de vrede, geen bloedvergieten, geen oorlog
meer, gelukkige moeders! De eerste schrede is de beteugeling van het
stoffelijke; de tweede de verwezenlijking van het ideaal. Bedenkt,
wat de vooruitgang reeds heeft uitgewerkt. De eerste menschelijke
geslachten zagen met schrik voor hun oogen de hydra voorbijgaan,
die op de wateren blies, den draak, die vuur spuwde, den griffoen,
die het monster der lucht was en met de vleugels van een arend en de
klauwen van een tijger vloog; vreeselijke dieren, die boven den mensch
waren. Maar de mensch spande zijn strikken, de heilige strikken van
het verstand, en eindelijk ving hij de monsters. Wij hebben de hydra
bedwongen en zij heet stoomboot; wij hebben den draak bedwongen en hij
heet locomotief: wij zijn op het punt den griffoen te bedwingen, wij
hebben hem reeds en hij heet luchtbol. Den dag, dat dit prometheuswerk
voltooid zal zijn en de mensch aan zijn wil het drievoudig antieke
monster, de hydra, den draak en den griffoen, onderworpen heeft,
zal hij meester van het water, het vuur en de lucht zijn, en voor
het overige der bezielde schepping wat eertijds de oude goden voor
hem waren. Moed en voorwaarts! Waarheen gaan wij, burgers? Naar de
op wetenschap gegronde regeering, naar de macht der omstandigheden,
welke de eenige openbare macht is geworden, naar de wet der natuur,
die haar bekrachtiging en strafrecht in zich draagt, naar een opgaan
der waarheid, dat met het opgaan der zon in betrekking staat. Wij
gaan de vereeniging der volken, wij gaan de eenheid van den mensch te
gemoet. Geen fictiën, geen woekerplanten meer.--Het wezenlijke door het
ware geregeerd, ziedaar het doel. De beschaving zal haar vierschaar op
den top van Europa houden, en later in het middenpunt der continenten,
in een groot parlement der intelligentie. Iets dergelijks is bereids
gezien. De amphyctionen hadden jaarlijks twee vergaderingen, de
eene te Delphi, de plaats der goden, de andere aan de Thermopylen,
de plaats der helden. Ook Europa zal zijn amphyctionen hebben; de
aarde zal ze hebben. Frankrijk draagt deze verheven toekomst in zijn
schoot. 't Is de vrucht der negentiende eeuw. Wat door Griekenland
werd beproefd, is waardig door Frankrijk volbracht te worden. Hoor
naar mij, Feuilly, dapper werkman, man des volks, man der volken. Ik
vereer u. Ja, gij ziet duidelijk de toekomstige tijden; ja, gij
hebt gelijk. Gij hadt noch vader noch moeder, Feuilly, gij hebt de
menschheid voor moeder en het recht voor vader aangenomen. Ge zult
hier sterven, dat is zegevieren. Wat heden moge gebeuren, burgers,
zoowel door onze nederlaag als door onze overwinning zullen wij
een revolutie bewerken. Gelijk branden de geheele stad verlichten,
evenzoo verlichten revolutiën het geheele menschelijk geslacht. En
welke revolutie zullen wij bewerken? Ik heb het gezegd, de revolutie
van het ware. Uit het politiek gezichtspunt bestaat er slechts één
beginsel: de souvereiniteit van den mensch op zich zelven. Deze
souvereiniteit van mij op mij zelven heet vrijheid. Waar twee
of meer dier souvereiniteiten zich vereenigen, begint de staat;
maar in deze vereeniging kan niets worden afgestaan! Iedere
souvereiniteit biedt een zeker gedeelte van zich zelve aan om het
algemeene recht te vormen. Dat gedeelte, 't welk ieder aan allen in
gelijke mate afstaat, heet gelijkheid. Het algemeen recht is niet
anders, dan de bescherming van allen, die op het recht van ieder
haar stralen schiet. Deze bescherming van ieder door allen heet
broederschap. Het raakpunt van al deze vereenigde souvereiniteiten
heet maatschappij. Deze vereeniging vormt een knoop, dien men den
maatschappelijken band noemt. Sommigen zeggen maatschappelijk verbond,
't geen hetzelfde is, wijl in het woord verbond het denkbeeld van band
besloten is. Verstaan wij elkander aangaande de gelijkheid; want zoo
de vrijheid het toppunt is, is de gelijkheid de basis. De gelijkheid,
