Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
DE ELLENDIGEN
Naar het Fransch
Van
VICTOR HUGO.
Opnieuw bewerkt.
Vijfde deel.
Arnhem en Nijmegen,
Gebrs. E. & M. Cohen.
BOEK I.
DE OORLOG TUSSCHEN VIER MUREN.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE CHARYBDIS DER VOORSTAD ST. ANTOINE EN DE SCYLLA DER VOORSTAD VAN
DEN TEMPEL.
De beide merkwaardigste barricaden, waarvan de opmerker der
maatschappelijke ziekten weet, behooren niet tot het tijdvak waarin
de behandeling van dit boek valt. Deze barricaden, beide, onder
verschillende gezichtspunten, de zinnebeelden van een vreeselijken
toestand, verrezen uit de aarde tijdens den noodlottigen opstand
van Juni 1848, den grootsten straatoorlog, dien de geschiedenis
gezien heeft.
Soms gebeurt het, dat de groote wanhopige, het kanalje, uit de diepte
van zijn angsten, zijn moedeloosheid, zijn nood, zijn koortsigheid,
zijn rampspoeden, zijn peststof, zijn onwetendheid, zijn duisternis,
zelfs tegen de beginselen, de vrijheid, gelijkheid en broederschap, het
algemeene stemrecht, de regeering van allen door allen, protesteert,
en dat het gepeupel tegen het volk slag levert.
Het janhagel valt het algemeen recht aan; de ochlocratie staat op
tegen den demos.
Dit zijn treurige dagen, want zelfs in dezen waanzin is immer een
zekere hoeveelheid recht; er ligt zelfmoord in dit tweegevecht, en deze
woorden, janhagel, kanalje, ochlocratie, gepeupel, die beleedigingen
willen zijn, bewijzen, helaas! veeleer de schuld van hen die regeeren,
dan de schuld van hen die lijden; veeleer de schuld der bevoorrechten,
dan die der onterfden.
Wij voor ons spreken deze woorden nooit uit, zonder droefheid en
eerbied; want wanneer de wijsbegeerte de zaken onderzoekt, welke
deze woorden aanduiden, vindt zij er vaak veel grootheid naast
de ellende. Athene was een ochlocratie; de geuzen hebben Holland
geschapen; het gepeupel heeft meer dan eens Rome gered; en het kanalje
volgde Jezus Christus.
Geen denker, die niet soms de schitterende deugden der lagere klassen
bewonderd heeft.
Ongetwijfeld dacht de H. Jeronimus aan dit kanalje, aan al deze arme
lieden, aan al deze schooiers, aan al deze ellendigen, waaruit de
apostelen en martelaars zijn ontstaan, toen hij deze geheimzinnige
woorden sprak: Fex urbis, lex orbis.
De verbittering dezer menigte, die lijdt en bloedt, haar onzinnige
gewelddadigheden tegen de beginselen, die haar leven zijn, haar
feitelijkheden tegen het recht, dit alles zijn volksstaatsgrepen en
moeten onderdrukt worden. De eerlijke man offert er zich voor op en,
zelfs uit liefde voor die menigte, bestrijdt hij haar. Maar, hoewel
hij haar het hoofd biedt, verschoont hij haar. Hoewel hij zich tegen
haar verzet, vereert hij haar. 't Is een dier zeldzame oogenblikken,
wanneer men, doende wat men doen moet, iets gevoelt dat verbijstert
en dat schier raden zou, niet verder te gaan; men volhardt echter,
omdat men moet, maar het bevredigde geweten is treurig en de vervulling
van den plicht gaat met verscheuring van 't hart gepaard.
Wij moeten hierbij opmerken, dat Juni 1848 een feit bij uitzondering
was, een feit schier onmogelijk om in de wijsbegeerte der geschiedenis
plaats te geven. Al wat wij gezegd hebben moet ter zijde worden
gesteld, wanneer het dit buitengewone oproer geldt, waarin men den
heiligen angst van den arbeid gevoelde, die zijn rechten eischte. Dat
oproer moest bestreden worden, en 't was plicht, want het viel de
republiek aan. Maar wat was Juni 1848 eigenlijk? Een opstand van het
volk tegen zich zelf.
Waar het onderwerp niet uit het oog wordt verloren, bestaat geen
afdwaling; het zij ons dus geoorloofd een oogenblik de aandacht
van den lezer op de beide zoo geheel buitengewone barricaden te
vestigen, waarvan wij gesproken hebben en die den aard van dezen
opstand aanduidden.
De eene versperde den ingang der voorstad Saint-Antoine; de andere
verdedigde den toegang der voorstad van den Temple; zij, voor wier
oogen deze twee vreeselijke meesterstukken van den burgeroorlog onder
den schitterenden blauwen Juni-hemel oprezen, zullen ze nooit vergeten.