burgers, is geen even hooge wasdom van den geheelen plantengroei, geen
maatschappij van hooge grashalmen en kleine eiken; een verzameling
van ongelijksoortige grootheden, die elkander schaden; maar in het
burgerlijke voor alle bekwaamheden dezelfde kansen; in het politieke
de gelijke kracht van alle stemmen; in het godsdienstige hetzelfde
recht voor ieders geweten. De gelijkheid heeft een orgaan. Het
kosteloos en verplichtend onderwijs. Men moet met het recht op het
a, b, c beginnen. De lagere school moet aan iedereen opgelegd, het
middelbaar onderwijs voor allen toegankelijk gemaakt worden. Ziedaar de
wet. Uit de gelijke school komt de gelijkheid der maatschappij. Ja,
onderwijs! licht! licht! alles komt van 't licht en keert er in
terug. Burgers, de negentiende eeuw is grootsch, maar de twintigste
eeuw zal gelukkig zijn. Dan zal niets meer naar de oude geschiedenis
gelijken; men zal niet meer, gelijk thans, een vijandelijken inval te
vreezen hebben, een overweldiging, een gewapenden naijver der natiën,
een staking der beschaving ten gevolge van een huwelijk tusschen
koningen, een geboorte in de erfelijke tirannieën, de verdeeling van
volken door een congres, een ontleding ten gevolge van den val eener
dynastie, een strijd van twee godsdiensten, die elkander, als twee
bokken uit de schaduw op de brug van het oneindige ontmoeten; men
zal geen hongersnood, geen uitputting, geen prostitutie uit armoede,
geen ellende uit gebrek aan arbeid, geen schavot, geen zwaard,
geen veldslagen, en al de geweldadigheden van het toeval in het woud
der gebeurtenissen te vreezen hebben. Men zou schier kunnen zeggen,
dat er geen geweldige gebeurtenissen meer zullen plaats hebben. Men
zal gelukkig zijn. Het menschelijke geslacht zal zijn wet vervullen,
zooals de aardbol de zijne; de harmonie zal zich herstellen tusschen
de ziel en de ster, en zal om de waarheid wentelen gelijk de ster
om het licht. Vrienden, het uur waarin wij zijn en waarin ik tot u
spreek, is een treurig uur; maar op zulk een vreeselijke wijze wordt
de toekomst gekocht. Een revolutie is een tolgeld. O! het menschelijke
geslacht zal bevrijd, verheven en getroost worden! Dit verzekeren
wij het op deze barricade. Van waar zal men den liefdekreet slaken,
zoo niet van de hoogte der offerplaats? O, mijn broeders, 't is hier
de vereenigingsplek dergenen, die denken en dergenen die lijden;
deze barricade is niet gemaakt van straatsteenen, van balken, van oud
ijzerwerk; zij is gemaakt van twee hoopen, van een hoop denkbeelden
en een hoop smarten. De ellende ontmoet er het ideaal. De dag omhelst
er den nacht en zegt tot hem: ik ga met u sterven en gij zult met
mij herleven. Uit de omhelzing van alle droefheden ontspringt het
geloof. Hier brengen de smarten haar doodsstrijd en de ideeën hun
onsterfelijkheid. Deze doodsstrijd en deze onsterfelijkheid zullen
zich mengen en onzen dood vormen. Broeders, wie hier sterft, sterft in
den glans der toekomst en wij zullen een graf van morgenrood ingaan."
Enjolras hield eensklaps op; zijn lippen bewogen zich zwijgend, als
ging hij voort met zich zelven te spreken, zoodat zij, oplettend om
hem nog te hooren, hem aanstaarden. Er werd niet toegejuicht, maar
men fluisterde lang. Wijl het woord een adem is, gelijk het geritsel
van het verstand het geritsel der bladeren.
ZESDE HOOFDSTUK.
MARIUS VERWILDERD, JAVERT LAKONISCH.
Zeggen wij nu wat in de gedachten van Marius omging.
Men herinnere zich zijn gemoedsstemming. Wij hebben reeds gezegd,
dat alles voor hem slechts een visioen meer was. Zijn begrip was
verward. Marius was, wij moeten hierop drukken, in de schaduw der
groote donkere vleugels, die over de zieltogenden zijn uitgebreid. Hij
gevoelde zich bereids in het graf, het kwam hem voor, als ware hij
reeds aan gene zijde van den muur, en hij zag de gezichten der levenden
slechts met de oogen van een doode.
Hoe was Fauchelevent hier gekomen? Waarom was hij er? Wat kwam hij
er doen? Marius deed zich al deze vragen niet. Onze wanhoop heeft
overigens dit bijzondere, dat zij anderen evenzeer als ons zelven
omhult; het scheen hem logisch, dat iedereen kwam om te sterven.
Maar hij dacht met een beklemd hart aan Cosette.
Overigens sprak Fauchelevent niet tot hem, aanschouwde hem niet en
scheen zelfs niet te hooren, toen Marius de stem verhief om te zeggen:
"ik ken hem."
Deze houding van Fauchelevent verlichtte echter Marius, en, zoo men
zulk een woord voor zulke gewaarwordingen mag bezigen, zouden wij
zeggen, behaagde hem. Het had hem steeds een volstrekte onmogelijkheid
geschenen het woord tot dien raadselachtigen man te richten, die voor
hem evenzeer verdacht als indrukwekkend was. Bovendien was het lang
geleden, dat hij hem niet gezien had, 't geen, wegens den bedeesden,
afgetrokken aard van Marius, deze onmogelijkheid nog vergrootte.
De vijf aangewezen mannen verlieten door de steeg Mondétour de
barricade; zij geleken volkomen nationale garden. Een hunner
verwijderde zich schreiend. Voor zij heengingen, omhelsden zij de
achterblijvenden.
Toen de vijf mannen, die tot het leven waren teruggezonden, vertrokken
waren, dacht Enjolras aan den ter dood veroordeelde. Hij trad het
benedenvertrek binnen. Javert aan den paal gebonden was in gedachten.
"Hebt ge aan iets behoefte?" vroeg hem Enjolras.
Javert antwoordde:
"Wanneer zult ge mij dooden?"
"Wacht. Wij hebben op dit oogenblik al onze patronen noodig."
"Geef mij dan iets te drinken," zei Javert.
Enjolras reikte hem zelf een glas water, en dewijl Javert gebonden
was hielp hij hem drinken.
"Is dat alles?" vroeg Enjolras.
"Ik bevind mij slecht aan dezen paal," antwoordde Javert. "'t Is niet
vriendelijk van u dat ge mij den nacht zoo hebt laten doorbrengen. Bind
mij zooals 't u belieft, maar ge kunt mij wel op een tafel laten
liggen, evenals den andere."
En met eene hoofdbeweging duidde hij naar het lijk van Mabeuf.
Op den achtergrond van het vertrek stond, zooals men zich herinnert,
een lange tafel, waarop men kogels gegoten en patronen gemaakt had. De
patronen waren gereed en al het kruit was gebruikt, zoodat deze tafel
ledig was.
Op bevel van Enjolras maakten vier opstandelingen Javert van den
paal los. Terwijl men hiermede bezig was, hield een vijfde hem een
bajonnet tegen de borst. Men liet de handen op zijn rug gebonden,
bond om zijn beenen een sterk, dun touw 't welk hem veroorloofde korte
schreden van vijftien duim te doen, als om het schavot te beklimmen,
en zoo liet men hem naar de tafel achter in het vertrek gaan, waarop
men hem stevig gebonden neerlegde.
Tot meerdere zekerheid, bond men hem nog met een touw, dat van den
hals kruiswijze over de borst liep en, na tusschen de beenen te zijn
doorgegaan, aan de handen bevestigd werd.
Terwijl Javert gekneveld werd, zag een man, op den drempel der deur,
met buitengewone opmerkzaamheid naar hem. De schaduw, welke deze
man wierp, deed Javert het hoofd omwenden. Hij sloeg de oogen op en
herkende Jean Valjean. Hij ontroerde zelfs niet, sloeg trotsch de oogen
neder en zeide bij zich zelven niets dan: "'t is zeer natuurlijk."
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE TOESTAND WORDT ERGER.
Het daglicht nam spoedig toe. Maar geen venster, geen deur opende
zich. 't Was de morgenstond, maar niet de ontwaking. Het einde der
straat Chanvrerie tegenover de barricade was, zooals wij gezegd hebben,
door de troepen ontruimd; zij scheen vrij en bood de voorbijgangers
een akelige stilte aan. De straat St. Denis was even eenzaam als de
straat der sphinxen te Thebe. Geen levend wezen vertoonde zich op de
pleinen, die door een flauwen zonnestraal verlicht werden. Niets is
treuriger dan deze glans in de doodsche straten.