De barricade Saint-Antoine was reusachtig; zij had de hoogte van
drie verdiepingen en was zevenhonderd voet breed. Zij versperde
de wijde monding der voorstad van den eenen hoek tot den anderen,
dat wil zeggen drie straten; zij had ravelijnen, vertakkingen,
schietgaten, bastions, en was geschoord door steenhoopen, die op
zich zelve bolwerken waren; tegen de twee vooruitstekende lange rijen
huizen der voorstad steunenden, verhief zij zich als een cyclopen-dam
aan het einde van het schrikkelijke plein dat den 14 Juli heeft
gezien. In de straten achter deze moeder-barricade verhieven zich
nog negentien barricaden. Alleen bij haar aanblik gevoelde men in de
voorstad het ontzaggelijk stuiptrekkend lijden, dat tot die uiterste
minuut is gekomen, wanneer de nood een vreeselijke gebeurtenis dreigt
te worden. Waarvan was deze barricade gemaakt? Van de afbraak van
drie huizen, van zes verdiepingen hoog, die opzettelijk verwoest
waren, zeiden sommigen. Anderen zeiden, dat het het gewrocht van
den algemeenen toorn was. Zij had het erbarmelijk voorkomen van al
de bouwwerken van den haat: de ruïne. Men kon zeggen: wie heeft
dit gebouwd? Men kon ook zeggen: wie heeft dit verwoest? 't Was
het plotselinge werk der verbolgenheid. Ziet! deze deur, dit hek,
die luifel, deze paneelen, dit gebroken komfoor, deze gebersten
pot! Geeft alles! werpt alles er op! stoot, rolt, graaft, breekt
af, werpt alles terneder, haalt alles 't onderstboven! 't Was de
samenwerking van den straatsteen, van den bouwsteen, van den balk,
van de ijzeren staaf, van het vod, van het ingeslagen raam, van den
matteloozen stoel, van den koolstronk, van lompen, van oude plunje
en van de vervloeking. 't Was grootsch en klein! 't Was de afgrond,
door het allerlei geparodiëerd. De massa bij het stofdeeltje;
het uitgebroken muurvak bij het gebroken bord; een dreigende
verbroedering van allerlei brokstukken; Sysiphus had er zijn rots
en Job zijn potscherf geworpen. Kortom, 't was vreeselijk. 't Was de
acropolis der barrevoeters. Omvergeworpen karren vormden het talus;
een groote vrachtwagen lag er dwars op, met de as omhoog, en geleek
een sabelhouw op dezen woesten voorgevel; een omnibus, door krachtige
armen juichend op de kruin van den stapel geheschen, als hadden de
bouwmeesters van deze ruwheid aan de verschrikking guitenstreken
willen paren, bood zijn dissel aan onbekende luchtpaarden. Deze
reusachtige hoop, de aanspoeling van het oproer, bracht een Ossa op
Pelion voor den geest van alle revolutiën: 93 op 89, de 9 Thermidor
op den 10den Augustus, de 18 Brumaire op den 21 Januari, Vendémiaire
op Prairial, 1848 op 1830. Deze plek was deze moeite waardig; deze
barricade was waardig op dezelfde plaats te verschijnen, waar de
Bastille verdwenen was. Indien de oceaan dijken maakte, zou hij ze
zóó bouwen. Op deze wanstaltige versperring was de woede der baren
ingedrukt. Welke baren? de menigte. Men meende versteend rumoer te
zien. Men meende boven deze barricade de groote, sombere bijen van
den geweldigen vooruitgang te hooren gonzen, als waren zij dáár op
haar korf geweest. Was 't een haag? Was 't een dronkenmanspartij? Was
't een vesting? De verbijstering scheen het met wiekslagen gebouwd te
hebben. In deze schans was iets van een modderpoel en in deze ophooping
iets van den Olymp. Men zag er, in wanhopige verwarring, dakribben,
gedeelten van vlieringkamertjes met hun behangselpapier, vensterramen
met al hun glasruiten tusschen het puin, het kanon verwachtend,
afgebroken schoorsteenen, kasten, tafels, banken, een afgrijselijke
opeenstapeling, en die duizenden nietswaardige zaken, welke zelfs de
bedelaar wegwerpt, en die tevens woede en het niet bevatten. Men zou
gezegd hebben, dat het de oude plunje van een volk was, uit hout,
ijzer, brons en steen bestaande, en dat de voorstad St. Antoine
ze met een forschen bezemstoot aan haar deur had geworpen en van
haar ellende haar barricade maakte. Blokken, als van een schavot,
verbrijzelde ketens, palen met dwarsbalken in den vorm van galgen,
horizontaal liggende raderen, die uit het puin te voorschijn kwamen,
gaven aan dien bouw der regeeringloosheid de sombere gedaante der
oude strafwerktuigen, waarmede het volk gepijnigd werd. De barricade
St. Antoine maakte van alles wapens; al wat de burgeroorlog de
maatschappij naar het hoofd kan werpen, kwam er uit; 't was geen
gevecht, 't was het toppunt van woede; uit de karabijnen, waaronder
eenige donderbussen, werd met brokjes plateel, kleine beentjes, koten,
knoopen, zelfs met rolletjes van beddetafels geschoten, die, van koper
zijnde, zeer gevaarlijke werptuigen vormden. Deze barricade was als
razend; zij verhief een vervaarlijk getier; in sommige oogenblikken,
wanneer zij het leger uitdaagde, bedekte zij zich met drommen en storm;
een woelige hoop vlammende hoofden bekroonde haar; gewemel vulde haar;
zij had een stekelige kruin van geweren, sabels, knuppels, bijlen,
pieken en bajonnetten; een groot rood vaandel fladderde er in den
wind; men hoorde er de commandokreten, krijgsliederen, tromgeroffel,
vrouwengeween en den akeligen schaterlach van den hongerlijder. Zij
was onmetelijk en levend; en, als uit den rug van een electrisch dier,
schoot zij een fonkeling van weerlichten. De geest der revolutie
omhulde met zijn wolk dezen top, waarop de stem des volks, die de
stem Gods gelijkt, bulderde; een zonderlinge majesteit ontwikkelde
zich uit deze reusachtige opeenhooping van puin en gruis. 't Was een
mesthoop en 't was Sinaï!
Zooals wij hierboven gezegd hebben, viel zij aan in naam der
revolutie. Wat? De revolutie. Zij, deze barricade, het toeval, de
ordeloosheid, de verschrikking, het misverstand, het onbekende, zij had
tegenover zich de constitueerende vergadering, de volkssouvereiniteit,
het algemeene stemrecht, de natie, de republiek; en 't was de
Carmagnole die de Marseillaise uitdaagde.
Een dwaze, maar heldhaftige uitdaging, want deze oude voorstad is
een heldin.
De voorstad en haar bolwerk verleenden elkander bijstand.
De voorstad leunde op het bolwerk, het bolwerk steunde tegen de
voorstad. De groote barricade verhief zich als een klip, waartegen
zich de krijgskunst der generaals uit Afrika te bersten stiet. Haar
holen, uitwassen, wratten, bulten grijnslachten, om zoo te spreken,
onder den kruitdamp. Het schroot verdween er in het wanstaltige;
de houwitsers zonken er in, werden er in bedolven, verzwolgen; de
kanonskogels boorden er slechts gaten in; wat baat het den chaos te
kanonneeren? En de regimenten, gewoon aan de vreeselijkste gestalten
van den oorlog, aanschouwden met ontrusten blik dit bolwerk, dat
een wild dier, een wild zwijn door zijn stekels, een berg door zijn
hoogte geleek.