Men zag niets; maar men hoorde op eenigen afstand een geheimzinnige
beweging. Het was blijkbaar dat het kritiek oogenblik naderde. Evenals
den vorigen avond trokken de schildwachten terug; doch nu allen.
De barricade was sterker dan bij den eersten aanval. Na het vertrek
der vijf personen, had men haar nog verhoogd.
Op de waarschuwing van den schildwacht, die den omtrek der Hallen had
bewaakt, nam Enjolras, die een overval in den rug vreesde, een ernstig
besluit. Hij deed den korten doorgang der steeg Mondétour, die tot
hiertoe vrij was gebleven, barricadeeren. Men nam tot dit eind nog
langs eenige huizen de steenen uit de straat, zoodat de barricade,
die drie straten versperde, in het front der Chanvreriestraat,
links de Zwanenstraat en de kleine Truanderie, rechts de straat
Mondétour, inderdaad onverwinbaar was. Zij had drie fronten, maar
geen uitgang. "'t Is een vesting," zei Courfeyrac glimlachend,
"maar tevens een muizenval."
Enjolras liet bij de deur der herberg een dertigtal straatsteenen
opeenhoopen, die, zeide Bossuet, te veel uit de straat waren genomen.
Thans was de stilte, aan de zijde van waar de aanval moest komen,
zoo diep, dat Enjolras ieder zijn verdedigingspost deed hernemen.
Men deelde aan allen een rantsoen brandewijn uit.
Niets is merkwaardiger dan een barricade, die zich tegen een bestorming
gereed maakt. Ieder kiest zijn plaats, als in den schouwburg. Men leunt
op, men steunt tegen, men verschanst zich achter iets. Sommigen maken
zich een stoel van straatsteenen. Men verwijdert zich van een muur,
die hindert, men verschuilt zich achter een uitspringenden hoek, die
beschermen kan. De linkschen zijn uitmuntend; zij nemen plaatsen,
die voor anderen ongemakkelijk zijn. Velen maken zich gereed om
zittend te kunnen strijden. Men wil op zijn gemak kunnen dooden en op
confortable wijze sterven. In den noodlottigen oorlog van Juni 1848
had een opstandeling, die een onfeilbaar schutter was, zich op het
plat van een dak, een armstoel laten brengen, waaruit hij schoot;
hij werd hier door het schroot getroffen.
Zoodra de aanvoerder het sein tot het gevecht heeft gegeven, houden
alle onregelmatige bewegingen op; geen twist meer onderling, geen
oneenigheid, geen afzonderlijke troep; al wat in de gemoederen is,
loopt in één punt samen en verandert zich in afwachting van den
aanval. Een barricade is vóór het gevaar een chaos, in het gevaar
heerscht er de strengste krijgstucht. Het gevaar maakt de orde.
Zoodra Enjolras zijn karabijn met dubbelen loop had genomen en
zich bij een soort van schietgat geplaatst had, 't welk hij zich
had voorbehouden, zwegen allen. Een licht knetterend gerucht klonk
langs den straatsteenen muur. 't Waren de hanen der geweren, die
werden overgehaald.
Overigens was de houding der strijders fierder en geruster dan ooit; de
overmaat van opoffering is een versterking; zij hadden geen hoop meer,
maar wanhoop. De wanhoop is het laatste wapen, dat soms overwinning
geeft; Virgilius heeft het gezegd. Uiterste hulpmiddelen ontstaan
uit uiterste besluiten. Zich tot den dood voorbereiden is soms het
middel de schipbreuk te ontgaan, en het deksel der doodkist wordt
dan een reddingsplank.
Gelijk den vorigen avond was aller aandacht gericht naar of liever
geboeid op het einde der straat, die thans verlicht en zichtbaar was.
Het duurde niet lang. De beweging begon opnieuw duidelijk in de
richting van Saint-Leu, maar geleek niet die van den eersten
aanval. Ketengerammel, het onrustbarend hotsen van een zwaar
voorwerp, het gerinkel van metaal op de straatsteenen, een soort van
plechtig geraas kondigde aan, dat een geducht ijzerwerk in aantocht
was. Deze oude vreedzame straten, gebouwd voor het vruchtbaar verkeer
van belangen en ideeën, en niet voor het schrikkelijk gerol der
oorlogswielen, dreunden.
De woeste, strakke blikken der strijders richtten zich op het einde
der straat.
Een kanonstuk verscheen.
Artilleristen dreven het stuk voort; het was zonder voorstel; twee
artilleristen hielden het affuit opgeheven; vier waren bij de wielen;
de anderen volgden met de kruitkist. Men zag de brandende lont rooken.
"Vuur!" riep Enjolras.
De geheele barricade schoot; de losbranding was vreeselijk; een
rookwolk overdekte en omhulde het kanonstuk en de manschappen; na
eenige seconden verdween de rookwolk, en het kanon en de manschappen
kwamen weder te voorschijn; die het geschut bedienden rolden het
langzaam, regelrecht en zonder overhaasting voor de barricade.
Niemand was getroffen. Toen richtte de kommandant het stuk, met den
ernst en de bedaardheid van een sterrenkundige, die een telescoop
richt.
"Bravo, kanonniers!" riep Bossuet.
En de geheele barricade klapte in de handen.
Een oogenblik later stond het kanon in het midden der straat,
schrijlings op de goot, en richtte zijn vreeselijken mond tegen
de barricade.
"Nu aan 't werk!" riep Courfeyrac. "Ziedaar den bullebak. Na den
oorveeg, de vuistslag. Het leger steekt zijn grooten klauw naar ons
uit. De barricade zal geducht geschud worden. Het geweer tast en
beproeft, het kanon grijpt en bijt."
"'t Is een achtponder, nieuw model en van brons," voegde Combeferre
er bij. "Zulke stukken zijn onderhevig aan springen, wanneer men meer
dan tien deelen tin op honderd deelen koper neemt. Te veel tin maakt
ze te week. Daardoor komt het, dat er zich blaadjes en gaatjes in den
loop vormen. Ten einde dit gevaar te voorkomen en de lading te kunnen
versterken zou men misschien tot de handelwijze der veertiende eeuw
moeten terugkeeren, namelijk een reeks van gesoldeerde stalen ringen
om het stuk leggen."
"In de zestiende eeuw," merkte Bossuet op, "had men gegleufde
kanonnen."
"Ja," antwoordde Combeferre, "dit vermeerdert wel de werpkracht,
maar vermindert de juistheid van het schot. Wanneer men op korten
afstand schiet, heeft de kromme lijn niet de gewenschte juistheid,
de parabool is te groot, de weg dien het werptuig volgt is niet recht
genoeg om te treffen. Dit gebrek aan spanning van de kromme lijn van
het werptuig der gegleufde kanonnen in de zestiende eeuw ontstond
door de zwakke lading, welke deze soort van kanonnen vorderen, zoowel
voor het behoud der affuiten als anderszins. Kortom, het kanon, deze
despoot, kan niet wat het wil; kracht is een groote zwakheid. Een
kanonskogel legt slechts zeshonderd mijlen in het uur af; het licht
zeshonderd mijlen in een seconde. Zoo groot is het overwicht van
Jezus Christus op Napoleon."
"Laadt opnieuw," zei Enjolras.
Hoe zou zich de bekleeding der barricade onder den kogel houden? Zou
men bres schieten? Dit was de vraag. Terwijl de opstandelingen hun
geweren weder laadden, laadden de artilleristen het kanon.
De angst was groot in de barricade.
Het schot ging af en donderde.
"Present!" riep een vroolijke stem.
Juist op het oogenblik, dat de kogel tegen de barricade sprong,
sprong Gavroche er in.
Hij kwam van den kant der Zwanenstraat en was vlug over de
nevenbarricade tegenover de stegen der kleine Truanderie geklauterd.
Gavroche had meer uitwerking in de barricade dan de kogel.
De kogel had zich in het puin begraven en hoogstens een wiel van den
omnibus verbrijzeld, en de oude kar van Anceau stuk geschoten, 't
geen de barricademannen, toen zij het zagen, in lachen deed uitbarsten.
"Gaat zoo voort," riep Bossuet tot de artilleristen.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE ARTILLERISTEN NEMEN HET ERNSTIG OP.
Men omringde Gavroche.
Maar hij had den tijd niet, iets te verhalen. Marius nam hem huiverend
ter zijde en vroeg:
"Wat komt ge hier doen?"