Een kwartieruurs verder, van den hoek der straat Vieille du Temple,
die op den boulevard bij het Waterkasteel uitloopt, zag men in de
verte, wanneer men waagde het hoofd voorbij het punt te steken,
gevormd door den voorgevel van den winkel van Dallemagne, aan de
overzijde van het kanaal, in de straat, die langs de steilten van
Belleville loopt, op het keerpunt der helling, een zonderlingen
muur die de tweede verdieping der voorgevels bereikte, een soort van
koppelteeken tusschen de huizen ter rechter en ter linkerzijde, alsof
de straat zelve haar hoogsten muur had omgevouwen om zich plotseling te
sluiten. Deze muur was van straatsteenen gebouwd. Hij was recht, glad,
vlak, rechtstandig, als met winkelhaak en paslood gebouwd. De kalk
ontbrak er wel aan, maar zonder dat dit, zooals bij sommige Romeinsche
muren, aan zijn nauwkeurigen bouw schaadde. Naar zijn hoogte kon men
zijn breedte raden. De kruin was evenwijdig met het voetstuk. Op zekere
afstanden onderscheidde men op de grijze oppervlakte schier onzichtbare
schietgaten, die zwarte draden geleken. Deze schietgaten waren door
even groote tusschenruimten van elkander gescheiden. Zoover men zien
kon, was de straat ledig. Al de deuren en vensters waren gesloten. Aan
het einde verhief zich deze versperring, welke van de straat een slop
maakte; 't was een beweginglooze stille muur; men zag er niemand,
hoorde er niets; geen kreet, geen gerucht, geen adem. Een graf.
De schitterende Junizon overstroomde met licht dit vreeselijk gevaarte.
't Was de barricade der voorstad van den Tempel.
Wanneer men op het terrein kwam en haar bespeurde, moest zelfs de
stoutmoedigste voor dit geheimzinnig gewrocht tot ernstig nadenken
komen. Alles was juist afgemeten, samengevoegd en somber. Er was daar
wetenschap en duisternis. Men gevoelde dat het hoofd dezer barricade
een wiskunstenaar of een spook was. Men zag dit, en sprak zacht.
Nu en dan, wanneer een soldaat, een officier of een
volksvertegenwoordiger het waagde de eenzame straat te betreden,
hoorde men een scherp, zacht gefluit, en de voorbijganger viel,
òf gekwetst òf dood, of zoo hij ontkwam, zag men in een gesloten
vensterluik, in de voegen van de steenen, in de kalk van een muur een
kogel dringen. Soms een kartetskogel. Want de mannen der barricade
hadden van twee ijzeren gasbuizen, die aan de eene zijde met ruigte
en potaarde gestopt waren, twee kleine kanonnen gemaakt. Het buskruit
werd niet nutteloos verspild. Bijna ieder schot trof. Op de straat
lagen hier en ginds eenige lijken en plassen bloed. Ik herinner mij,
dat een witte vlinder in de straat heen en weder fladderde. De zomer
verloochent zich niet.
In den omtrek waren de koetspoorten gevuld met gekwetsten.
Men gevoelde zich daar het mikpunt van iemand, dien men niet zag,
en dat over de geheele lengte der straat de geweren waren aangelegd.
Opeengehoopt achter de soort van ezelsrug, dien bij den ingang der
voorstad van den Tempel de gewelfde brug van het kanaal vormt,
aanschouwden de soldaten der aanvalskolonne ernstig en peinzend
dit somber bolwerk, dit strak, gevoelloos voorwerp, waaruit de dood
kwam. Eenigen kropen op den buik tot de hoogte der kromming van de
brug, zorgende dat hun schako's er niet boven uitkwamen.
De dappere kolonel Monteynard bewonderde deze barricade
huiverend.--"Welk een bouwstuk!" zeide hij tot een
vertegenwoordiger. "Geen enkele straatsteen, die uitsteekt. 't Is zoo
glad als porselein."--Juist verbrijzelde een kogel het kruis op zijn
borst, en hij viel.
"De lafaards!" zeide men. "Dat zij voor den dag komen! dat men hen
zie! Zij durven niet! Zij verbergen zich." De barricade der voorstad
van den Tempel, die door tachtig man verdedigd en door tien duizend
man aangevallen werd, hield zich drie dagen staande. Den vierden dag
handelde men zooals te Zaatcha en te Constantine; men brak openingen
in de huizen, kwam over de daken en de barricade werd genomen. Geen
der tachtig lafaards dacht aan de vlucht; allen sneuvelden, behalve
de aanvoerder Barthélemy, van wien wij aanstonds zullen spreken.
De barricade St. Antoine was het gerucht des donders; de barricade du
Temple was de stilte. Deze beide schansen boden het onderscheid aan
van het geduchte en het akelige. De eene scheen een muil, de andere
een masker.
Zoo men aanneemt, dat de reusachtige en duistere Juni-opstand
samengesteld was uit toorn en een raadsel, zag men in de eerste
barricade den draak, en achter de tweede den sphinx.
Beide vestingen waren opgericht door twee mannen, de eene genoemd
Cournet, de andere Barthélemy. Cournet had de barricade St. Antoine
gemaakt. Barthélemy de barricade du Temple. Iedere barricade droeg
den stempel van haar bouwmeester.
Cournet was een man van hooge gestalte, met breede schouders, rood
gezicht, verpletterende vuist, stoutmoedig hart, eerlijke ziel,
oprecht en vreeselijk oog. Hij was onversaagd, schrander, van vurige
wilskracht, de hartelijkste mensch, de vreeselijkste strijder. De
oorlog, de worsteling, het krijgsgewoel waren zijn lust en leven,
en maakten hem vroolijk. Hij was zeeofficier geweest, en aan zijn
gebaren en stem erkende men, dat hij uit den oceaan, uit den orkaan
kwam; in het gevecht zette hij den orkaan voort. Op het genie na,
was in Cournet iets van Danton, gelijk er, op de goddelijkheid na,
in Danton iets van Herkules was.
Barthélemy was mager, klein, bleek, zwijgend, een soort van treurige
straatjongen, die door een stadssergeant geslagen, op dezen loerde,
hem opwachtte en doodde, en, zeventien jaren oud, naar het bagno werd
gezonden. Hij verliet het en maakte deze barricade.
Later, toen beiden te Londen ballingen waren, doodde,
helaas! Barthélemy Cournet. 't Was een treurig tweegevecht. Eenigen
tijd later, gevangen in het raderwerk van een dier geheimzinnige
avonturen, waarin de hartstocht is gemengd, bedrijven waarin de
Fransche rechtspleging verzachtende omstandigheden, en de Engelsche
rechtspleging slechts den dood ziet, werd Barthélemy opgehangen. De
treurige maatschappij is zoodanig ingericht, dat, ten gevolge
van stoffelijke behoefte en zedelijke duisternis, dit rampzalig
wezen, dat stellig een degelijk, misschien een uitstekend verstand
bevatte, in Frankrijk met het bagno begon en in Engeland met de galg
eindigde. Barthélemy stak bij alle gelegenheden slechts één vlag op:
de zwarte vlag.
TWEEDE HOOFDSTUK.
WAT KAN MEN ANDERS IN DEN AFGROND DOEN DAN PRATEN.
Zestien jaren tellen in de onderaardsche opvoeding van den opstand,
en daarom wist Juni 1848 er meer van dan Juni 1832. De barricade
in de Chanvreriestraat was dan ook slechts een proeve, een begin,
vergeleken bij de twee reusachtige barricaden, welke wij geschetst
hebben; evenwel was zij, voor dien tijd, geducht.
Onder de oogen van Enjolras, want Marius zag naar niets meer, hadden
de opstandelingen zich den nacht ten nutte gemaakt. Niet alleen was de
barricade hersteld, maar vergroot en twee voet verhoogd. De tusschen
de straatsteenen geplante ijzeren staven geleken staande lansen. Het
van alle zijden aangebrachte en opgehoopte puin, maakte den toegang
van buiten nog moeielijker. Kunstig was de schans hervormd, inwendig
als een muur en uitwendig als een kreupelbosch.
Men had de van straatsteenen saamgevoegde trap hersteld, langs welke
men als op den muur van een citadel kon klimmen.
Men had alles in de barricade geregeld, de benedenkamer in de herberg
opgeruimd, de keuken tot hospitaal ingericht, al de gekwetsten
verbonden; men had het op den vloer en de tafels verspreide buskruit
bijeengezameld, kogels gegoten, patronen en pluksel gemaakt, de
gevallen wapens uitgedeeld, het inwendige der schans opgeruimd,
de schade hersteld en de lijken weggevoerd.
Men legde de lijken op een hoop in de straat Mondétour, van
welken men nog altijd meester was. Op die plek is de straat lang
rood geweest. Onder de dooden waren vier nationale garden uit de
voorstad. Enjolras liet hun uniformen ter zijde leggen.
Enjolras had aangeraden twee uren te slapen. Een raad van Enjolras was
een bevel. Evenwel maakten er slechts twee of drie gebruik van. Feuilly
besteedde deze twee uren met op den muur tegenover de herberg deze
woorden te griffen:
Leven de volken!
Deze drie, met een spijker in de kalk gegraveerde woorden las men
nog op dien muur in 1848.
De drie vrouwen hadden van den wapenstilstand des nachts gebruik
gemaakt om eindelijk geheel te verdwijnen, 't geen de opstandelingen
vrijer deed ademen.
Zij hadden middel gevonden om in een naburig huis de wijk te nemen.
Meest al de gekwetsten konden en wilden nog vechten. In de keuken,
die een ambulance was geworden, lagen op matrassen en bossen stroo
vijf ernstig gewonden, waarbij twee municipale garden. De municipale
garden werden het eerst verbonden.
In het benedenvertrek bevonden zich alleen nog Mabeuf, onder den
zwarten omslagdoek, en Javert, die aan den paal was gebonden.
"'t Is hier de doodenkamer," zei Enjolras.
In het midden dezer kamer, die flauw verlicht werd door een kaars
op den achtergrond, stond de tafel met den doode als een dwarsbalk
achter den paal, en beiden vormden een groot onduidelijk kruis,
veroorzaakt door Javert, die stond, en Mabeuf, die lag.
De dissel van den omnibus, hoewel door het geweervuur geknot, stond
nog, zoodat er een vlag aan gehecht kon worden.
Enjolras, die deze eigenschap van een aanvoerder had, dat hij steeds
deed hetgeen hij zeide, hechtte aan dien zonderlingen vlaggestok den
doorschoten en bebloeden rok van den gedooden grijsaard.
Geen maaltijd was meer mogelijk. Er was noch brood, noch vleesch. De
vijftig man der barricade hadden sedert de zestien uren, die zij
hier waren, spoedig den geringen voorraad der herberg uitgeput. Op
zeker oogenblik wordt iedere barricade, die zich staande houdt,
onvermijdelijk het wrak der Medusa. Men moest zich aan den honger
onderwerpen. 't Was in de eerste uren van dezen spartaanschen dag
van den zesden Juni dat Jeanne, door opstandelingen omgeven die brood
eischten, aan al deze strijders die om voedsel schreeuwden, antwoordde:
"Waarom? 't Is drie uur. Om vier uur zullen wij dood zijn!"
Daar men niet meer eten kon, regelde Enjolras het drinken. Hij verbood
den wijn, en stelde den brandewijn op rantsoen.
Men had in den kelder vijftien volle verzegelde flesschen
gevonden. Enjolras en Combeferre onderzochten ze. Toen Combeferre weder
de keldertrap opging, zeide hij: "'t Is van den ouden voorraad van
vader Hucheloup, die in den beginne kruidenier is geweest."--"'t Moet
een fijn wijntje zijn," merkte Bossuet op. "Gelukkig, dat Grantaire
slaapt. Zoo hij wakker was, zou 't moeielijk zijn deze flesschen te
redden."--In weerwil van het gemor, nam Enjolras de vijftien flesschen
in beslag, en opdat niemand er aan raken zou en zij als heilig zouden
zijn liet hij ze onder de tafel plaatsen, waarop de oude Mabeuf lag.
Tegen twee uren 's morgens werd er appèl gehouden. Er waren nog
zeven-en-dertig man.
De dag begon aan te breken. Men had de flambouw uitgedaan, die weder
in haar steenen koker was geplaatst. Het inwendige der barricade,
deze soort van kleine binnenplaats op de straat, was in duisternis
gehuld en geleek bij de flauwe ochtendschemering het dek van een
ontredderd schip. De heen- en wedergaande strijders bewogen er
zich als zwarte gestalten. Boven dit vreeselijke nest van schaduwen
teekenden zich de zwijgende gevels der huizen bleek af; en geheel
omhoog werden de schoorsteenen wit. De hemel had die bekoorlijke,
onbepaalde tint, die misschien wit, misschien blauw is. De vogels
vlogen met vroolijk getjilp. Het hooge huis achter de barricade,
dat naar het oosten stond, had een rooskleurigen weerschijn. Aan het
venstertje der derde verdieping speelde de ochtendwind met het grijze
haar op 't hoofd van den doode.