"Wel," hernam de knaap. "En gij dan?"
En met stoute onbeschaamdheid zag hij Marius strak aan.
Zijn oogen werden grooter door de fiere helderheid welke er in lag.
Op strengen toon hernam Marius:
"Wie heeft u gezegd terug te komen? Hebt ge ten minste mijn brief
bezorgd?"
Gavroche was niet geheel zonder bekommering ten aanzien van dien
brief. In zijn haast om naar de barricade terug te keeren, had
hij er zich veeleer van ontdaan, dan hem bezorgd. Hij moest zich
zelven bekennen dat hij hem te lichtvaardig aan den onbekende had
ter hand gesteld, wiens gezicht hij zelfs niet duidelijk had kunnen
onderscheiden. 't Is waar, dat die man blootshoofds was, maar dit was
niet voldoende. Kortom hij deed zich te dier zake kleine verwijtingen
en vreesde berisping van Marius. Om zich uit de verlegenheid te redden,
nam hij het eenvoudigst middel te baat: hij loog afschuwelijk.
"Burger," zeide hij, "ik heb den brief aan den portier gegeven. De
dame sliep. Zoodra zij ontwaakt, zal zij den brief hebben."
Marius had met de zending van dien brief een dubbel oogmerk gehad:
Cosette vaarwel te zeggen en Gavroche te redden.
Hij moest zich met de helft van 't geen hij wilde tevreden stellen.
De zending van zijn brief en de tegenwoordigheid van den heer
Fauchelevent in de barricade, verscheen voor zijn geest als een
zonderlinge toevalligheid. Hij wees Gavroche den heer Fauchelevent
en vroeg:
"Kent ge dien man?"
"Neen," zei Gavroche.
Zooals men zich herinnert, had Gavroche inderdaad Jean Valjean slechts
in de duisternis gezien.
De sombere, ziekelijke gissingen, welke in Marius geest ontstaan waren,
verdwenen. Kende hij de meeningen van den heer Fauchelevent? Misschien
was Fauchelevent republikein. In dat geval was zijn tegenwoordigheid
bij dit gevecht zeer natuurlijk.
Intusschen was Gavroche reeds aan het andere einde der barricade en
riep: "mijn geweer!"
Courfeyrac deed het hem teruggeven.
Gavroche verwittigde "de kameraden," zooals hij hen noemde,
dat de barricade omsingeld was. Met de grootste moeite was hij
teruggekomen. Een bataljon linietroepen, wier geweren in de kleine
Truanderie gekoppeld stonden, hield de Zwanenstraat in het oog; terwijl
aan de tegenovergestelde zijde de municipale garde de Predikersstraat
bezette. Tegenover zich had men het gros des legers.
Na deze mededeeling voegde Gavroche er bij:
"Ik vergun u hen behoorlijk te begroeten."
Ondertusschen loerde Enjolras met gespitste ooren aan zijn schietgat.
De aanvallers, ongetwijfeld weinig tevreden met de uitwerking van
hun kanonschot, hadden het niet herhaald.
Een compagnie infanterie had het einde der straat achter het kanonstuk
bezet. De soldaten namen de steenen uit de straat en maakten daarvan
tegenover de barricade een kleinen, lagen muur, een soort van
borstwering, niet veel hooger dan achttien duim. Aan den linkerhoek
dier borstwering zag men het hoofd eener kolonne van een bataljon
der voorstad, dat in de straat St. Denis stond geschaard.
Enjolras, die luisterde, meende het eigenaardig gerucht te hooren
der schrootbussen, wanneer zij uit de kruitwagens worden genomen en
zag den kommandant van het stuk den mond van het kanon een weinig
links richten. Toen begonnen de artilleristen het stuk te laden. De
kommandant nam zelf de lont en bracht die aan het zundgat.
"Bukt! Bij den muur!" riep Enjolras, "allen op de knieën langs de
barricade!"
De opstandelingen, die verspreid voor de herberg stonden en bij
Gavroches komst hun posten hadden verlaten, ijlden dooreen naar de
barricade; maar vóór dat Enjolras' bevel volbracht was, geschiedde
een losbranding met het vreeselijk gekraak van schrootvuur. 't Was
werkelijk een schrootschot.
Het schot was gericht op de snijding der barricade, was langs den
muur geschampt en had twee man gedood en drie gekwetst.