"Ik ben blij, dat men de flambouw heeft uitgedaan," zei Courfeyrac tot
Feuilly. "De in den wind flikkerende vlam verveelde mij. Zij scheen
bang te zijn. Het toortslicht gelijkt de wijsheid der bloodaards;
het verlicht slechts, wijl het beeft."
De dageraad wekt de geesten, evenals de vogelen; allen spraken.
Joly, een kat in een dakgoot ziende zwerven, trok hieruit de volgende
wijsbegeerte:
"Wat is de kat?" sprak hij. "'t Is een middel van herstel. Toen de
goede God de muis had geschapen, zeide hij: "Zie, ik heb een domheid
gedaan. En hij schiep de kat. De kat is het erratum der muis. De muis
met de kat te zamen is de herziene en verbeterde proef der schepping."
Combeferre, omringd door studenten en werklieden, sprak van de
gesneuvelden, van Jean Prouvaire, van Bahorel, van Mabeuf en zelfs
van Cabuc, alsmede van Enjolras' strenge droefheid. Hij zeide:
"Harmodius en Aristogiton, Brutus, Chereas, Stephanus, Cromwell,
Charlotte Corday, Sand, allen hebben, na zij hunne daad verricht
hadden, een oogenblik van angst gehad. Ons hart is zoo weifelend,
en het menschelijk leven zulk een verborgenheid, dat, zelfs bij een
burgerlijken, zelfs bij een bevrijdenden moord, om dien zoo te noemen,
de wroeging van een mensch verslagen te hebben, de vreugd overtreft
van het menschelijk geslacht tot nut te zijn geweest."
En door eene wending der gedachten, vergeleek Combeferre een minuut
later, naar aanleiding der verzen van Jean Prouvaire, onderling de
vertalers der Georgiques, Raux met Cournand, Cournand met Delille, wees
op eenige passages door Malfilâtre vertaald, bijzonder op de wonderen
bij Cesars dood; en door het woord Cesar kwam het gesprek op Brutus.
"Cesar," zei Combeferre, "viel met recht. Cicero was streng jegens
Cesar en hij had gelijk. Deze strengheid is geen hekeling. Wanneer
Zoïlus Homerus veroordeelt, Maevius Virgilius, Visé Molière, Pope
Shakspeare, Freron Voltaire, is dit volgens de oude wet van afgunst en
nijd; het genie lokt berisping uit, groote mannen worden altijd min of
meer aangeblaft. Maar tusschen Zoïlus en Cicero is onderscheid. Cicero
was een rechter met de gedachte, evenals Brutus een rechter met het
zwaard is. Ik voor mij laak deze laatste gerechtigheid, het zwaard;
maar de ouden lieten haar gelden. Cesar, die den Rubicon overtrok,
die de waardigheden, welke van het volk kwamen, uitdeelde alsof
ze van hem kwamen, die niet opstond bij de komst van den senaat,
en, gelijk Eutropius zegt, als koning, schier als tiran handelde,
regia ac paenè tyrannica. Hij was een groot man, des te beter of des
te slechter; de les komt des te hooger. Zijn drie-en-twintig wonden
treffen mij minder dan de bespuwing van Christus' aangezicht. Cesar
werd door de senatoren doorstoken; Christus werd door knechten in
't gezicht geslagen. Bij dezen grooteren hoon gevoelt men den God."
Bossuet, die met een karabijn in de hand op een hoop steenen boven
de sprekers stond, riep:
"O Cydathenaeum, o Myrrhinus, o Probalynthes, o gratiën van de
Aeantide! O, wie zal mij de verzen van Homerus leeren uitspreken als
een Griek van Laurium of van Edapteon!"
DERDE HOOFDSTUK.
VERLICHTING EN VERDUISTERING.
Enjolras was op verkenning uitgegaan. Langs de huizen sluipend had
hij zich door de steeg Mondétour begeven.
De opstandelingen, wij moeten het zeggen, waren met hoop vervuld. De
wijze, waarop zij den nachtelijken aanval hadden afgeslagen, deed hen
reeds bij voorbaat den aanval van den dageraad schier verachten. Zij
wachtten hem glimlachend af. Zij twijfelden evenmin aan den goeden
uitslag als aan hun zaak. Bovendien zou er spoedig hulp opdagen. Daarop
rekenden zij. Met die lichtheid, waarmede men zich de zegepraal
voorspelt, welke een der deugden van den Franschen krijgsman is,
verdeelden zij den aanbrekenden dag in drie tijdperken: te zes uren
's morgens zou een regiment, "dat men bewerkt had" omkeeren; des
middags Parijs in volslagen opstand; met zonsondergang revolutie.
Men hoorde de stormklok van St. Merry, die sedert den vorigen avond
geen oogenblik gezwegen had; een bewijs dat de andere barricade,
de groote, die van Jeanne, zich nog altijd staande hield.
Deze hoop werd van de eene groep naar de andere overgebracht, met
een verheugd en tevens vreeselijk gefluister, het oorlogsgegons van
een zwerm bijen gelijkende.
Enjolras verscheen weder. Hij kwam terug van zijn adelaarsvlucht in
de duisternis buiten de barricade. Met over de borst gekruiste armen,
met de hand aan zijn mond, luisterde hij een oogenblik naar deze
verheuging. Toen, frisch en blozend in het toenemend morgenlicht,
zeide hij:
"Het geheele leger van Parijs is op de been. Een derde van dat leger
bedreigt de barricade, waar gij zijt. Bovendien de nationale garde. Ik
heb de schako's van het vijfde linieregiment en de guidevlagjes van het
zesde legioen herkend. Binnen een uur zult ge aangevallen worden. Wat
het volk betreft, gisteren was het in gloed, maar van morgen verroert
het zich niet. Er is niets te verwachten, niets te hopen. Evenmin
van een voorstad als van een regiment. Ge zijt aan uw lot overgelaten."
Deze woorden vielen op de fluisterende groepen en maakten een indruk
als de eerste regendroppels van een onweersbui op een samengeschoolde
menigte. Allen verstomden. Een oogenblik van onuitsprekelijke stilte
ontstond en men had den dood kunnen hooren voorbijzweven.
Dat oogenblik was kort.
Een stem uit het donkerst gedeelte der groepen riep Enjolras toe:
"Welnu; laat ons de barricade tot twintig voet verhoogen en allen
er blijven. Burgers, protesteeren wij als lijken. Toonen wij, dat
zoo het volk de republikeinen verlaat, de republikeinen het volk
niet verlaten."
Deze woorden verdreef de smartelijke angstwolk van ieders geest. Met
daverenden bijval werden zij toegejuicht.
Men heeft nooit den naam geweten van den man, die dus gesproken had;
't was een onbekende, een vergeten kielman, een voorbijgaande held,
het groote geheimzinnige, dat altijd bij groote gebeurtenissen der
menschheid en maatschappelijke herscheppingen tegenwoordig is, dat op
een zeker oogenblik op gebiedende wijze het beslissende woord spreekt
en in de duisternis verdwijnt, na gedurende een minuut in het licht
van een bliksemstraal God en het volk vertegenwoordigd te hebben.
Dit onwrikbaar besluit lag zoozeer in de lucht van den 6den Juni 1832,
dat schier in denzelfden oogenblik de opstandelingen der barricade
van Saint-Merry dezen kreet aanhieven, die historisch gebleven en in
de gerechtsstukken vermeld is: "Men moge ons te hulp komen of niet,
't is ons onverschillig! Wij willen hier sneven tot den laatsten man."
Zooals men ziet, waren beide barricaden, hoewel zij stoffelijk
gescheiden waren, met elkander in gemeenschap.
VIERDE HOOFDSTUK.
VIJF MINDER, EEN MEER.
Nadat de man, wie hij dan ook geweest moge zijn, die het protest
der lijken decreteerde, gesproken en aan het algemeen gevoelen een
uitdrukking gegeven had, ging uit aller mond een zonderling tevreden,
een vreeselijke kreet op, waarvan de zin treurig, maar de toon
zegevierend was:
"Leve de dood! Blijven wij allen hier!"
"Waarom allen?" vroeg Enjolras.
"Allen! Allen!"
Enjolras hernam:
"De stelling is goed en de barricade fraai. Dertig man zijn
voldoende. Waarom er veertig geofferd?"
Zij antwoordden:
"Wijl niemand zal willen heengaan."
"Burgers!" riep Enjolras, en zijn stem beefde schier van verstoordheid,
"de republiek is niet rijk genoeg aan mannen om ze nutteloos te
verspillen. De roem is een betooverend lokaas. Zoo het voor eenigen
plicht is zich te verwijderen, moet deze plicht vervuld worden evenals
iedere andere."
Enjolras, de man van beginselen, had op zijn geestverwanten die soort
van almacht, welke zich tot het absolute uitstrekt. Hoe groot die
almacht mocht zijn, men morde echter.
Enjolras, die tot aan de toppen der vingers aanvoerder was, zag,
dat men morde, en bleef bij zijn woord. Hij hernam op hoogen toon:
"Dat zij, die vreezen met minder dan dertig te zijn, spreken."
Het gemor vermeerderde.
"'t Is overigens," merkte een stem in een groep aan, "gemakkelijk te
zeggen heen te gaan. Maar de barricade is omsingeld."
"Niet aan den kant der Hallen," zei Enjolras. "De straat Mondétour
is vrij en door de Predikerstraat kan men de Markt des Innocents
bereiken."
"En dáár," hernam een andere stem in de groep, "zal men gevat
worden. Men zal er in een sterken post van linietroepen of der voorstad
vallen. Zij zullen iemand met kiel en pet zien voorbijgaan en hem
vragen: Van waar komt ge? Zoudt ge ook tot de barricade behooren? En
men beziet uw handen, ge riekt naar buskruit. Doodgeschoten."
Zonder te antwoorden, tikte Enjolras Combeferre op den schouder en
beiden gingen in het benedenvertrek.
Een oogenblik later verlieten zij het weder. Enjolras hield over
beide handen de vier uniformen, welke hij had doen ter zijde leggen;
Combeferre volgde hem en droeg het lederwerk en de schako's.
"Met deze uniformen," zei Enjolras, "mengt men zich onder de soldaten
en ontsnapt. Hier zijn er althans voor vier."
En hij wierp de vier uniformen op de ongeplaveide straat.
Niemand van de stoïcijnsche toehoorders bewoog zich. Combeferre nam
het woord.
"Welaan," zeide hij, "men moet een weinig medelijden hebben. Weet
ge wat hier de zaak is? Het geldt de vrouwen. Laat zien. Zijn er
vrouwen, ja of neen? Zijn er kinderen, ja, of neen? Zijn er moeders,
die met den voet een kind in slaap wiegen en door een aantal andere
kleine kinderen omringd zijn? Dat hij, die nooit de borst eener moeder
gezoogd heeft, de hand opsteke. Ge wilt u doen dooden, goed; ik wil
't ook, ik die tot u spreek; maar ik wil geen schimmen van vrouwen
de handen wringend om mij zien waren. Sterft, het zij zoo, maar laat
geen anderen sterven. Zelfmoorden, als die hier zullen plaats hebben,
zijn verheven, maar de zelfmoord is beperkt en wil geen uitbreiding;
en zoodra hij uw naasten treft, heet zelfmoord doodslag. Denkt aan
de blonde kopjes en aan de grijze haren. Luistert, Enjolras heeft
mij gezegd, dat hij straks om den hoek der Zwanenstraat een verlicht
venster, een kaars voor een armoedig venster der vijfde verdieping
heeft gezien, en tegen het glas de waggelende schaduw van het hoofd
eener oude vrouw, die den geheelen nacht scheen gewaakt en gewacht
te hebben. Zij is misschien de moeder van een uwer. Dat deze dus ga
en zich haaste aan zijn moeder te zeggen: Hier ben ik, moeder! Hij
moge gerust zijn, het werk zal hier evenwel verricht worden. Wanneer
men zijn naastbestaanden door zijn arbeid onderhoudt, heeft men
het recht niet zich op te offeren. Dit zou 't zelfde wezen als zijn
familie heimelijk te ontvluchten. En zij, die dochters, die zusters
hebben! Hoe kunnen zij er aan denken? Ge laat u doodschieten, ge zijt
dood; goed, maar morgen? Jonge meisjes, die geen brood hebben! 't is
verschrikkelijk! De man bedelt, de vrouw verkoopt. O deze lieve, zoo
bekoorlijke zachte wezens, die het huis met kieschheid vullen, die
zingen, praten, die een bekoorlijken geur gelijken, die het bestaan
der engelen in den hemel bewijzen door de reinheid der maagden op
de aarde, Johanna, Lisa, Mimi, deze aanbiddelijke brave wezens,
die uw zegen en trots zijn, deze zullen gebrek lijden! Wat zal ik u