Indien dit zoo voortging was de barricade niet lang te verdedigen. Het
schroot kwam er in.
Er ontstond een rumoer van ontsteltenis.
"Laat ons ten minste het tweede schot beletten," zei Enjolras.
Hij liet zijn geweer zinken en mikte op den kommandant van het stuk,
die, over het kanon gebogen, het op een bepaald punt richtte.
Deze kommandant was een knap sergeant der kanonniers, jong, blond, met
zeer zacht gezicht en die schrandere uitdrukking, aan dit keurwapen
eigen, 't welk, door zijne geduchtheid te volmaken, eindelijk den
oorlog zal dooden.
Combeferre, die naast Enjolras stond, beschouwde dien jongeling.
"Hoe jammer!" zei Combeferre. "Dit bloedvergieten is
afschuwelijk! Helaas, zoodra er geene koningen meer zijn, zal er
geen oorlog meer wezen. Ge mikt op dien sergeant, Enjolras, maar ge
ziet zijn gelaat niet. Stel u voor, dat 't een innemend jongeling is;
hij is moedig; men ziet dat hij denkt; die jongelieden der artillerie
zijn zeer goed onderwezen; hij heeft vader en moeder, een familie;
hij bemint waarschijnlijk; hij kan niet ouder dan vijf-en-twintig
jaar zijn; hij kon uw broeder wezen."
"Hij is 't," zei Enjolras.
"Ja," hernam Combeferre, "ook de mijne. Welnu, dooden wij hem niet."
"Laat mij begaan. Wat zijn moet, moet zijn."
En een traan vloeide langzaam over de marmeren wang van Enjolras.
Terzelfder tijd drukte hij zijn geweer af. Het lichtte. De artillerist
draaide tweemalen rond, met vooruit gestoken armen en opgeheven hoofd
als om lucht te ademen. Toen viel hij zijdelings op het kanon en bleef
bewegingloos. Men zag uit het midden van den rug een straal bloed
stroomen. De kogel was door en door de borst gegaan. Hij was dood.
Men moest hem wegdragen en vervangen. Daarmede werden werkelijk eenige
minuten gewonnen.
NEGENDE HOOFDSTUK.
AANWENDING VAN HET OUDE WILDSTROOPERSTALENT EN VAN HET ONFEILBAAR
SCHOT, DAT OP DE VEROORDEELING VAN 1796 VAN INVLOED IS GEWEEST.
De meening in de barricade was verschillend. Het kanon zou weder gelost
worden. Onder zulk een schrootvuur kon men het niet langer dan een
kwartieruurs uithouden. 't Was een volstrekte noodzakelijkheid het
schrootvuur onschadelijk te maken.
Enjolras gaf bevel:
"Er moet daar een matras gelegd worden."
"Men heeft er geene," zei Combeferre. "De gekwetsten liggen er op."
Tot hiertoe had Jean Valjean, op den hoek der herberg, alleen, op een
straatpaal, met het geweer tusschen de knieën gezeten, aan 't geen
plaats had niet het minste deelgenomen. Hij scheen de omstanders
niet te hooren, die tot elkander zeiden: "Ziedaar een geweer, dat
niets uitricht."
Toen Enjolras het bevel gaf, stond hij op.
Men herinnere zich dat, bij de komst van den volkshoop in de straat
Chanvrerie, een oude vrouw een matras voor haar venster had gehangen,
om zich tegen de kogels te beveiligen. 't Was een dakvenster van
een huis met zes verdiepingen, dat even buiten de barricade stond. De
matras rustte onder op twee droogstokken en hing boven aan twee touwen,
die aan spijkers in 't kozijn waren gebonden. Men zag deze twee touwen
duidelijk, maar fijn als een draad.
"Kan iemand mij een karabijn met dubbelen loop leenen?" zei Jean
Valjean.
Enjolras, die de zijne weder geladen had, reikte ze hem.
Jean Valjean legde aan op het dakvenster en schoot.
Een der twee touwen van de matras was stuk geschoten. De matras hing
nu nog slechts aan één touw.
Jean Valjean loste het tweede schot. Het tweede touw sloeg tegen
de glasruiten van het dakvenster; de matras gleed tusschen de twee
droogstokken en viel op de straat.
De barricade juichte.
Alle stemmen riepen:
"Wij hebben de matras!"
"Ja," zei Combeferre, "maar wie zal ze halen?"