zeggen? Er is een markt van menschenvleesch; en als ge dood zijt,
kunt ge haar niet beletten er heen te gaan. Denkt aan de straat,
denkt aan de menigte, die haar betreden; denkt aan de winkels, waar
vrouwen met wulpschen opschik en op het slijk heen en wedergaan. Deze
vrouwen zijn vroeger ook onschuldig geweest. Zij, die zusters hebben,
mogen hieraan denken. Armoede, prostitutie, stadssergeanten, de
gevangenis. St. Lazare, ziedaar waartoe deze teedere, schoone meisjes,
deze broze wonderen van schaamte, lieftalligheid en schoonheid,
frisscher dan de seringen der maand Mei, zullen komen. Ha, gij
hebt u laten dooden! Gij zijt er niet meer! goed; ge hebt het volk
aan het koningschap willen ontrukken, en gij geeft uw dochters aan
de politie over. Vrienden, weest voorzichtig, hebt medelijden. Die
vrouwen, die ongelukkige vrouwen! men is niet gewoon er veel over na
te denken. Men verlaat er zich op, dat de vrouwen geen opvoeding als
die van den man hebben genoten, men belet ze te lezen, te denken,
zich met de staatkunde bezig te houden; zult ge haar beletten van
avond naar de morgue (het lijkenhuis) te gaan om er uw lijken te
herkennen? Hoort, zij die een gezin hebben, moeten goede jongens zijn,
ons een handslag geven en heengaan, en ons hier alleen het werk laten
verrichten. Ik weet, dat er moed toe behoort om heen te gaan; 't is
zwaar; maar hoe zwaarder des te verdienstelijker. Men zegt: Ik heb
een geweer, ik ben in de barricade en blijf er. 't Is spoedig gezegd,
vrienden. Er komt een dag na dezen, en op dien dag zult gij er niet
meer zijn; maar uw gezinnen zullen er zijn en lijden! Ziet dat lieve
gezonde kind met koontjes als een appel, dat babbelt, praat, lacht,
welks frischheid men voelt als men het kust, weet ge wat er van wordt
als het verlaten is? Ik heb er een gezien, niet grooter dan dit. Zijn
vader was dood. Arme lieden hadden het uit barmhartigheid tot zich
genomen; maar zij hadden voor zich zelven geen brood. Het kind had
altijd honger. 't Was winter. Het weende niet. Men zag het de kachel
naderen, waarin nooit vuur was en wier pijp met klei was gestopt. Met
zijn vingertjes maakte het kind een weinig van deze klei los en
at ze. Het had een heesche stem, een bleek gezicht, zwakke beenen,
dikken buik. Het sprak niet. Wanneer men het toesprak, antwoordde
het niet. Het stierf. Men had het naar het hospitaal Necker gebracht,
waar ik het heb zien sterven. Ik behoorde tot de kweekelingen in dat
hospitaal. Zijn er nu vaders onder u, die het geluk hebben Zondags
te gaan wandelen met hun kind, en zijn kleine handje in hun trouwe,
ruwe hand te houden, dat ieder dezer vaders zich voorstelle, dat dit
kind het zijne is. De arme kleine, ik herinner mij hem nog goed, en 't
is alsof ik hem nog naakt op de ontleedtafel zie liggen. Zijn ribben
staken onder het vel uit, gelijk de grafkuilen van onder het gras
op een kerkhof. Men vond in zijn maag een soort van slijk. Tusschen
zijn tanden was asch. Welaan, tast in uw geweten en raadpleegt met uw
hart. De statistieken bewijzen, dat de sterfte der verlaten kinderen
vijf-en-vijftig percent is. Ik herhaal, dat het hier de vrouwen,
de moeders, de jongedochters, de kinderen geldt. Men spreekt van
u niet; men weet wie ge zijt; men weet, voor den drommel! dat gij
allen moedig zijt, men weet, dat gij allen van harte met blijdschap
en trots uw leven voor de groote zaak geven wilt; men weet, dat ge
u uitverkoren voelt om een edelen, roemrijken dood te hebben en dat
ieder uwer zijn deel van de overwinning begeert. Goed! Maar ge zijt
niet alleen op de wereld. Er zijn andere wezens, waaraan gij denken
moet. Men mag niet zelfzuchtig zijn."
Allen lieten treurig het hoofd zinken.
Zonderlinge tegenstrijdigheid van het menschelijk hart in zijn
verhevenste oogenblikken! Combeferre, die aldus sprak, was niet
ouderloos. Hij herinnerde zich de moeders der anderen en vergat de
zijne. Hij wilde zich laten dooden. Hij zelf was "zelfzuchtig!"
Marius, zonder voedsel, koortsig, allengs alle hoop verloren hebbende,
verzonken in smart, de treurigste schipbreuk van allen, vervuld van
geweldige aandoeningen en het einde voelende naderen, had zich hoe
langer hoe meer aan die verdooving overgegeven, welke het noodlottig
oogenblik, dat vrijwillig wordt aangenomen, voorafgaat.
Een physioloog had bij hem de toenemende verschijnselen dier in
de wetenschap bekende en gerangschikte koortsachtige overspanning
kunnen opmerken, die in het lijden is, wat de verheuging is in het
vermaak. Ook de wanhoop heeft haar vervoering. Marius was zoo ver
gekomen. Hij was bij alles tegenwoordig, zonder het op te merken;
hetgeen onder zijn oogen gebeurde, scheen hem als op verren afstand;
hij had een gevoel van het geheel, maar merkte de bijzonderheden niet
op. Hij zag de heen en weder gaanden als door een schaduw. Hij hoorde
hen spreken alsof hun stemmen uit een afgrond kwamen.
Het laatste tooneel greep hem echter aan. In dat tooneel was een
punt, die tot hem doordrong en hem deed ontwaken. Hij had slechts
ééne gedachte, die van te sterven, en hij wilde die gedachte niet
verdrijven; maar in zijn somber somnambulisme overwoog hij, dat het
niet verboden was iemand te redden, wanneer men zich zelf opofferde.
Hij verhief de stem en sprak:
"Enjolras en Combeferre hebben gelijk; geen nuttelooze offers. Ik voeg
mij bij hen, en men moet zich haasten. Combeferre heeft u gezegd,
zooals het inderdaad is. Er zijn er onder u, die gezinnen, moeders,
zusters, vrouwen en kinderen hebben. Dat deze de gelederen verlaten!"
Niemand verroerde zich.
"De getrouwde mannen en de verzorgers der huisgezinnen treden uit
het gelid!" herhaalde Marius.
Zijn gezag was groot. Enjolras was wel het opperhoofd der barricade,
maar Marius was er de redder van.
"Ik beveel het," riep Enjolras.
"Ik verzoek het," zei Marius.
Toen, door Combeferre's woorden verteederd, door 't bevel van Enjolras
geschokt en door Marius' bede bewogen, begonnen deze heldhaftige
mannen de een den ander te verraden. "Inderdaad," zei een jongeling
tot een bejaard man, "gij zijt huisvader. Ga"--"Ga gij veeleer,"
antwoordde de man, "gij hebt twee zusters te onderhouden."--En een
wonderbare strijd ontstond. De een wilde zich niet door den ander
uit de poort des grafs laten zetten.
"Haasten wij ons," zei Courfeyrac, "binnen een kwartier zal het te
laat zijn."
"Burgers," hernam Enjolras, "'t is hier de republiek, en het algemeen
stemrecht geldt. Wijst zelf degenen aan, die zich verwijderen moeten."
Men gehoorzaamde. Na verloop van vijf minuten waren vijf man met
eenparige stemmen aangewezen en traden uit de gelederen.
"Er zijn vijf man!" riep Marius.
Er waren slechts vier uniformen.
"Welnu," zeiden de vijf, "dan moet er één blijven."
En opnieuw begon de edelmoedige strijd wie blijven zou, en wie voor
de anderen redenen zou vinden om niet te blijven.
"Gij hebt een vrouw, die u bemint."--"Gij hebt een oude moeder."--"Gij
hebt geene ouders meer, wat zal van uw drie broertjes worden?"--"Gij
zijt vader van vijf kinderen."--"Gij hebt recht te leven; ge zijt
eerst zeventien jaren oud, dit is te jong om te sterven."
Deze groote revolutionnaire barricaden waren verzamelplaatsen van
heldendaden. Het onwaarschijnlijke was er eenvoudig. Deze mannen
verwonderden zich volstrekt niet over elkander.
"Haast u!" herhaalde Courfeyrac.
Uit de groepen riep men tot Marius:
"Wijs gij dengene aan, die blijven moet."
"Ja," zeiden de vijf, "kies gij. Wij zullen u gehoorzamen."
Marius dacht niet, dat hij nog voor eenige aandoening vatbaar was;
maar bij deze gedachte: iemand voor den dood te kiezen, stroomde al
zijn bloed naar zijn hart terug. Hij zou verbleekt zijn, zoo hij nog
bleeker had kunnen worden.
Hij naderde de vijf, die hem toelachten, en ieder, met het oog vol van
die bovenaardsche vlam, welke men in de geschiedenis der Thermopylen
ziet, riep hem toe:
"Mij! mij! mij!"
En verlegen telde Marius hen; zij waren steeds vijf! Toen sloeg hij
zijn blik op de vier uniformen.
In hetzelfde oogenblik viel als uit den hemel een vijfde uniform op
de vier andere.
De vijfde man was gered.
Marius zag op en herkende den heer Fauchelevent.
Jean Valjean was juist de barricade binnengegaan.
Hij kwam, hetzij dat hij inlichtingen had verkregen, hetzij uit
instinct of bij toeval, door de steeg Mondétour.
Uithoofde zijner uniform van nationale garde had hij gemakkelijk
kunnen doorkomen.
De schildwacht, dien de opstandelingen in de straat Mondétour hadden
geplaatst, behoefde niet voor een enkelen nationale garde alarm te
maken. Hij had hem de straat laten ingaan, bij zich zelven zeggende: 't
is waarschijnlijk versterking, en in 't ergste geval een gevangene. Het
oogenblik was te gewichtig dan dat de schildwacht voor dezen enkelen
man zijn post verlaten zou hebben.
Toen Jean Valjean de vesting binnenging had niemand hem opgemerkt,
want aller oogen waren op de vijf gekozenen en op de vier uniformen
gericht. Jean Valjean had gezien en gehoord; hij had stil zijn rok
uitgetrokken en hem op den hoop der anderen geworpen.
De opschudding was onbeschrijfelijk.
"Wie is deze man?" vroeg Bossuet.
"'t Is," antwoordde Combeferre, "een man, die anderen redt."
Marius voegde er met ernstige stem bij:
"Ik ken hem."
Deze waarborg was voor allen voldoende.
Enjolras wendde zich tot Jean Valjean:
"Wees welkom, burger."
En hij voegde er bij:
"Gij weet dat men hier sterven moet."
Zonder te antwoorden hielp Jean Valjean den opstandeling zijn uniform
aantrekken.
VIJFDE HOOFDSTUK.
WELKEN HORIZONT MEN VAN DE KRUIN DER BARRICADE ZIET.
De toestand van allen, in dit noodlottig uur en op deze plaats zonder
erbarmen, had de diepe droefgeestigheid van Enjolras opgewekt en ten
top gevoerd.
Enjolras was geheel vervuld van de revolutie, hij was echter zoo
onvolledig als het absolute wezen kan; hij had te veel van Saint
Just en te weinig van Anacharsis Clootz; evenwel was zijn geest,
in het genootschap der vrienden van het A B C, eindelijk eenigszins
naar de denkbeelden van Combeferre gaan overhellen; sedert eenigen
tijd verliet hij allengs den bekrompen vorm van het dogma en gaf
zich over aan de uitbreidingen van den vooruitgang, zoodat hij er
toe was gekomen, aan de eindelijke en gezegende herschepping der
groote Fransche republiek in een groote algemeene menschenrepubliek
te gelooven. Wat de middelen betreft, achtte hij bij een geweldigen
toestand ook geweldige middelen noodig; hierin was hij niet veranderd,
en hij behoorde nog altijd tot die vreeselijke en geduchte school,
welke in het woord 1793 is samengevat.
Enjolras stond op de steenen trap, en rustte met den elleboog op den
loop zijner karabijn. Hij peinsde, hij huiverde, alsof een windvlaag
over hem toog; plaatsen, waar de dood tegenwoordig is, hebben
dergelijke uitwerking. Uit zijn oogen, die door een inwendigen blik
bezield werden, schoot een dof vuur. Eensklaps richtte hij het hoofd
op, zijn blond haar golfde naar achter, als dat van het sterrenbeeld
den engel, en geleek op de manen van een woesten leeuw. Enjolras riep: